HR, 18-04-2006, nr. 01842/05
ECLI:NL:HR:2006:AV2378
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18-04-2006
- Zaaknummer
01842/05
- LJN
AV2378
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2006:AV2378, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 18‑04‑2006
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AV2378
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2005:AS9034
ECLI:NL:HR:2006:AV2378, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑04‑2006; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AV2378
In cassatie op: ECLI:NL:GHSGR:2005:AS9034
Beroepschrift, Hoge Raad, 16‑09‑2005
- Wetingang
art. 359 Wetboek van Strafvordering
- Vindplaatsen
NbSr 2006/156
Conclusie 18‑04‑2006
Inhoudsindicatie
Het onderdeel van de pleitnota kan niet worden beschouwd als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in de tweede volzin van art. 359.2 Sv (HR LJN AU9130).
Nr. 01842/05
Mr. Vellinga
Zitting: 14 februari 2006
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens medeplegen van moord, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien jaren.
2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 01841/05 en 01842/05. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.
3. Namens verdachte heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.
4. Het eerste middel houdt in dat het Hof het (nadere) verzoek tot het horen van de getuige [getuige 1] ten onrechte heeft afgewezen, althans dat het Hof die afwijzing onvoldoende met redenen heeft omkleed.
5. Ter terechtzitting van 24 december 2004 heeft het Hof op een verzoek tot het horen van de in het middel bedoelde getuige als volgt overwogen en beslist:
"Nu volgens het openbaar ministerie aannemelijk is dat naast de verdachten en de slachtoffers een vijfde persoon ter plaatse is geweest, toen de slachtoffers zijn omgebracht -de verdachten zouden de slachtoffers immers in contact brengen met iemand van wie de slachtoffers geld afhandig zouden kunnen maken volgens een lezing - en die vijfde persoon niet is gevonden, acht het hof het in het belang van de verdediging de getuige [getuige 1], indien te vinden, te horen omtrent gegevens die zouden kunnen leiden tot het vinden van die getuige, met inbegrip van sporen die kunnen lopen via [betrokkene 3] of anderen."
Vervolgens beveelt het Hof de oproeping van de getuige tegen de terechtzitting van 18 februari 2005.
6. Op die terechtzitting is de getuige niet verschenen. Het proces-verbaal van de terechtzitting houdt voor zover hier van belang in:
"De raadsvrouw deelt desgevraagd mede dat uit het zojuist door de advocaat-generaal overgelegde proces-verbaal blijkt dat de politie pas vanaf 2 februari 2005 pogingen heeft ondernomen om de verblijfplaats van [getuige 1] te achterhalen en dat het proces-verbaal is gesloten op 14 februari 2005, derhalve twaalf dagen na het begin van het onderzoek. De raadsvrouw acht dit onderzoek, gelet op de korte duur ervan, ontoereikend. Voorts meent zij dat de politie veel te laat met het onderzoek is begonnen, ruim een maand na het door het hof aan de advocaat-generaal gedane verzoek tot het achterhalen van de verblijfplaats van deze getuige.
(...)
Na beraadslaging en hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter mede dat het hof het gedane verzoek tot het nogmaals oproepen van de heden niet-verschenen getuige [getuige 1] afwijst nu het naar het oordeel van het hof onaannemelijk is dat deze getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen. De politie is naar het oordeel van het hof alle mogelijke aanknopingspunten nagegaan teneinde de feitelijke woon- of verblijfplaats van deze getuige te achterhalen. Zij kan niets meer doen. Indien de zaak wordt aangehouden, betekent dat dat er gewacht wordt op een gelukkig toeval, dat zeer lang kan duren en mogelijk nooit optreedt.
7. Voor zover het middel berust op schending van het bepaalde in art. 6 lid 3 onder d EVRM gaat het niet op, omdat de getuige in het bijzijn van de verdachte en zijn raadsman(1) is gehoord en de getuige dus door of namens de verdachte is kunnen worden ondervraagd.(2)
8. Ook overigens kan het middel niet slagen. Ter onderbouwing van zijn oordeel dat onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen wijst het Hof er op dat de politie naar het oordeel van het Hof alle mogelijke aanknopingspunten is nagegaan om de feitelijke woon- of verblijfplaats van deze getuige te achterhalen en dat zij niets meer kan doen. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk, ook niet wanneer in aanmerking wordt genomen dat het politie-onderzoek zich over een periode van een dag of tien heeft uitgestrekt. Die enkele omstandigheid brengt immers nog niet mee dat de politie niet intensief heeft gezocht naar de feitelijke woon- of verblijfplaats van deze getuige. Voorts in aanmerking genomen dat de politie er niet in is geslaagd die feitelijke woon- of verblijfplaats te achterhalen geeft het oordeel van het Hof dat niet te verwachten valt dat de getuige [getuige 1] binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting in hoger beroep zal verschijnen geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen de inhoud van het proces-verbaal van politie dat van de door de verdediging opgegeven getuige alleen mobiele telefoonnummers van de getuige zelf en zijn broer beschikbaar waren, waarop hij niet bereikbaar bleek en dat de politie ook op een naar toen bleek achterhaald verblijfadres van de getuige tevergeefs contact met hem heeft gezocht, de getuige daar niet bekend bleek en de woon- of verblijfplaats van de getuigen ook niet via bekenden van de getuige kon worden achterhaald.
