HR, 19-06-2007, nr. 00346/06
ECLI:NL:HR:2007:BA0421
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
19-06-2007
- Zaaknummer
00346/06
- LJN
BA0421
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2007:BA0421, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 19‑06‑2007
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA0421
ECLI:NL:HR:2007:BA0421, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 19‑06‑2007; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BA0421
Beroepschrift, Hoge Raad, 01‑06‑2006
- Wetingang
- Vindplaatsen
NbSr 2007/253
Conclusie 19‑06‑2007
Inhoudsindicatie
De Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, kantonrechter en enkelvoudige kamer voor de behandeling van strafzaken in hoger beroep van 2 oktober 1996 (Stcrt. 1996, 197) houdt niets in omtrent de toepassing van het voorschrift van art. 359.1 Sv, zoals dat luidt na 1 januari 2005, inzake de vermelding van de vordering van het OM in de uitspraak. Aangenomen moet worden dat aan art. 359.1 Sv is voldaan indien de vordering van het OM is weergegeven in dan wel is gehecht aan het pv van de ttz. Geen rechtsregel eist dat die vordering daarnaast wordt opgenomen in de aantekening van het mondeling arrest in het pv van de ttz.
Nr. 00346/06
Mr. Knigge
Zitting: 6 maart 2007
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. De verdachte is op 20 december 2005 door het Gerechtshof te Amsterdam wegens de voortgezette handeling van diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd en diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
2. Deze zaak hangt samen met de zaak 00357/06 (dezelfde verdachte), waarin ik heden eveneens concludeer.
3. Namens de verdachte hebben mr. G.P. Hamer en B.P. de Boer, beiden advocaat te Amsterdam, een middel van cassatie voorgesteld.
4. Het middel behelst de klacht dat het Hof heeft nagelaten de vordering van de Advocaat-Generaal op te nemen in de aantekening van het mondeling arrest in het proces-verbaal van de zitting.
5. Art. 359 lid 1 Sv vereist sinds 1 januari 2005 dat het vonnis de vordering van de Officier van Justitie bevat. Dit voorschrift is van toepassing op de behandeling van de zaak in hoger beroep in zaken waarvan het onderzoek ter terechtzitting na 1 januari 2005 wordt gesloten, en dus ook op de onderhavige zaak.(1) Te verdedigen valt derhalve dat het mondelinge arrest in dit geval ook de vordering van de Advocaat-Generaal diende te bevatten.(2)
6. Een andere vraag is of de aantekening van dat mondeling arrest in het proces-verbaal van de zitting ook de vordering van de Advocaat-Generaal diende te bevatten. Art. 425 lid 4 Sv bepaalt voor zover hier van belang dat die aantekening geschiedt op de wijze door de Minister van Justitie te bepalen. De stellers van het middel wijzen er terecht op dat de Regeling aantekening mondeling vonnis (Regeling van 2 oktober 1996, Stcrt. 197), die in werking is getreden op 1 november 1996, zowel in de aanhef als in art. 3 gewag maakt van het vervallen art. 426d lid 2 Sv, maar niet van het thans geldende art. 425 lid 4 Sv.(3) De Minister heeft kennelijk nagelaten de regeling aan de onderhavige wetswijziging aan te passen. Met de stellers van het middel ben ik van oordeel dat het er voor gehouden moet worden dat de Minister van Justitie in art. 3 Regeling aantekening mondeling vonnis (hierna: de Regeling) de wijze heeft bepaald waarop de in art. 425 lid 4 Sv bedoelde aantekening dient te geschieden.
7. Nu is in genoemd art. 3 niet bepaald dat de aantekening de vordering van de advocaat-generaal dient te bevatten. Dat is door de stellers van het middel onderkend. Zij menen evenwel dat dit eenvoudig het gevolg is van een ander verzuim van de Minister: hij heeft nagelaten de Regeling aan te passen aan de op 1 januari 2005 in werking getreden wijziging van art. 359 lid 1 Sv. De ontstane leemte moet, zo begrijp ik, langs jurisprudentiële weg worden opgevuld.
