HR, 12-11-2002, nr. 02142/99B
ECLI:NL:HR:2002:AE7636
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
12-11-2002
- Zaaknummer
02142/99B
- LJN
AE7636
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2002:AE7636, Uitspraak, Hoge Raad, 12‑11‑2002; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE7636
ECLI:NL:PHR:2002:AE7636, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 12‑11‑2002
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE7636
- Vindplaatsen
Uitspraak 12‑11‑2002
Inhoudsindicatie
Beklag, beslag ex art. 94 Sv op auto met vals chassisnummer onder klager, waarna Rb het beklag van klager ongegrond heeft verklaard en vordering OvJ tot onttrekking aan verkeer van auto heeft toegewezen. 1. Verzuim schriftelijke vordering OvJ tot onttrekking aan verkeer aan klager te betekenen. 2. In relatie tot welk strafbaar feit is ongecontroleerd bezit van auto in strijd met algemeen belang? 3. Had Rb moeten onderzoeken of OM voornemens is strafvervolging in te stellen? Ad 1. Uit p-v van behandeling van vordering in raadkamer blijkt dat klager bij die behandeling aanwezig was en aldaar door hem niet is geklaagd over uitblijven van betekening. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat klager door begaan verzuim in zijn belang is geschaad. Ad 2. Overwegingen Rb moeten aldus worden verstaan dat Rb heeft geoordeeld dat m.b.t. auto in art. 219 Sr omschreven strafbaar feit is gepleegd. Voorts ligt in die overwegingen besloten dat het feit van algemene bekendheid is dat voertuigen die zijn voorzien van vals chassisnummer geheel of gedeeltelijk van diefstal of soortgelijk misdrijf afkomstig plegen te zijn, dat ongecontroleerd bezit van dergelijke voertuigen afbreuk doet aan effectieve voorkoming en bestrijding van de met gestolen auto's bedreven handel en dat daarvan tevens bevorderende werking op diefstal van auto’s uitgaat (vgl. HR:2000:AA8406). Oordeel Rb geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Ad 3. Uit stukken blijkt niet dat er in feitelijke aanleg een beroep op is gedaan dat in deze zaak een vervolging is of zal worden ingesteld. Uit stukken rijst evenmin rechtstreeks en ernstig vermoeden dat vervolging is of zal worden ingesteld. Volgt verwerping.
12 november 2002
Strafkamer
nr. 02142/99 B
AB/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 28 oktober 1999, nummer RK 99/3655, op een beklag als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:
[klager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden beschikking
De Rechtbank heeft ongegrond verklaard het door klager ingediende beklag strekkende tot teruggave aan hem van de in bovenvermelde beschikking omschreven personenauto. Voorts heeft de Rechtbank de vordering van de Officier van Justitie toegewezen en genoemde personenauto aan het verkeer onttrokken verklaard.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door klager. Namens deze heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schrifturen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
De plaatsvervangend Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat de Rechtbank ten onrechte het beklag van klager ongegrond heeft verklaard en de vordering tot onttrekking aan het verkeer van de in de bestreden beschikking genoemde personenauto heeft toegewezen, althans dat voornoemde beslissingen ontoereikend zijn gemotiveerd. Het middel valt uiteen in een drietal klachten.
3.2. De eerste klacht houdt in dat de schriftelijke vordering van de Officier van Justitie tot onttrekking aan het verkeer niet aan klager is betekend.
3.3. Uit het proces-verbaal van de behandeling van voornoemde vordering in raadkamer van 15 oktober 1999 blijkt dat klager bij die behandeling aanwezig was en aldaar door of namens hem niet is geklaagd over het uitblijven van betekening. Op grond van het voorgaande kan niet worden gezegd dat klager door het begane verzuim in zijn belang is geschaad.
3.4. In de tweede klacht wordt aangevoerd dat de ongegrondverklaring van het beklag en de onttrekking aan het verkeer ontoereikend zijn gemotiveerd, omdat uit de beschikking niet blijkt in relatie tot welk strafbaar feit het ongecontroleerde bezit van de auto in strijd met het algemeen belang zou zijn.