9. Het middel faalt.
10. Het tweede middel strekt ten betoge dat het Hof heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven die hebben geleid tot afwijking van een uitdrukkelijk door de verdachte onderbouwd standpunt.
11. Het Hof heeft voor het bewijs gebruikt als bewijsmiddel 14 een door de opsporingsambtenaar G.J.L. van der Meer opgemaakt ambtsedig proces-verbaal, dat inhoudt als verklaring van die Van der Meer:
"Op 1 april 2003 vond er een actie plaats van het politie-infiltratieteam, waarbij gesprekken in een auto werden opgenomen. Bij de gesprekken waren betrokken de verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte] en een politiële informant, bij de verdachten en bij mij bekend als Kobus (K). De stemmen van betrokkenen waren bij mij bekend. De hierbij opgenomen gesprekken werden door mij uitgeluisterd en verwerkt, waarbij inhoudelijk het volgende gesprek plaatsvond tussen [medeverdachte 1] en [verdachte]:
[Medeverdachte 1]:Kijk, hoe hebben wij die jongens daar naar toe laten komen, wij hebben hun met verstand gebruiken daar naar toe laten komen. Anders waren ze nooit gekomen. Als we gezegd hadden "ik vermoord jou, jullie" of iets dergelijks, dan waren zij nooit gekomen. Het is onmogelijk."
12. Volgens de toelichting op het middel is het Hof dusdoende afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging. Daarbij heeft het middel het oog op de volgende passage uit de ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen pleitnota:
"1.13 Als bewijsmiddel 14. heeft de rechtbank een citaat uit een op 1 april 2003 afgeluisterd gesprek tussen [verdachte] en diens broer [medeverdachte 1] gebruikt. Geenszins blijkt, ook niet gelet op de context waarin het door de rechtbank gebruikte citaat voorkomt, dat met de daarin genoemde 'jongens', de doodgeschoten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bedoeld zijn.
1.14 [Medeverdachte 1] heeft daarover verklaard: "Het gaat daarbij om iets heel anders, namelijk om twee Russen die bij ons kwamen werken." [Verdachte] heeft daarover verklaard: "Het gaat dan niet over mensen die zijn doodgeschoten. Er was een camperbusje dat door Poolse of Russische jongens gespoten zou worden. Ze hebben dat busje uit elkaar gehaald en zijn toen niet meer op komen dagen. Die jongens moesten wij weer hebben om de klus af te maken."
13. Wil van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 Sv sprake zijn dan moet dat standpunt zodanig "hecht" zijn onderbouwd dat zonder nadere uitleg van de rechter niet valt te begrijpen waarom de rechter dat standpunt niet heeft gevolgd. Valt dat immers reeds op te maken uit hetgeen (overigens) door de rechter aan zijn beslissing ten grondslag is gelegd - de inhoud van de bewijsmiddelen, een nadere bewijsoverweging, de strafmotivering - dan heeft de rechter reeds inzicht gegeven in de redenen die hem ertoe hebben gebracht het ter terechtzitting ingenomen standpunt niet te volgen. Daarmee is voldaan aan de strekking van het amendement dat heeft geleid tot de tweede volzin van art. 359 lid 2 Sv, te weten dat de rechter inzicht geeft in de redenen die hem hebben gebracht tot afwijking van een door het openbaar ministerie of de verdachte uitdrukkelijk onderbouwd standpunt.(3)
14. Tegen deze achtergrond gezien noopt hetgeen bij pleidooi in hoger beroep is voorgedragen niet tot opgave van de bijzondere redenen die tot afwijking van het voorgedragene hebben geleid. Weliswaar wordt het standpunt, dat de door het Hof voor het bewijs gebezigde verklaring geen betrekking heeft op het bewezenverklaarde onderbouwd met de verklaring van de verdachte dat het gerelateerde gesprek tussen hem en zijn broer betrekking heeft op twee Russen, maar daarmee blijft onverklaard waarom verdachte tegen zijn broer zegt dat de jongens nooit waren gekomen als tegen hen was gezegd dat ze zouden worden vermoord. Zonder nadere toelichting van de zijde van de verdediging, die ontbreekt, valt immers niet in te zien hoe een dergelijke opmerking betrekking kan hebben op anderen dan degenen die het gevaar lopen te worden vermoord. Dit betekent dat in de inhoud van het gebezigde bewijsmiddel reeds de verklaring besloten ligt waarom het Hof de verdediging in zijn standpunt niet is gevolgd. Het door de verdediging ingenomen standpunt is in het licht van de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen dus zo gebrekkig onderbouwd dat het bepaalde in art. 359 lid 2 Sv niet noopt tot het (verder) opgeven van de bijzondere redenen die het Hof aanleiding hebben gegeven af te wijken van het door de verdediging ingenomen standpunt.
