HR, 12-02-2008, nr. 00785/07 E
ECLI:NL:HR:2008:BC0810
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
12-02-2008
- Zaaknummer
00785/07 E
- LJN
BC0810
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Internationaal strafrecht (V)
Milieurecht (V)
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2008:BC0810, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 12‑02‑2008
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC0810
ECLI:NL:HR:2008:BC0810, Uitspraak, Hoge Raad, 12‑02‑2008; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BC0810
Beroepschrift, Hoge Raad, 02‑07‑2007
- Wetingang
- Vindplaatsen
NbSr 2008/113
Conclusie 12‑02‑2008
Inhoudsindicatie
Art. 359.2 Sv. Wet milieugevaarlijke stoffen. Het betoog van de raadsman gehouden ttz. in hoger beroep stelt onder meer de rechtsvraag aan de orde of het “ter beschikking stellen” i.d.z.v. art. 34.1 Wet milieugevaarlijke stoffen moet worden uitgelegd als “op de markt brengen in Nederland”. Daarmee is een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt i.d.z.v. art. 359.2 Sv ingenomen. Bij niet aanvaarding dienen in het bijzonder de redenen die daartoe hebben geleid in het vonnis of arrest te zijn opgenomen. Daarom had het Hof behoren te motiveren waarom het van oordeel was dat de genoemde vraag ontkennend diende te worden beantwoord. De daarop gerichte klacht is dan ook terecht voorgesteld. Dat behoeft echter niet tot cassatie te leiden. De aan het verweer ten grondslag liggende opvatting is in strijd met wat de wetgever met het gebruik van de term “ter beschikking stellen” heeft beoogd. De strekking van art. 34.1 Wms komt erop neer dat uit een oogpunt van een effectieve bescherming van mens en milieu tegen gevaarlijke stoffen bij elke vorm van aanbieden of vervreemden van zo’n stof aan de etiketteringsplicht moet zijn voldaan, opdat ook degene die niet ter zake kundig is op de mogelijke gevaren van de stof wordt geattendeerd. Daarbij is niet van belang of het ter beschikking stellen is gebeurd met het oog op de uitvoer naar het buitenland.
Nr. 00785/07 E
Mr. Bleichrodt
Zitting 13 november 2007
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft de verdachte op 24 oktober 2006 veroordeeld tot een geldboete van € 10.000, waarvan € 5000 voorwaardelijk wegens 1. "overtreding van ene voorschrift, gesteld bij artikel 10.60, eerste lid van de Wet Milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd" en tot een geldboete van € 5.000, waarvan € 2.500 voorwaardelijk wegens 3. "overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 34 van de Wet milieugevaarlijke stoffen, begaan door een rechtspersoon", waarbij de proeftijd telkens is bepaald op twee jaar.
2. De verdachte heeft cassatie ingesteld. Mr. B.J.M. Veldhoven, advocaat te 's-Gravenhage, heeft een schriftuur ingezonden, houdende vijf middelen van cassatie.
3.1 Het eerste middel houdt de klacht in dat het Hof in strijd met art. 359, tweede lid, Sv niet of onvoldoende gemotiveerd heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de rubbervellen ('rubbercompounds') die bij verdachte zijn aangetroffen geen "afvalstof" zijn, maar een "bijproduct", waarop de in de tenlastelegging genoemde EEG-Verordening niet van toepassing is.
Het tweede middel klaagt erover dat het Hof bij zijn oordeel dat sprake is van een afvalstof een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd door kennelijk doorslaggevend te achten of de vellen voor de houder niet meer bruikbaar waren. De middelen, die beide betrekking hebben op feit 1, lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
3.2. Het Hof heeft ten laste van de verdachte onder 1 bewezen verklaard dat hij:
"op tijdstippen gelegen in de periode van 1 mei 2002 tot en met 15 april 2003 te Amsterdam, opzettelijk handelingen heeft verricht als bedoeld in artikel 26 lid 1 van de EEG-Verordening overbrenging van afvalstoffen, door toen en daar een hoeveelheid voor nuttige toepassing en/of verwijdering bestemde rubbervellen en roetmixen naar Indonesië over te brengen, welke overbrenging geschiedde zonder kennisgeving aan betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomstig de EEG-Verordening overbrenging van afvalstoffen;
3.3. Het bestreden arrest houdt - voor zover hier van belang - het volgende in:
"De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting allereerst ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat rubbervellen aan te merken zijn als nevenproduct en grondstof en ten onrechte gekwalificeerd worden als een afvalstof. Uit de door de raadsman overgelegde schriftelijke verklaring van [betrokkene 1], Group Purchasing Manager bij [bedrijf A], opgemaakt op 29 september 2006, blijkt namelijk dat de rubber compounds moeten worden aangemerkt als een bijproduct dat een voortzetting is van het productieproces bij [bedrijf A]. Deze stoffen ondergaan geen verdere bewerking en zijn dus als zodanig geschikt als grondstof te worden ingezet.
Ten tweede voert de raadsman aan dat de tenlastegelegde roetmixen niet zijn overgebracht naar Indonesië in de zin van de verordening 259/93 en voorts dat roet geen afvalstof is. De roetmixen hebben een korrelgrootte die afwijkt van de korrelgrootte van het roet dat [bedrijf A] als grondstof gebruikt als kleurstof in de cocktail. Roet heeft een positieve economische waarde en hoeft niet verder bewerkt te worden en is als product afzetbaar.
(...)
Het hof overweegt als volgt.
Het hof zal voor het antwoord op de vraag of in het onderhavige geval sprake is van afvalstoffen aansluiting zoeken bij de Richtlijn 75/442/EEG van 15 juli 1975, Kaderrichtlijn Afvalstoffen, zoals gewijzigd bij de Richtlijn 91/156/EEG van 18 maart 1991 en bij hetgeen het Europese hof in zijn arrest van 15 juni 2000 (AB 2000, 311) ten aanzien van de Richtlijn heeft overwogen.
Artikel 1 van de Richtlijn 91/156/EEG luidt - voor zover hier van belang -:
In deze richtlijn wordt verstaan onder:
a ) "afvalstof": elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.
Bijlage I bij de Richtlijn 91/156/EEG luidt - voor zover hier van belang -:
Categorieën afvalstoffen:
Q14 Produkten die voor de houder niet of niet meer bruikbaar zijn (bij voorbeeld artikelen die zijn afgedankt door landbouw, huishoudens, kantoren, winkels, bedrijven enz.).
Q16 Alle stoffen, materialen of produkten die niet onder de hierboven vermelde categorieën vallen.
Voor het antwoord op de vraag of de bij de verdachte aangetroffen rubber compounds als afvalstoffen moeten worden beschouwd in de zin van de Richtlijn 91/156/EEG en de Wet Milieubeheer, acht het hof de ter terechtzitting afgelegde getuigenverklaring van [betrokkene 2], milieu-medewerker van [bedrijf A te plaats A], van belang.
[Betrokkene 2] heeft ter terechtzitting uiteengezet dat bij [bedrijf A] rubbervellen worden gemaakt die gebruikt worden voor de fabricage van autobanden. Bij de monsterneming tijdens dit proces kan blijken dat sommige delen van de rubbervellen niet voldoen aan de strenge kwaliteitseisen die [bedrijf A] aan zijn A-kwaliteit banden stelt. Indien dit het geval is wordt opnieuw een cocktail gemaakt waarmee een B-kwaliteit band wordt geproduceerd. Indien rubber voor A-, noch voor B-kwaliteit geschikt is, heeft het voor [bedrijf A] geen waarde meer en ontdoet zij zich van deze stukken rubbervellen. [bedrijf A] beoogt niet van die rubbervellen enig ander product te maken en heeft ook geen technische voorzieningen om de resterende rubbervellen voor verdere verkoop geschikt te maken. Enkel en alleen voor het vervoer van de afgekeurde stukken rubber wordt deze opnieuw gemengd en uitgerold, zodat het in een compacte vorm vervoerd kan worden. Tussen de vellen wordt dan een laagje zeep aangebracht om te voorkomen dat de vellen aan elkaar blijven plakken.
Gelet op hetgeen in Bijlage I bij de Richtlijn 91/156/EEG in de Categorieën afvalstoffen, onder Q14 wordt beschreven in combinatie met de hierboven beschreven gang van zaken bij [bedrijf A], acht het hof de rubbervellen die bij verdachte in beslag zijn genomen te kwalificeren als een produkt die voor de houder ([bedrijf A]) niet of niet meer bruikbaar zijn. De omstandigheid dat verdachte de rubbervellen, met het oog op hergebruik, naar Indonesië heeft geëxporteerd doet aan de kwalificatie van de vellen als afvalstof niet af. Ditzelfde geldt voor de beoordeling van de roetmixen. Bij [bedrijf A] is verwerking van de bij verdachte aangetroffen roetmixen niet mogelijk en zij hebben voor [bedrijf A] geen waarde.
De conclusie van het hof dat de bij verdachte aangetroffen rubbervellen en roetmixen moeten worden beschouwd als afvalstof, sluit ook in het algemeen aan bij de ratio van de Richtlijn 75/442/EEG en van de Wet Milieubeheer. Met die regelingen wordt immers onder meer beoogd dat de overheid toezicht kan houden op het transport, de wijze van opslag, de bestemming en de eventuele (wijze van) recycling van afgedankte stoffen, alles ter voorkoming van schade aan het milieu."
3.4 De tenlastelegging is toegesneden op art. 10.60 van de Wet milieubeheer (Wmb). Dit artikel luidde ten tijde van de tenlastegelegde gedragingen als volgt:
"1. Het is verboden handelingen te verrichten als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de EEG-verordening overbrenging van afvalstoffen. (...)"
"1. Als sluikhandel wordt beschouwd elke overbrenging van afvalstoffen die:
a) geschiedt zonder kennisgeving aan alle betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomstig deze verordening. (...)"
Kort gezegd houdt de EVOA onder meer voor het overbrengen van afvalstoffen naar het buitenland voorschriften in, die onder andere zien op het in kennis stellen van de bevoegde autoriteiten van verzending.