3.5. De bestreden beschikking houdt - voorzover voor de beoordeling van de klacht van belang - het volgende in:
"Gelet op de stukken in het dossier kan vastgesteld worden dat op enig moment iemand genoemde auto heeft voorzien van een vals chassisnummer en het motornummer heeft verwijderd.
Het ongecontroleerde bezit van een dergelijke auto is in strijd met het algemeen belang. Hiermee is voldaan aan de criteria om tot onttrekking aan het verkeer te kunnen overgaan."
3.6. De hiervoor onder 3.5 genoemde overwegingen van de Rechtbank moeten aldus worden verstaan dat de Rechtbank heeft geoordeeld dat met betrekking tot de personenauto het in art. 219 Sr omschreven strafbare feit is gepleegd. Voorts ligt in die overwegingen besloten dat het een feit van algemene bekendheid is dat voertuigen die zijn voorzien van een vals chassisnummer geheel of gedeeltelijk van diefstal of een soortgelijk misdrijf afkomstig plegen te zijn, dat het ongecontroleerde bezit van dergelijke voertuigen afbreuk doet aan een effectieve voorkoming en bestrijding van met gestolen auto's bedreven handel en dat daarvan tevens een bevorderende werking op diefstal van auto's uitgaat (vgl. HR 21 november 2000, LJN AA8406).
3.7. Dit oordeel van de Rechtbank geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
3.8. De derde klacht houdt in dat uit de beschikking niet kan volgen dat de Rechtbank heeft onderzocht of het Openbaar Ministerie voornemens is een strafvervolging in te stellen.
3.9. Deze klacht kan niet slagen, reeds omdat uit de stukken van het geding niet blijkt dat in feitelijke aanleg er een beroep op is gedaan dat in deze zaak een vervolging is of zal worden ingesteld, noch daaruit het rechtstreeks en ernstig vermoeden rijst dat een vervolging is of zal worden ingesteld.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden beschikking ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en E.J. Numann, in bijzijn van de waar-nemend-griffier L.J.J. Braber, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 november 2002.
Conclusie 12‑11‑2002
Inhoudsindicatie
Beklag, beslag ex art. 94 Sv op auto met vals chassisnummer onder klager, waarna Rb het beklag van klager ongegrond heeft verklaard en vordering OvJ tot onttrekking aan verkeer van auto heeft toegewezen. 1. Verzuim schriftelijke vordering OvJ tot onttrekking aan verkeer aan klager te betekenen. 2. In relatie tot welk strafbaar feit is ongecontroleerd bezit van auto in strijd met algemeen belang? 3. Had Rb moeten onderzoeken of OM voornemens is strafvervolging in te stellen? Ad 1. Uit p-v van behandeling van vordering in raadkamer blijkt dat klager bij die behandeling aanwezig was en aldaar door hem niet is geklaagd over uitblijven van betekening. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat klager door begaan verzuim in zijn belang is geschaad. Ad 2. Overwegingen Rb moeten aldus worden verstaan dat Rb heeft geoordeeld dat m.b.t. auto in art. 219 Sr omschreven strafbaar feit is gepleegd. Voorts ligt in die overwegingen besloten dat het feit van algemene bekendheid is dat voertuigen die zijn voorzien van vals chassisnummer geheel of gedeeltelijk van diefstal of soortgelijk misdrijf afkomstig plegen te zijn, dat ongecontroleerd bezit van dergelijke voertuigen afbreuk doet aan effectieve voorkoming en bestrijding van de met gestolen auto's bedreven handel en dat daarvan tevens bevorderende werking op diefstal van auto’s uitgaat (vgl. HR:2000:AA8406). Oordeel Rb geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Ad 3. Uit stukken blijkt niet dat er in feitelijke aanleg een beroep op is gedaan dat in deze zaak een vervolging is of zal worden ingesteld. Uit stukken rijst evenmin rechtstreeks en ernstig vermoeden dat vervolging is of zal worden ingesteld. Volgt verwerping.
