NJB 2007, 2037
HR, 02-10-2007, nr. 02237/06 P
HR 02-10-2007, ECLI:NL:PHR:2007:BA7913
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
2 oktober 2007
- Magistraten
Mrs. Koster, De Hullu en Splinter-van Kan
- Zaaknummer
02237/06 P
- Conclusie
A-G Vellinga
- LJN
BA7913
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Internationaal strafrecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2007:BA7913, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 02‑10‑2007
ECLI:NL:PHR:2007:BA7913, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 02‑10‑2007
- Wetingang
EVRM art. 6
Essentie
Ontnemingszaak. Het gerechtshof had het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, overwegende dat het tijdsverloop tussen het instellen van hoger beroep en het wijzen van arrest zodanig lang was terwijl niet was gebleken van bijzondere omstandigheden die dat uitzonderlijke tijdsverloop van vijf jaren en bijna twee maanden zouden kunnen rechtvaardigen, dat in dit geval het belang van de betrokkene bij verval van het recht tot het instellen van de vordering groter is dan het belang van de samenleving bij voortzetting van het geding. Dit moet, aldus het hof, leiden tot niet-ontvankelijkverklaring ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.