Inzake Opsporing, Enquetecommissie Opsporingsmethoden, Algemeen Deel, Sdu, 1996, paragraaf 10.7.2, p. 452 (e.v.)
HR, 13-06-2006, nr. 01814/05
ECLI:NL:HR:2006:AV4179
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
13-06-2006
- Zaaknummer
01814/05
- LJN
AV4179
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2006:AV4179, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 13‑06‑2006
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2005:AS5816
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AV4179
ECLI:NL:HR:2006:AV4179, Uitspraak, Hoge Raad, 13‑06‑2006; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2005:AS5816
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AV4179
Beroepschrift, Hoge Raad, 08‑09‑2005
- Wetingang
art. 348 Wetboek van Strafvordering
- Vindplaatsen
NbSr 2006/251
Conclusie 13‑06‑2006
Inhoudsindicatie
Meld Misdaad Anoniem. In cassatie wordt ervan uitgegaan dat (i) de regiopolitie Amsterdam/Amstelland op 14-5-03 MMA-informatie heeft gekregen die op die dag aan MMA telefonisch (anoniem) was meegedeeld, inhoudende ‘dat in de […]-straat 10 te Bos en Lommer Amsterdam drugs, wapens en geld aanwezig zijn’; (ii) deze informatie, die door de politie is vergeleken met gegevens van een lopend onderzoek naar de handel in verdovende middelen, aanleiding heeft gegeven tot het op diezelfde dag binnentreden en doorzoeken van de woning aan de […]-straat 10-hs te Amsterdam; (iii) MMA de aanduiding is van een telefoonlijn (een zogenoemde kliklijn) die door de Stichting Meld Misdaad Anoniem in stand wordt gehouden en die de mogelijkheid biedt tot anonieme melding van informatie over ernstige misdrijven; (iv) het bestuur van de stichting in ieder geval wordt gevormd door personen die zijn voorgedragen door het ministerie van Justitie, het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Raad van Hoofdcommissarissen en het Verbond van Verzekeraars, met wie de stichting samenwerkt en van wie zij jaarlijks financiële bijdragen ontvangt. Vooropgesteld moet worden dat geen rechtsregel eraan in de weg staat dat de politie anonieme informatie gebruikt als startinformatie voor een opsporingsonderzoek. Mede gelet hierop getuigt ‘s hofs oordeel dat het gebruik van de MMA-informatie i.c. niet in strijd is met art. 6 EVRM dan wel met de beginselen van een behoorlijke procesorde, niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen ‘s hofs vaststelling dat de juistheid van die informatie door de politie is getoetst en onderbouwd met nadere onderzoekgegevens, alsmede de omstandigheid dat het hof de informatie niet voor het bewijs heeft gebruikt.
Griffienr. 01814/05
Mr. Wortel
Zitting:28 februari 2006
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam waarbij verzoeker, voor zover de zaak aan het oordeel van het Hof was onderworpen, wegens (1) "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd", (2) "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C van de Opiumwet gegeven verbod", (3) "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan ten aanzien van een wapen van categorie II, meermalen gepleegd en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan ten aanzien van een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd en handelen in strijd met artikel 26 van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd" en (4) "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd" is veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf, met bijkomende beslissingen ten aanzien van inbeslaggenomen voorwerpen.
2. Namens verzoeker heeft mr. M.E. van der Werf, advocaat te Amsterdam, een schriftuur houdende cassatieklachten ingediend.
3. Het eerste middel komt op tegen de verwerping van het verweer dat het Openbaar Ministerie in de vervolging van verzoeker niet-ontvankelijk verklaard dient te worden voor zover het gaat om het onder 2 tenlastegelegde feit, althans verzoeker ter zake van dat feit vrijgesproken dient te worden wegens onrechtmatige bewijsgaring.
4. Naar aanleiding van dat verweer heeft het Hof uitvoerige overwegingen gegeven. Ik vat ze samen.
4.a. Het onderzoek naar het betreffende feit is begonnen naar aanleiding van een melding die is binnengekomen bij "Meld Misdaad Anoniem" (MMA).
Het Hof is (evenals de raadsman) van oordeel dat het gebruik, als aanleiding van het onderzoek, van de bij MMA binnengekomen anonieme melding neerkomt op de toepassing van een opsporingsmethode. MMA is immers een "publiek/privaat samenwerkingsverband", waarmee wordt beoogd bij te dragen aan de opsporing van strafbare feiten door het exploiteren van een telefoonlijn en het doorgeven van de informatie die in de vorm van anonieme meldingen via deze telefoonlijn wordt verkregen.
4.b. Het ter beschikking van de politie komen van de door MMA vastgelegde meldingen, en het gebruik van die informatie, vindt een rechtsgrond in art. 2 Politiewet 1993.
4.c. Er is een proces-verbaal beschikbaar waarin een opsporingsambtenaar heeft gerelateerd op welke wijze de melding is getoetst en met aanvullende gegevens onderbouwd. De wijze waarop de betrouwbaarheid van de anoniem gegeven inlichtingen werd geverifieerd kan de verdediging in zoverre controleren. De enkele omstandigheid dat (uitzonderingen daargelaten) de melder zelf inderdaad anoniem blijft en dus niet als getuige kan worden gehoord brengt niet mee dat het gebruik van de door MMA doorgegeven melding onverenigbaar is met art. 6 EVRM, en evenmin dat het gebruik van deze informatie strijdig is met beginselen van een behoorlijke procesorde.
4.d. De inhoud van de door MMA doorgegeven melding (dat er in een nader aangeduid perceel drugs, wapens en geld aanwezig waren) is opgenomen in een proces-verbaal van bevindingen. In dat proces-verbaal is verder uiteengezet dat de melding is vergeleken met de resultaten van een al lopend onderzoek, waarin werd vastgesteld dat een ten name van verzoeker staande personenauto een maand tevoren in de betreffende straat is geweest; dat een jaar eerder een onderzoek had gelopen (en in verband met onvoldoende capaciteit gestaakt) naar aanleiding van een CIE-melding dat verzoeker en een andere persoon zich bezig hielden met de uitvoer van drugs, waarbij is vastgesteld dat verzoeker contact had met zekere [medeverdachte 1] (die later bleek de bewoner te zijn van de door de anonieme melder genoemde woning), en dat ook in het nog lopende onderzoek bij het afluisteren van telefoongesprekken is gebleken dat verzoeker en [medeverdachte 1] regelmatig contact hadden, waarbij soms kennelijk versluierende taal is gebruikt.
4.e. Op grond van al deze feiten en omstandigheden, in onderling verband beschouwd, verwerpt het Hof deze stelling dat de door MMA doorgegeven melding niet kon bijdragen aan de verdenking die toereikende grond vormde om de woning binnen treden en te doorzoeken.
Het subsidiaire, op bewijsuitsluiting gerichte, verweer kan bovendien niet slagen omdat verzoeker niet de bewoner van de betreffende woning was zodat - indien al aangenomen zou moeten worden dat die woning onrechtmatig is betreden en doorzocht - verzoeker niet in enig te respecteren rechtsbelang kan zijn getroffen.
5. Eveneens samengevat wordt in de toelichting op het middel het volgende tegen deze overwegingen aangevoerd.
5.a. Terecht heeft het Hof geoordeeld dat het doorgeven en gebruiken van de bij MMA ontvangen anonieme melding een opsporingsmiddel is geweest, maar ten onrechte heeft het Hof aangenomen dat art. 2 Politiewet 1993 voor dat opsporingsmiddel een deugdelijke rechtsgrond biedt.