8. Het argument dat ervan uitgegaan moet worden dat de wijziging van art. 359 Sv niet aan de aandacht van de Minister zal zijn ontsnapt, maar dat hij in die wijziging kennelijk geen reden heeft gezien voor te schrijven dat voortaan ook de in art. 425 lid 4 Sv bedoelde aantekening de vordering van de advocaat-generaal moet vermelden, is niet sterk. Art. 3 sub j van de Regeling, spreekt nog steeds van de motiveringseisen genoemd in art. 359, vierde, zesde, zevende en achtste lid Sv.(4) Men kan zich niet goed voorstellen dat de Minister het niet nodig vindt de regeling aan te passen aan de schrapping van het zevende lid van art. 359 Sv bij dezelfde wetswijzing en aan de vernummering die de leden 8 en 9 (oud) als gevolg daarvan hebben ondergaan. Dat er sprake is van achterstallig onderhoud is dus wel duidelijk. Maar daarmee is nog niet gezegd dat de Minister bij de noodzakelijke update zal voorschrijven dat de vordering in de aantekening dient te worden vermeld en al helemaal niet dat het op de weg van de Hoge Raad ligt daarop vooruit te lopen. Anders gezegd: dat op dit punt sprake is van een kennelijke misslag van de Minister, is nog maar de vraag.
9. In dit verband is niet zonder betekenis dat de stellers van het middel aan het nieuwe voorschrift een groter belang toekennen dan gerechtvaardigd lijkt. Het nauwe verband dat zij leggen met art. 359 lid 7 (oud) Sv en hun daarop gebaseerde opvatting dat art. 359 lid 1 Sv voorschrijft dat de vordering van het Openbaar Ministerie in de strafmotivering wordt vermeld, vinden naar het oordeel van de Hoge Raad geen steun in het recht.(5) Om een uitsluitend in het belang van de verdachte gegeven strafmotiveringsvoorschrift gaat het dus niet. Juist de onderhavige zaak illustreert dat: de advocaat-generaal had vrijspraak gevorderd: waarom daarvan bij de motivering van de straf melding zou moeten worden gemaakt, valt niet goed in te zien.
10. De belangen die met vermelding van de vordering in het vonnis of het arrest worden gediend(6), zijn mijns inziens niet van dien aard, dat moet worden geoordeeld dat het ontbreken van de vordering in de aantekening van het mondeling vonnis strijdt met de beginselen van een goede procesorde. Daarin kan dus geen reden worden gevonden om langs jurisprudentiële weg de verplichting te creëren om de vordering in de aantekening te vermelden.
11. Ook via uitleg van de Regeling zoals die thans luidt, valt een dergelijke verplichting mijns inziens moeilijk te construeren. Ik wijs er daarbij op dat het eveneens in art. 359 lid 1 Sv voorkomende voorschrift om de tenlastelegging in het vonnis op te nemen, in de Regeling is verzacht: met een verwijzing naar de inleidende dagvaarding mag worden volstaan.(7) Waarom dan met betrekking tot het voorschrift dat de vordering wordt vermeld - dat mij van minder gewicht toeschijnt dan het voorschrift de tenlastelegging te vermelden - méér zou moeten worden geëist, valt niet goed in te zien. Als dus de Minister het al wenselijk zou vinden om het nieuwe voorschrift in de Regeling te vertalen, zou de uitkomst wel eens kunnen zijn dat de rechter met een verwijzing naar de overgelegde schriftelijke vordering kan volstaan.
12. Daar komt nog dit bij. Niet voorgeschreven is dat de personalia van de verdachte en de naam van de rechter - toch essentiële gegevens - in de aantekening worden vermeld. De reden ligt voor de hand: vermelding van deze gegevens is overbodig omdat zij reeds in het proces-verbaal zijn opgenomen. Wel nu, in het proces-verbaal dient te worden vermeld dat de advocaat-generaal overeenkomstig art. 415 jo. 311 lid 1 Sv het woord voert en zijn schriftelijke vordering, na voorlezing, overlegt. Indirect wordt dus al in het proces-verbaal van de zitting naar de vordering verwezen. Dikwijls wordt daarbij ook de inhoud van de vordering vermeld. Daarin kan een bijkomend argument worden gevonden om de rechter niet te verplichten de vordering in de aantekening op te nemen of daarnaar in de aantekening te verwijzen. De toegevoegde waarde daarvan zou uiterst beperkt zijn.