Nr. 02142/99 B
Mr Fokkens
Parket, 3 september 2002
Conclusie inzake
[klager]:
1. De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft bij beschikking van 28 oktober 1999 het namens verzoeker ingediende klaagschrift strekkende tot teruggave van een onder klager inbeslaggenomen auto ongegrond verklaard. Voorts heeft de rechtbank de vordering tot onttrekking aan het verkeer van die auto toegewezen.
2. Namens verzoeker heeft mr. J. Kuiper, advocaat te Amsterdam één middel van cassatie ingediend. Bij schrijven van 10 november 2000 is ter griffie van de Hoge Raad een wijziging c.q. aanvulling op de schriftuur binnengekomen. Het middel behelst drie klachten
3. De eerste klacht houdt in dat de schriftelijke vordering van de Officier van Justitie tot onttrekking aan het verkeer niet aan verzoeker is betekend.
4. Onttrekking aan het verkeer van inbeslaggenomen voorwerpen kan ingevolge art. 36b, eerste lid en onder 4 Sr. worden uitgesproken bij een afzonderlijke rechterlijke beschikking op schriftelijke vordering van de officier van justitie. Een mondelinge vordering bij het onderzoek in raadkamer is daarvoor niet voldoende (HR 21 april 1998, NJ 1998, 648). Art. 552f, derde lid, Sv houdt in dat indien bekend is aan wie de aan het verkeer te onttrekken voorwerpen toebehoren, een afschrift van de vordering aan die rechthebbende moet worden betekend.
5. In het dossier bevindt zich een met pen ingevulde en door de Officier van Justitie ondertekende "VORDERING TER TERECHTZITTING" waarin de Officier van Justitie de onttrekking aan het verkeer van de onder verzoeker inbeslaggenomen auto vordert. Nu zich geen andere vordering bij de stukken bevindt en de beschikking ook vermeldt dat de vordering is gedaan op 15 oktober 1999, de dag van de behandeling in raadkamer, moet worden aangenomen dat dit stuk de vordering is waarop de Rechtbank in haar beschikking doelt.
6. Hoewel het middel daarover geen klacht bevat, wil ik eerst aandacht besteden aan de vraag of de vordering op deze wijze aan de wettelijke eisen voldoet. De omstandigheid dat de vordering pas op de dag van de behandeling in raadkamer is opgesteld maakt deze niet ongeldig nu de wet geen termijn bevat voor het indienen van de vordering. Wel schrijft de wet voor dat de vordering met redenen omkleed is. Daaraan schort het een en ander. De vordering houdt niet meer in dan dat het inbeslaggenomen automobiel van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Met name ontbreekt in de vordering dat het automobiel in relatie staat tot een strafbaar feit (vgl. Melai, aantek. 9 op art. 552d en Beije, Onttrekking aan het verkeer, p. 122 e.v.). Uit de rechtspraak van de Hoge Raad kan echter worden afgeleid dat dergelijke gebreken geen gevolgen behoeven te hebben, indien de beschikking tot onttrekking naar behoren is gemotiveerd (HR 27 april 1993, NJ 1993, 586; Beije, p. 122 e.v.). Op dat laatste ga ik later in naar aanleiding van de tweede klacht.
7. Eerst bespreek ik de klacht dat de vordering niet aan klager is betekend. Die klacht is juist: in het dossier bevindt zich geen akte van uitreiking behorende bij de vordering van de Officier van Justitie. Ook blijkt niet dat een afschrift van die vordering aan klager is overhandigd bij de behandeling in raadkamer. De vraag is of dit tot vernietiging van de beschikking moet leiden.