5.b. Betoogd wordt dat de "Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden" in belangrijke mate was gebaseerd op de aanbevelingen van de Parlementaire Enquetecommissie Opsporingsmethoden, welke aanbevelingen inhielden dat iedere opsporingsmethode van een deugdelijke wettelijke basis moet zijn voorzien, die de controleerbaarheid kan waarborgen. Hierbij zijn twee soorten van opsporingsmethoden onderscheiden die een specifieke wettelijke basis behoeven, te weten a) opsporingsmethoden die een inbreuk op grondrechten maken, en b) opsporingsmethoden die een groot risico voor de integriteit en beheersbaarheid van de opsporing impliceren.
5.c. De steller van het middel meent dat in deze zaak aan de orde kan zijn geweest dat een burger bij de opsporing betrokken is geraakt, te weten degene die anoniem het MMA heeft gebeld. Voorts wordt gesteld dat deze bijdrage van een burger aan de opsporing gepaard gaat met grote risico's voor de integriteit en beheersbaarheid van die opsporing, aangezien de bij MMA gevolgde werkwijze meebrengt dat nimmer achterhaald zal kunnen worden wie de melding heeft gedaan. De MMA-medewerker kiest de bewoordingen waarin de melding wordt neergelegd en doorgegeven, waarna de opname van het telefoongesprek (nummermelding is daarbij uitgeschakeld) automatisch wordt vernietigd.
5.d. Er zal dus werkelijk nooit iemand gehoord kunnen worden met betrekking tot de betrouwbaarheid van de melder en diens informatie; procedurele waarborgen zoals die rond het vergaren en doorgeven van informatie door een Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE), ontbreken hier.
Een en ander brengt zó veel onzekerheid rond de betrouwbaarheid van de door MMA doorgegeven informatie mee dat dit een onrechtmatig opsporingsmiddel genoemd moet worden zolang niet is voorzien in een nadrukkelijke wettelijke grondslag, die voorzieningen zal moeten bevatten om de betrouwbaarheid van een melding te kunnen vaststellen, desnoods door de melder (anoniem) te horen.
6. Een interessante poging om een bommetje onder Meld Misdaad Anoniem te leggen, maar naar mijn smaak tevergeefs.
In de toelichting op het middel worden enkele gegevens geponeerd, die veel minder zeker zijn dan wordt gesuggereerd.
Er wordt gesteld dat de "gebruikelijke wijze van incidentele anonieme informatievergaring [immers] door de CIE geschiedt". Ook wordt de stelling betrokken dat in de gevallen waarin burgers rechtstreeks de politie benaderen om anoniem informatie te geven, die opsporingsautoriteiten "zullen proberen de melder op te sporen teneinde meer informatie te verkrijgen en diens betrouwbaarheid te toetsen".
7. Het is, toegegeven, inmiddels meer dan tien jaar geleden, maar ooit was ik zelf officier van justitie en ik heb toen ook nog met het CID-bijltje gehakt. Er kan in tien jaar veel veranderd zijn, maar destijds was het bepaald niet zo dat incidentele anonieme meldingen "gebruikelijk" door de CID (nu CIE) werden verwerkt. De CID ging over bekende contacten. De daaruit verkregen informatie kon, afhankelijk van het betrouwbaarheidsoordeel van de CID-chef, in de gedaante van CID-informatie ter beschikking worden gesteld. Wat in de toelichting op het middel 'incidentele anonieme informatievergaring' wordt genoemd heette destijds gewoon 'anonieme tip', en die kon ook bij een district of wijkteam zijn binnengekomen. Dan werd daar beslist of er iets met de informatie te doen viel, na raadpleging van andere bronnen die een bevestiging zouden kunnen opleveren. Het was zeker geen regel dat de beoordeling of verwerking van zo'n tip altijd aan de CID overgelaten moest worden. Afgaande op de huidige Regeling voor Criminele Inlichtingen Eenheden (Stcrt. 12 oktober 2000, nr. 198) zie ik geen aanleiding om te veronderstellen dat het thans structureel anders ligt, vgl. de toelichting op art. 2 van deze Regeling.
De stelling dat politie-instanties die rechtstreeks een anonieme melding krijgen routineus zullen trachten de anonymus te achterhalen om diens betrouwbaarheid te onderzoeken (althans dat onderzoek mogelijk te maken) lijkt mij evenmin houdbaar. Nogmaals: ik ga af op mijn eigen ervaring van destijds, maar in ieder geval toen was dit geenszins een gebruikelijke praktijk. Alleen als er een bijzondere reden voor was werd moeite gedaan om de tipgever op te sporen. Doorgaans omdat iemand had bedacht dat het nuttig zou zijn om een voor het bewijs bruikbare verklaring op te nemen, of omdat de verdediging de positie van de tipgever in twijfel wist te trekken, maar vaak waren die nasporingen tevergeefs.
8. Uiteraard overschrijd ik met deze ontboezemingen uit eigen ervaring royaal de grenzen van het cassatieonderzoek, doch ik poog zodoende enig tegenwicht te bieden aan de toelichting op het middel, waarin die grenzen evenzeer worden overschreden: er worden met stelligheid feiten gepresenteerd die het Hof niet heeft vastgesteld en die overigens niet van algemene bekendheid zijn.
De enige ervaringsregel die hier als feit van algemene bekendheid kan meewegen is deze: het is een al lang bekend verschijnsel dat opsporingsambtenaren informatie krijgen van tipgevers die verder buiten beeld willen blijven, en daar veelal ook in slagen, en dan rijst de vraag of de anonimiteit van de informatieverstrekker er aan in de weg staat de tip te laten meewegen bij de beslissing of er voldoende verdenking is om een bijzondere opsporingsbevoegdheid in stelling te brengen.
9. Dit is ten aanzien van het door de overheid gefinancierde "Meld Misdaad Anoniem" niet wezenlijk anders dan ten aanzien van de politiekorpsen en hun diverse afdelingen. Het verschil is gradueel. De door het Hof vastgestelde werkwijze van MMA garandeert dat een tipgever nooit valt te traceren, althans niet via dat MMA. Daarentegen is er een zekere kans dat een tipgever die rechtstreeks aan een politie-onderdeel heeft gemeld nog achterhaald kan worden, maar zeker is dat geenszins. Ten minste zal vereist zijn dat er bij de politie een telefoon is gebruikt die is aangesloten op een gespreksregistratie (en de opnamen niet inmiddels zijn gewist), terwijl de tipgever zo onverstandig moet zijn geweest zijn eigen telefoon te gebruiken.
10. De steller van het middel kan ik evenmin volgen in diens kennelijke gedachte dat "Meld Misdaad Anoniem" beschouwd moet worden als een opsporingsmethode waarbij een burger bij de opsporing betrokken raakt, een verschijnsel dat kritisch is bezien door de bovengenoemde Parlementaire Enquetecommissie en bij de parlementaire behandeling van de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden. Daarbij is gedacht aan situaties waarin politie en Openbaar Ministerie bekend zijn, althans behoren te zijn, met het gedrag van de meewerkende burger in diens contacten met de verdachte en/of in verhouding tot het begaan van strafbare feiten. Dat is niet aan de orde bij het in ontvangst nemen en gebruiken van een tip die een anonymus eigener beweging geeft. Bijgevolg zie ik ook niet waarom dit "Meld Misdaad Anoniem", en de beslissing om de daardoor verkregen inlichtingen te gebruiken voor het starten of bijsturen van een onderzoek, een opsporingsmethode is die grote risico's voor de integriteit van de rechtshandhaving meebrengt.