13. Dat brengt mij op de voorliggende zaak. In de aantekening mondeling arrest wordt de vordering van de Advocaat-Generaal inderdaad niet vermeld. Wel echter in het proces-verbaal van de zitting, dat inhoudt dat de Advocaat-Generaal vordert dat de verdachte zal worden vrijgesproken. Ik heb mij afgevraagd of dat niet betekent dat het middel feitelijke grondslag mist: als het proces-verbaal de inhoud van de vordering vermeldt, is die vordering daar dan niet in aangetekend? Toch geloof ik niet dat die retorisch klinkende vraag bevestigend moet worden beantwoord. De aantekening van het vonnis is als een afgescheiden gedeelte van het proces-verbaal gedacht. Het is daarom dat gezegd kan worden dat de personalia van de verdachte - die in het proces-verbaal staan - niet in de aantekening van het mondeling vonnis behoeven te worden opgenomen. Wel onderstreept het voorgaande het geringe belang dat aan vermelding van de vordering in de aantekening moet worden gehecht.
14. Op grond van het voorgaande kom ik tot de conclusie dat de opvatting die aan het middel ten grondslag ligt, geen steun vindt in het recht. Voorshands (wijziging van de Regeling kan daarin verandering brengen) is niet vereist dat de vordering van de advocaat-generaal in de aantekening van het mondeling arrest wordt vermeld. Hetzelfde zal hebben te gelden met betrekking tot de vermelding van de eis van de OvJ in de aantekening van het mondeling vonnis.
15. Ook indien de Hoge Raad daarover anders zou oordelen, kan het middel mijns inziens niet tot cassatie leiden. Dan namelijk zal moeten worden geoordeeld dat sprake is van een kennelijke misslag, die in cassatie, gezien de op het spel staande belangen, door verbeterde lezing kan worden hersteld.(8)
16. Het middel faalt.
17. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Het onderzoek ter terechtzitting werd in casu op 20 december 2005 gesloten.
2 Vgl. Melai/Groenhuijsen, aant. 3.4 op de artt. 358-359 (suppl. 155).
3 De tweede afdeling van Titel II van het Derde Boek Sv, waartoe art. 426d Sv behoorde, is vervallen bij Wet van 6 december 2001, Stb. 584, inwerkingtreding 1 januari 2002 (Stb. 2001, 621). Bij dezelfde Wet is art. 425 Sv in werking getreden.
4 Zie ook art. 1 sub h en art. 2 sub h van de Regeling.
5 Zie het de stellers van het middel (naar ik aanneem) inmiddels welbekende HR 19 december 2006, LJN AZ1690.
6 Kortheidshalve veroorloof ik mij hier een verwijzing naar mijn conclusie voorafgaand aan HR 3 oktober 2006, NJ 2006, 551.
7 Artt. 1 sub a, 2 sub a en 3 sub c.
8 Vgl. HR 3 oktober 2006, NJ 2006, 550 en HR 3 oktober 2006, NJ 2006, 551.
Uitspraak 19‑06‑2007
Inhoudsindicatie
De Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, kantonrechter en enkelvoudige kamer voor de behandeling van strafzaken in hoger beroep van 2 oktober 1996 (Stcrt. 1996, 197) houdt niets in omtrent de toepassing van het voorschrift van art. 359.1 Sv, zoals dat luidt na 1 januari 2005, inzake de vermelding van de vordering van het OM in de uitspraak. Aangenomen moet worden dat aan art. 359.1 Sv is voldaan indien de vordering van het OM is weergegeven in dan wel is gehecht aan het pv van de ttz. Geen rechtsregel eist dat die vordering daarnaast wordt opgenomen in de aantekening van het mondeling arrest in het pv van de ttz.
19 juni 2007
Strafkamer
nr. 00346/06
ZK/IC
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 20 december 2005, nummer 23/002743-05, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Noord Holland Noord, Huis van Bewaring "Zwaag" te Zwaag.
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van Politierechter in de Rechtbank te Alkmaar van 27 april 2005 - de verdachte ter zake van "de voortgezette handeling van diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd en diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak" veroordeeld tot vier weken gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. B.P. de Boer, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof heeft verzuimd overeenkomstig art. 359, eerste lid, Sv de vordering van de Advocaat-Generaal bij het Hof te vermelden in de aantekening van het mondeling arrest in het proces-verbaal van de terechtzitting.
3.2. Blijkens de stukken van het geding heeft de enkelvoudige strafkamer van het Hof het arrest overeenkomstig art. 425, vierde lid aanhef en onder c (oud), Sv doen aantekenen in het proces-verbaal van de terechtzitting. Die aantekening bevat niet de vordering van de Advocaat-Generaal bij het Hof. De inhoud van die vordering is wel weergegeven in het proces-verbaal van de terechtzitting.
