In geval van wraking is, zoals uit deze casus blijkt, schorsing voor kortere tijd mogelijk, maar aanvankelijk was dat niet altijd het geval. Bij wraking van een alleensprekende rechter, die op het verzoek zelf besliste, was namelijk appèl mogelijk tegen de beslissing op het wrakingsverzoek.
HR, 23-04-2002, nr. 02853/00
ECLI:NL:HR:2002:ZD2844
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
23-04-2002
- Zaaknummer
02853/00
- Conclusie
Nr. 2853/00
- LJN
ZD2844
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2002:ZD2844, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 23‑04‑2002
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:ZD2844
ECLI:NL:HR:2002:ZD2844, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 23‑04‑2002; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:ZD2844
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:ZD2844
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:ZD2844
- Vindplaatsen
NbSr 2002/156
Conclusie 23‑04‑2002
Nr. 2853/00
Partij(en)
Mr. Fokkens
Nr. 2853/00
Zitting 8 mei 2001
Conclusie inzake
[Verdachte]
Edelhoogachtbaar College,
- 1.
Verdachte is op 2 maart 2000 door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens - kort gezegd - rijden onder invloed,
veroordeeld tot een geldboete van zeshonderdvijftig gulden te vervangen door dertien dagen hechtenis.
2.
Verdachte heeft zelf een schriftuur ingediend met vier middelen van cassatie. Het is echter de vraag of verdachte
tijdig beroep in cassatie heeft ingesteld.
3.
Verdachte is op 17 februari 2000 ter terechtzitting verschenen, maar pas op 25 april 2000 is namens hem cassatieberoep ingesteld tegen het op 2 maart 2000 gewezen arrest. Verdachte onderkent dat hij het cassatieberoep niet binnen veertien dagen na de einduitspraak heeft ingesteld, maar brengt hier het volgende tegen in. Ter terechtzitting van het hof van 17 februari 2000 heeft verdachte een wrakingsverzoek ingediend. Vervolgens is hij vertrokken naar de Raad van State omdat hij daar later die ochtend ter zitting moest verschijnen. Verdachte voert aan dat hem, toen hij de zittingszaal verliet, niet is medegedeeld wanneer de terechtzitting zou worden hervat. Dat zou in strijd zijn met art. 319, eerste lid, Sv. Toen hij op 20 april 2000 op de hoogte raakte met de uitspraak van het hof heeft hij binnen veertien dagen cassatieberoep ingesteld.
4.
Voor de ontvankelijkheid van het ingestelde beroep is van belang dat art. 432, eerste lid aanhef en onder b, Sv bepaalt dat het beroep in cassatie binnen veertien dagen na de einduitspraak moet worden ingesteld indien de verdachte op de terechtzitting is verschenen. Die regel kent slechts een uitzondering indien het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd wordt aangehouden, de verdachte aldaar niet is verschenen en de aanzegging voor de nadere zitting niet in persoon is gedaan of betekend. Dan geldt een termijn van veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de uitspraak aan de verdachte bekend is.
5.
Uit het verkorte proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 17 februari 2000 blijkt dat verdachte daar is verschenen en dat hij aldaar, nadat een getuige een verklaring had afgelegd, een verzoek om wraking van de voorzitter heeft ingediend. Op dat verzoek is, zo kan uit het proces-verbaal van de behandeling van het wrakingsverzoek worden opgemaakt, na korte tijd afwijzend beslist, waarna het onderzoek is voortgezet. Daaruit kan niet anders worden afgeleid dan dat het onderzoek niet voor onbepaalde tijd is aangehouden, maar voor korte tijd is geschorst teneinde de beslissing op het wrakingsverzoek af te wachten. Derhalve had verdachte binnen veertien dagen na de uitspraak beroep in cassatie moeten (doen) instellen, nu zich hier niet de in art. 432 lid 3, eerste volzin, Sv bedoelde situatie voordoet.