15. Overigens meen ik dat in het onderhavige geval van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt geen sprake is. Het enkele beroep op de eigen verklaring kan in zijn algemeenheid niet dienen als uitdrukkelijke onderbouwing van een door de verdachte ingenomen standpunt. Een beroep op de eigen verklaring van de verdachte is immers in de kern van de zaak een herhaling van dat standpunt. Het gaat er juist om dat aan de geloofwaardigheid van die verklaring een fundament wordt gegeven. Hier dringt zich enige overeenkomst op met het bezigen voor het bewijs van een leugenachtige verklaring van de verdachte: de leugenachtigheid van die verklaring kan niet worden aangenomen op basis van een andere verklaring van de verdachte zelf.(4) Er is geen reden voor de uitdrukkelijke onderbouwing van de geloofwaardigheid van een door de verdachte afgelegde verklaring anders te oordelen.
16. Het middel faalt.
17. Het derde middel is gericht tegen de volgende bewijsoverweging van het Hof:
"Uit de gelijktijdige aankomst van de verdachte en zijn broer in De Lier leidt het hof af dat de beide verdachten al voordat de verdachte op die dag de slachtoffers ontmoette, hebben afgesproken dat zij elkaar die dag, in het bijzijn van de latere slachtoffers, zouden ontmoeten in De Lier. Dat de beide verdachten daar een afspraak hadden, heeft de verdachte ook bij de rechtbank op 17 maart 2004 verklaard."
18. Volgens de toelichting op het middel beroept het Hof zich voor wat betreft de omstandigheid dat verdachte en zijn broer hadden afgesproken dat zij elkaar zouden ontmoeten in het bijzijn van de slachtoffers, op niet in de bewijsmiddelen vervatte gegevens terwijl het Hof ook niet heeft aangegeven aan welk bewijsmiddel het Hof heeft ontleend dat de afspraak van de verdachte en zijn broer, dat zij elkaar zouden ontmoeten, mede inhield dat die ontmoeting zou plaatsvinden in het bijzijn van de slachtoffers.
19. Alvorens tot de door het middel aangehaalde overweging te komen heeft Hof overwogen:
"Ter terechtzitting in hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden aannemelijk geworden.
Op 5 juli 2002 is de verdachte, samen met de latere slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], uit Rotterdam naar De Lier gereden in een rode Suzuki Swift. Zijn broer, de medeverdachte [medeverdachte 1], is die dag uit Rotterdam naar De Lier gereden in een witte bus. Ter terechtzitting in hoger beroep is niet aannemelijk geworden dat de verdachte en diens medeverdachte, in de tijd nadat zij beiden in Rotterdam waren gaan rijden, nog (telefonisch) contact hebben gehad met elkaar over de plaats waar zij elkaar later die middag zouden ontmoeten. Evenmin is aannemelijk geworden dat er nog contact heeft plaatsgevonden nadat de verdachte op die dag te Rotterdam de slachtoffers heeft ontmoet."
20. Kennelijk heeft het Hof als volgt geredeneerd. Verdachte en zijn broer hadden, zoals de verdachte bij de rechter-commissaris heeft verklaard, een afspraak om elkaar te ontmoeten op de plaats waar later de twee slachtoffers zijn doodgeschoten. Er is geen aanwijzing dat de verdachte en zijn broer op de dag waarop de slachtoffers zijn doodgeschoten nog contact hebben gehad nadat verdachte de slachtoffers in Rotterdam had ontmoet. Niettemin arriveerde verdachte op de door verdachte en zijn broer afgesproken plaats en tijd met de twee slachtoffers, die verdachte in zijn auto had meegenomen (bewijsmiddel 9). Dan kan het redelijkerwijs gesproken niet anders zijn dan dat de afspraak tussen verdachte en zijn broer mede omvatte dat hun ontmoeting zou plaatsvinden in het bijzijn van de latere slachtoffers. Deze redenering is niet onbegrijpelijk. Derhalve kan uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid dat verdachte en zijn broer hebben afgesproken dat hun ontmoeting zou plaats vinden in bijzijn van de latere slachtoffers.