De Verordening maakt onderscheid tussen ontvangende landen die EG-lidstaat zijn en landen die dat niet zijn. Voor bepaalde bestemmingen, zoals landen in Afrika, gelden vanuit een milieubeschermingsoogpunt, strengere eisen dan voor andere landen. De Verordening kent een aantal categorieën afvalstoffen, waarbij het (milieu)gevaarlijke karakter van de stof doorslaggevend is. In de bijlagen bij de Verordening is een groot aantal stoffen opgenomen, onderverdeeld in een 'groene lijst' (bijlage II)(1), een 'oranje lijst' (bijlage III) en een 'rode lijst' (bijlage IV). Voor elke lijst geldt een ander beleid.
In bijlage B van de Verordening 1547/1999 van de Commissie van 12 juli 1999, Pb EG 1999, L 185/1 is bepaald dat voor het overbrengen van een groot aantal afvalstoffen van de 'groene lijst' naar Indonesië de procedure van de 'rode lijst' geldt.(2)
3.5 In hoger beroep ging het om de vraag of hier überhaupt wel sprake was van afvalstoffen. Die vraag is door het Hof bevestigend beantwoord welk oordeel in de middelen wordt bestreden.
Voor wat betreft het begrip "afvalstof" verwijst de EVOA in art. 2a naar de Richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 PbEG 1975,L 194/39 betreffende afvalstoffen, zoals nadien gewijzigd.
Art .1 van de Richtlijn 75/442/EEG (verder: de Richtlijn) houdt onder meer in:
"In deze richtlijn wordt verstaan onder:
a) 'afvalstof': elke stof of voorwerp behorende tot de in bijlage I genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.
Bijlage I bij de Richtlijn houdt een aantal categorieën afvalstoffen in, waaronder:
"Q 10 Residuen van de fabricage/bewerking van producten (bij voorbeeld bij het draaien of frezen overgebleven residuen enz.) (...)
Q 14 Produkten die voor de houder niet of niet meer bruikbaar zijn (bij voorbeeld artikelen die zijn afgedankt door landbouw, huishoudens, kantoren, winkels, bedrijven enz.) (...)
Q 16 Alle stoffen of materialen of produkten die niet onder de hierboven vermelde categorieën vallen."
3.6 Voor zover het eerste middel de klacht behelst dat het Hof niet gemotiveerd heeft beslist op het gevoerde verweer, mist het feitelijke grondslag. Het Hof heeft immers uitvoerig gereageerd op dit verweer, zoals uit wat ik hiervoor onder 3.3 heb weergegeven moge blijken.
De klacht dat het Hof daarbij niet expliciet is ingegaan op een aantal stukken van het dossier faalt. De selectie en waardering van het materiaal komt toe aan het Hof als feitenrechter. Op grond van - door hem betrouwbaar geachte - verklaringen heeft het Hof de gang van zaken vastgesteld en deze betrokken bij zijn verwerping van het verweer.(3)
Beslissend is of 's Hofs oordeel in het licht van het gevoerde verweer, met inbegrip van de stukken waarop in het kader daarvan een beroep is gedaan, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of onbegrijpelijk is.
Ik voeg aan het voorgaande nog toe dat voor zover door de verdediging in hoger beroep feiten zijn aangevoerd die door het Hof in het midden zijn gelaten, in cassatie van die feiten zal moeten worden uitgegaan, waarmee uiteraard nog niet gezegd is dat die feiten in casu ook relevant zijn.
3.7 Het Hof is terecht uitgegaan van het begrip "afvalstof" zoals omschreven in de Richtlijn en van wat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap (HvJ EG) in zijn jurisprudentie daarover heeft beslist.(4) Het Hof heeft daarbij een beroep gedaan op het arrest inzake Arco Chemie (HvJEG 15 juni 2006, C-418/97, AB 2000, 311).
In het middel wordt in aansluiting op het gevoerde verweer een beroep gedaan op de latere arresten van het HvJEG in de zaken C-9/00 van 18 april 2002 (Palin Granit Oy), NJ 2002,461 en C-114/01 van 11 september 2003 (Avesta Polarit).
3.8 In de uitleg die het HvJ EG aan het begrip afvalstoffen heeft gegeven staat centraal de vraag of sprake is van een stof waarvan de houder zich ontdoet, dan wel zich wil of moet ontdoen. Het "zich ontdoen" kan plaatsvinden in de vorm van verwijderen (bijlage II A) en van het nuttig toepassen (bijlage II).
Het HvJ EG staat een ruime interpretatie van het begrip "afvalstof" voor. Voor de vraag of sprake is van een afvalstof moet worden gelet op alle omstandigheden. Telkens wordt ook benadrukt dat rekening moet worden gehouden met de doelstelling van Richtlijn 75/422 en dat ervoor moet worden gewaakt dat geen inbreuk wordt gemaakt op de doeltreffendheid ervan.
3.9 In het arrest Arco Chemie zijn als doorslaggevende criteria afgewezen de voordien in Nederland gehanteerde zogenaamde "niet- van-toepassings-criteria." Die kwamen hier op neer dat stoffen geen afvalstoffen zijn indien ze zonder (ingrijpende) bewerking op milieuhygiënisch verantwoorde wijze volledig kunnen worden benut. De toekomstige bestemming is volgens het Hof "niet van invloed" (vgl. § 64 e.v.).
In de latere arresten waarop het middel zich beroept (Palin en Avesta Polarit) is het Hof niet teruggekomen op het arrest inzake Arco Chemie. Integendeel dat arrest is het uitgangspunt van de redenering.
Wel is er sprake van een zekere nuancering, maar die gaat niet zover dat, zoals is aangevoerd, ingeval er voor de stof afzet aanwezig is en er een nuttige toepassing als grondstof voor bestaat (en zij een economische waarde vertegenwoordigt) dat meebrengt dat zij geen afvalstof meer kan zijn. Dat een zodanig betoog niet opgaat, volgt uit § 46 van Palin Granit.
Dat de definitie van het begrip "afvalstof" in essentie draait om het begrip "zich ontdoen van" betekent dat de aard van de stof) is de stof gevaarlijk voor het milieu) of de bruikbaarheid ervan (kan de stof worden hergebruikt?) op zichzelf niet doorslaggevend is. Elke stof kan in beginsel een afvalstof zijn, omdat elke stof door de bezitter ervan kan worden afgedankt. Dit betekent ook dat zelfs wanneer een bepaald materiaal op zichzelf voldoet aan de door het HvJ EG vastgestelde criteria om als een bijproduct en niet als afvalstof te worden beschouwd (zie hierna), het materiaal, als men er zich in de praktijk van ontdoet in de zin van de Richtlijn toch als afvalstof moet worden beschouwd en behandeld.(5)
3.10 De jurisprudentie van het HvJEG geeft geen pasklare definitie of scherpe criteria.
De nuancering die in de arresten Palin Granit Oy en Avesta Polarit is aangebracht, heeft betrekking op zogenaamde productresiduen die onder omstandigheden als een bijproduct kunnen worden beschouwd. Het gaat bij de term "bijproduct" overigens niet om een wettelijk begrip.
In vervolg op bovengenoemde uitspraken heeft het HvJEG in zijn beschikking van 15 januari 2004, C-235/02, AB 2004, 273 (Saetti en Frediani) zijn standpunt voor wat betreft bijproducten nog eens samengevat en daarbij het volgende overwogen:
"33. De inhoud van het begrip afvalstof hangt af van de betekenis van de term zich ontdoen, die wordt gebruikt in art. 1 sub a richtlijn 75/442. Het Hof heeft verduidelijkt dat het verrichten van een in bijlage II A of II B bij richtlijn 75/442 genoemde handeling op zich niet volstaat om een stof of een voorwerp als afvalstof aan te merken en dat, omgekeerd, het begrip afvalstof voorwerpen of stoffen die voor economisch hergebruik geschikt zijn, niet uitsluit. Het bij richtlijn 75/442 ingevoerde stelsel van toezicht en beheer, beoogt immers alle voorwerpen en stoffen te omvatten waarvan de eigenaar zich ontdoet, zelfs al hebben zij een commerciële waarde en worden zij voor handelsdoeleinden opgehaald met het oog op recycling, terugwinning of hergebruik (zie met name arrest van 18 april 2002, Palin Granit en Vehmassalon kansanterveystyön kuntayhtymän hallitus, C-9/00, Jur. p. I-3533; hierna: arrest Palin Granit, punten 22, 27, en 29).
34. Bepaalde omstandigheden kunnen een aanwijzing zijn voor een handeling, een voornemen of een verplichting om zich van een stof of een voorwerp te ontdoen in de zin van art. 1 sub a richtlijn 75/442. Dat is met name het geval wanneer de gebruikte stof een productieresidu is, dat wil zeggen een product dat niet als zodanig was beoogd (arrest van 15 juni 2000, ARCO Chemie Nederland e.a., C-418/97 en C-419/97, Jur. p. I-4475, punt 84). Het Hof heeft dan ook verduidelijkt dat bij winning vrijgekomen ganggesteente van een granietgroeve, dat niet het in eerste instantie door de exploitant beoogde product vormt, in beginsel een afvalstof vormt (arrest Palin Granit, punten 32 en 33).
35. Niettemin is een analyse aanvaardbaar volgens welke goederen, materialen of grondstoffen die vrijkomen bij productieprocessen of delvingen die niet in de eerste plaats op de winning daarvan zijn gericht, mogelijk geen residu vormen, maar een bijproduct waarvan de onderneming zich [niet] wil ontdoen in de zin van art. 1 sub a eerste alinea richtlijn 75/442, maar dat zij in een later stadium, in voor haar gunstige omstandigheden, wil exploiteren of op de markt brengen zonder voorafgaande bewerking. Een dergelijke analyse is immers niet in strijd met de doelstellingen van richtlijn 75/442 omdat er geen enkele rechtvaardigingsgrond is om de bepalingen daarvan, die zijn bedoeld om verwijdering of nuttige toepassing van afvalstoffen te verzekeren, toe te passen op goederen, materialen of grondstoffen die, los van enige bewerking, economisch gezien de waarde van producten hebben en als zodanig zijn onderworpen aan de wettelijke regeling die op deze producten van toepassing is (arrest Palin Granit, punten 34 en 35).