6.
Het standpunt van verdachte komt erop neer dat in dit geval een andere termijn geldt omdat hem ter terechtzitting niet
zou zijn medegedeeld voor welke tijd het onderzoek werd geschorst, terwijl hij zelf om aanhouding had gevraagd,
vanwege zijn vertrek naar de Raad van State. Afgezien van de omstandigheid dat van dit alles niets blijkt uit het verkorte proces-verbaal van de terechtzitting en dat het erop lijkt dat verdachte, voor zover hij niet op de hoogte was van het verdere verloop, dit aan zichzelf te wijten heeft door spoorslags na zijn wrakingsverzoek uit de zittingszaal te vertrekken, kan de gestelde onwetendheid niet tot een ander oordeel leiden. Als het verdachte toen hij de zittingszaal verliet niet duidelijk was hoe het verdere verloop van zijn zaak zou zijn, lag het immers op zijn weg om daarnaar tijdig te informeren. (H.G.M. Krabbe,
Verzet en hoger beroep in strafzaken, 1983, blz. 89). Ik vermeld in dit verband ook nog HR 20 oktober 1998, nr. 108.153 waarvan ik overweging 4.5. citeer: Ten overvloede wordt opgemerkt dat, indien een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting is gedaan, zoals de raadsman blijkens de schriftuur stelt, het op de weg van de verdachte of zijn raadsman ligt om tijdig, in ieder geval op een termijn die het mogelijk maakt nog binnen de door de wet gestelde termijn desgewenst een rechtsmiddel aan te wenden, te informeren of en hoe het Hof op dit verzoek heeft beslist.
Termijnoverschrijding bij het instellen van het rechtsmiddel tengevolge van het niet tijdig inwinnen van de hiervoor bedoelde informatie is niet verschoonbaar.
7.
Bij deze stand van zaken acht ik verdachte niet ontvankelijk in zijn cassatieberoep en behoeven de middelen geen
bespreking.
8.
Ik concludeer dat verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Mr. Fokkens
Nr. 2853/00
Parket, 8 januari 2002
Aanvullende conclusie inzake
[Verdachte]
1.
Nadat ik op 8 mei 2001 had geconcludeerd dat verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn cassatieberoep, is overeenkomstig het bepaalde in art. 107 RO een aangevulde versie van het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof te 's-Gravenhage van 17 februari 2000 binnengekomen. Deze aangevulde versie is de kenbron van hetgeen ter terechtzitting is geschied (HR 22 mei 2001, NJ 2001, 656 m.nt. JdH rov. 3.2.-3.3.). Tevens is een aanvulling van het verkorte arrest binnengekomen. Op die aanvullingen heeft de verdachte, daartoe door de Hoge Raad in de gelegenheid gesteld, gereageerd.
2.
Het is de vraag of de gang van zaken ter terechtzitting zoals die naar voren komt in het thans voorliggende proces-verbaal van de terechtzitting dusdanig afwijkt van die waar ik van uitging aan de hand van het verkorte proces-verbaal, dat ik tot een andere conclusie moet komen.
3.
In het aangevulde proces-verbaal is de in dit verband van belang zijnde gang van zaken als volgt weergegeven:
De verdachte deelt daarop mede dat de voorzitter zich schuldig maakt aan het sturen van de getuige en dat de getuige meineed pleegt. () Er rest mij niets anders dan de voorzitter te wraken.
De verdachte verlaat daarop om 10.25 uur de zittingszaal onder de mededeling dat hij om 11.30 uur bij de Raad van State moet zijn.
De voorzitter schort hierop het onderzoek ter terechtzitting teneinde een beslissing van de met de behandeling van het verzoek tot wraking belaste strafkamer af te wachten.
De wrakingskamer wijst vervolgens het wrakingsverzoek af. Deze beslissing is afzonderlijk geminuteerd en van de behandeling van het wrakingsverzoek is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.