11. Naar mijn inzicht heeft het Hof terecht aangenomen dat het taakstellende art. 2 Politiewet 1993 een toereikende rechtsgrond is voor het gebruik van dit opsporingsmiddel.
Het cassatiemiddel treft dus geen doel.
12. Het tweede middel komt op tegen de verwerping van het verweer dat voor het bewijs van het onder 1 tenlastegelegde feit geen betekenis mag worden toegekend aan de verklaringen van zekere [medeverdachte 4], aangezien deze persoon zijn verklaringen heeft afgelegd als uitvloeisel van "plea bargaining" in verband met diens eigen vervolging in de Verenigde Staten.
13. Naar aanleiding van dat verweer heeft het Hof overwogen dat het de verklaringen van deze [medeverdachte 4] met de nodige zorgvuldigheid heeft bezien; dat [medeverdachte 4] (direct) na zijn aanhouding de naam van een medeverdachte van verzoeker heeft genoemd, en in vervolgens afgelegde verklaringen telkens heeft volgehouden dat hij naar waarheid heeft verklaard omtrent zijn eigen betrokkenheid en die van verzoeker en die medeverdachte; dat al deze verklaringen consistent genoemd kunnen worden, hetgeen ook het geval is ten aanzien van een verklaring die [medeverdachte 4] in een rogatoir verhoor heeft afgelegd, aangezien niet onaannemelijk is dat [medeverdachte 4] bij die gelegenheid andere feiten heeft genoemd omdat hij zich, een jaar later, niet meer alle details kon herinneren.
Voorts heeft het Hof overwogen dat de enkele omstandigheid dat [medeverdachte 4] kort na zijn aanhouding verklaringen heeft afgelegd waarbij hij zijn eigen aandeel in de feiten zo klein mogelijk heeft willen maken niet zonder meer meebrengt dat diens later afgelegde verklaringen leugenachtig zijn, en evenmin het enkele feit van de "plea bargain" een aanwijzing geeft dat die verklaringen onjuist zijn.
Ten slotte heeft het Hof overwogen dat het aan de verklaringen van [medeverdachte 4] slechts ten aanzien van enkele punten van de tenlastelegging betekenis toekent, aangezien alleen op die punten bevestiging kan worden gevonden in het overige bewijsmateriaal.
14. Met deze overwegingen - waarin overigens besloten ligt dat de verdediging in de gelegenheid is geweest de getuige te (doen) ondervragen, namelijk bij diens verhoor krachtens rogatoire commissie - heeft het Hof op goede en begrijpelijke gronden vastgesteld dat is voldaan aan de voorwaarden waaronder de door [medeverdachte 4] afgelegde verklaringen tot het bewijs kunnen bijdragen, vgl. HR NJ 1995, 683.
15. De beschouwingen in de toelichting op het middel omtrent praktijken en ontwikkelingen in de rechtspleging in de Verenigde Staten, die afbreuk zouden doen aan de betrouwbaarheid van verklaringen die in verband met 'plea bargaining' zijn afgelegd, gaan de grenzen van het onderzoek in cassatie te buiten.
16. Ook het tweede middel faalt derhalve.
17. In ieder geval het tweede middel leent zich voor afdoening met de in art. 81 RO bedoelde korte motivering.
18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Uitspraak 13‑06‑2006
Inhoudsindicatie
Meld Misdaad Anoniem. In cassatie wordt ervan uitgegaan dat (i) de regiopolitie Amsterdam/Amstelland op 14-5-03 MMA-informatie heeft gekregen die op die dag aan MMA telefonisch (anoniem) was meegedeeld, inhoudende ‘dat in de […]-straat 10 te Bos en Lommer Amsterdam drugs, wapens en geld aanwezig zijn’; (ii) deze informatie, die door de politie is vergeleken met gegevens van een lopend onderzoek naar de handel in verdovende middelen, aanleiding heeft gegeven tot het op diezelfde dag binnentreden en doorzoeken van de woning aan de […]-straat 10-hs te Amsterdam; (iii) MMA de aanduiding is van een telefoonlijn (een zogenoemde kliklijn) die door de Stichting Meld Misdaad Anoniem in stand wordt gehouden en die de mogelijkheid biedt tot anonieme melding van informatie over ernstige misdrijven; (iv) het bestuur van de stichting in ieder geval wordt gevormd door personen die zijn voorgedragen door het ministerie van Justitie, het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Raad van Hoofdcommissarissen en het Verbond van Verzekeraars, met wie de stichting samenwerkt en van wie zij jaarlijks financiële bijdragen ontvangt. Vooropgesteld moet worden dat geen rechtsregel eraan in de weg staat dat de politie anonieme informatie gebruikt als startinformatie voor een opsporingsonderzoek. Mede gelet hierop getuigt ‘s hofs oordeel dat het gebruik van de MMA-informatie i.c. niet in strijd is met art. 6 EVRM dan wel met de beginselen van een behoorlijke procesorde, niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen ‘s hofs vaststelling dat de juistheid van die informatie door de politie is getoetst en onderbouwd met nadere onderzoekgegevens, alsmede de omstandigheid dat het hof de informatie niet voor het bewijs heeft gebruikt.
13 juni 2006
Strafkamer
nr. 01814/05
SG/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 7 februari 2005, nummer 23/004641-03, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Noord Holland Noord" te Zwaag.
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Amsterdam van 18 december 2003, voorzover aan 's Hofs oordeel onderworpen - de verdachte ter zake van 1. "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd", 2. "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod", 3. "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan ten aanzien van een wapen van categorie II, meermalen gepleegd" en "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan ten aanzien van een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd" en "handelen in strijd met artikel 26 van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd" en 4. "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd" veroordeeld tot drie jaren gevangenisstraf, met onttrekking aan het verkeer en teruggave aan verdachte zoals in het arrest omschreven.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.E. van der Werf, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel komt op tegen de verwerping door het Hof van een in hoger beroep gevoerd verweer dat primair strekte tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging ter zake van het onder 2 tenlastegelegde feit en subsidiair tot uitsluiting van bewijs wegens het gebruik van informatie die is verkregen via een telefonisch binnengekomen melding bij de Stichting Meld Misdaad Anoniem (MMA).
3.2. Overeenkomstig de tenlastelegging is onder 2 bewezenverklaard dat de verdachte:
"op 14 mei 2003 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad 4248 pillen bevattende MDMA."
3.3. Het bestreden arrest houdt, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
"Bespreking van verweren
De raadsman van verdachte heeft -kort samengevat- primair gesteld dat het openbaar ministerie ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 13-129068-03 onder 2 tenlastegelegde -de zaak [medeverdachte 1]- niet ontvankelijk dient te worden verklaard nu in de opsporing gebruik is gemaakt van een onrechtmatige opsporingsmethode.
Subsidiair heeft de raadsman gesteld dat de gevolgde opsporingsmethode dient te leiden tot bewijsuitsluiting van hetgeen bij de huiszoeking in [a-straat 1]-huis te [woonplaats] is aangetroffen alsmede van de daaruit voortvloeiende verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], nu de anonieme melding niet kan leiden tot en ook niet kan bijdragen aan het ontstaan van een redelijk vermoeden van schuld en dus ook niet tot de toepassing van dwangmiddelen.
Hij heeft hiertoe -zakelijk weergegeven- het volgende aangevoerd.