8. Ik meen dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord. Uit de MvT bij het Voorstel voor de Wet vermogenssancties bij de voorgestelde artikelen 552e en 552f blijkt dat de betekening van de vordering aan degene aan wie de te onttrekken voorwerpen toebehoren is voorgeschreven om hem de gelegenheid te bieden bezwaar te maken tegen de gevorderde onttrekking. Tot dan toe was de enige mogelijkheid voor de rechthebbende om achteraf, als hij op de hoogte raakte van de onttrekking, een klaagschrift in te dienen overeenkomstig art. 552b Sv. Dat klaagschrift moest (en moet) binnen drie maanden nadat de beslissing uitvoerbaar is geworden worden ingediend en waarborgen dat de rechthebbende op de onttrokken goederen binnen die termijn kennis zou krijgen van die beslissing ontbraken, aldus de MvT. De voorgeschreven betekening van de vordering is bedoeld om de rechtspositie van de rechthebbende te verbeteren. Om een ongewenste samenloop van rechtsmiddelen te voorkomen is in het laatste lid van art. 552d bepaald dat de belanghebbende die ingevolge het vierde lid is gehoord, geen beklag kan doen overeenkomstig art. 552b Sv. (Tk 15 012, nrs. 1-3, p. 56).
9. Verder kan uit de stukken worden opgemaakt dat klager op de hoogte was van het feit dat de Officier van Justitie voornemens was de onttrekking aan het verkeer van de auto te vorderen. Bij de stukken van het geding bevindt zich namelijk een schrijven van de Officier van Justitie aan verzoeker, gedagtekend op 18 mei 1999, waarin is opgenomen:
10. "Hierbij deel ik u mee dat ik van plan ben om over de bij u in beslag genomen personenauto, merk Volkswagen, type Golf voorzien van het kenteken [kenteken], kleur zwart, te beslissen dat deze aan het verkeer moet worden onttrokken. U kunt zich binnen veertien dagen na betekening c.q. dagtekening van deze mededeling over dit voornemen beklagen. Dit kunt u doen door een klaagschrift in te dienen bij de griffie van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam.
Op het klaagschrift dient u het bovengenoemde proces-verbaal-nummer, alsmede de aanduiding "Hopper D1" te vermelden."
11. Op 11 juni 1999 is onder vermelding van parketnummer en de toevoeging "Hopper D.1" het klaagschrift van klager binnengekomen, waarin hij bezwaar maakt tegen de invordering van zijn auto. Verder blijkt uit het proces-verbaal van het onderzoek in raadkamer niet dat van de zijde van verdachte of zijn raadsvrouw bezwaar is gemaakt tegen het niet betekenen van de vordering tot omtrekking aan klager.
12. In deze omstandigheden is er, nu de wet betekening aan de rechthebbende niet op straffe van nietigheid voorschrijft, geen reden om aan het niet betekenen van de vordering tot onttrekking de nietigheid van de beschikking te verbinden. Klager was ervan op de hoogte dat de vordering tot onttrekking zou worden behandeld en heeft zich daartegen kunnen verweren. Derhalve moet, nu van zijn kant ook geen bezwaar op dit punt is gemaakt, worden aangenomen dat hij door dit verzuim niet in zijn belang is geschaad.
13. De tweede klacht houdt in dat de ongegrond-verklaring van het beklag en de onttrekking aan het verkeer onvoldoende zijn gemotiveerd omdat uit de beschikking niet zou blijken in relatie tot welk strafbaar feit het ongecontroleerde bezit van de auto in strijd met het algemeen belang zou zijn.
14. De bestreden beschikking houdt in:
"Gelet op de stukken in het dossier kan vastgesteld worden dat op enig moment iemand genoemde auto heeft voorzien van een vals chassisnummer en het motornummer heeft verwijderd. Het ongecontroleerde bezit van een dergelijke auto is in strijd met het algemeen belang. Hiermee is voldaan aan de criteria om tot onttrekking aan het verkeer te kunnen overgaan."