36. Gelet echter op de verplichting om het begrip afvalstoffen ruim uit te leggen teneinde de nadelen en de schadelijke gevolgen die deze stoffen naar hun aard met zich brengen, te beperken, moet deze redenering met betrekking tot bijproducten alleen worden gevolgd voor situaties waarin hergebruik van een goed, materiaal of grondstof niet slechts mogelijk, maar zeker is, zonder voorafgaande bewerking en als voortzetting van het productieproces (arrest Palin Granit, punt 36).
37. Naast de hoedanigheid van productieresidu van een stof vormt dus de mate waarin het waarschijnlijk is dat deze stof zonder voorafgaande bewerking wordt hergebruikt, een tweede criterium dat relevant is om te beoordelen of het om een afvalstof in de zin van richtlijn 75/442 gaat. Wanneer er, naast de mogelijkheid om de stof te hergebruiken, voor de houder een economisch voordeel is om dit ook te doen, is de waarschijnlijkheid van een dergelijk hergebruik groot. In een dergelijk geval kan de betrokken stof niet meer worden beschouwd als een last waarvan de houder zich wil ontdoen, maar is zij een echt product (arrest Palin Granit, punt 37).
38. Zo heeft het Hof geoordeeld dat indien ganggesteente dat een residu van mijnbouw vormt, rechtmatig zonder voorafgaande bewerking in het productieproces wordt gebruikt voor de noodzakelijke opvulling van de mijngangen, dit niet kan worden beschouwd als een stof waarvan de exploitant zich ontdoet of waarvan hij voornemens is zich te ontdoen, aangezien hij die stof juist nodig heeft voor zijn hoofdactiviteit, mits hij evenwel afdoende garanties geeft voor de identificatie en het daadwerkelijke gebruik van genoemde stof (arrest van 11 september 2003, AvestaPolarit Chrome C-114/01, Jur.p. I-0000, punten 36-39 en 43).
39. Andere aanwijzingen dat het om een afvalstof in de zin van art. 1 sub a richtlijn 75/442 gaat, blijken eventueel uit de omstandigheid dat de methode voor de verwerking van de betrokken stof een gangbare wijze van verwerking van afvalstoffen is of dat de maatschappij genoemde stof als een afvalstof aanmerkt, en uit de omstandigheid dat, wanneer het om een productieresidu gaat, de stof voor geen enkel ander gebruik dan verwijdering in aanmerking kan komen of dat voor het gebruik bijzondere voorzorgsmaatregelen voor het milieu moeten worden getroffen (arrest ARCO Chemie Nederland e.a., reeds aangehaald, punten 69-72, 86 en 87).
40. Deze elementen zijn evenwel niet noodzakelijkerwijs doorslaggevend, en of er werkelijk sprake is van een afvalstof moet worden nagegaan aan de hand van alle omstandigheden, rekening houdend met de doelstelling van de richtlijn en zonder afbreuk te doen aan de doeltreffendheid van deze laatste (arrest ARCO Chemie Nederland e.a., reeds aangehaald, punt 88)."
3.11 Het ging in die zaak om petroleumcokes die bij het raffinageproces vrijkwamen en die in het betrokken bedrijf werden gebruikt als hoofdbestanddeel van de brandstof voor de geïntegreerde cogeneratiecentrale. Dat vrijkomen was het gevolg van een technische keuze (zij het dat de cokes niet behoorden tot de in de eerste plaats beoogde producten). Daarom konden de petroleumcokes niet worden beschouwd als een productresidu als bedoeld in § 34, dat wil zeggen als een product dat niet als zodanig was beoogd. Productresiduen zijn stoffen die onvermijdelijk ontstaan
Verdedigd is dat de criteria van § 36 alleen gelden voor - van productresiduen te onderscheiden - bijproducten.(6) Anders gezegd: als iets een productresidu is komt men aan de vraag of is voldaan aan de voorwaarden van "de mate van waarschijnlijkheid van hergebruik zonder voorafgaande bewerking in het kader van de voortzetting van het productieproces ", niet toe. Daarvóór spreekt dat een uitdrukkelijk onderscheid wordt gemaakt tussen residuen en bijproducten en dat in § 36 alleen wordt gesproken van bijproducten. Aan de andere kant wordt in § 34 de hoedanigheid van productresidu uitsluitend als een aanwijzing voor de status van afvalstof aangemerkt, terwijl in § 37 wordt gesproken van een tweede "criterium" naast de hoedanigheid van productieresidu. Kortom, het lijkt mij niet aannemelijk dat het enkele feit dat sprake is van een productresidu aan de toepassing van de Palin-rechtspraak in de weg staat.(7)
3.12 Uit de door het Hof vastgestelde feiten volgt dat de rubbervellen afkomstig waren van [bedrijf A]. [bedrijf A] houdt bij de productie van rubberen banden rubbercompounds over die niet voldoen aan de eisen die [bedrijf A] aan zijn A-kwaliteit banden stelt. In dat geval wordt opnieuw een cocktail gemaakt met het oog op de productie van banden van een B-kwaliteit. Indien rubber noch voor A- noch voor B-kwaliteit banden geschikt is, hebben de desbetreffende vellen voor [bedrijf A] geen waarde en stoot zij deze af. [bedrijf A] beoogt niet van deze rubbervellen enig ander product te maken en heeft ook geen technische voorzieningen om de resterende rubbervellen voor verdere verkoop geschikt te maken. De vellen worden slechts opnieuw gemengd en uitgerold met het oog op het vervoer daarvan in compacte vorm. Voor de voor [bedrijf A] niet bruikbare roetmixen geldt mutatis mutandis hetzelfde: bij [bedrijf A] is verwerking niet mogelijk en zij hebben voor [bedrijf A] geen waarde.
Zoals in 3.6 opgemerkt moet verder in cassatie worden uitgegaan van de door de verdediging in hoger beroep aangevoerde feiten die het Hof in het midden heeft gelaten.(8)
Gesteld is blijkens de pleitnota dat, anders dan de Rechtbank oordeelde, de omstandigheid dat de rubbervellen in Indonesië zonder nadere bewerking als grondstof voor diverse productieprocessen kan worden gebruikt van belang is en dat de Indonesische autoriteiten de rubbervellen niet als afvalstoffen aanmerken en dus de import ervan goedkeuren.(9)
3.13 In de eerste plaats gaat het mijns inziens dus onmiskenbaar niet om een - (mede) beoogd - productieresultaat en daarom, ander dan door de verdediging is betoogd, niet om een bijproduct maar om een productresidu. Dat is in ieder geval een aanwijzing dat van een afvalstof sprake is.
Aangenomen dat de door het HvJEG in paragraaf 36 van de hierboven weergegeven beschikking genoemde eisen onder omstandigheden mede kunnen worden toegepast op residuen moet cumulatief zijn voldaan aan de volgende voorwaarden:
(i) er moet sprake zijn van een situatie waarin hergebruik zonder voorafgaande bewerking van een goed, materiaal of grondstof niet slechts mogelijk, maar ook zeker is, en wel
(ii) als voortzetting van het productieproces.
3.14 Voor wat betreft de tweede voorwaarde wijs ik erop dat in de zaak Saetti de petroleumcokes in de eigen centrale werden gebruikt, terwijl het in Avesta Polarit ging om ganggesteente dat gebruikt werd als noodzakelijke opvulling van de mijngangen, waarbij de betrokkene die stoffen nodig had voor zijn hoofdactiviteit.
Aangenomen echter dat gebruik niet altijd in de eigen onderneming behoeft plaats te vinden(10), moet er mijns inziens in ieder geval wel sprake zijn van een zekere samenhang of continuïteit. [bedrijf A] gebruikte het materiaal niet zelf in haar bedrijf en had ook geen vaste relatie met een ander verwerkend bedrijf. Het Hof heeft vastgesteld dat [bedrijf A] geen "vaste afvalstroom heeft noch vaste afspraken met afnemers" (11). Wat het begrip " als voortzetting van het productieproces" ook precies moge inhouden, hier zal daarvan toch moeilijk kunnen worden gesproken.
3.15 Uit het voorgaande vloeit verder voort dat [bedrijf A] geen enkel zicht had op wat er met de rubber - die voor haar geen waarde had en waar zij vanaf wilde(12) - gebeurde, nadat dat aan verschillende afnemers zoals de verdachte, was verkocht. Verdachte trad slechts op als tussenpersoon, ging zelf niet tot hergebruik over, maar zette het materiaal in Indonesië af. Vanuit het gezichtspunt van [bedrijf A] gezien, kan dan ook geen zekerheid hebben bestaan dat hergebruik zonder voorafgaande bewerking zou plaatsvinden, laat staan dat het gebruik van alle rubber zeker was (dat was anders in Saetti; zie ook § 45).
Beslissend is in een geval als dit de situatie waarin [bedrijf A], het bedrijf waarvan het materiaal afkomstig is, verkeert en om zijn intentie. Dus waar de eerste schakel in de keten gelet op alle omstandigheden kennelijk op uit was. Dit komt ook tot uitdrukking in de rechtspraak van de Hoge Raad. (13)
3.16 Tegen deze achtergrond getuigt 's Hofs oordeel dat [bedrijf A] zich van de rubbervellen wilde ontdoen (en heeft ontdaan) en dat dus sprake is van "afvalstoffen" als bedoeld in Richtlijn 75/442/EEG niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is evenmin onbegrijpelijk.
Daaraan doet niet af wat in de toelichting op het eerste middel in overeenstemming met het gevoerde verweer wordt gesteld te weten dat [bedrijf A] de rubbervellen aan verdachte verkocht, de omstandigheid dat de Indonesische koper op zijn beurt voor de vellen aan verdachte betaalde, het feit dat de vellen geschikt waren om zonder nadere bewerking te dienen als grondstof voor rubbermatten en andere producten en de omstandigheid dat voor de rubbervellen een zekere, door de Indonesische autoriteiten toegelaten, afzetmarkt bestond.