Door de anonieme telefonische "kliklijn" van de Stichting "Meld Misdaad Anoniem" (hierna: MMA) is een buitenwettelijk, en derhalve onrechtmatig opsporingsmiddel ontstaan en het in het opsporingsonderzoek gebruik maken van door MMA verstrekte anonieme meldingen vormt derhalve een onrechtmatige op-sporingsmethode. De MMA wordt beheerst door de overheid, nu zowel het bestuur als de financiering in overwegende mate worden bepaald door de ministeries van Justitie en Binnenlandse zaken en door de Raad van Hoofdcommissarissen. Nu MMA dient te worden beschouwd als een actief opsporende overheidsdienst is gelet op het legaliteitsbeginsel een wettelijke basis vereist. Nu deze ontbreekt, heeft de overheid bewust (buiten het Wetboek van Strafvordering om) een buitenwettelijke opsporingsmethode geschapen. Het gebruik maken in het opsporingsonderzoek van meldingen van MMA is derhalve in strijd met artikel 6 van het EVRM en in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde, nu de betrouwbaarheid van de anoniem gegeven informatie door de verdediging niet kan worden getoetst.
Subsidiair dient, nu de anonieme melding niet tot een redelijk vermoeden van schuld had mogen leiden, de naar aanleiding van die anonieme melding gehouden doorzoeking als onrechtmatig worden aangemerkt en moet hetgeen daarbij is aangetroffen alsmede de daaruit voortvloeiende verklaringen van het bewijs worden uitgesloten.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Vast is komen te staan dat de door de raadsman bedoelde telefoonlijn Meld Misdaad Anoniem wordt geëxploiteerd door de Stichting Meld Misdaad Anoniem.
Uit de inhoud van de door de raadsman ter terechtzitting overgelegde akte van oprichting Stichting Meld Misdaad Anoniem blijkt - voorzover hier van belang - het volgende. De stichting is op 24 december 2003 opgericht door drie personen, onder wie H. Munting, ten aanzien van wie is vermeld: in het dagelijks leven directeur Publiek-Private Samenwerking van de Raad van Hoofdcommissarissen. Het doel van de stichting is onder meer het exploiteren van een meldlijn waar burgers anoniem infor-matie over criminaliteit kunnen melden en die via de telefoonlijn ontvangen informatie door te geven aan de publieke en private partners, teneinde bij de te dragen aan het oplossen van misdrijven.
Gehoord als getuige ter terechtzitting in hoger beroep heeft Munting voornoemd onder meer verklaard:
- tot de hoofdfinanciers van de stichting behoort onder andere de Raad van Hoofdcommissarissen;
(Het hof leidt uit deze verklaring af dat de telefoonlijn MMA voor een belangrijk deel mede wordt gefinancierd door de Raad van Hoofdcommissarissen.)
- de bedoeling van de telefoonlijn MMA is informatie te genereren die aan de deelnemers van de stichting kan worden gestuurd, waarbij die informatie als zij (het hof begrijpt: voor de politie) voldoende concreet is, elektronisch wordt verstuurd naar het politiekorps van de regio waar de inhoud van de informatie zich afspeelt;
- dat die informatie zogeheten sturingsinformatie is en dat de verantwoordelijkheid voor wat met de doorgestuurde informatie gebeurt bij de politie ligt.
Uit het voorgaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, leidt het hof het volgende af.
De telefoonlijn van de stichting Meld Misdaad Anoniem is opgezet als Publiek-Privaat samenwerkingsverband, is mede ingesteld om de politie als opsporingsinstantie te voorzien van concrete informatie over misdrijven, wordt mede in stand gehouden door een substantiële financiële bijdrage van de Raad van Hoofdcommissarissen en genereert concrete informatie over criminaliteit, welke informatie, indien daartoe geschikt geacht, vervolgens aan de politie als opsporingsinstantie wordt verstrekt.
In de onderhavige zaak-[medeverdachte 1] is gerechercheerd mede aan de hand van informatie vervat in een anonieme melding van de telefoonlijn MMA.
Aldus gezien is de Stichting MMA mede vanwege de politie als opsporingsinstantie opgezet, kan de telefoonlijn MMA worden gebruikt als opsporings-middel/methode, is de anonieme informatie in de onderhavige zaak-[medeverdachte 1] verkregen via de telefoonlijn MMA, heeft de politie in die zaak mede gerechercheerd aan hand van die anonieme informatie en heeft de politie die telefoonlijn MMA in de zaak-[medeverdachte 1] mitsdien gebruikt als opsporingsmiddel/-methode.
Het hof deelt derhalve het standpunt van de raadsman dat de mogelijkheid om anoniem via de telefoonlijn van de Stichting MMA informatie te verschaffen, een opsporingsmethode is.
De wijze waarop de politie in de onderhavige zaak de informatie, vervat in de anonieme melding, heeft verkregen en daarvan gebruik heeft gemaakt, vindt haar rechtsgrond in het bepaalde in artikel 2 van de Politiewet 1993, zodat reeds daarom het verweer dat de MMA dan wel het gebruikmaken van de van MMA ontvangen informatie uit anonieme melding onrechtmatig is, moet worden verworpen.
Het enkele feit dat overheidsorganen participeren in MMA maakt dat niet anders.
MMA is geen onrechtmatige opsporingsmethode en het gebruikmaken van een melding leidt naar het oordeel van het hof mitsdien niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.
Tevens heeft de raadsman gesteld dat het gebruiken van de melding strijd oplevert met artikel 6 van het EVRM dan wel in strijd is met de beginselen van een goede procesorde, nu deze anoniem gegeven informatie niet op haar betrouwbaarheid kan worden getoetst. Het hof overweegt daaromtrent het volgende. De wijze waarop de anonieme informatie in de melding in nader onderzoek is getoetst en onderbouwd met aanvullende onderzoeksgegevens is neergelegd in het proces-verbaal, nummer 280-502/03 van 22 juli 2003, opgemaakt door de bevoegd opsporingsambtenaar M.H. Koningen.
Door de verdediging is de wijze waarop die anoniem gegeven informatie op haar betrouwbaarheid is getoetst, derhalve controleerbaar en de verdediging kan de wijze waarop dit is geschied ook door het (doen) horen van getuigen toetsen. Vast staat dat
- uitzonderingsgevallen waarvan in casu geen sprake is, daargelaten - de identiteit van de melder anoniem zal blijven en de melder zelf door de verdediging niet als getuige zal kunnen worden gehoord. Het hof meent dat hierin in de onderhavige zaak niet een zo grove veronachtzaming van de belangen van verdachte ligt, dat gelet op de gehele behandeling van de zaak, dat enkele feit op zich zonder nadere onderbouwing strijd oplevert met artikel 6 van het EVRM of met de beginselen van een behoorlijke procesorde.
Het hof verwerpt het primaire verweer in al zijn onderdelen.
Het hof overweegt terzake van het subsidiaire verweer als volgt.
Blijkens het proces-verbaal van bevindingen met nummer 2003125410-1 van verbalisant Peters van 14 mei 2003 is de woning [a-straat 1]-hs te [woonplaats] op 14 mei 2003 door de politie betreden en doorzocht. Blijkens bijbehorende "Machtiging en verslag binnentreden in woning" is door J.A. Olierook, commissaris van het regionaal politiekorps Amsterdam/Amstelland (naar het hof begrijpt: in zijn hoedanigheid van hulpofficier van justitie) op 14 mei 2003 aan Peters voornoemd machtiging verleend om zonder toestemming van de bewoner ten behoeve van huiszoeking op grond van de Wet wapens en munitie binnen te treden in de woning gelegen aan de [a-straat 1] te [woonplaats]. Het hof merkt in dit verband op dat het een feit van algemene bekendheid is dat een woning in [woonplaats], waar die betreft een benedenwoning die deel uitmaakt van een perceel met bovengelegen etagewoningen, wel wordt aangeduid met het huisnummer zonder meer, dan wel met het huisnummer met de toevoeging hs (huis). Kennelijk betrof de onderhavige woning aan de [a-straat] zo'n benedenwoning.