21. Voorts klaagt het middel dat ook de in de navolgende bewijsoverweging voorkomende vermelding dat een vijfde persoon, zo deze aanwezig is geweest, aan de zijde van beide verdachten moet hebben gestaan, niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid terwijl het Hof ook niet aanduidt aan welk bewijsmiddel het dit gegeven heeft ontleend. Die bewijsoverweging luidt:
"Ter terechtzitting in hoger beroep heeft zowel de verdachte als diens medeverdachte verklaard dat een vijfde persoon, die zij alleen kenden onder de bijnaam [betrokkene 2], de beide slachtoffers heeft doodgeschoten, vlak nadat zij ter plaatse waren aangekomen. Dit staaft in zoverre 's hofs bovenstaande opvatting dat de beide slachtoffers vlak na de aankomst in De Lier zijn doodgeschoten. Naar het oordeel van het hof is niet geheel uitgesloten dat er een vijfde persoon bij de schietpartij aanwezig is geweest. Het aantal inzittenden van de rode auto, waarin de verdachte kwam aanrijden, staat niet onomstotelijk vast en een eventuele vierde inzittende kan voor de omkijkende getuige [getuige 2] onopgemerkt zijn gebleven in die auto of achter het busje. Naar het oordeel van het hof wijzen de navolgende feiten en omstandigheden, zoals die ter terechtzitting in hoger beroep als aannemelijk naar voren zijn gekomen, er echter op dat, indien een vijfde persoon aanwezig is geweest, deze vijfde persoon aan de zijde van de beide verdachten heeft gestaan, althans niet aan de zijde van de slachtoffers."
Volgens de toelichting op het middel kan uit de door het Hof vervolgens genoemde feiten en omstandigheden niet worden afgeleid dat die vijfde persoon aan de zijde van de verdachte en zijn broer moet hebben gestaan.
22. Het Hof heeft ten aanzien van die vijfde persoon overwogen:
"Indien al een vijfde persoon aanwezig is geweest, is het ter terechtzitting in hoger beroep niet aannemelijk geworden dat hij degene is geweest die de beide slachtoffers heeft doodgeschoten. De getuige [getuige 2] heeft verklaard dat zij zich, nadat zij een paar harde knallen hoorde, direct heeft omgedraaid en de bestuurder van de bus - de medeverdachte - met uitgestrekte arm, wijzend in de richting van de slachtoffers - die inmiddels in elkaar waren gezakt en op het pad lagen - zag staan. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep geen aannemelijke verklaring gegeven waarom zijn medeverdachte op dat moment - anders dan om de slachtoffers dood te schieten - met gestrekte arm in de richting van de slachtoffers stond. Het hof acht het op grond van deze verklaring aannemelijk dat de medeverdachte - en dus niet een vijfde persoon - de beide slachtoffers heeft doodgeschoten. Ter plaatse zijn slechts kogels en hulzen uit één wapen gevonden."
Over deze overweging wordt niet geklaagd.
23. Volgens de verdachte was de door hem genoemde vijfde persoon degene die de slachtoffers heeft doodgeschoten en niet zijn broer. Het Hof heeft de verdachte daarin niet gevolgd. Daarbij heeft het Hof niet meegewogen of die vijfde persoon aan de zijde van de verdachte en zijn broer, althans niet aan de zijde van de slachtoffers heeft gestaan. In die omstandigheden valt niet in te zien welk belang de verdachte heeft bij zijn klacht. Daar komt nog bij dat het Hof zijn oordeel heeft gerelativeerd in die zin dat er in elk geval van moet worden uitgegaan dat die vijfde persoon niet aan de zijde van de slachtoffers heeft gestaan. Over die laatste vaststelling wordt niet geklaagd.
24. Het middel faalt.
25. Het eerste en het derde middel kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
26. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Zie het p-v van verhoor door de R-C van 22 mei 2003.
2 EHRM 20 november 1989, NJ 1990, 245, m. nt. EAA (Kostovski tegen Nederland), par. 41, EHRM 15 juni 1992, NJ 1993, 711, par. 49 (Lüdi tegen Zwitserland), aangehaald in onder meer EHRM 14 februari 2002, NJ 2002, 378, m. nt. Sch (Visser tegen Nederland), par.10.