De voorzitter hervat om 10.50 uur het onderzoek in de stand waarin het zich bevond ten tijde van de schorsing.
De dienstdoende gerechtsbode deelt mede dat de verdachte niet is verschenen.
De voorzitter constateert daarop dat de verdachte kennelijk geen gebruik meer wil maken van zijn recht thans ter terechtzitting aanwezig te zijn.
4.
De enige kenbron van de gang van zaken op de terechtzitting is het proces-verbaal van de terechtzitting. Op grond van dit proces-verbaal moet in cassatie dan ook worden aangenomen dat verdachte de zittingszaal had verlaten alvorens het onderzoek ter terechtzitting werd geschorst. Tevens volgt uit het proces-verbaal van de terechtzitting dat het Hof niet voor onbepaalde tijd of voor bepaalde tijd tot een andere zittingsdag heeft geschorst. Het Hof heeft het onderzoek ter terechtzitting voor korte tijd geschorst om de beslissing van de wrakingskamer af te wachten om vervolgens, als die beslissing bekend was, het onderzoek te hervatten - afhankelijk van die beslissing in al dan niet gewijzigde samenstelling - waarbij een directe voortzetting van het onderzoek ter terechtzitting te verwachten was - zoals ook is geschied - indien het verzoek zou worden afgewezen en in geval van toewijzing van het verzoek zou moeten worden beslist of het onderzoek tot een latere zittingsdag zou worden geschorst.
5.
Het probleem dat hierbij rijst is dat de wetgever kennelijk de mogelijkheid van een schorsing tot een later tijdstip op dezelfde zittingsdag niet onder ogen heeft gezien. De wet maakt een onderscheid in onderbreking van het onderzoek - tot een later tijdstip op dezelfde dag of tot een latere zittingsdag (HR 13 februari 1990, NJ 1990, 436) - en schorsing voor bepaalde of onbepaalde tijd, waarbij het - gelet op de gronden voor schorsing - buiten de wraking altijd gaat om een schorsing van het onderzoek tot een latere zittingsdag1.. In het laatste geval schrijft de wet dan ook voor dat de verdachte hetzij moet worden opgeroepen voor die nadere zitting dan wel dat hem, indien hij aanwezig is en de aanhouding voor bepaalde tijd is, moet worden aangezegd wanneer het onderzoek ter terechtzitting wordt hervat. In geval van onderbreking van het onderzoek moet het tijdstip van hervatting de verdachte die aanwezig is, worden aangezegd. Art. 319 schrijft niet voor dat de niet aanwezige verdachte in geval van een onderbreking van het onderzoek moet worden opgeroepen. Dat is vanzelfsprekend als het onderzoek op dezelfde zittingsdag wordt voortgezet, maar is dat niet voor het geval de hervatting op een latere zittingsdag plaatsvindt.
6.
De enorme toename van het aantal wrakingsverzoeken heeft ertoe geleid dat de meeste gerechten een voorziening hebben getroffen om een dergelijk verzoek onmiddellijk nadat het is gedaan, te kunnen behandelen. Dit om te voorkomen dat ongegronde wrakingsverzoeken tot onnodige vertraging in de behandeling van de hoofdzaak leiden. Bij die stand van zaken brengt redelijke wetsuitleg met zich mee dat schorsing van het onderzoek ook mogelijk is voor de tijd die met de behandeling van en beslissing op het wrakingsverzoek gemoeid is. Als een dergelijke schorsing plaats vindt, zal de rechter, zoals in art. 319, lid 1 Sv is voorgeschreven, de aanwezige verdachte van deze gang van zaken in kennis moeten stellen en hem moeten meedelen dat het onderzoek zal worden hervat nadat op het wrakingsverzoek is beslist. Zoals ik hierboven reeds opmerkte zal bij toewijzing van het wrakingsverzoek het onderzoek vervolgens veelal tot een latere terechtzitting worden geschorst, terwijl bij een afwijzing in het algemeen de behandeling zal worden voortgezet.