3.3.1. Het te dezen toepasselijke art. 425 (oud) Sv luidt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, als volgt:
"3. De enkelvoudige kamer geeft na sluiting van het onderzoek op de terechtzitting hetzij onmiddellijk hetzij diezelfde dag op een door haar bij de sluiting van het onderzoek te bepalen uur mondeling arrest.
4. Het arrest wordt in het proces-verbaal van de terechtzitting aangetekend op de wijze door de Minister van Justitie te bepalen:
(...)
c. indien een gewoon rechtsmiddel tegen het arrest wordt aangewend;
(...)."
3.3.2. Art. 359, eerste lid, Sv luidt met ingang van 1 januari 2005 als volgt:
"Het vonnis bevat het ten laste gelegde alsmede de vordering van de officier van justitie."
3.4. Art. 425, vierde lid (oud), Sv is op 1 januari 2002 in werking getreden. Voordien bevatte het thans vervallen art. 426d, tweede lid, Sv een vergelijkbare regeling voor mondelinge vonnissen van de enkelvoudige kamer van de rechtbank. Die regeling was op haar beurt vergelijkbaar met de regelingen inzake de mondelinge vonnissen van de politierechter, de kinderrechter, de economische politierechter en de kantonrechter, zoals neergelegd in onder meer art. 378, tweede lid, en art. 395, tweede lid, Sv. De aantekening van al die vonnissen is door de Minister van Justitie vastgesteld in de Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, de kantonrechter en de
enkelvoudige kamer voor de behandeling van strafzaken in hoger beroep van 2 oktober 1996 (Stcrt. 1996, 197), hierna te noemen: de Regeling. Aangezien de Minister voor de aantekening van de mondeling gewezen arresten van de enkelvoudige kamer van het gerechtshof geen nieuwe regeling heeft vastgesteld, moet worden aangenomen dat met de in de aanhef van het vierde lid van art. 425 (oud) Sv bedoelde, door de Minister van Justitie te bepalen wijze waarop een mondeling arrest dient te worden aangetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting, wordt gedoeld op de Regeling van 2 oktober 1996.
3.5. De Regeling is niet aangepast aan de op 1 januari 2005 in werking getreden wet van 10 november 2004, Stb. 580, houdende onder meer de wijziging van art. 359, eerste lid, Sv inzake de vermelding van de vordering van het openbaar ministerie in de uitspraak. Met betrekking tot dat voorschrift houdt de Regeling dan ook niets in.
Daarmee rijst de vraag of de vordering van het openbaar ministerie behoort te worden opgenomen in de aantekening van het mondelinge arrest, ook indien die vordering in het proces-verbaal van de terechtzitting is weergegeven of daaraan is gehecht.
3.6.1. Art. 425 Sv maakt het de enkelvoudige kamer in hoger beroep mogelijk mondeling arrest te wijzen en te volstaan met de aantekening van dat arrest in het proces-verbaal van de terechtzitting. Aldus vormen die aantekening en het proces-verbaal van de terechtzitting één geheel voor zover het de inhoud van de gewezen uitspraak betreft.
3.6.2. Nu de Regeling niets inhoudt omtrent de toepassing van het voorschrift van art. 359, eerste lid, Sv inzake de vermelding van de vordering van het openbaar ministerie in de uitspraak, moet in het licht van het onder 3.6.1 overwogene worden aangenomen dat in geval van toepassing van art. 425, vierde lid (oud), Sv - thans art. 425, derde lid, Sv - aan genoemd voorschrift van art. 359, eerste lid, Sv is voldaan indien de vordering van het openbaar ministerie is weergegeven in dan wel is gehecht aan het proces-verbaal van de terechtzitting. Geen rechtsregel eist dat die vordering daarnaast wordt opgenomen in de aantekening van het mondeling arrest in het proces-verbaal van de terechtzitting.
3.7. Het middel, dat van een andere opvatting uitgaat, faalt.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, B.C. de Savornin Lohman, J.W. Ilsink en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 19 juni 2007.
Beroepschrift 01‑06‑2006
Geacht College,
Ondergetekenden,
mr G.P. Hamer en mr B.P. de Boer, advocaten te Amsterdam,
kantoorhoudende te Amsterdam aan het Van der Helstplein 3, Cleerdin & Hamer Advocaten, (Postbus 51143, 1007 EC),
die in deze zaak bijzonderlijk gevolmachtigd zijn door rekwirant in cassatie:
de heer [verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats],
thans gedetineerd in PI Zwaag,
hebben hierbij de eer aan uw College te doen toekomen een schriftuur in cassatie ten vervolge op het tijdig ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest, alsmede de tussenarresten van het Gerechtshof te Amsterdam gewezen tegen rekwirant in de zaak met parketnummer 23/002743-05.