3 Zie Kamerstukken II, 2003-2004, 29255, nr. 8, p. 2.
4 HR 24 mei 2005, NJ 2005, 396.
Uitspraak 18‑04‑2006
Inhoudsindicatie
Het onderdeel van de pleitnota kan niet worden beschouwd als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in de tweede volzin van art. 359.2 Sv (HR LJN AU9130).
18 april 2006
Strafkamer
nr. 01842/05
SG/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 4 maart 2005, nummer 22/001716-04, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Haaglanden" te Zoetermeer.
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 31 maart 2004 - de verdachte ter zake van "medeplegen van moord, meermalen gepleegd" veroordeeld tot achttien jaren gevangenisstraf.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsvrouwe op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3. Beoordeling van het tweede middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof - in strijd met de tweede volzin van art. 359, tweede lid, Sv - heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven die hebben geleid tot afwijking van een ter terechtzitting in hoger beroep uitdrukkelijk namens de verdachte onderbouwd standpunt.
3.2. Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 18 februari 2005 gehechte pleitnota heeft de raadsman van de verdachte aldaar, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende aangevoerd:
"Als bewijsmiddel 14. heeft de rechtbank een citaat uit een op 1 april 2003 afgeluisterd gesprek tussen [verdachte] en diens broer [medeverdachte 1] gebruikt. Geenszins blijkt, ook niet gelet op de context waarin het door de rechtbank gebruikte citaat voorkomt, dat met de daarin genoemde 'jongens', de doodgeschoten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bedoeld zijn.
[Medeverdachte 1] heeft daarover verklaard: "Het gaat daarbij om iets heel anders, namelijk om twee Russen die bij ons kwamen werken." [Verdachte] heeft daarover verklaard: "Het gaat dan niet over mensen die zijn doodgeschoten. Er was een camperbusje dat door Poolse of Russische jongens gespoten zou worden. Ze hebben dat busje uit elkaar gehaald en zijn toen niet meer op komen dagen. Die jongens moesten wij weer hebben om de klus af te maken."
3.3. Het middel doelt op een door het Hof als bewijsmiddel gebezigd proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar G.J.L. van der Meer, voorzover inhoudende als relaas van de verbalisant:
"Op 1 april 2003 vond er een actie plaats van het politie-infiltratieteam, waarbij gesprekken in een auto werden opgenomen. Bij de gesprekken waren betrokken de verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte] en een politiële informant, bij de verdachten en bij mij bekend als Kobus (K). De stemmen van betrokkenen waren bij mij bekend. De hierbij opgenomen gesprekken werden door mij uitgeluisterd en verwerkt, waarbij inhoudelijk het volgende gesprek plaatsvond tussen [medeverdachte 1] en [verdachte]:
[Medeverdachte 1]: Kijk, hoe hebben wij die jongens daar naar toe laten komen, wij hebben hun met verstand gebruiken daar naar toe laten komen. Anders waren ze nooit gekomen. Als we gezegd hadden "ik vermoord jou, jullie" of iets dergelijks, dan waren zij nooit gekomen. Het is onmogelijk."
3.4. Het Hof heeft dit onderdeel van de pleitnota kennelijk niet opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359, tweede lid, Sv. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, zodat het middel tevergeefs is voorgesteld (vgl. HR 11 april 2006, LJN AU9130, rov. 3.7.1).
4. Beoordeling van het eerste en het derde middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 18 april 2006.
Beroepschrift 16‑09‑2005
SCHRIFTUUR VAN CASSATIE
in de zaak van [naam 1], rekwirant van cassatie van een hem betreffende uitspraak van het gerechtshof te 's‑Gravenhage, uitgesproken op 4 maart 2005 alsmede tegen alle in de zaak ter terechtzitting genomen beslissingen
Rekwirant van cassatie dient hierbij de navolgende middelen in:
Middel I:
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd, waarvan niet-naleving met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen. In het bijzonder zijn de artikelen 6 EVRM, 287, 288, 358, 359 en 415 Sv geschonden, nu het gerechtshof ten onrechte het (nadere) verzoek tot het horen van de getuige [naam 2], heeft afgewezen althans heeft het gerechtshof die beslissing onvoldoende met redenen omkleed en lijdt het arrest mitsdien aan nietigheid.