3.17 Het eerste en het tweede middel falen.
4.1 Het derde middel bevat de klacht dat het Hof niet heeft geantwoord op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat de in de tenlastelegging bedoelde roetmixen nooit naar Indonesië zijn overgebracht, omdat de roetmix al door het Openbaar Ministerie in beslag is genomen voordat verdachte er ooit de beschikking over heeft gekregen.
4.2 De pleitnota in hoger beroep houdt onder meer het volgende in:
"Met betrekking tot de roetmix dient nog het volgende naar voren worden gebracht:
De rechtbank acht o.a. bewezen (zie pagina 3 van het vonnis onder 3.3.), dat in de periode van 1 mei 2002 tot en met 15 april 2003 roetmix zou zijn overgebracht zonder EVOA-kennisgeving naar Indonesië.
Uit het onderzoek ter terechtzitting blijkt dat het roet (door de verbalisanten aangeduid als roetmix) reeds voordat deze onder de beschikkingsmacht kwam van [verdachte] door toedoen van het Openbaar Ministerie was teruggestuurd naar [bedrijf A].
[verdachte] verklaart daarover:
Ons inziens wordt ten onrechte ten laste gelegd hetgeen het O.M. de naam "roetmixen" heeft gegeven.
Deze partij werd
1) geblokkeerd door [betrokkene 3] (KLPD) nog voordat ik deze partij had gezien, laat staat goed kon keuren voor vrijgave en verder transport
2) door [betrokkene 3] geretourneerd naar [bedrijf A te plaats A].
Dat er roet in een andere periode dan de onderhavige zou zijn overgebracht blijkt evenmin uit het dossier. Dus primair wordt bestreden dat er roet is overgebracht in de zin van de Verordening 259/93."
4.3 Het Hof heeft op dit verweer niet expliciet gereageerd. Even aannemende dat hier sprake is van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, ligt de verwerping van het verweer echter in de bewijsmiddelen besloten.(14) Daaruit volgt immers dat [verdachte] B.V. op 23 januari 2003 (bewijsmiddel 6) en 27 februari 2003 (bewijsmiddel 7) telefonisch contact heeft gehad met transportbedrijf [bedrijf B] Een telefoonnotitie van 23 januari 2003 houdt in dat bij [bedrijf A] pallets met rubbercompounds en vaten met roet dienden te worden afgehaald. Dat is, blijkens dezelfde notitie, kennelijk op 24 februari(15) 2003, gebeurd ("pallets opgehaald bij [bedrijf A] en alles opgeslagen op terrein [bedrijf B]"). De notitie van 27 februari 2003 betreft "ca 15 pallets inh. vaten roet, etc = Amsterdam" en "2 pallets rubber compound = [vestigingsplaats]". De notitie houdt voorts in dat op 4 maart 2003 16 pallets zijn afgehaald bij [bedrijf A] en gelost bij [bedrijf B], terwijl op 6 maart 2003 twee pallets zijn gelost in [vestigingsplaats]. Uit deze bewijsmiddelen volgt dat verdachte opdracht heeft gegeven diverse pallets, onder meer inhoudende de roetmixen, te vervoeren, hetzij van de [bedrijf A]fabriek naar de opslagplaats van [bedrijf B] in Amsterdam, hetzij naar zijn eigen bedrijf in [vestigingsplaats].
Verder houdt bewijsmiddel 5, een factuur van [bedrijf A] aan [verdachte] te [vestigingsplaats] in dat op 2 oktober 2002 gratis een hoeveelheid van 2025 kg roetmixen is geleverd.
Ten slotte heeft de verdachte verklaard ( bewijsmiddel 1) dat (onder meer) "de roetmixen" bestemd waren voor de export naar Indonesië en dat hij daarover niet op voorhand contact heeft gehad met de Nederlandse autoriteiten.
Het Hof heeft het naar Indonesië overbrengen van de roetmix in de bewezenverklaarde periode uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden. Dat die overbrenging ten aanzien van een andere partij niet is gelukt omdat deze in Nederland is onderschept, doet daaraan niet af.
4.4 Het middel faalt dus.
5.1 Het volgende middel wordt in de schriftuur als "middel 3A" en "subsidiair" gepresenteerd. Het richt zich tegen het oordeel van het Hof dat roetmix een afvalstof is. Dit oordeel zou blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk zijn, om dezelfde redenen als in het tweede middel aangevoerd.
5.2 Kort gezegd wordt ook hier het Hof verweten als centrale uitgangspunt te hebben genomen de vraag of de houder zich van de roetmixen heeft willen ontdoen. Ik verwijs naar hetgeen ik hierover bij de bespreking van het eerste en tweede middel heb opgemerkt: het Hof heeft de juiste maatstaf aangelegd, terwijl zijn oordeel dat [bedrijf A] zich van de roetmixen, die de verdachte gratis heeft verkregen (bewijsmiddel 5), wilde ontdoen, niet onbegrijpelijk is.
5.3 Het middel faalt.
6.1 Het vierde middel klaagt erover dat het Hof niet heeft gereageerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ten aanzien van feit 3.
6.2. Het Hof heeft ten laste van verdachte onder 3 bewezen verklaard dat hij:
"op tijdstippen in de periode van 1 januari 2003 tot en met 15 april 2003 te Amsterdam, als degene die verpakkingen, inhoudende onder andere een gevaarlijke stof, als bedoeld in artikel 34 lid 2 van de Wet milieugevaarlijke stoffen, te weten Vulkanox MB/MG, ter beschikking heeft gesteld, terwijl bij die aflevering en/of het ter aflevering voorhanden hebben op die verpakking de benaming van het gevaar of de gevaren van de stof, als bedoeld in artikel 34 lid 2 van de Wet milieugevaarlijke stoffen met het bijbehorende symbool, onderscheidenlijk de bijbehorende symbolen en/of een verwijzing naar de bijzonder, aan het gebruik van de stof verbonden gevaren en/of de veiligheidsaanbevelingen ter vermijding van de belangrijkste, aan het gebruik van de stof verbonden gevaren, zoals bedoeld in artikel 36 lid 1 a tot en met e van de Wet milieugevaarlijke stoffen, niet waren aangeduid."
6.3 Blijkens de pleitnota in hoger beroep is door de verdediging aangevoerd dat de verpakkingsvoorschriften van de Wet milieugevaarlijke stoffen (verder ook: de Wet) alleen gelden wanneer het betreffende product in Nederland op de markt wordt gebracht. Nu dat in casu niet is gebeurd - de stoffen zouden immers worden uitgevoerd naar Indonesië - zou de Wet milieugevaarlijke stoffen hier niet van toepassing zijn.
6.4 De tenlastelegging is toegespitst op art. 34, eerste lid van de Wet en daarin is de term "ter beschikking stellen" kennelijk in overeenkomstige zin gebezigd als in die bepaling. Zo gezien is dus aangevoerd dat bedoelde term in de Wet moet worden uitgelegd als "op de markt brengen". Overigens zonder dat verder is aangegeven waarom dat zo zou zijn of aan welke voorwaarden zou moeten zijn voldaan wil van "op de markt brengen" sprake zijn; laat staan dat is gesteld in welk opzicht in dit geval niet aan die voorwaarden is voldaan. Vermoedelijk bedoelde de raadsman, gelet op de verwijzing naar de vaste afnemer in Indonesië (die verder de samenstelling van de stoffen zou kennen en dus etiketten etc. niet nodig had), dat pas wanneer de stoffen (tegen betaling) worden afgeleverd aan een persoon die ze verder gaat verhandelen of gebruiken, van ter beschikking stellen sprake is.
Het bestreden arrest houdt geen antwoord op het verweer in.
6.5 Het Hof had het verweer op grond van het navolgende slechts kunnen verwerpen.
De geschiedenis van de totstandkoming van de Wet houdt in:
"Het wetsontwerp gebruikt voorts niet de term "in de handel brengen", aangezien elke vorm van aanbieden of vervreemden van de stof, ook die waarbij van commerciële aktiviteiten geen sprake is, moet worden gedekt, zulks mede ter navolging van de richtlijn. De term " aan een ander ter beschikking stellen" omvat al dit soort activiteiten",
waarna nog wordt gesteld dat bij de wettelijke term niet wordt gedoeld op de afgifte binnen één bedrijfsvestiging door de ene werknemer aan de andere en verder nog aandacht wordt gegeven aan enkele mogelijke grensgevallen, zoals in de verhouding tussen een moedervennootschap en haar dochter.(16)
6.6 De aan het verweer ten grondslag liggende opvatting is dus rechtstreeks in strijd met wat de wetgever met het gebruik van de desbetreffende term heeft beoogd en mijns inziens ook met de strekking van de bepaling. Die komt er op neer dat uit een oogpunt van een effectieve bescherming van mens en milieu tegen gevaarlijke (chemische) stoffen, bij elke vorm van het aanbieden of vervreemden van zo'n stof aan de etiketteringplicht moet zijn voldaan, opdat (ook) niet ter zake kundigen op de mogelijke gevaren van de stof moeten worden geattendeerd. Daarbij is niet van belang of het ter beschikking stellen is gebeurd met het oog op de doorvoer naar een ander land.
6.7 Uit de gebezigde bewijsmiddelen heeft het Hof het ter beschikking stellen aan een ander ([bedrijf B]) van verpakkingen, inhoudende Vulkanox, kunnen afleiden.
6.8 Het middel is dus tevergeefs voorgesteld.
7. De middelen falen. De middelen 3, 3A en 4 kunnen met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden afgedaan. Ambtshalve heb ik geen grond gevonden die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 In die bijlage staat onder GK: Afval van rubber.
2 Ook voor afval van rubber zij het niet voor gebruikte luchtbanden
3 De door de raadsman bedoelde verklaringen, in het bijzonder die van [betrokkene 1], houden overigens vooral in een interpretatie van de gang van zaken in het licht van het begrip 'afvalstof"en de Europese rechtspraak daarover en hebben niet zozeer betrekking op de feiten.