Uit voormeld proces-verbaal van relaas met onderwerp: Zaak 3.07 XTC pillen [medeverdachte 1] en [verdachte], nummer 280-502/03, van verbalisant Koningen van 22 juli 2003 blijkt -voor zover hier van belang- het volgende.
Op 14 mei 2003 kwam via Meld Misdaad Anoniem een melding binnen luidende: "Melder meldt dat in de [a-straat 1] te [woonplaats] drugs, wapens en geld aanwezig zijn en hangt op." Deze informatie is door de teamleider van het XTC-team vergeleken met de onderzoeksgegevens binnen het lopende onderzoek 'Klaroen'. Hieruit kwam naar voren dat de Volkswagen Golf, kenteken [AA-BB-00], van [verdachte] via informatie van het baken in die auto, op 14 april 2003 in de [a-straat] is geweest, dat er in 2002, naar aanleiding van CIE-informatie dat -kortweg- [medeverdachte 3] en [verdachte] actief zijn in de uitvoer van xtc en amfetaminen, een onderzoek 'Forel' heeft gelopen dat vanwege de capaciteit eind 2002 is gestopt, dat [verdachte] in dat onderzoek [verdachte] wordt genoemd en dat er in dat onderzoek contact is waargenomen tussen [verdachte] en [medeverdachte 1].
[verdachte] had een antecedent uit 1998 ter zake van de Opiumwet. Het Klaroen onderzoek is gestart mede omdat -opnieuw- uit CIE informatie naar voren was gekomen dat [verdachte] nog steeds actief was in de verdovende middelenhandel.
Uit tapgesprekken (het hof begrijpt: uit het Klaroen onderzoek) is gebleken dat er op 12, 21, 23 en 29 maart 2003, op 7, 14, 17, 18, 20, 23, 24, 29 april 2003 en op 3 en 6 mei 2003 buzzer/gsm contacten zijn geweest tussen de buzzer/telefoon in
gebruik bij [verdachte] en de gsm in gebruik bij [medeverdachte 1], alsook dat [medeverdachte 1] op 13 mei 2003 te 18.14 uur op zijn mobiele telefoon een sms bericht heeft ontvangen met als tekst: "Wil deze week met je praten over die coca cola" (welke "die coca cola" de politie kennelijk heeft verstaan en ook kunnen verstaan als versluierd taalgebruik voor illegale waar, zoals verdovende middelen of wapentuig).
Door de teamleider (het hof begrijpt: van het Klaroen onderzoek) is (het hof begrijpt: ter zake van deze feiten of omstandigheden) voor de CIE Amsterdam een zogeheten afscherm proces-verbaal opgemaakt om het lopende Klaroen onderzoek af te schermen, op grond waarvan vervolgens door personeel van een ander team van het kernteam op 14 mei 2003 perceel [a-straat 1]-hs te [woonplaats] (het hof begrijpt: daar bekend was dat de woning van [medeverdachte 1] voornoemd was gelegen [a-straat 1]-hs [woonplaats]) is betreden en doorzocht.
Gelet op voormelde feiten of omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, daarbij in aanmerking nemend dat het een feit van algemene bekendheid is dat bij personen die worden verdacht van (grootschaliger) handel in verdovende middelen regelmatig wapens worden aangetroffen, kan niet worden gezegd dat bij het op 14 mei 2003 binnentreden van de woning [a-straat 1]-hs te [woonplaats] en het vervolgens doorzoeken van die woning door de
politie onrechtmatig is gehandeld. De stelling van de raadsman dat meergenoemde MMA-melding niet kan leiden tot en ook niet kan bijdragen aan het ontstaan van een redelijk vermoeden van schuld en dus ook niet aan de toepassing van dwangmiddelen, heeft geen grondslag in het recht.
Het subsidiaire verweer wordt derhalve verworpen.
Het hof merkt ten slotte nog op dat voormeld subsidiair gevoerd verweer ook overigens niet slaagt, nu niet aannemelijk is geworden dat de verdachte door het binnentreden en doorzoeken van de woning [a-straat 1]-hs in enig jegens hem te respecteren rechtsbelang is getroffen, in het bijzonder ook niet -zou er al sprake zijn geweest van onrechtmatig betreden en doorzoeken van de woning- in enig belang dat de rechtsregeling inzake het betreden van een woning tegen de wil van de
bewoner en het doorzoeken van die woning beoogt te beschermen, nu verdachte daar woonde noch verbleef."
3.4. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) de regiopolitie Amsterdam/Amstelland heeft op 14 mei 2003 van MMA informatie gekregen die op die dag aan MMA telefonisch (anoniem) was meegedeeld, inhoudende dat 'in de [a-straat 1] te [woonplaats] drugs,
wapens en geld aanwezig zijn';
(ii) deze informatie, die door de politie is vergeleken met gegevens van een lopend onderzoek naar de handel in verdovende middelen, heeft aanleiding gegeven tot het op diezelfde dag binnentreden en doorzoeken van de woning aan de [a-straat 1]-hs te [woonplaats];
(iii) MMA is de aanduiding van een telefoonlijn (een zogenoemde kliklijn) die door de Stichting Meld Misdaad Anoniem in stand wordt gehouden en die de mogelijkheid biedt tot anonieme melding van informatie over ernstige misdrijven;
(iv) het bestuur van de stichting wordt in ieder geval gevormd door personen die zijn voorgedragen door het ministerie van Justitie, het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Raad van Hoofdcommis-sarissen en het Verbond van Verzekeraars, met wie de stichting samenwerkt en van wie zij jaarlijks financiële bijdragen ontvangt.
3.5. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat geen rechtsregel eraan in de weg staat dat de politie anonieme informatie gebruikt als startinfor-matie voor een opsporingsonderzoek. Mede gelet hierop getuigt het oordeel van het Hof dat het gebruik van de informatie van MMA in het onderhavige geval niet in strijd is met art. 6 EVRM dan wel met beginselen van een behoorlijke procesorde, niet van een onjuiste rechts-opvatting. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, in
aanmerking genomen 's Hofs vaststelling dat de juistheid van die informatie door de politie is getoetst en onderbouwd met nadere onderzoekgegevens, alsmede de omstandigheid dat het Hof de informatie niet voor het bewijs heeft gebruikt.
3.6. Het middel faalt dus.
4. Beoordeling van het tweede middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, A.J.A. van Dorst, W.M.E. Thomassen en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 13 juni 2006.
Mr. Davids en mr. Corstens zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.
Beroepschrift 08‑09‑2005
De Hoge Raad der Nederlanden
Griffienummer: 01814/05
SCHRIFTUUR VAN CASSATIE
in de zaak van [verdachte], verzoeker tot cassatie van een hem betreffend arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, uitgesproken op 7 februari 2005 (parketnummer: 23/004641-03):
Verzoeker tot cassatie dient hierbij de navolgende middelen in:
Middel I
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd, waarvan niet-naleving nietigheid meebrengt. Met name zijn art. 6 EVRM, de artt. 349, 358, 359 en 415 Sv, alsmede de achtergrond, doel en strekking van de wet (Bijzondere Opsporingsbevoegdheden) en de beginselen van behoorlijke procesorde geschonden, nu het Gerechtshof het Openbaar Ministerie ten onrechte niet niet-ontvankelijk heeft verklaard in de vervolging van verzoeker, danwel ten onrechte niet tot bewijsuitsluiting is overgegaan, nu het strafdossier tegen verzoeker in de ‘zaak-Rosinga’ is gebaseerd op startinformatie die is verkregen middels telefonisch binnengekomen informatie bij de Stichting Meld Misdaad Anoniem (MMA).