7.
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting moet worden opgemaakt dat die aanzegging in deze zaak niet heeft plaatsgevonden omdat de verdachte de zittingszaal had verlaten. Had het Hof gegeven de onmogelijkheid een en ander aan verdachte aan te zeggen het onderzoek moeten schorsen tot een latere zittingsdag met een bevel tot oproeping van de verdachte? Ik meen dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord. Door de zittingszaal te verlaten voordat hem de verdere gang van zaken kon worden medegedeeld, heeft de verdachte het aan zichzelf te wijten dat hij niet op de hoogte was van de omstandigheid dat het wrakingsverzoek onmiddellijk zou worden behandeld en dat het onderzoek aansluitend zou worden hervat. Het kan niet zo zijn dat de rechter door het vertrek van de verdachte wordt gedwongen het onderzoek ter terechtzitting voor een langere tijd te schorsen dan noodzakelijk is, teneinde de verdachte daarvan door oproeping in kennis te kunnen stellen. Van een vormverzuim doordat het bepaalde in art. 319, eerste en/of tweede lid Sv niet is nageleefd, is dan ook geen sprake.
8.
Daarmee is de vraag of het beroep tijdig is ingesteld, beantwoord. Art. 432, lid 1 Sv schrijft voor dat het beroep binnen 14 dagen na de einduitspraak moet worden ingesteld, indien de verdachte ter terechtzitting is verschenen. De in het derde lid van art. 432 genoemde uitzondering op die regel doet zich hier niet voor, aangezien het onderzoek niet voor onbepaalde tijd is aangehouden. Ook kan niet worden gezegd dat de termijnoverschrijding buiten de schuld van de verdachte heeft plaatsgevonden. Als hij zonder de beslissing naar aanleiding van het wrakingsverzoek af te wachten de zittingszaal heeft verlaten, is het aan hem te wijten dat hij van de verdere gang van zaken niet op de hoogte was. Het lag op zijn weg bij het Hof te informeren naar het verdere verloop, nu hij dit niet had afgewacht.2. Het beroep is te laat ingesteld.
9.
Nu de verdachte in zijn schriftuur de inhoud van het proces-verbaal - overigens tevergeefs - bestrijdt, wil ik nog kort ingaan op de vraag of over de ontvankelijkheid van het beroep anders zou moeten worden geoordeeld, indien van verdachtes lezing wordt uitgegaan. Mijns inziens is dat niet het geval. Ook als ervan wordt uitgegaan dat de voorzitter in aanwezigheid van de verdachte heeft medegedeeld dat het onderzoek zou worden geschorst, blijft het zo dat verdachte door de zittingszaal te verlaten voordat het Hof de verdere gang van zaken met betrekking tot die schorsing had kunnen mededelen, het aan zichzelf te wijten heeft dat hij niet op de hoogte was van die gang van zaken. Ook in die omstandigheden is van een verzuim van het Hof geen sprake en lag het op de weg van verdachte te informeren wat er naar aanleiding van zijn wrakingsverzoek was beslist. De uitzondering van art. 432 lid 3 Sv doet zich ook in dat geval niet voor: ook dan is het beroep te laat ingesteld.
10.
Het voorafgaande betekent dat ik mijn eerdere conclusie handhaaf: verdachte is niet-ontvankelijk in zijn beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 23‑04‑2002
Vgl. in dit verband de rechtspraak ten aanzien van afgewezen schriftelijke verzoeken om aanhouding, waarna de zaak is afgedaan en te laat een rechtsmiddel wordt aangewend. HR 23 januari 1979, DD 79.136: in redelijkheid mag van de verdachte c.q. diens raadsman worden gevergd dat zij de nodige informaties inwinnen omtrent hetgeen op de laatste terechtzitting was beslist. Zo ook HR 26 februari 1985, DD 85.302. 11 januari 1994, DD 94.189.