4 Zie ook HR 17 april 2007, LJN: AZ0220.
5 Vgl. de Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement betreffende afvalstoffen en bijproducten van 21 februari 2007 (COM 2007, 59 def.) blz. 6. Het gaat dan m.i om de wijze waarop en de omstandigheden waaronder men afstand doet van het materiaal.
6 Zie ook de noot van Tieman onder deze beschikking in AB 2004, 273.
7 In deze zin ook Ch. Backes in zijn noot onder AB 2004, 272.
8 Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 5e, p. 87.
9 Er wordt ook nog een beroep gedaan op een - nadere - verklaring van [betrokkene 1] voor zover deze oordeelt dat van bijproducten sprake is, maar zoals al opgemerkt houdt die in feite een (juridische) conclusie van de betrokkene in.
10 Zie de in noot 3 genoemde Mededeling van de Commissie van 21 februari 2007, blz. 9.
11 Zie bewijsmiddel 3 verklaring van S. Dunhoft.
12 Idem.
13 Zie ook HR 14 december 2006, LJN AR 4900.
14 Vgl. HR 11 april 2006, NJ 2006, 393 m. nt. Buruma, rov. 3.8.2
15 Dit moet gelet op de overige inhoud van de notitie kennelijk "januari" zijn.
16 TK 1980-1981, 16 800, nr. 3 (MvT), p. 66.
Uitspraak 12‑02‑2008
Inhoudsindicatie
Art. 359.2 Sv. Wet milieugevaarlijke stoffen. Het betoog van de raadsman gehouden ttz. in hoger beroep stelt onder meer de rechtsvraag aan de orde of het “ter beschikking stellen” i.d.z.v. art. 34.1 Wet milieugevaarlijke stoffen moet worden uitgelegd als “op de markt brengen in Nederland”. Daarmee is een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt i.d.z.v. art. 359.2 Sv ingenomen. Bij niet aanvaarding dienen in het bijzonder de redenen die daartoe hebben geleid in het vonnis of arrest te zijn opgenomen. Daarom had het Hof behoren te motiveren waarom het van oordeel was dat de genoemde vraag ontkennend diende te worden beantwoord. De daarop gerichte klacht is dan ook terecht voorgesteld. Dat behoeft echter niet tot cassatie te leiden. De aan het verweer ten grondslag liggende opvatting is in strijd met wat de wetgever met het gebruik van de term “ter beschikking stellen” heeft beoogd. De strekking van art. 34.1 Wms komt erop neer dat uit een oogpunt van een effectieve bescherming van mens en milieu tegen gevaarlijke stoffen bij elke vorm van aanbieden of vervreemden van zo’n stof aan de etiketteringsplicht moet zijn voldaan, opdat ook degene die niet ter zake kundig is op de mogelijke gevaren van de stof wordt geattendeerd. Daarbij is niet van belang of het ter beschikking stellen is gebeurd met het oog op de uitvoer naar het buitenland.
12 februari 2008
Strafkamer
nr. 00785/07 E
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, Economische Kamer, van 24 oktober 2006, nummer 23/004406-05, in de strafzaak tegen:
[verdachte], gevestigd te [vestigingsplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Amsterdam van 7 juli 2005 - voor zover aan 's Hofs oordeel onderworpen - de verdachte ter zake van 1. "overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.60, eerste lid van de Wet Milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd" en ter zake van 3. "overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 34 van de Wet milieugevaarlijke stoffen, begaan door een rechtspersoon" veroordeeld ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde tot een geldboete van € 10.000,-, waarvan € 5.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde tot een geldboete van € 5.000,-, waarvan € 2.500,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.J.M. Veldhoven, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De waarnemend Advocaat-Generaal Bleichrodt heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
3. Beoordeling van het eerste en het tweede middel
3.1. Het eerste middel behelst de klacht dat het Hof in strijd met art. 359, tweede lid, Sv heeft nagelaten in het bijzonder de redenen op te geven op grond waarvan het is afgeweken van het door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de rubbervellen die bij de verdachte zijn aangetroffen geen 'afvalstof' zijn, maar een 'bijproduct', waarop Verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap, niet van toepassing is. Het tweede middel klaagt dat het Hof bij zijn oordeel dat ten aanzien van de rubbervellen sprake is van een afvalstof een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
3.2. Op de gronden die zijn vermeld in de aan dit arrest gehechte conclusie van de waarnemend Advocaat-Generaal onder 3.2 tot en met 3.16 kunnen de middelen niet tot cassatie leiden.
4. Beoordeling van het derde en het als middel 3A voorgestelde middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Beoordeling van het vierde middel
5.1. Het middel klaagt dat het Hof niet heeft gereageerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ten aanzien van feit 3.
5.2. Het Hof heeft ten laste van de verdachte onder 3 bewezenverklaard dat zij:
"op tijdstippen in de periode van 1 januari 2003 tot en met 15 april 2003 te Amsterdam, als degene die verpakkingen, inhoudende onder andere een gevaarlijke stof, als bedoeld in artikel 34 lid 2 van de Wet milieugevaarlijke stoffen, te weten Vulkanox MB/MG, ter beschikking heeft gesteld, terwijl bij die aflevering en/of het ter aflevering voorhanden hebben op die verpakking de benaming van het gevaar of de gevaren van de stof, als bedoeld in artikel 34 lid 2 van de Wet milieugevaarlijke stoffen met het bijbehorende symbool, onderscheidenlijk de bijbehorende symbolen en/of een verwijzing naar de bijzonder, aan het gebruik van de stof verbonden gevaren en/of de veiligheidsaanbevelingen ter vermijding van de belangrijkste, aan het gebruik van de stof verbonden gevaren, zoals bedoeld in artikel 36 lid 1 a tot en met e van de Wet milieugevaarlijke stoffen, niet waren aangeduid."
5.3. De ter terechtzitting in hoger beroep van 10 oktober 2006 door de raadsman overgelegde pleitaantekeningen houden
- voor zover hier van belang - het volgende in:
"De wet milieugevaarlijke stoffen beoogt de import van stoffen welke gevaarlijk zijn voor het milieu te reguleren door daar bepaalde voorschriften aan te verbinden. Uit de wettekst blijkt dat het daarbij met name gaat om het op de markt brengen in Nederland; zowel in art. 2, art. 3 leden 1 en 3, art. 8 lid 1, art. 9 lid 1, art. 13 lid 4, art. 19 lid 1, art. 20 lid 1 en nog enige andere vergelijkbare bepalingen wordt telkens gesproken over degene die voornemens is om de betreffende stoffen in Nederland in te voeren, toe te passen of aan een ander ter beschikking te stellen.
Het lijkt er derhalve op dat aard en strekking van de Wet milieugevaarlijke stoffen beogen de regeling voor het Nederlands grondgebied te treffen. Dit betekent anders gezegd dat wanneer een stof/product niet in Nederland op de markt wordt gebracht maar naar het buitenland wordt vervoerd (en in dit geval in Indonesië op de markt wordt gebracht), de betreffende bepalingen inzake aanduidingen niet van toepassing zijn. Er blijkt ook nergens uit dat de wetgever beoogd heeft om deze wet ook buitenterritoriale werking te geven hetgeen nodig zou zijn indien dat wel was beoogd. Nederlandse wetgeving is immers slechts van toepassing binnen ons territoir, reden waarom er dus van mag worden uitgegaan dat de regeling in casu toepassing mist.
(...)
[Verdachte] dient van hetgeen ten laste is gelegd onder (...) 3 te worden vrijgesproken."
5.4. Dit betoog is niet van louter feitelijke aard maar stelt daarnaast de rechtsvraag aan de orde of het 'ter beschikking stellen' in de zin van art. 34, eerste lid, Wet milieugevaarlijke stoffen moet worden uitgelegd als op de markt brengen in Nederland. Daarmee is een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359, tweede lid, Sv ingenomen. Bij niet aanvaarding dienen in het bijzonder de redenen die daartoe hebben geleid in het vonnis of arrest te zijn opgenomen. Daarom had het Hof behoren te motiveren waarom het van oordeel was dat de genoemde vraag ontkennend diende te worden beantwoord. De daarop gerichte klacht is dan ook terecht voorgesteld. Dat behoeft echter op grond van het navolgende niet tot cassatie te leiden.
5.5. Art. 34, eerste lid, Wms luidt:
"Degene die een stof aan een ander ter beschikking stelt of in Nederland invoert, die behoort tot een of meer van de in het tweede lid aangewezen categorieën, is verplicht ervoor zorg te dragen dat die stof bij de aflevering en bij het ter aflevering voorhanden hebben is verpakt en op de verpakking is aangeduid overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de artikelen 35 en 36."
5.6. De memorie van toelichting bij het voorstel van de Wet milieugevaarlijke stoffen houdt, voor zover hier van belang, in:
"Het wetsontwerp gebruikt voorts niet de term "in de handel brengen", aangezien elke vorm van aanbieden of vervreemden van de stof, ook die waarbij van commerciële aktiviteiten geen sprake is, moet worden gedekt, zulks mede ter navolging van de richtlijn. De term "aan een ander ter beschikking stellen" omvat al dit soort activiteiten."
(Kamerstukken 1980-1981, 16 800, nr. 3, p. 66).
5.7. De aan het verweer ten grondslag liggende opvatting is in strijd met wat de wetgever met het gebruik van de term 'ter beschikking stellen' heeft beoogd. De strekking van art. 34, eerste lid, Wms komt erop neer dat uit een oogpunt van een effectieve bescherming van mens en milieu tegen gevaarlijke stoffen bij elke vorm van aanbieden of vervreemden van zo'n stof aan de etiketteringsplicht moet zijn voldaan, opdat ook degene die niet ter zake kundig is op de mogelijke gevaren van de stof wordt geattendeerd. Daarbij is niet van belang of het ter beschikking stellen is gebeurd met het oog op de uitvoer naar het buitenland.
5.8. Het middel faalt.
6. Slotsom
Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
7. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 12 februari 2008.