Toelichting:
1
Het Gerechtshof heeft aan de hand van het verhandelde ter terechtzitting bij zijn arrest d.d. 7 februari 2005 het volgende vastgesteld:
‘De telefoonlijn van de Stichting Meld Misdaad Anoniem is opgezet als Publiek-Privaat samenwerkingsverband, is mede ingesteld om de politie als opsporingsinstantie te voorzien van concrete informatie over misdrijven, wordt mede in stand gehouden door een substantiële financiële bijdrage van de Raad van Hoofdcommissarissen en genereert concrete informatie over criminaliteit, welke informatie, indien daartoe geschikt geacht, vervolgens aan de politie als opsporingsinstantie wordt verstrekt. In de onderhavige zaak-Rosinga is gerechercheerd mede aan de hand van informatie vervat in een anonieme melding van de telefoonlijn MMA.’
Naar aanleiding van deze vaststellingen heeft het Gerechtshof als volgt geoordeeld:
‘Aldus gezien is de Stichting MMA mede vanwege de politie als opsporingsinstantie opgezet, kan de telefoonlijn MMA worden gebruikt als opsporingsmiddel/methode, is de anonieme informatie in de onderhavige zaak-Rosinga verkregen via de telefoonlijn MMA, heeft de politie in die zaak mede gerechercheerd aan de hand van die anonieme informatie en heeft de politie die telefoonlijn MMA in de zaak-Rosinga mitsdien gebruikt als opsporingsmiddel/methode.
Het Hof deelt derhalve het standpunt van de raadsman dat de mogelijkheid om anoniem via de telefoonlijn van de Stichting MMA informatie te verschaffen, een opsporingsmethode is.’
Tegen dit oordeel richt het middel zich niet.
2
Het Gerechtshof heeft vervolgens geoordeeld:
‘De wijze waarop de politie in de onderhavige zaak de informatie, vervat in de anonieme melding, heeft verkregen en daarvan gebruik heeft gemaakt, vindt haar rechtsgrond in het bepaalde in artikel 2 van de Politiewet 1993.’
Verzoeker meent dat dit oordeel onjuist is vanwege de hieronder besproken redenen.
3
In haar eindrapport heeft de Parlementaire Enquetecommissie Opsporingsmethoden (‘Commissie Van Traa’) in 1996 aanbevolen dat opsporingsmethoden een ‘expliciete wettelijke basis’1. dienen te hebben. Mede naar aanleiding van de op dit rapport gevolgde zeer uitgebreide parlementaire discussie2. is het wetsvoorstel inzake Bijzondere Opsporingsbevoegdheden (BOB) ingediend. De wet BOB is geldend recht vanaf 1 februari 2000.
Blijkens de Memorie van Toelichting bij de wet BOB is het wetsvoorstel in belangrijke mate gebaseerd op het onderzoek en de ‘normeringsvoorstellen’ van de Commissie Van Traa.3. Een van de belangrijke uitgangspunten van de wet is dat opsporingsmethoden zowel naar inhoud als naar procedure en controle goed en wettelijk dienen te worden geregeld.4.
Er worden twee soorten van opsporingsmethoden onderscheiden die een specifieke basis behoeven in het Wetboek van Strafvordering:5.
- A.
Opsporingsmethoden die een inbreuk maken op grondrechten van burgers, en
- B.
Opsporingsmethoden die zeer risicovol zijn voor de integriteit en beheersbaarheid van de opsporing.
Met betrekking tot de onder A. genoemde methoden geldt dat deze gebaseerd kunnen blijven op algemene bevoegdheidsbepalingen, zoals art. 2 Politiewet indien de door de methode gemaakte inbreuk ‘gering’ of ‘beperkt’ is.6.
4
In de zaak van verzoeker kan sprake zijn van betrokkenheid van (ten minste een) burger bij de opsporing. Het is immers waarschijnlijk dat de informatie aan de MMA is verstrekt door een burger.7. Mede gelet op de jurisprudentie van uw Raad en het ‘stelselmatigheid’-criterium zoals vervat in art. 126v Sv kan ervan uit worden gegaan dat de enkele, vermoedelijk door een burger, via de MMA verstrekte informatie niet een zodanig ernstige inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van een verdachte dat op grond daarvan reeds een specifieke wettelijke regeling in het Wetboek van Strafvordering noodzakelijk zou zijn. Er is immers geen sprake van dat deze opsporingsmethode leidt tot het verkrijgen van een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van het priveleven van een verdachte.
5
Desalniettemin meent verzoeker dat een specifieke wettelijke regeling van het gebruik van de MMA als opsporingsmethode, alsmede van de daarbij gebruikte procedure en de controlemechanismen, noodzakelijk is. Het betreft immers een opsporingsmethode die zeer grote risico's met zich meebrengt voor de integriteit en beheersbaarheid van de opsporing. De MMA is namelijk zodanig opgezet en ingericht dat iedere vorm van publiekrechtelijke regulering afwezig is. De opsporende instanties hebben geen directe invloed op de dagelijkse werkwijze van de MMA. Voor de Officier van Justitie is geen rol weggelegd en controlemechanismen ontbreken.
6
De informatie die bij de MMA binnenkomt, bestaat uit telefonische meldingen. De medewerker die de melding ontvangt krijgt niet te zien door welk nummer er wordt gebeid. De automatische nummerherkenning is namelijk uitgeschakeld. De medewerker vraagt de beller niet naar zijn naam, adres, telefoonnummer etc.. Als de melder dergelijke gegevens dreigt prijs te geven dan wordt hij/zij daarop gewezen. Het telefoongesprek wordt opgenomen. Na afloop van het gesprek noteert de medewerker de gespreksinhoud op papier, waarbij hij de vrijheid heeft die informatie in te korten en te veranderen (!) als hij dat nodig vindt in verband met het waarborgen van de anonimiteit van de beller. De opname van het gesprek wordt vervolgens direct automatisch vernietigd en dus niet bewaard. Daarna bepaalt het MMA-personeel zelfstandig wat er verder met de melding gebeurt.
7
Gelet op de werkwijze van de MMA is er dus niemand die de identiteit van de beller kent.
Op het moment dat de informatie operationeel gemaakt wordt, dat wil zeggen wordt verstrekt aan bijvoorbeeld de recherche, is het voor zowel de recherche, de Officier van Justitie, de rechterlijke autoriteiten als de verdediging niet meer mogelijk om controle achteraf uit te oefenen. Noch de melder zelf, noch een relevante opsporingsambtenaar kan als getuige worden gehoord omtrent de betrouwbaarheid van de beller en de door hem/haar verstrekte informatie.
8
Bij deze gang van zaken moet nog het volgende worden vermeld. De werkwijze bij de informatievergaring met behulp van de MMA wijkt sterk af van de werkwijze die normaal wordt gehanteerd bij het vergaren van niet stelselmatige, incidentele, anonieme informatie.
Die gebruikelijke wijze van incidentele anonieme informatievergaring geschiedt immers door de CIE en is tot op zekere hoogte omgeven door regelingen, waarborgen en controlemechanismen. Deze wijze van informatievergaring levert een veel minder groot risico op voor de integriteit en beheersbaarheid van de opsporing en is derhalve (genoegzaam) gebaseerd op art. 2 Politiewet én voorts geregeld in de Regeling Criminele Inlichtingen Eenheden (Regeling CIE).8.