Toelichting:
l
Ter zitting van het gerechtshof van 14 november 2004, een pro forma zitting, zijn blijkens het proces-verbaal daarvan de door de verdediging per brief van 9 december 2004 gedane verzoeken behandeld. Het gerechtshof heeft de beslissingen op die verzoeken aangehouden tot de zitting van 24 december 2004. Op deze zitting besluit het gerechtshof tot afwijzing van alle door de verdediging gedane verzoeken met uitzondering van het verzoek tot het horen van [naam 2, getuige] en beveelt het de oproeping van de getuige [naam 2][, thans zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande, te bereiken via zijn broer [naam 3] op telefoonnummer 06-18971325 tegen het tijdstip van de nadere terechtzitting op 18 februari 2005. De overwegingen van het gerechtshof tot het oproepen van deze getuige zijn:
‘Nu volgens het openbaar ministerie aannemelijk is dat naast de verdachten en de slachtoffers een vijfde persoon ter plaatse is geweest, toen de slachtoffers zijn omgebracht — de verdachten zouden de slachtoffers immers in contact brengen met iemand van wie de slachtoffers geld afhandig zouden kunnen maken volgens een lezing en die vijfde persoon niet is gevonden, acht het hof het in het belang van de verdediging de getuige [naam 2], indien te vinden, te horen omtrent gegevens die zouden kunnen leiden tot het vinden van die getuige, met inbegrip van sporen die kunnen lopen via ‘[naam 4]’ of anderen.’
2
Op de zitting van 18 februari 2005 blijkt de getuige [naam 2] niet te zijn verschenen. Het proces-verbaal vermeldt hieromtrent het volgende:
‘Desgevraagd door de voorzitter deelt de advocaat-generaal mede dat de politie een grondig onderzoek heeft verricht naar de woon- of verblijfplaats van de getuige [naam 2], doch dat dit onderzoek niets heeft opgeleverd en de getuige onvindbaar is. Van dit onderzoek heeft de politie proces-verbaal opgemaakt, hetwelk de advocaat-generaal aan het hof overlegt. De advocaat-generaal deelt voorts mede dat, mocht het hof daar behoefte aan hebben, de verbalisanten die het onderzoek naar de woon- of verblijfplaats van deze getuige hebben uitgevoerd eventueel ter terechtzitting in hoger beroep als getuigen gehoord kunnen worden. De zaak dient, aldus de advocaat-generaal, in ieder geval niet te worden aangehouden om de getuige [naam 2] nogmaals op te roepen, nu niet te verwachten valt dat deze getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen. Daarenboven is de getuige ook al bij de rechter-commissaris gehoord, in het bijzijn van de verdediging.
De raadsvrouwe deelt desgevraagd mee dat uit het zojuist door de advocaat-generaal overgelegde proces-verbaal blijkt dat de politie pas vanaf 2 februari 2005 pogingen heeft ondernomen om de verblijfplaats van [naam 2, getuige] te achterhalen en dat het proces-verbaal is gesloten op 14 februari 2005, derhalve twaalfdagen na het begin van het onderzoek. De raadsvrouwe acht dit onderzoek, gelet op de korte duur ervan, ontoereikend. Voorts meent zij dat de politie veel te laat met het onderzoek is begonnen, ruim een maand na het door het hof aan de advocaat-generaal gedane verzoek tot het achterhalen van de verblijfplaats van deze getuige.
(..)
De voorzitter onderbreekt de behandeling voor beraadslaging.
Na beraadslaging en hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter mede dat het hof het gedane verzoek tot het nogmaals oproepen van de heden niet verschenen getuige [naam 2] afwijst, nu het naar het oordeel van het hof onaannemelijk is dat deze getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen. De politie is naar het oordeel van het hof alle mogelijke aanknopingspunten nagegaan teneinde de feitelijke woon- of verblijfplaats van deze getuige te achterhalen. Zij kan niets meer doen. Indien de zaak wordt aangehouden, betekent dat er gewacht wordt op een gelukkig toeval, dat zeer lang kan duren en mogelijk nooit optreedt.’
3
Uit de geschetste gang van zaken in hoger beroep blijkt niet welke pogingen zijn ondernomen om de getuige, wiens oproeping door het gerechtshof op de zitting van 24 december 2004 was bevolen, te bereiken. Wel blijkt uit het proces-verbaal van de zitting dat pas in een zeer laat stadium, kort voor de zitting in hoger beroep van 18 februari 2005, te weten op 2 februari 2005, is aangevangen met de poging(en) om de getuige [naam 2] te bereiken en dat deze pogingen tot 14 februari 2005 zijn gedaan.
4
De getuige [naam 2] is een belangrijke getuige in deze zaak, meer in het bijzonder omdat die iets zou kunnen verklaren dat betrekking heeft op de aanwezigheid van een vijfde persoon, welke vijfde persoon volgens rekwirant en zijn (medeverdachte) broer de slachtoffers om het leven zou hebben gebracht en ook omdat hij eerder (zie pleitnota p. 2 onder 1.7) iets heeft verklaard over de betrouwbaarheid van de verklaringen van andere getuigen.