In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam bij arrest van 20 december 2005 rekwirant terzake van gekwalificeerde diefstal, meermalen gepleegd, een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd van 4 weken.
Rekwirant voert het navolgende middel van cassatie aan:
Schending van de artt. 359, 415 en 425 Sv, althans en in elk geval schending en/of onjuiste toepassing van het recht en/of verzuim van vormen
Meer in het bijzonder heeft het Hof ten onrechte nagelaten in (de strafmotivering van) het arrest de vordering van de Advocaat-Generaal zoals gedaan ter zitting op 20 december 2005 te vermelden en lijdt het arrest van het Hof daardoor aan nietigheid.
Toelichting
Het Hof heeft het arrest, nadat daartegen cassatie was ingesteld, aangetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting als bedoeld in art. 425 lid 4 Sv. Blijkens art. 425 lid 4 Sv wordt de wijze waarop dit dient te gebeuren door de Minister van Justitie bepaald en worden dus door de Minister regels gesteld met betrekking tot de gegevens die een dergelijke aantekening moet bevatten.
De bedoelde nadere ministeriële regels zijn te vinden in de Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, de kantonrechter en de enkelvoudige kamer voor behandeling van strafzaken in hoger beroep (2 oktober 1996, Staatscourant 1996, 197). Deze regeling is —hoewel daarin niet expliciet wordt verwezen naar art. 425 Sv — naar de mening van rekwirant ook van toepassing op art. 425 Sv nu de artikelen waarnaar de regeling wel verwijst soortgelijk zijn aan art. 425 Sv en het achterwege blijven van een regeling met een expliciete verwijzing naar art. 425 Sv en/of het achterwege blijven van een specifieke op art. 425 Sv toegesneden regeling moet worden beschouwd als een kennelijke en onbedoelde omissie van de minister.
Hoewel — voor zover ondergetekenden bekend — de minister (nog) geen regeling heeft vastgesteld waarop wordt gedoeld in art. 425 lid 4 Sv, moet het ervoor worden gehouden dat dit ontbreken van een nadere regeling een onbedoeld verzuim is welk verzuim, totdat er een ministeriële regeling is die wel specifiek naar art. 425 lid 4 Sv verwijst, gemakkelijk kan worden opgevangen door aan de aantekening mondeling arrest als bedoeld in art. 425 dezelfde eisen te stellen als de eisen die in de genoemde en wel bestaande ministeriële regeling worden gesteld aan de aantekening vonnis bij behandeling door de enkelvoudige kamer voor de behandeling van strafzaken in hoger beroep (bij de rechtbank) zoals die ten tijde van het bestaan van artikel 426d Sv gold. Dit te meer nu de door de minister in de genoemde regeling gestelde eisen ten aanzien van aantekeningen van mondelinge vonnissen van de politierechter, kinderrechter, kantonrechter en enkelvoudige kamer voor de behandeling van strafzaken in hoger beroep bij de rechtbank nagenoeg dezelfde zijn.
Naar de mening van rekwirant kan het niet de bedoeling van de wetgever en/of de minister zijn geweest wel uitgebreid te regelen hoe aantekeningen mondeling vonnis van lagere rechters eruit dienen te zien, terwijl dat ten aanzien van de enkelvoudige kamer bij het Gerechtshof niet zou gelden en het Hof alle vrijheid zou hebben op de strafzaak betrekking hebbende gegevens al dan niet te vermelden.
In artikel 3 van de eerdergenoemde regeling is — hoewel daarin dus met betrekking tot het hoger beroep dus alleen nog wordt gesproken van het inmiddels vervallen art. 426d, tweede lid Sv — bepaald dat de ex art. 425 Sv opgemaakte aantekening — kort gezegd en voor zover hier van belang — onder meer de volgende gegevens dient te bevatten:
(…)
- c.
De inhoud van de tenlastelegging;
- d.
De inhoud van de bewijsmiddelen;
- e.
De bewezenverklaring;
- h.
De beslissing omtrent de strafbaarheid van de verdachte en het feit of de feiten;
- j.