Beroepschrift 02‑07‑2007
Schriftuur houdende middelen tot cassatie van
mr B.J.M. Veldhoven
In de strafzaak tegen [verdachte] B.V., gevestigd in ([postcode]) [vestigingsplaats] aan de [adres],
die beroep in cassatie heeft aangetekend tegen het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 24 oktober 2006 (parketnummer 23/004406-05; arrestnummer 3973/06)
Middel 1
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid meebrengt. In het bijzonder zijn de artikelen 348, 350 en/of 359 lid 2 Wetboek van Strafvordering (Sv), en/of de artikelen 10.60 Wet Milieubeheer (Wm) en/of artikel 26 van Verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese gemeenschap (EVOA) geschonden, doordat het Gerechtshof Amsterdam (hierna: het hof) in het arrest bij de ‘beschreven gang van zaken bij [bedrijf A]’ (zie blad 4 verkort arrest midden) niet of onvoldoende is ingegaan op de door verdachte bij brief van 4 september 2006 aan het hof overgelegde verklaring van de heer [betrokkene 1], Group Purchasing Manager bij [bedrijf A] (opgemaakt op 29 september 2006), de verklaring van de Indonesische koper van de rubber compounds van 26 juni 2006 (Directeur [naam 1] van [B]) en de verklaring van de verdachte ter zitting, al waardoor bij de ‘beschreven gang van zaken’ belangrijke elementen niet bij de beoordeling zijn betrokken of de rubbervellen als afvalstof dan wel als bijproduct, moeten worden aangemerkt, zoals het feit dat [bedrijf A] de rubbervellen gereed maakte voor verkoop aan [verdachte], het feit dat de rubbervellen door [bedrijf A] aan [verdachte] in rekening werden gebracht, het feit dat de Indonesische koper op zijn beurt aan [verdachte] voor de aankoop van de vellen een prijs betaalde, het feit dat de rubbervellen geschikt waren om zonder nadere bewerking te dienen als grondstof voor de productie van rubbermatten etc., het feit dat voor de rubber vellen een zekere afzet op de markt bestond in Indonesië etc., hetgeen een wezenlijke omissie is. Althans heeft het hof de desbetreffende uitdrukkelijk onderbouwde, met argumenten geschraagde standpunten als bedoeld in artikel 359 lid 2 Sv niet, althans niet voldoende gemotiveerd verworpen. De uitspraak is als gevolg daarvan niet naar de eisen der wet met redenen omkleed.
Toelichting
Uit de jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie waarop de verdediging een uitdrukkelijk beroep heeft gedaan ten betoge dat de rubbervellen aangemerkt moeten worden als bijproduct (en niet als afvalstof) (gedoeld wordt met name op de uitspraken van 18 april 2002; C-9/00 inzake Palin Granit en van 11 september 2003 (C-l 14/01 inzake Avesta Polarit), blijkt dat de nationale rechter ter bepaling of een stof als een afvalstof dan wel als een bijproduct moet worden aangemerkt, een correcte vaststelling van de feiten doorslaggevend is ter bepaling of aan de door het Hof geformuleerde normen wordt voldaan. Essentieel dat de feitenrechter de voor de kwalificatie als bijproduct relevante feiten onderzoekt en vaststelt en ten grondslag legt aan de gevraagde toetsing.
Geenszins blijkt dat het hof zich van deze taak heeft gekweten. Althans heeft het hof de terzake aldus naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, gelet op de essentie daarvan voor het tenlastegelegde feit, onvoldoende met redenen omkleed verworpen.
De voorwaarden die het Hof van Justitie in voormelde uitspraken heeft geformuleerd om residuen die in het kader van het productieproces vrijkomen te kunnen aanmerken als bijproduct in plaats van als residu/afvalstof, komen in het kort er op neer dat de stoffen die aldus vrijkomen
- a)
een zekere afzet hebben, dat wil zeggen dat er een markt bestaat waarop die producten kunnen worden afgezet en er dus vraag vanuit de markt naar is;
- b)
de stoffen een positieve economische waarde vertegenwoordigen (dus geld opbrengen) hetgeen de afzetmogelijkheid versterkt;
- c)
direct inzetbaar zijn zonder nadere bewerking; en
- d)
kunnen worden beschouwd als voortzetting van het productieproces, waarbij niet relevant is of de producent de productie van het bijproduct ook daadwerkelijk beoogde (hetgeen immers vaak niet het geval zal zijn).
Daarop zal uitgebreider worden ingegaan in de toelichting op middel 2.
Het feit dat de oorspronkelijke producent niet direct de hoogste kwalificatie aan de rubbervellen heeft gegeven, doet aan het vooraanstaande niet af, zie ook middel 2. Het gaat immers niet om de bruikbaarheid voor de oorspronkelijke houder.
Het Europese Hof heeft ter voorkoming van uitholling van het afvalstoffenbegrip deze voorwaarden als cumulatieve oorwaarden geformuleerd en als eis gesteld dat aan al deze voorwaarden moet zijn voldaan om van een bijproduct te kunnen spreken. De verdediging heeft een uitdrukkelijk beroep gedaan op deze jurisprudentie en de feiten aan het Amsterdamse hof gepresenteerd (mede aan de hand van schriftelijke verklaringen) die van belang zijn om de juistheid van dit beroep te kunnen toetsen.
Van deze aldus gevraagde toetsing is in het verkorte arrest niets terug te vinden anders dan dat op pagina 3 onder het hoofdje ‘Ter zitting gevoerde verweren’ in de le alinea gewag wordt gemaakt van dit beroep, echter zonder dat dit beroep nader en later in het arrest enige aandacht krijgt, laat staan uitdrukkelijk wordt behandeld. Op de inhoudelijke aspecten daarvan wordt in middel 2 en de toelichting op middel 2 nader ingegaan.
Het eerste middel beoogt derhalve aan de orde te stellen dat het Amsterdamse hof heeft nagelaten de juistheid van de feiten vast te stellen waarop uitdrukkelijk door de verdediging een beroep was gedaan ten betoge dat sprake is van een bijproduct, althans de aldus ingenomen onderbouwde standpunten niet, althans onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.
Immers blijkt uit het arrest dat klaarblijkelijk de ter terechtzitting afgelegde verklaring van de heer [betrokkene 2] (medewerker van [bedrijf A te plaats A]) van doorslaggevend belang is geacht en dat aan andere (specifiek door de verdediging naar voren gebrachte) bewijsmiddelen geen aandacht is besteed. Klaarblijkelijk heeft het hof uit die verklaring als relevant feit gehaald dat de rubbervellen voor [bedrijf A] geen waarde meer hebben, dat zij van die rubbervellen niet beoogt een ander product te maken en ook geen technische voorzieningen heeft om de resterende vellen voor verdere verkoop geschikt te maken.
Dit zijn echter feiten die niet relevant zijn voor de gevraagde toetsing van het gevoerde verweer.
Hierdoor is het feitenonderzoek onvolledig geweest en heeft de door de verdediging gevraagde toetsing eveneens niet, onvolledig of onjuist plaatsgevonden. Immers had het hof — gezien de ter zake ingenomen standpunten door de verdediging — voor wat betreft voor de toetsing relevante feiten aandacht moeten besteden aan — samengevat — de volgende vragen:
- a.
Komen de rubbervellen die door [bedrijf A] aan [verdachte] zijn verkocht voort uit het productieproces van het primaire product (autobanden)? Uit de verklaring van [betrokkene 1], maar in feite ook uit de verklaring van [betrokkene 2], blijkt dat de productie van de rubbervellen inderdaad feitelijk een voortzetting is van het productieproces, in de zin dat de rubbervellen geschikt zijn gemaakt voor afzet aan [verdachte]. Klaarblijkelijk heeft [betrokkene 2] met zijn verklaring bedoeld te zeggen dat [bedrijf A] zelve van de rubbervellen bij gebrek aan technische voorzieningen (in de zin van machinerieën) geen nieuwe producten wenst te maken. Voorts blijkt uit de verklaring van [betrokkene 2] dat de rubbervellen geschikt zijn gemaakt voor afzet aan [verdachte] doordat deze opnieuw werden gemengd en uitgerold en met een laagje zeep ertussen gereed werden gemaakt voor verzending. Conclusie is derhalve dat deze rubbervellen voortkomen uit het productieproces van [bedrijf A] en in die zin voldoen aan een van de door het Europese Hof gestelde voorwaarden om te kwalificeren als bijproduct.
- b.
Voorts heeft het hof aan de feitelijke vraag of de rubbervellen direct geschikt waren voor hergebruik (namelijk de productie van matten) geen aandacht besteed, hetgeen een omissie is nu juist voor de vaststelling van de kwalificatie of er sprake is van een bijproduct dit feit van belang is. Uit de verklaring van [betrokkene 1] en van de verdachte blijkt dat de rubbervellen als grondstof zonder nadere bewerking direct geschikt zijn om te worden ingezet voor de productie van rubbermatten. Overigens worden deze feiten ook niet weersproken door [betrokkene 2].
- c.
Voorts is van belang, zoals aangegeven, of de rubbervellen een positief economische waarde hebben. Het hof heeft aan dit feit geen aandacht besteed, terwijl zowel uit de verklaring van [betrokkene 1] als uit de verklaring van de verdachte als uit de verklaring van de Indonesische koper blijkt dat voor de rubbervellen wordt betaald en dat deze derhalve een positief economische waarde hebben. Dit feit is mede van belang om vast te stellen dat de rubbervellen als bijproduct konden kwalificeren. Het hof heeft ook daarnaar geen onderzoek ingesteld, hetgeen eveneens een omissie is. Althans heeft het hof op het terzake ingenomen standpunt niet, althans onvoldoende gerespondeerd. Dat de rubbervellen voor [bedrijf A] zelf al dan niet bruikbaar zijn is in dat kader niet relevant. Wel of [bedrijf A] daarmee een marktafzet heeft gecreëerd met een positieve uitkomst, hetgeen feitelijk het geval is.
- d.
