HR, 31-03-1998, nr. 3803
ECLI:NL:HR:1998:ZD1166
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
31-03-1998
- Zaaknummer
3803
- LJN
ZD1166
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1998:ZD1166, Uitspraak, Hoge Raad, 31‑03‑1998; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1998:20
ECLI:NL:HR:1928:446, Uitspraak, Hoge Raad, 25‑06‑1928; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1928:4
ECLI:NL:PHR:1928:4, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 28‑05‑1928
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1928:446
- Wetingang
- Vindplaatsen
undefined
Uitspraak 31‑03‑1998
Inhoudsindicatie
Op grond van artikel 94a Wvsv beslag gelegd op kampeerwagen. De derde/niet-beslagene stelt eigenaar te zijn van het inbeslaggenomen voorwerp. De rechter dient na te gaan of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel staat dat die derde/niet-beslagene als eigenaar van het voorwerp moet worden aangemerkt.
31 maart 1998
Strafkamer
nr. 3803 Besch.
LD
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Arrondissementsrechtbank te ’s-Hertogenbosch van 22 oktober 1997 op een beklag als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:
[klaagster], Naamloze Vennootschap naar Belgisch Recht, gevestigd te [vestigingsplaats] (België).
1. De bestreden beschikking
De Rechtbank heeft ongegrond verklaard het door [klaagster] ingediende beklag strekkende tot teruggave aan haar van de in bovenvermelde beschikking omschreven kampeerwagen.
2. Het cassatieberoep
Het beroep is ingesteld door [klaagster] N.V.. Middelen van cassatie zijn door of namens deze niet voorgesteld.
3. De conclusie van het Openbaar Ministerie
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch teneinde op het bestaande klaagschrift opnieuw te worden behandeld en afgedaan.
4. Procesverloop
4.1. De Officier van Justitie heeft op 25 oktober 1994 onder [betrokkene 1] beslag gelegd op een kampeerwagen tot bewaring van het recht van verhaal voor een aan [betrokkene 1] op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
4.2. Klaagster heeft op de voet van art. 552a, eerste lid, Sv geklaagd over dit beslag.
4.3. De Rechtbank heeft het klaagschrift ongegrond verklaard en daartoe als volgt overwogen:
Het klaagschrift is tijdig ingediend, immers binnen drie jaren na de inbeslagneming van voornoemde kampeerwagen.
De rechtbank is van oordeel dat, ondanks het betoog van [klaagster] B.V., vooralsnog niet is komen vast te staan dat [betrokkene 1] geen eigenaar is van de kampeerwagen. De rechtbank acht het derhalve niet hoogst onwaarschijnlijk dat verhaal zal worden gehaald op de kampeerwagen, indien de strafrechter, later oordelend, aan [betrokkene 1] de verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. Het belang van strafvordering, te weten de bewaring van het recht tot verhaal voor die op te leggen verplichting, verzet zich voorhands tegen opheffing van het beslag.
De rechtbank zal het klaagschrift derhalve ongegrond verklaren.
5. Beoordeling van de bestreden beschikking
5.1. In het onderhavige geval is op de voet van art. 94a Sv beslag gelegd onder de verdachte. De derde/niet-beslagene die zich daartegen keert, is in zijn beklag ontvankelijk, indien hij stelt eigenaar te zijn van het inbeslaggenomen voorwerp. De rechter die over dit beklag heeft te oordelen, dient dan na te gaan of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel staat dat die derde/niet-beslagene als eigenaar van het voorwerp moet worden aangemerkt.
5.2. Een dergelijke toetsing door de rechter strekt er toe om te voorkomen dat een onaanvaardbare inbreuk wordt gemaakt op de uitoefening van het eigendomsrecht van een derde op een inbeslaggenomen voorwerp. Opmerking verdient dat er in zoverre een verschil bestaat tussen het verhaalsbeslag en het beslag op grond van art. 94 Sv. Ingevolge die bepaling inbeslaggenomen voorwerpen kunnen, ook indien deze aan een derde toebehoren, onder omstandigheden aan het beslag onderworpen blijven, bijvoorbeeld indien het gelet op het bepaalde in art. 33a, tweede lid, aanhef en onder a Sr in verbinding met het eerste lid van dat artikel niet hoogstonwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van die voorwerpen zal bevelen.