De opgelegde straffen of maatregelen met de strafmotivering die voldoet aan de eisen van artikel 359, 4e, 6e, 7e en 8e lid, Sv;
(…)
De genoemde regeling is (nog) gebaseerd op art. 359 Sv (oud). Er wordt dan ook niet expliciet in gesteld dat de aantekening mondeling vonnis moet voldoen aan het vereiste van het nieuwe eerste lid van art. 359 Sv. Art. 359 lid 1 Sv, welk artikel blijkens artt. 415 Sv ook in hoger beroep van toepassing is, bepaalt dat het vonnis (in casu dus het arrest van het Hof) de vordering van de advocaat-generaal dient te bevatten.
Naar de mening van rekwirant dient er echter wel van te worden uitgegaan dat ook in de aantekening als bedoeld in art. 425 lid 4 Sv de vordering van de advocaat-generaal dient te worden opgenomen. De artikelleden waarnaar de regeling wel verwijst betreffen immers alle leden die te maken hebben met de vereisten waaraan de strafmotivering moet voldoen. Ook het nieuwe eerste lid behelst een eis die ziet op de deugdelijkheid van de strafmotivering in uitspraken.
Het amendement waarbij de hier aan de orde zijnde eis uit art. 359 lid 1 Sv werd geïntroduceerd liet immers tegelijk ook het oude zevende lid liet vervallen, terwijl uit het amendement noch uit enig ander onderdeel van de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever heeft bedoeld de (2e) eis van lid 1 een andere invulling te geven dan de invulling die door uw Raad aan lid 7 (oud) werd gegeven. Met het vervallen van lid 7 (oud) kan zelfs gesteld worden dat, bij gebreke aan aanwijzingen voor het tegendeel in de tekst van het nieuwe 1e lid en/of de wetsgeschiedenis, het tweede deel van het nieuwe 1e lid naar alle waarschijnlijkheid moet worden beschouwd als een codificatie van de op art. 359 lid 7 (oud) gebaseerde jurisprudentie.
Voor de opvatting dat de eis van art. 359 lid 7 (oud) zag op de strafmotivering en de eis van het openbaar ministerie daarom steeds deel diende uit te maken van de strafmotivering is steun te vinden in de bestendige jurisprudentie van uw Raad met betrekking tot art 359 lid 7 (oud) (zie onder meer HR 22 november 2005, griffienummer 00105/05 en HR 21 september 2004, NJ 2005. 62). In het laatstgenoemde arrest overwoog uw College (in r.o. 3.5):
‘Opmerking verdient dat in dit opzicht niet kan worden volstaan met de mededeling elders dan in de strafmotivering in het vonnis of arrest dat de rechter kennis heeft genomen van de vordering van het openbaar ministerie. Evenmin is in dit verband het enkele aanhechten van de vordering van het openbaar ministerie aan het vonnis of arrest een voldoende naleving van de onderhavige motiveringsplicht.’
In casu vermeldt de ex. art. 425 lid 4 Sv opgemaakte aantekening van het mondeling arrest de vordering van de advocaat-generaal niet. Wel vermeldt het proces-verbaal terechtzitting in hoger beroep dat de advocaat-generaal ‘vordert dat verdachte zal worden vrijgesproken van de hem ten laste gelegde feiten’.
Gelet op art. 425 lid 4 Sv, de eerder genoemde Ministeriele regeling en hetgeen daarover hierboven is gesteld moet ervan worden uitgegaan dat de aantekening mondeling arrest tevens moet voldoen aan art. 359 lid 1 Sv. Nu het nieuwe eerste lid van art. 359 Sv eist dat het vonnis (in hoger beroep dus het arrest) de vordering van de advocaat-generaal bevat, kan niet worden gesteld dat de enkele vermelding van die vordering in het proces-verbaal terechtzitting voldoende is om te kunnen zeggen dat het Hof aan de eis van art. 359 lid 1 Sv heeft voldaan. Blijkens het achtste lid van art. 359 Sv leidt het verzuim om de vordering van de advocaat-generaal op te nemen in het arrest tot nietigheid. Het arrest van het Hof kan dan ook ook hierom niet in stand blijven.
Het is op bovengenoemde gronden dat rekwirant uw College eerbiedig verzoekt om het arrest zoals gewezen door het Gerechtshof Amsterdam op 20 december 2005 te vernietigen en een zodanige uitspraak te doen als uw College juist en noodzakelijk voorkomt.
De bijzonderlijk gevolmachtigden,
mr G.P. Hamer
mr B.P. de Boer
Amsterdam, 1 juni 2006