Met de vaststelling sub c. had tevens kunnen zijn vastgesteld dat de afzet van de rubbervellen op de markt zeker was, hetgeen eveneens een voorwaarde is voor kwalificatie als bijproduct. De zekere afzet in Indonesië kon mede worden bepaald aan de hand van het feit dat aldaar onder andere automatten, ringmatten en badmatten worden gemaakt en afgezet.
Middel 2
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid meebrengt. In het bijzonder zijn de artikelen 348, 350 en/of 359 lid 2 Wetboek van Strafvordering (Sv), en/of de artikelen 10.60 Wet Milieubeheer (Wm) en/of artikel 26 van Verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese gemeenschap (EVOA) geschonden, doordat het hof ter bepaling van de kwalificatie van de onderhavige rubbervellen, namelijk of deze wel of niet als afvalstof in de zin van art. 1 EVOA joart. 1 Richtlijn 75/442/EEG (zoals gewijzigd bij Richtlijn 91/156/EEG thans zijnde Richtlijn 2006/12/EEG), moeten worden aangemerkt, een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd door daartoe klaarblijkelijk doorslaggevend te achten of de rubbervellen voor de houder ([bedrijf A]) ‘niet of niet meer bruikbaar zijn’, terwijl voor de kwalificatie ‘bijproduct’ de normen doorslaggevend zijn welke het Europese Hof van Justitie in de door de verdediging aangevoerde uitspraken heeft geformuleerd, namelijk of de rubbervellen uit het productieproces van [bedrijf A] voortkomen, of deze een zekere afzet op de markt hebben, of het product een positieve economische waarde heeft en of het product zonder verdere bewerking direct inzetbaar is (bijvoorbeeld in een volgend productieproces), welke elementen in het arrest in het geheel niet zijn terug te vinden. Althans heeft het hof een onjuiste betekenis gegeven aan het begrip afvalstoffen als bedoeld in voornoemende bepalingen en heeft daarmee de grondslag van de tenlastelegging verlaten.
Toelichting
Zoals in de toelichting op middel 1 reeds is aangegeven, heeft de verdediging aan het hof verzocht te toetsen of de rubbervellen als bijproduct kunnen worden gekwalificeerd in de zin van de jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie zoals deze is gevormd in voormelde uitspraken, door welke vaststelling immers tevens komt vast te staan dat het ten laste gelegde niet bewezen kan worden, nu de overbrenging niet onderworpen was aan Verordening 259/93 bij gebreke van de status van afvalstof. Voor zover uit het verkorte arrest is op te maken heeft het hof voor de vaststelling daarvan klaarblijkelijk vier elementen relevant geoordeeld:
- a.
Hetgeen in Bijlage I bij de Richtlijn 91/156/EEG in de categorie afvalstoffen onder Q14 wordt beschreven.
- b.
De ‘beschreven gang van zaken bij [bedrijf A]’.
- c.
De norm ‘de rubbervellen zijn te kwalificeren als een product die voor de houder ([bedrijf A]) niet of niet meer bruikbaar zijn’.
- d.
De ratio van Richtlijn 75/442/EEG en van de Wet Milieubeheer.
Voordat op deze vier elementen wordt ingegaan dient benadrukt te worden dat er binnen de Europese Unie reeds lange tijd discussie gaande is over de reikwijdte (en meer in het bijzonder de begrenzing) van het afvalstoffenbegrip. Sedert de negentiger jaren is tevens een rijke jurisprudentie ontstaan.
De hier bedoelde discussie is onder andere door de Europese Commissie, de Raad en het Europese parlement opgepakt, hetgeen heeft geleid tot een recent verschenen document dat luidt:
‘Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees parlement van 21 februari 2007 (COM 2007/59 Definitief) betreffende/tot interpretatieve mededeling betreffende afvalstoffen en bijproducten (Bijlage I)’. In deze mededeling wordt door de Commissie in een handleiding uitleg gegeven aan de jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie betreffende bijproducten, nader uiteengezet en toegelicht en wordt via een in de Bijlage II opgenomen beslisboom aangegeven welke stoffen wel en welke stoffen niet in het kader van het productieproces als bijproducten kunnen worden beschouwd.
Voor residuen die uit een productieproces voortkomen en welke in tegenstelling tot consumptieresiduen (door gebruikers afgedankte producten) nooit in de consumptiefase terecht zijn gekomen, is van groot belang geworden dat het Europese Hof in voormelde twee uitspraken een formule heeft ontwikkeld om de grenzen van het afvalstoffenbegrip nader af te palen. Immers is voor het Hof blijkens die uitspraken van doorslaggevend belang dat het niet zinvol is om de werking van de Kaderrichtlijn afvalstoffen 2006/12/EEG (voorheen 75/442/EEG) ook toe te passen op stoffen en materialen die vanwege hun gelijkwaardigheid met hoofdproducten reeds voorwerp (dienen te) zijn van regelgeving die op producten betrekking heeft in plaats van op afvalstoffen, waardoor er ook geen behoefte is aan doorwerking van de afvalstoffenregelgeving op deze groep. Derhalve werd niet doelmatig geoordeeld om bijproducten langer door de afvalstoffenregelgeving te laten reguleren. Deze opening ziet op tal van bijproducten die beoogd maar meestal niet beoogd ontstaan, in het kader van een hoofdproduct en die met positief economisch resultaat op de markt kunnen worden afgezet. Zo ging het in voormelde uitspraak om gesteente of mineralen die uit granietsteenwinning waren vrijgekomen en geschikt waren om als bouwmateriaal te worden ingezet en ging het in de tweede zaak eveneens om ganggesteente en resterend zand. Ook zijn er voorbeelden van olieproducten die in het kader van raffinageproces als bijproducten worden geproduceerd en bijproducten in het kader van productie van drinkwater.
Het Hof heeft bij de formulering van haar voorwaarden mede op het oog gehad voor het feit dat eigen is aan afvalstoffen dat deze in het kader van recycling bewerkingen plegen te ondergaan om deze stoffen weer geschikt te maken voor terugkeer in de kringloop. Dergelijke (typische afvalstof gerelateerde) bewerkingen zien met name op afgedankte consumptieresiduen (bijvoorbeeld lege blikjes of petflesjes, bouw- en sloopafval, organisch afval etc.), die na hun ontstaan als afvalstof eerst bewerkingshandelingen dienen te ondergaan, zoals bijvoorbeeld reinigen, zeven, wassen, pletten, smelten etc. teneinde ze weer geschikt te doen zijn om opnieuw te worden ingezet.
Bij bijproducten is dat niet het geval. Daar zijn geen nadere bewerkingshandelingen noodzakelijk, aangezien het bijproduct direct uit het productieproces voortkomt en beschouwd moet worden als een voortzetting daarvan. Het bijproduct is gereed voor hergebruik zonder nadere bewerkingen.
In het onderhavige geval is duidelijk dat de rubbervellen in het kader van het productieproces van autobanden worden afgezonderd omdat ze niet geschikt zijn (vanwege de strenge eisen) die aan de kwaliteitsbanden van [bedrijf A] worden gesteld, maar die heel wel geschikt zijn om er rubber automatten of andere soortgelijke producten van te maken. De rubbervellen worden in het kader van het productieproces van [bedrijf A] geschikt gemaakt — zoals uit de feiten blijkt — voor afzet aan [verdachte], maar ten onrechte lijkt het hof dat ‘geschikt maken’ te willen bagatelliseren. Wat hier van zij, zoals gesteld zijn nadere bewerkingen niet nodig en worden de rubbervellen na ontvangst in Indonesië direct door de producent van de rubbermatten ingezet als grondstof. Nu de afzet op de markt zeker is en er een prijs door [bedrijf A] in rekening wordt gebracht, wordt derhalve voldaan aan de voorwaarden die het Hof heeft gesteld.
Dan voor wat betreft de vier elementen waar het Amsterdamse hof naar verwijst:
- a.
Voor de beantwoording van de vraag of een stof wel of niet een afvalstof is, is een verwijzing naar een beschrijving zoals van categorie Q14 (opgenomen in Bijlage I bij de voormalige Richtlijn 91/156/EEG) niet relevant. Immers is primair de vraag of de stof voldoet aan de afvalstofdefinitie zelve, welke is opgenomen in art. 1 van de Richtlijn onder a). Immers eerst moet komen vast te staan of er wel dan niet sprake is van ‘zich ontdoen’, hetgeen bepalend is voor de vraag of de stof een afvalstof is. Voor een bijproduct heeft het Europese Hof van Justitie vastgesteld dat producenten daarvan geacht worden zich niet daarvan niet te ontdoen in de zin van art. 1 sub a) voormeld. Indien derhalve in het kader van een productieproces residuen ontstaan is primair de vraag aan de orde of er sprake is van ‘zich ontdoen’. Eerst wannéér daarvan sprake is, kan relevant zijn de dan als afvalstof gekwalificeerde materialen onder te delen in één van de categorieën. De verwijzing naar Q14 is voorts evenmin relevant, omdat de rubbervellen niet door [bedrijf A] worden ‘afgedankt’ in de zin van die categorie, bijv. in de prullenbak gooien, abandonneren, storten of verbranden etc., welke allen typische verwijderingshandelingen zijn. De rubbervellen worden juist nuttig ingezet. [bedrijf A] verkoopt de rubbervellen tegen betaling aan [verdachte] en zet deze af op de markt.
- b.
Zoals hierboven aangegeven is de beschreven gang van zaken bij [bedrijf A] (aangevuld met de door de verdediging relevant geoordeelde feiten) eerder bewijs dat er sprake is van een bijproduct in plaats van het tegendeel.
- c.