Op basis van de Regeling CIE worden incidentele informanten geregistreerd, zijn hun identiteitsgegevens bekend bij de opsporingsinstanties en wordt hun betrouwbaarheid getoetst. De rechterlijke autoriteiten en/of de verdediging kunnen zo'n informant (en/of een politieambtenaar omtrent deze informant en de door hem verstrekte informatie) zonodig ondervragen. In de MMA-constructie worden deze waarborgen en controlemechanismen omzeild.
Het feit dat het ook voorkomt dat burgers spontaan anoniem contact opnemen met opsporingsinstanties om informatie door te geven doet daaraan niet af nu de opsporingsautoriteiten in die gevallen desalniettemin zullen proberen de melder op te sporen teneinde meer informatie te verkrijgen en diens betrouwbaarheid te toetsen, terwijl er in die gevallen bovendien geen sprake is van een constructie waarin de opsporingsinstanties zichzelf doelbewust het zicht ontnemen op de melder. Ook worden burgers niet op grote schaal ertoe uitgenodigd en aangemoedigd om op die wijze meldingen te doen bij de opsporingsinstanties, terwijl dit bij de MMA wel het geval is.
9
Door gebruik te maken van de MMA, maken de opsporende instanties zich afhankelijk van volledig oncontroleerbare informatie, gegenereerd door een derde (de MMA).
Nu het Gerechthof heeft vastgesteld dat: ‘de Stichting MMA mede vanwege de politie als opsporingsinstantie is opgezet’, meent verzoeker dat de politie c.q. de opsporende instanties zich met behulp van de MMA doelbewust voorzien van voor de rechterlijke autoriteiten en de verdediging oncontroleerbare informatie. Daardoor wordt op onaanvaardbare wijze afbreuk gedaan aan het recht van de verdachte op een behoorlijke behandeling van zijn zaak.
10
Concluderend stelt verzoeker het volgende.
- 1)
De opsporingmethode van informatieverzameling via de MMA is niet specifiek wettelijk geregeld. Het ontbreken van een duidelijke normering en het ontbreken van controlemechanismen levert zeer grote risico's op voor de beheersbaarheid en de integriteit van de opsporing bij het gebruik van deze opsporingsmethode. Zonder een specifieke met waarborgen omklede regeling is het gebruik van deze opsporingsmethode dan ook onrechtmatig.
- 2)
Bovendien wordt met het gebruik van deze opsporingsmethode doelbewust, dan wel met grove verontachtzaming van de belangen van de verdediging, afbreuk gedaan aan het recht op een eerlijk proces van de verdachte nu de opsporingsinstanties:
- —
zichzelf en de overige procespartijen middels de MMA-constructie doelbewust het zicht ontnemen op (de betrouwbaarheid van) de melder en de door hem verstrekte informatie, en zij
- —
tevens het recht van de verdediging frustreren om de melder (danwel een relevante opsporingsambtenaar omtrent de melder) in enig stadium van de procedure te ondervragen. Daarbij komt nog dat een bestaande, functionerende, regeling (Regeling CIE) die betrekking heeft op anonieme informanten die mogelijkheid wel biedt. Er staat niets aan in de weg om van die regeling gebruik te maken.
Onder deze omstandigheden is het gebruik van deze opsporingsmethode in strijd met het recht van de verdachte op een eerlijk proces en dus in strijd met art. 6 EVRM, alsmede in strijd met de strekking en achtergrond van de wet (BOB) en met de beginselen van een behoorlijke procesorde. Het gebruik van de MMA-informatie als startinformatie in de ‘zaak-Rosinga’ had derhalve moeten leiden tot niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging van verzoeker, dan wel tot uitsluiting van het bewijs van die informatie en al hetgeen rechtstreeks uit die informatie is voortgevloeid.
Middel II
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd, waarvan niet-naleving nietigheid meebrengt. Met name de artt. 350, 358, 359 en 415 Sv zijn geschonden nu de bewezenverklaring van feit 1 op de telastelegging met nummer 13/129068-03 niet gedragen wordt door de daartoe door het Gerechtshof gebezigde bewijsmiddelen.
Toelichting:
11
Het Gerechtshof heeft voor het bewijs dat verzoeker feit 1 op de telasteleggeing onder nummer 13/129068-03 heeft begaan tien bewijsmiddelen gehanteerd. Bewijsmiddel 3 houdt een geschrift in van een Amerikaanse politieambtenaar, kennelijk inhoudende de weergave van een verklaring van [getuige]. Bewijsmiddel 5 houdt een proces-verbaal in van de rechter-commissaris d.d. 26 november 2003, houdende een verklaring van [getuige]. In beide geschriften verklaart [getuige] (grofweg) dat hij zelf xtc aankocht en dat verzoeker daarbij betrokken was tezamen met [betrokkene] als verkopende partij.
De overige bewijsmiddelen hebben niet direct betrekking op xtc-handel tussen verzoeker en [getuige].
Uit de stukken blijkt dat verzoeker niet betwist dat hij [getuige] kent. Volgens verzoeker kan hij [getuige] ontmoet hebben via [betrokkene]. Verzoeker heeft wel betwist dat hij betrokken is geweest bij xtc-handel met [getuige]. Door het steunbewijs dat door het Gerechtshof bij de verklaringen van [getuige] is gebruikt (bewijsmiddelen 1,2,4, 6–10) wordt de verklaring van verzoeker niet weersproken. De enige weerspreking van de verklaring van verzoeker is gelegen in de verklaringen van [getuige].
12
Naar de mening van verzoeker zijn de verklaringen van [getuige] niet zonder meer te beschouwen als ‘volwaardige’ verklaringen. De verklaringen van [getuige] omtrent verzoeker zijn immers tot stand gekomen onder vigeur van een zogenaamde ‘plea bargain’ of ‘cooperation’-overeenkomst uit de Verenigde Staten. Een verklaring die onder de vigeur van een dergelijke overeenkomst tot stand gekomen is, dient met de nodige voorzichtigheid te worden beschouwd.
13
In de Verenigde Staten is gedurende de laatste decennia een grote toename gesignaleerd van het aantal strafzaken dat op basis van een plea bargain is afgedaan.
In 1971 werden in Federale zaken 27.544 verdachten veroordeeld op basis van een plea bargain. In 2001 waren dat er 64.402.
Van een vergelijkbare toename van het aantal procedures dat inhoudelijk door de rechter is beoordeeld, is geen sprake. In 1971 volgden 4.559 veroordelingen op een inhoudelijke behandeling, in 2001 waren dat er 3.329. Een daling met 27%.
Procentueel betekent dit dat gemiddeld in 1971 ongeveer 9,8% van de veroordelingen gebaseerd was op een behandeling door een rechterlijke instantie (Federal District Court). In 2001 was dit 3,4%.
In New York liggen de percentages nog scherper. In het Oostelijke district van New York werd (conform het gemiddelde) in 2001 96,5% van de zaken afgedaan met een plea bargain. In het Zuidelijk District van New York was dit maar liefst 98%.
14
Deze cijfers lijken erop te wijzen dat er verdachten moeten zijn die ten onrechte een plea bargain aangaan en dus feiten bekennen terwijl zij zelf menen onschuldig te zijn. Het belangrijkste onderdeel van een plea bargain is immers een bekentenis. De gedachte dat 96–98% van de verdachten bekennende verdachten zouden zijn, is niet zonder meer reëel.
Er kunnen dus ook andere overwegingen zijn die het aangaan van een plea bargain zo aantrekkelijk maken — of (anders gezegd) die het voorleggen van een zaak aan de rechter zo afschrikwekkend maken — dat een plea bargain wordt aangegaan.