De beslissing van het gerechtshof is ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd en daarmee onbegrijpelijk. Immers, het hof grondt zijn beslissing op pogingen — volgens het gerechtshof zijn ‘alle mogelijke aanknopingspunten nagegaan’, maar het gerechtshof geeft daarbij niet aan welke dat zijn geweest — gedurende een korte tijd om de getuige te bereiken terwijl die pogingen zich over een veel langere tijd met mogelijk meer kans op succes zouden hebben kunnen uitstrekken De beslissing is onbegrijpelijk omdat het gerechtshof kennelijk van oordeel is dat er al zoveel tijd is verstreken dat nadere pogingen de getuige te horen niet meer binnen een aanvaardbare termijn zouden kunnen plaats vinden. De procedure in hoger beroep had echter nog niet zoveel tijd in beslag genomen dat nadere stappen om tot een verhoor van de getuige te komen — de raadsvrouwe verzoekt in haar pleitnota op p. 4 om aanhouding voor de duur van één maand — de termijn waarbinnen de zaak in hoger beroep zou moeten zijn afgedaan niet meer aanvaardbaar zouden doen zijn, zeker gelet op de door de rechtbank aan rekwirant opgelegde vrijheidsbenemende sanctie en zijn belang om de getuige te kunnen (doen) horen.
5
Mitsdien lijdt het arrest aan nietigheid.
Middel II:
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd, waarvan niet-naleving met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen. In het bijzonder zijn de artikelen 358, 359 en 415 Sv geschonden, nu het gerechtshof niet heeft gerespondeerd op het verweer van rekwirant ten aanzien van het bewijs, meer in het bijzonder heeft het gerechtshof verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het afwijkt van het door rekwirant ingenomen standpunt dat de inhoud van het tot bewijs gebezigde proces-verbaal van opsporingsambtenaar G.J.L. van der Meer van 10 juni 2003 (bewijsmiddel 14) over iets anders gaat dan over de mensen die zijn doodgeschoten en heeft het gerechtshof desondanks voornoemd proces-verbaal tot bewijs gebezigd. Mitsdien is de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed dan wel onbegrijpelijk en lijdt het arrest aan nietigheid.
Toelichting:
1
Het gerechtshof heeft in de bijlage bij het arrest onder 14 als bewijsmiddel opgenomen een proces-verbaal van opsporingsambtenaar G.J.L. van der Meer d.d. 10 juni 2003, welk proces-verbaal inhoudt als relaas van deze opsporingsambtenaar onder meer een in een auto opgenomen gesprek van 1 april 2003:
‘[naam 5, broer rekwirant , opm. JK)]: Kijk, hoe hebben wij die jongens daar naar toe laten komen, wij hebben hun met verstand gebruiken daar naar toe laten komen. Anders waren ze nooit gekomen. Als we gezegd hadden ‘ik vermoord jou, jullie’ of iets dergelijks, dan waren zij nooit gekomen. Het is onmogelijk.’
2
Dat deze woorden betrekking zouden hebben op de slachtoffers, is in de pleitnota betwist. Zie in dit verband 1.13 1.14 van de op 18 februari 2005 overgelegde pleitnota:
‘1.13
Als bewijsmiddel 14. heeft de rechtbank een citaat uit een op 1 april 2003 afgeluisterd gesprek tussen [naam 1, rekwirant] en diens broer [naam 5] gebruikt. Geenszins blijkt, ook niet gelet op de context waarin het door de rechtbank gebruikte citaat voorkomt, dat met de daarin genoemde ‘jongens’, de doodgeschoten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bedoeld zijn. (..)
1.14
[naam 5] heeft daarover verklaard: ‘Het gaat daarbij om iets heel anders, namelijk om twee Russen die bij ons kwamen werken.’ (.) [naam 1] heeft daarover verklaard: ‘Het gaat dan niet over mensen die zijn doodgeschoten, Er was een camperbusje dat door Poolse of Russische jongens gespoten zou worden. Ze hebben dat busje uit elkaar gehaald en zijn toen niet meer komen opdagen. Die jongens moesten wij weer hebben om de klus af te maken (..)’
3
De stelling van rekwirant, verwoord als hierboven in de pleitnota van zijn raadsvrouwe, wordt door de bewijsmiddelen niet weerlegd, meer in het bijzonder niet de mogelijkheid dat het hier over anderen ging dat de slachtoffers in deze zaak.