15. De vraag of de omstandigheid dat een voertuig is voorzien van een vals frame- of chassisnummer op zich een grond is om dat voertuig te onttrekken aan het verkeer is in cassatie eerder aan de orde geweest (HR 21 november 2000, 01282/99 B). In die zaak had de rechtbank overwogen:
""Ingevolge artikel 3.6.3. en 5.6.1. van het Voertuigreglement dient een bromfiets voorzien te zijn van een identificatienummer aangebracht op een vast voertuigdeel. Het identificatienummer dient beschouwd te worden als een merk zoals bedoeld in artikel 219 Sr. (...) Uitgangspunt van de genoemde regeling is het voorkomen en het tegengaan van de handel in gestolen bromfietsen. Dit is een algemeen maatschappelijk belang dat beschermd dient te worden. Door bromfietsen die in strijd met die regeling zijn voorzien van een vals framenummer terug te geven wordt het circuit van gestolen bromfietsen in stand gehouden, dan wel gestimuleerd. - Aan de verdediging kan worden toegegeven dat het bezit van een bromfiets waarop een vervalst frame- nummer is aangebracht, zonder dat daarmee aan het verkeer wordt deelgenomen, niet in strijd is met de letter van de wet. Wel dient echter een dergelijk bezit in strijd te worden geacht met het algemeen belang omdat op een dergelijke wijze te verwachten valt dat het aantal brommers met een vals of vervalst framenummer dat in omloop blijft onverminderd groot zal zijn, hetgeen de rechtbank in strijd met de bedoeling van voornoemde regeling acht. (...) Op grond van het bovenstaande komt de rechtbank dan ook tot de conclusie dat genoemde bromfiets dient te worden onttrokken aan het verkeer omdat het bezit in strijd is met het algemeen belang".
16. De Hoge Raad wees de bezwaren tegen deze overweging als volgt af:
"Het oordeel van de Rechtbank dat het ongecontroleerde bezit van een bromfiets met een vals of vervalst framenummer afbreuk doet aan een effectieve voorkoming en bestrijding van de met gestolen bromfietsen bedreven handel - in welk oordeel besloten ligt dat daarvan tevens een bevorderende werking op bromfietsdiefstallen uit- gaat - en daarom in strijd is met het algemeen belang, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarom faalt het middel."
17. De motivering van de onttrekking aan het verkeer in deze zaak is summierder dan in voornoemde zaak het geval was. Toch meen ik dat ook deze motivering niet ontoereikend is. Uit de overweging van de Rechtbank kan zonder meer worden opgemaakt dat met betrekking tot de aan het verkeer onttrokken auto het in artikel 219 Sr omschreven strafbare feit is begaan. Het lijkt mij een feit van algemene bekendheid dat auto's die zijn voorzien van een vals chassisnummer geheel of ten dele van diefstal afkomstig plegen te zijn. Dat het ongecontroleerd bezit van dergelijke voertuigen afbreuk doet aan de bestrijding van de handel in gestolen voertuigen en aldus een bevorderende werking heeft op autodiefstallen, kan eveneens als een feit van algemene bekendheid worden beschouwd.
18. In het licht van deze omstandigheden is het oordeel van de Rechtbank dat het ongecontroleerd bezit van de auto in strijd is met het algemeen belang niet onbegrijpelijk, terwijl het ook geen blijk geeft van een verkeerde rechtsopvatting. Ook de tweede klacht treft geen doel.
19. De derde klacht houdt in dat uit de beschikking niet kan volgen dat de rechtbank heeft onderzocht of het Openbaar Ministerie voornemens is een strafvervolging in te stellen.
20. De procedure waarin bij afzonderlijke rechterlijke beschikking de onttrekking aan het verkeer wordt uitgesproken,kan alleen worden gebruikt indien vaststaat dat zaak zelf niet (meer) zal worden vervolgd (NLR, Het Wetboek van Strafrecht, aant. 9 bij art. 36b). Vandaar dat de Hoge Raad in NJ 1986, 551 oordeelde dat, indien uit de stukken een gewichtig vermoeden rijst dat de Officier van Justitie een vervolging zal instellen, de rechter ervan dient te doen blijken dat hij heeft onderzocht of de zaak wel of niet meer zal worden vervolgd (zie ook HR NJ 1986, 574).
21. In de onderhavige zaak echter is geen sprake van een gewichtig vermoeden dat de Officier van Justitie een vervolging zal instellen nu uit het dossier volgt dat de zaak is geseponeerd.
Ook deze klacht kan niet slagen.
22. De middelen niet gegrond achtend, concludeer ik dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
plv.