Uitspraak 23‑04‑2002
Inhoudsindicatie
-
Partij(en)
23 april 2002
Strafkamer
nr. 02853/00
SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 2 maart 2000, nummer 22/001855-98, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 26 maart 1998 - de verdachte ter zake van "overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot een geldboete van ƒ 650,--, subsidiair dertien dagen hechtenis.
2. Geding in cassatie
2.1.
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Deze heeft bij schriftuur en aanvullende schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het cassatieberoep.
2.2.
De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de verdachte op de conclusies van de Advocaat-Generaal.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep
3.1.
De bestreden uitspraak is op 2 maart 2000 gedaan. Blijkens de daarvan opgemaakte akte is namens de verdachte op 25 april 2000 beroep in cassatie ingesteld.
3.2.1.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 februari 2000 houdt in dat de behandeling van het onderzoek is aangevangen om 9.40 uur, dat de verdachte ter terechtzitting is verschenen, en voorts onder meer:
"De verdachte deelt daarop mede dat de voorzitter zich schuldig maakt aan het sturen van de getuige en dat de getuige meineed pleegt. (...) Er rest mij niets anders dan de voorzitter te wraken.
De verdachte verlaat daarop om 10.25 uur de zittingszaal onder de mededeling dat hij om 11.30 uur bij de Raad van State moet zijn.
De voorzitter schorst hierop het onderzoek ter terechtzitting teneinde een beslissing van de met de behandeling van het verzoek tot wraking belaste strafkamer af te wachten.
De wrakingskamer wijst vervolgens het wrakingsverzoek af. Deze beslissing is afzonderlijk geminuteerd en van de behandeling van het wrakingsverzoek is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.
De voorzitter hervat om 10.50 uur het onderzoek in de stand waarin het zich bevond ten tijde van de schorsing.
De dienstdoende gerechtsbode deelt mede dat de verdachte niet is verschenen.
De voorzitter constateert daarop dat de verdachte kennelijk geen gebruik meer wil maken van zijn recht thans ter terechtzitting aanwezig te zijn.
(...)
Om 10.55 uur verklaart de voorzitter het onderzoek gesloten (...)."
3.2.2.
Het zich bij de stukken bevindende proces-verbaal van 17 februari 2000 van de behandeling van bovenbedoeld wrakingsverzoek houdt in dat de verdachte niet ter terechtzitting aanwezig is, dat de gerechtsbode mededeelt dat de verdachte is vertrokken, waarna de voorzitter van de meervoudige kamer, belast met de behandeling van het wrakingsverzoek, om 10.40 uur heeft geconcludeerd dat de verdachte kennelijk geen gebruik wenst te maken van de mogelijkheid het verzoek toe te lichten.
3.3.
Art. 513, vijfde lid, Sv bepaalt dat in geval een verzoek tot wraking ter terechtzitting wordt gedaan, de terechtzitting wordt geschorst. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting zoals hiervoor onder 3.2.1 weergegeven blijkt niet dat de voorzitter voor het vertrek van de verdachte heeft medegedeeld wanneer het wrakingsverzoek zou worden behandeld en wanneer het onderzoek ter terechtzitting zou worden hervat.
3.4.
Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen dat de verdachte noch bij de behandeling van het wrakingsverzoek noch toen het onderzoek in de strafzaak werd hervat, ter terechtzitting aanwezig was, komt art. 432, eerste en derde lid, Sv niet voor toepassing in aanmerking.
Dit brengt ingevolge het tweede lid van dat artikel mee, dat voor de ontvankelijkheid van het cassatieberoep bepalend is of de verdachte het beroep heeft ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat het arrest hem bekend was.
3.5.
Nu de aan de Hoge Raad toegezonden stukken niets inhouden waaruit kan volgen dat de verdachte reeds eerder dan toen hij daaromtrent op 19 april 2000 per brief van het CJIB bericht ontving, op de hoogte was van de uitspraak van het Hof, is het cassatieberoep tijdig ingesteld.