4
Door — zonder nadere motivering — dit verweer te passeren, is de met de bewijsmiddelen niet onverenigbare mogelijkheid blijven bestaan dat het hier gaat om de aangegeven Russen of Polen en niet om de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] althans heeft het gerechtshof ten onrechte niet in het bijzonder de redenen opgegeven waarom zijn beslissing afwijkt van het door rekwirant uitdrukkelijk ingenomen standpunt dat de inhoud van dit tot bewijs gebezigde proces-verbaal geen betrekking heeft op de slachtoffers. Daarmee is het voorschrift van artikel 359 lid 2, waarop dit middel zich richt, geschonden. In het amendement van de leden Wolffsen en Griffith, dat wordt aangenomen en lijdt tot wijziging van het aanvankelijk voorgestelde artikel 359 lid 2 Sv) is de onderbouwing van het nieuwe artikel 359 lid 2 neergelegd:
‘Strafvordering 2001 bepleit de ontwikkeling naar een contradictoire strafprocedure. Het onderhavige wetsvoorstel geeft invulling aan deze richting door bij een bekennende verdachte de procedure te vereenvoudigen. Daar tegenover staat dat de door de verdediging en/of door de officier van justitie ingenomen en onderbouwde standpunten expliciet moeten worden besproken in het vonnis als ze niet worden gevolgd.’
5
Nu de naleving van artikel 359 lid 2 is voorgeschreven op straffe van nietigheid, lijdt het arrest aan nietigheid.
Middel III:
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd, waarvan niet-naleving met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen. In het bijzonder zijn de artikelen 358, 359 en 415 Sv geschonden, nu het gerechtshof in de bewijsoverweging feiten en omstandigheden heeft genoemd die redengevend zijn voor de bewezenverklaring terwijl het gerechtshof zich beroept op niet in de bewijsmiddelen vermelde gegevens, zonder dat het de wettige bewijsmiddelen aangeeft waaraan die feiten en omstandigheden zijn ontleend dan wel zonder dat de schriftelijke (wettige) bewijsmiddelen terechtzitting zijn voorgelezen of aldaar de korte inhoud is meegedeeld. Daarmee zijn de gebezigde bewijsmiddelen, noch de mede in verband daarmee gegeven nadere bewijsoverweging, redengevend voor het onder bewezenverklaarde althans is de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed danwel onbegrijpelijk en lijdt het arrest aan nietigheid.
Toelichting:
1
Het gerechtshof heeft in het arrest de bewijsmiddelen opgenomen die het redengevend acht voor de bewezenverklaring van de moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Daarnaast heeft het gerechtshof in een nadere bewijsoverweging de bewezenverklaring toegelicht. In die bewijsoverweging overweegt het gerechtshof onder meer:
‘Uit de gelijktijdige aankomst van de verdachte en zijn broer in De Lier leidt het hof af dat de beide verdachten al voordat de verdachte op die dag de slachtoffers ontmoette, hebben afgesproken dat zij elkaar die dag, in het bijzijn van de latere slachtoffers, zouden ontmoeten in De Lier. Dat de beide verdachten daar een afspraak hadden, heeft de verdachte ook bij de rechtbank op 17 maart 2004 verklaard.’
Geen enkel bewijsmiddel, en evenmin de redenering van het gerechtshof op zichzelf, rechtvaardigt de conclusie als hier getrokken, te weten dat rekwirant en zijn medeverdachte hebben afgesproken dat zij elkaar die dag, in het bijzijn van de slachtoffers (onderstr. JK), zouden ontmoeten in De Lier. Deze overweging van het gerechtshof is van niet-ondergeschikte betekenis in het geheel van de bewijsconstructie, meer in het bijzonder voorzover die ziet op het medepleger en de voorbedachte rade.
2
Hetzelfde geldt voor de overweging van het gerechtshof , dat indien een vijfde persoon aanwezig is geweest, deze vijfde persoon aan de zijde van de beide verdachten heeft gestaan, althans niet aan de zijde van de slachtoffers (p. 4 arrest). Het gerechtshof verwijst voor die conclusie naar de ‘navolgende feiten en omstandigheden, zoals die ter terechtzitting in hoger beroep als aannemelijk naar voren zijn gekomen’, doch uit die feiten en omstandigheden die het gerechtshof vervolgens noemt noch uit de bewijsmiddelen overigens blijkt dat de conclusie dat deze vijfde persoon aan de zijde van de beide verdachten heeft gestaan gerechtvaardigd is.
3
Mitsdien zijn de bewijsmiddelen en de in verband daarmee gegeven nadere bewijsoverweging niet redengevend voor de bewezenverklaring, is deze bewezenverklaring daardoor onvoldoende met redenen omkleed en lijdt het arrest aan nietigheid.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door Mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, aldaar kantoorhoudende aan de Prinsengracht 659hs te 1016 HV Amsterdam, die verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door rekwirant van cassatie.
Amsterdam, 16 september 2005
J. Kuijper