NJ 2003, 432
Bevoegdheid enkelvoudige kamer hof inz. voorlopige hechtenis.
HR 15-04-2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2318, m.nt. P.A.M. Mevis
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
15 april 2003
- Magistraten
W.J.M. Davids, F.H. Koster, G.J.M. Corstens, J.P. Balkema, A.J.A. van Dorst
- Zaaknummer
00356/02
- Conclusie
A-G Machielse
- Noot
P.A.M. Mevis
- LJN
AF2318
- JCDI
JCDI:ADS145494:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
- Brondocumenten
ECLI:NL:PHR:2003:AF2318, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 15‑04‑2003
ECLI:NL:HR:2003:AF2318, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 15‑04‑2003
- Wetingang
Sv art. 21 lid 6; Sv art. 69 lid 1; Sv art. 86 lid 1
Essentie
Hoewel art. 21 lid 6 strikt genomen bepaalt dat de enkelvoudige kamer een verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis niet mag behandelen, volgt uit het wettelijk systeem van bepalingen over verlenging, schorsing en opheffing voorlopige hechtenis dat de enkelvoudige raadkamer van het hof ook bevoegd is tot behandeling van een verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.
Voorgaande uitspraak
Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 26 november 2001, nummer 23/001931–01, in de strafzaak tegen J.M., adv. mr. G.P. Hamer te Amsterdam.
Hof:
De Uitspraak
Het Hof ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.