Dat die overwegingen bestaan, wordt in de jurisprudentie in de VS al sinds jaar en dag erkend. Een plea bargain is meer dan het bekennen van schuld. Het is een overeenkomst waarbij partijen zich laten leiden door verschillende belangen. Schuld en onschuld spelen een rol in die afweging, maar zijn niet de enige factoren die van belang zijn.9.
15
Een belangrijke oorzaak van het stijgende aantal plea bargains is een aantal, min of meer recente, wijzigingen in het strafrecht.
In de afgelopen jaren is de manoevreerruimte van de rechter sterk ingeperkt, het aantal strafbare feiten sterk uitgebreid en heeft de aanklager steeds meer mogelijkheden gekregen in de vervolging. De kans op een vrijspraak is daarmee drastisch afgenomen.
16
Bovendien is de rechter met de introductie van de zogenaamde ‘mandatory sentences’, vastgelegd in ‘sentencing tables’10. aan handen en voeten gebonden voor wat betreft de strafoplegging.
Deze verplichte strafoplegging wordt als de voornaamste oorzaak gezien van het enorm gestegen aantal plea bargains. De rechter heeft bij strafoplegging na tegenspraak vrijwel geen ruimte om rekening te houden met de rol van de verdachte bij de bewezen delicten of met andere omstandigheden van het geval. Die bevoegdheden zijn helemaal naar de aanklager verplaatst die in het kader van een plea bargain daarmee wel rekening kan houden.
17
Ook kan met de aanklager onderhandeld worden over een gezamenlijk vast te stellen mate van schuld, over de inhoud (!)11. van de verklaringen die de verdachte geacht wordt af te leggen en zelfs over aanpassing van de delictsomschrijving en het laten vallen van feiten.
18
De aanklager mag de verdachte met zachte ‘dwang’ overhalen.12. De dwang mag alleen niet overmatig zijn, waarbij met overmatig wordt bedoeld een mate van dwang die zo groot is dat er sprake is van:
‘Coercion that is so overbearing to the defendant's will that he or she cannot make a rational decision. Undue coercion may be mental as well as physical and me be the result of subtle pressures by the government on the defendant.13.
[dwang die zo overheersend is ten opzichte van de wil van de verdachte dat hij of zij geen rationele beslissing kan nemen. Onrechtmatige dwang kan zowel mentaal als fysiek zijn en kan ook het resultaat zijn van subtiele druk door overheid op de verdachte.] (MW)
19
Er kan dus sprake zijn van min of meer directe dwang, maar ook van dwang die van het systeem uitgaat. Met name die laatste vorm van dwang en de toenemende mogelijkheden die dat biedt voor de aanklager om verdachten tot een plea bargain te bewegen, hebben ook in de VS zelf inmiddels twijfel gezaaid.
De dwang van buitenaf om een plea bargain aan te gaan, wordt steeds groter. In de VS wint de mening terrein, dat verdachten ‘de facto’ worden gedwongen tot een plea bargain. Een goed overzicht van de dwingende werking die uitgaat van het systeem wordt gegeven in de hierboven eerder aangehaalde uitspraak United States vs. Joyeros e.a., en ook in New York Magazine d.d. 4 maart 2002.14.
20
Een plea bargain of cooperation-overeenkomst bevat een groot aantal voorwaarden waaraan de verdachte-getuige zich dient te houden.15.
De verdachte-getuige geeft daarnaast toestemming om te allen tijde gehoord te kunnen worden, ook zonder advocaat (als hij er niet specifiek om vraagt). Ook die voorwaarde is standaard.
De aanklager bepaalt of de verdachte voldoende en naar waarheid heeft meegewerkt. Naar aanleiding van het advies dat de aanklager aan de rechter uitbrengt, kan de rechter een straf opleggen die lager is dan de ‘sentencing guidelines’ voorschrijven. Zonder dat advies — of bij een negatief advies — is dat onmogelijk.
Een belangrijk machtsmiddel voor de aanklager is dat de behandeling van de zaak ter zitting telkens wordt aangehouden zolang de aanklager dat nodig vindt in verband met de verdere medewerking die het nog van de verdachte verlangt.
21
Bij het afleggen van verklaringen onder vigeur van een plea bargain/cooperationovereenkomst bestaat er dus een verhoogd risico dat (mede) andere motieven dan uitsluitend het verklaren naar waarheid de inhoud van die verklaring invullen. Daarbij bestaat een verhoogd risico dat de verdachte-getuige namen noemt van hem bekende personen en die (in strijd met de waarheid) in verband brengt met strafbare feiten, omdat daardoor voor hem voordeel is te behalen.
22
Verzoeker stelt zich op het standpunt dat het gaat om potentieel gemankeerde verklaringen nu oneigenlijke motieven een grotere rol kunnen spelen dan gebruikelijk bij het afleggen van een verklaring. Verzoeker meent dat zulke verklaringen in verband met het bewijs analoog bezien moeten worden met andere potentieel gemankeerde verklaringen, zoals de verklaringen van bedreigde getuigen en schriftelijke anonieme verklaringen zoals bedoeld in art. 344a Sv en verklaringen afgelegd door getuigen terwijl de verdediging niet in staat is geweest deze getuigen in enig stadium van de procedure te ondervragen16.. Naar de mening van verzoeker dienen verklaringen die tot stand gekomen zijn onder een plea bargain/cooperationovereenkomst dan ook in aanzienlijke mate te worden ondersteund door andere bewijsmiddelen om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.
23
In de zaak van verzoeker worden de verklaringen van [getuige]— dat verzoeker betrokken was bij de xtc-handel met die [getuige]— niet, danwel onvoldoende, ondersteund door de overige bewijsmiddelen. Daarmee is de bewezenverklaring niet voldoende door bewijsmiddelen onderbouwd.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr [naam advocaat], advocaat te [plaats], aldaar kantoorhoudende aan de [adres][plaats], die verklaren tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoeker tot cassatie.
[plaats], 8 september 2005
[naam advocaat]
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 08‑09‑2005
Kamerstukken II, MvT bij wetsvoorstel 25403, 1996-1997, p. 2
Idem, p.3 en p. 97 e.v.; zie ook R.J. Bokhorst C.H. de Kogel C.F.M. van der Meij, Evaluatie van de Wet BOB-fase 1, WODC 2002, paragraaf 2.1.–2.1.3.
Idem p. 3 en p. 97 e.v.; ook o.a. T&C Strafvordering, 5e druk, aant. 12 bij Titel IVA, p. 353
Idem p. 12–13
De zogenaamde U-bocht constructie is geenszins uit te sluiten.
Regeling Criminele Inlichtingen Eenheden d.d. 5 oktober 2000, Stcr. 2000, 1
Zie bijvoorbeeld: Brady vs. United States, 397 U.S. 742 (1970).
Zie: bijlage 5 bij pleitnota in eerst aanleg
De aanklager kan de verdachte aanwijzingen geven om op bepaalde wijze over zijn eigen rol te verklaren, maar ook over anderen.
Bradey vs. United States en United States vs. Hernandez 203 F.3d 614, 619 (9th Cir. 2000).
zie United States vs, Joyeros e.a., verwijzend naar Garrity vs. New Jersey, 385 U.S. 493 (1967).’
Craig Horowitz; The Defense rests — Permanently; New York Magazine d.d. 4 maart 2002; o.a. te vinden op www.newyorkmetro.com/nymetro/news/crimelaw/features/5730.
Zie: bijlage 6 bij pleitnota in eerste aanleg, met name artikel 3.
Vergelijk: HR 16 november 2004, LJN: AR3215 en HR 15 februari 2005, LJN: AR8286