De vraag of een stof voor de houder wel of niet bruikbaar is, is niet relevant voor de kwalificatie als bijproduct. Wat er al moet worden verstaan onder ‘niet of niet meer bruikbaar’, welk begrip kennelijk is ontleend aan Q14, lijkt dit begrip in die omschrijving meer te zien op voormalige producten en artikelen die eerder gebruikt zijn in landbouw, huishoudens, kantoren, winkels en bedrijven, terwijl deze klaarblijkelijk niet meer hun normale bestemming op de markt kunnen vinden of opgebruikt zijn en dus bestemd moeten worden voor het afvalcircuit. Maar als gezegd is de norm of de stof voor de houder wel of niet bruikbaar is niet relevant en geen juiste maatstaf voor de beoordeling of er sprake is van een bijproduct. Daarbij gaat het immers niet om de bruikbaarheid voor de houder maar over de vraag of het product als bijproduct afzetbaar is op de markt zonder nadere bewerking, een positieve economische waarde heeft en als een voortzetting van een productieproces kan worden aangemerkt. Interessant is overigens dat de rubbervellen door het hof in die zinsnede wel aangeduid worden als ‘product’.
- d.
De ratio van de Richtlijn 75/442/EEG is zoals hierboven aangegeven door het Europese Hof geoordeeld niet in het geding te zijn wanneer er sprake is van bijproducten, omdat er juist is vastgesteld dat die Richtlijn voor dergelijke producten geen toegevoegde waarde heeft.
Middel 3
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid meebrengt. In het bijzonder zijn de artikelen 348, 350 en/of 359 lid 2 Wetboek van Strafvordering (Sv), en/of de artikelen 10.60 Wet Milieubeheer (Wm) en/of artikel 26 van Verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese gemeenschap (EVOA) geschonden, doordat het hof niet heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk door verdachte ter zitting verwoorde standpunt en aangevoerde verweer als bedoeld in artikel 359 lid 2 Sv dat niet aan het ten laste gelegde werd voldaan, doordat geen roetmix is (of zou worden) overgebracht naar Indonesië, doordat immers de door [bedrijf A] naar de opslag aangevoerde roetmix reeds door justitie eigenmachtig was geretourneerd naar [bedrijf A], nog voordat verdachte deze partij onder zijn zeggenschap kon brengen door deze te keuren, voor aankoop te bestemmen, te kopen en vervolgens voor export en verder transport naar Indonesië vrij te geven, al waardoor deze partij nooit onder beheer, houderschap en/of zeggenschap van verdachte is gekomen en dus nimmer voorwerp van (voorgenomen) overbrenging door [verdachte] in de zin van Verordening 259/93/EEG is geweest. De uitspraak is als gevolg daarvan niet naar de eisen der wet met redenen omkleed.
Toelichting
Blijkens het proces-verbaal ter terechtzitting heeft de heer [verdachte] ter zitting verklaard: ‘U vraagt mij naar de roetmixen die ook in de loods aanwezig waren. Ik zeg u dat ik alleen de pallets A t/m D en L (alleen rubbervellen) heb goedgekeurd en dat ik de roetstof niet had gezien, omdat ik op dat moment in Indonesië verbleef’. In de pleitnota is daaromtrent gerefereerd aan het feit dat uit het onderzoek ter terechtzitting bij de Rechtbank is gebleken dat het roet (door verbalisanten aangeduid als roetmix) reeds voordat deze onder de beschikkingsmacht kwam van [verdachte] door toedoen van het Openbaar Ministerie was teruggestuurd naar [bedrijf A]. De feitelijke gang van zaken was immers dat [bedrijf A] roetmixen toestuurde naar het depot van Diergaarde in Amsterdam dat onder toezicht bleef van [bedrijf A]. Op dat depot werd [verdachte] in de gelegenheid gesteld vellen en mixen te bekijken, te controleren al dan niet goed te keuren en eventueel na goedkeuring aan te kopen (nadat overeenstemming over de prijs was bereikt). In de betreffende periode zijn partijen roetmixen aangevoerd door [bedrijf A] naar Amsterdam. Deze konden na hun aankomst daar door [verdachte] niet worden bekeken, omdat [verdachte] in Indonesië verbleef. Bij terugkeer van [verdachte] waren de roetmixen reeds op last van de Officier van Justitie teruggestuurd naar [bedrijf A], omdat zo blijkt uit de stukken de roet in SITA (afvalverwerker) vaten waren verpakt, hetgeen voor justitie aanleiding was die reeds op transport terug naar [bedrijf A] te zetten voordat [verdachte] er überhaupt naar had kunnen kijken. Er is dus absoluut geen sprake van geweest dat deze mixen ooit onder de beschikkingsmacht van [verdachte] zijn gekomen. Het hof heeft ten onrechte aan deze feitelijke gang van zaken geen aandacht besteed, althans daar geen nader onderzoek naar ingesteld, althans in het arrest daaraan geen woord gewijd ondanks ter zake uitdrukkelijk gevoerd verweer. Dit verweer is verstrekkend omdat bij juistheid vast komt te staan de roetmixen geen onderdeel kunnen zijn geweest van de voorgenomen overbrenging van ‘afvalstoffen naar Indonesië’, zodat reeds om die reden dat gedeelte van het ten laste gelegde niet bewezen had dienen te zijn verklaard.
Middel 3A
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid meebrengt. In het bijzonder zijn de artikelen 348, 350 en/of 359 lid 2 Wetboek van Strafvordering (Sv), en/of de artikelen 10.60 Wet Milieubeheer (Wm) en/of artikel 26 van Verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese gemeenschap (EVOA) geschonden, doordat het doordat het hof — dit middel wordt subsidiair naar voren gebracht — ten onrechte heeft geoordeeld dat de roetmixen net als de rubbervellen (‘ditzelfde geldt voor de beoordeling van de roetmixen’) voor [bedrijf A] geen waarde hebben en verwerking bij [bedrijf A] niet mogelijk is; immers heeft het hof daarmee een onjuiste maatstaf en/of norm gehanteerd voor de beoordeling van de vraag of roetmixen wel of niet afvalstoffen zijn, zie daartoe middel 2. Althans heeft het hof een onjuiste betekenis gegeven aan het begrip afvalstoffen als bedoeld in voornoemende bepalingen en daarmee de grondslag van de tenlastelegging verlaten.
Toelichting
Ook voor wat betreft de roetmix komt het hof tot de conclusie dat het een afvalstof zou betreffen. Daarbij is het hof er ten onrechte aan voorbij gegaan dat roet een bijproduct/grondstof is, welke [bedrijf A] bij de bandenproductie gebruikt ten behoeve van het verwezenlijken van de eigenschappen die de band moet hebben zoals onder andere scheursterkte, betere structuur tegen slijtage, stevigheid etc. [bedrijf A] werkt met roet van een bepaalde korrelgrootte. In het door [bedrijf A] primair aangekochte roet zitten ook kleinere stofdeeltjes waarvan de korrelgrootte te klein is en welke in het proces door [bedrijf A] worden afgevangen. Deze roetmix met kleinere korreldeeltjes zijn voor [bedrijf A] niet meer geschikt om te functioneren bij de bandenproductie, maar zijn wel heel geschikt voor bijvoorbeeld de Indonesische producent van [verdachte], die de roetmix voor dezelfde doeleinden gebruikt bij de productie van rubbermatten. Aan dit uitdrukkelijk voorgedragen en onderbouwde standpunt is het hof zonder nadere motivering voorbijgegaan. De roetmix welke bestemd was om te worden overgebracht, maar zoals uit middel 3 blijkt nooit in het stadium is geraakt om te worden overgebracht, dient derhalve — subsidiair — beschouwd te worden als een product, aangezien het deel uitmaakt van de oorspronkelijke grondstof welke [bedrijf A] had gekocht. De roetmix met lichtere korrelvorm wordt ook in die vorm op de markt verkocht als product.
Middel 4
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid meebrengt. In het bijzonder zijn de artikelen 348, 350 en/of 359 lid 2 Wetboek van Strafvordering (Sv), en/of de artikelen 34 en/of 36 Wet milieugevaarlijke stoffen (Wms) geschonden, doordat het hof ten onrechte niet heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk door de verdediging naar voren gebrachte standpunt als bedoeld in artikel 359 lid 2 Sv dat uit de wettekst van de Wet milieugevaarlijke stoffen blijkt dat de daarin voorziene voorschriften met betrekking tot de verpakking uitsluitend gelden wanneer een persoon de betreffende stoffen aan een ander (in Nederland) ter beschikking stelt, of in Nederland op de markt brengt. Verdachte heeft de stoffen niet aan een ander in Nederland ter beschikking gesteld en heeft de stoffen uiteraard ook niet in Nederland op de markt gebracht. De uitspraak is als gevolg daarvan niet naar de eisen der wet met redenen omkleed.
Toelichting
In het verkorte arrest wordt ten aanzien van het derde ten laste gelegde feit uitsluitend ingegaan op de vraag of de paklijst met daarop de benodigde symbolen door plakken op de plastic sealing in plaats van plakken op de tonnen zelf een voldoende aanduiding is in de zin van de Wet milieugevaarlijke stoffen. Echter, niet is ingegaan op het uitdrukkelijk door de verdediging aangevoerde verweer (zie pleitnota pagina 6/6 onder c.) dat niet voldaan is aan de eis voor strafbaarstelling op grond van de betreffende artikelen van de Wet milieugevaarlijke stoffen. Artikel 34 Wms bepaalt immers dat voor toepasselijkheid van dit artikel en de navolgende artikelen, de stoffen in Nederland aan een ander ter beschikking moeten zijn gesteld om toepassing te hebben.
De verdediging heeft zich er uitdrukkelijk op beroepen dat de Wet milieugevaarlijke stoffen territoriale werking heeft en ziet op handelingen die betrekking hebben op milieugevaarlijke stoffen die in Nederland aan een ander ter beschikking worden gesteld of op de markt worden gebracht. [verdachte] heeft zulks niet gedaan en de verdediging heeft zich daar ook op beroepen. Door hieraan voorbij te gaan heeft het hof het recht geschonden, immers in verband met de feiten is geen handeling begaan die onder de werking van deze nationale wet valt en kan derhalve ook niet tot strafbaarheid worden geconcludeerd.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. B.J.M. Veldhoven, advocaat te Den Haag, die verklaart dat [verdachte] B.V. hem daartoe bepaaldelijk heeft gevolmachtigd.
Den Haag, 2 juli 2007
B.J.M. Veldhoven