4. Beoordeling van het tweede middel
4.1.
Het middel zoals aangevuld in de nadere schriftuur, richt zich tegen het oordeel van het Hof dat de verdachte afstand zou hebben gedaan van zijn aanwezigheidsrecht bij het onderzoek na de behandeling van het wrakingsverzoek en dat het Hof voort kon gaan met de behandeling van de zaak buiten aanwezigheid van de verdachte.
4.2.1.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 november 1999 houdt in dat het onderzoek wordt geschorst tot de terechtzitting van 2 december 1999 te 13.00 uur, nadat de verdachte had medegedeeld op de aanvankelijk voorgenomen datum van 16 december 1999 verhinderd te zijn, alsmede dat de verdachte daarop heeft medegedeeld dat hij in verband met bezigheden elders op 2 december 1999 niet aanwezig kan zijn.
4.2.2.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 2 december 1999 houdt in dat de verdachte aldaar is verschenen, alsmede dat de verdachte, zakelijk weergegeven, heeft medegedeeld dat hij om aanhouding van de zaak verzoekt omdat hij ziek is en koorts heeft, doch dat hij niet in het bezit is van een medische verklaring. Daarop is het onderzoek geschorst tot de terechtzitting van 17 februari 2000 te 9.30 uur.
4.3.
De stukken van het geding houden niets in waaruit kan volgen dat de verdachte tevoren het Hof ervan op de hoogte heeft gesteld dat hij op 17 februari 2000 te 11.30 uur bij de Raad van State aanwezig zou moeten zijn, nog daargelaten of het Hof daaraan enig gevolg zou hebben moeten verbinden, in aanmerking genomen dat noch uit enige wets- of verdragsbepaling, noch uit enig beginsel van een goede procesorde volgt dat een behandeling van een strafzaak ter terechtzitting slechts mag plaatsvinden ten tijde waarop het de verdachte gelegen komt ter terechtzitting aanwezig te zijn, ook indien daarvan het gevolg zou zijn dat daardoor andere met een goede strafvordering verbonden belangen in het gedrang zouden komen.
4.4.
De verdachte heeft voorts, zoals hiervoor onder 3.2.1 weergegeven, nadat hij het wrakingsverzoek had gedaan, de zittingszaal verlaten en daarbij slechts medegedeeld dat hij om 11.30 uur bij de Raad van State moest zijn zonder aan te geven of, en zo ja wanneer hij later op die dag nog in staat was ter terechtzitting te verschijnen. Genoemde mededeling kan niet worden beschouwd als een verzoek om aanhouding van de behandeling van het wrakingsverzoek of (bij afwijzing van het wrakingsverzoek op diezelfde dag) van de strafzaak tot een nader te bepalen terechtzitting. Verder heeft de verdachte de zittingszaal verlaten alvorens het Hof in de gelegenheid was hem omtrent de verdere gang van zaken met betrekking tot de behandeling van zijn wrakingsverzoek en de verdere behandeling van zijn strafzaak in te lichten. Gelet op die handelwijze van de verdachte en in aanmerking genomen dat van een verdachte kan worden gevergd dat hij datgene doet wat redelijkerwijze nodig is om zich op de hoogte te stellen van hetgeen voor de uitoefening van zijn aanwezigheidsrecht van belang is, alsmede hetgeen hiervoor omtrent het procesverloop in hoger beroep in zijn geheel is overwogen, is 's Hof oordeel, daarop neerkomende dat de verdachte kennelijk geen gebruik meer wilde maken van zijn recht om bij de verdere behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn, niet onbegrijpelijk. Voor een verdere toetsing is in cassatie geen plaats.
4.5.
Het middel faalt dus.
5. Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
6. Slotsom
Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
7. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, J.P. Balkema, E.J. Numann en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 23 april 2002.