5.3. Het vorenoverwogene brengt in een geval als het onderhavige mee dat indien buiten twijfel is dat de derde als eigenaar van het inbeslaggenomene moet worden aangemerkt, de rechter teruggave van het voorwerp aan deze zal moeten gelasten, ook indien overigens aan alle voorwaarden voor beslaglegging op de voet van art. 94a Sv is voldaan.
5.4. In de onder 4.3 weergegeven overwegingen ligt besloten dat klaagster heeft gesteld eigenaar te zijn. De Rechtbank heeft haar derhalve terecht als belanghebbende aangemerkt.
5.5. Voorts ligt in die overwegingen besloten dat zich niet het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel staat dat de klaagster als eigenaar van het voorwerp moet worden aangemerkt. Aldus overwegende heeft de Rechtbank derhalve geen blijk gegeven van miskenning van de hier aan te leggen maatstaf en heeft zij haar beslissing toereikend gemotiveerd.
6. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden beschikking ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
7. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president Hermans als voorzitter, en de raadsheren Bleichrodt, Corstens, Aaftink en Orie, in bijzijn van de griffier Bogaert in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 maart 1998.
Uitspraak 25‑06‑1928
Inhoudsindicatie
-
No. 3803.
De Hooge Raad der Nederlanden,
Gezien het beroepschrift in cassatie van de Naamlooze Vennootschap " [X] ", gevestigd te [Z], tegen de uitspraak van den Raad van Beroep voor de directe belastingen I te [Z] de dato 28 Januari 1928, betreffende haar aanslag in de Dividend & Tantièmebelasting over haar boekjaar 1925;
Gezien de stukken;
Gelet op de schriftelijke conclusie van den Advocaat - Generaal Besier, namens den Procureur - Generaal, strekkende tot verwerping van het beroep;
Overwegende dat aan belanghebbende over genoemd boekjaar een aanslag in de Dividend en Tantièmebelasting is opgelegd onder meer naar een uitkeering aan aandeelhouders van f 48000 .-;
Overwegende dat belanghebbende die uitkeering, als niet uit de winst geschied niet belastbaar acht, waartoe zij heeft aangevoerd dat zij heeft uitgegeven f 1.600.000 .- volgestorte aandeelen, terwijl zij bij een aandeelenuitgifte in 1920 f 2.200.000 .- aan agio heeft ontvangen, zoodat voor de toepassing der Dividend & Tantièmebelasting haar kapitaal f3.800.000 bedraagt, waartegenover haar zuiver vermogen op 31 December 1925 slechts f 2.095.285.84 bedroeg, en derhalve over het jaar 1925 eenige winstuitdeeling niet heeft kunnen geschieden;
Overwegende dat de Inspecteur hiertegen heeft opgemerkt dat op de balans per 31 December 1925 uit het reservefonds, waarin de evengenoemde agio was opgenomen, een bedrag van f 2.200.354.10 voor afschrijving op schepen is gebezigd, dat daardoor de indertijd ontvangen agio een bestemming heeft gekregen en dus niet meer in de Naamlooze Vennootschap als kapitaal aanwezig is, zoodat het kapitaal op genoemden datum op slechts f 1.600.000 .- te stellen was;
Overwegende dat de Hooge Raad bij arrest van 14 December 1927 de uitspraak, welke de Raad van Beroep den 21en Juni 1927 in deze zaak had gegeven, heeft vernietigd en de zaak naar den Raad heeft teruggewezen om alsnog de juistheid van deze bewering van den Inspecteur te onderzoeken;
Overwegende dat de Raad bij dat onderzoek heeft bevonden dat inderdaad de indertijd verkregen agio op de balans per 31 December 1925 eene bestemming heeft gekregen door daaruit de waardevermindering der schepen af te schrijven en dat dientengevolge het kapitaal op dien datum slechts fl.600.000 .- bedroeg, op welke gronden de Raad den aanslag heeft gehandhaafd;
Overwegende dat tegen deze beslissing als middelen van cassatie zijn aangevoerd:
1o. Schending, althans verkeerde toepassing van artikel 16 der Wet van 19 December 1914 ( Staatsblad No. 564) in verband met de artikelen 2,5 en 6 der Wet op de Dividend- en Tantièmebelasting 1917, dóordien de Raad van Beroep bij zijn beslissing van de vraag of door ondergetekende over haar boekjaar 1925 een uitdeeling uit winst is gedaan, geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid, dat tot de overboeking, waarbij de rekening " Stoomschepen " gecrediteerd werd voor een bedrag van f 2.200.354,10 tegenover de rekening " Reservefonds ", blijkens de vierde overweging van het arrest de dato 14 December 1927 en blijkens pagina 4 van het jaarverslag eerst werd besloten in de vergadering van aandeelhouders de dato 7 Mei 1926, zoodat dit besluit, waar de Inspecteur zich op beroept, posterieur is aan het boekjaar 1925. Mocht deze overboeking dus al tot gevolg hebben, dat hierdoor het gestort en nog niet terugbetaald kapitaal als vergelijkingscijfer vermindert, met deze vermindering mag voor het boekjaar 1925 nog geen rekening gehouden worden;
2o. Schending, althans verkeerde toepassing van de artikelen 2, 5 en 6 der Wet op de Dividend- en Tantièmebelasting 1917, doordat de Raad van Beroep de door Uw Raad in het arrest de dato 14 December 1927 gegeven opdracht, om nader te onderzoeken en te beslissen " over des Inspecteurs betoog, dat het indertijd verkregen agio door daaruit de waardevermindering der schepen af te schrijven, een bestemming heeft verkregen en uit het kapitaal verdwenen is, zoodat het kapitaal weder met het als agio verkregen bedrag verminderd is " àl te letterlijk heeft opgevat, door zijn beslissing te baseeren op het resultaat van het onderzoek of de overboeking van Reserverekening naar de rekening " Stoomschepen " inderdaad heeft plaats gehad, terwijl het toch de bedoeling van den Hoogen Raad geweest is, om te onderzoeken of aan de overboeking de beteekenis zou moeten toegekend worden als door den Inspecteur gewenscht, waar het doel van het onderzoek toch is na te gaan of er winst is of verlies;
Overwegende betreffende het eerste middel:
dat dit middel het ten onrechte doet voorkomen alsof de daarin genoemde datum van het besluit tot afschrijving zou vaststaan, maar dat, al ware dit anders, zulks belanghebbende toch niet zou kunnen baten; dat toch, waar, blijkens 's Raads feitelijke beslissing, op de balans per 31 December 1925 de bestemming van de agio voor afschrijving tot uitdrukking is gekomen, het er niet toe doet, wanneer het besluit tot vaststelling van de balans is genomen;
dat immers zoodanig besluit krachtens zijn aard tot den balansdatum terugwerkt en terugwerken moet;
Overwegende dat het tweede middel feitelijken grondslag mist, daar de Raad van Beroep het arrest van den Hoogen Raad volkomen juist heeft opgevat;
dat toch de Raad slechts te onderzoeken had of inderdaad, gelijk de Inspecteur had gesteld, de agio, doordat deze tot afschrijving was gebezigd, een bepaalde bestemming had gekregen, omdat, indien dit zoo was, de agio daardoor als zoodanig uit het kapitaal zou zijn verdwenen en dit tot f 1.600.000 .- zou zijn teruggebracht, waaruit dan tevens in verband met het bedrag van het zuiver vermogen der Naamlooze Vennootschap de aanwezigheid van voldoende winst tot het doen der uitkeering van f 48.000 .- zou volgen;
dat de Raad dit ook heeft onderzocht en - gelijk hij doen mocht - op grond van belanghebbende's eigen boekingen heeft beslist dat de feitelijke voorstelling door den Inspecteur van het gebeurde gegeven juist was;
Verwerpt het beroep.
Gedaan bij de Heeren Fentener van Vlissingen, President, Visser, van den Dries, Kirberger en Polak, Raden, in bijzijn van den Substituut-Griffier Somer, en door, den President voornoemd uitgesproken ter Raadkamer van den vijf en twintigsten Juni 1900 Acht en Twintig.
Conclusie 28‑05‑1928
Inhoudsindicatie
-
W°. 3803
[X]
tegen
z.E. den Minister van Financiën
Concludeert de Procureur-Generaal als volgt:
Belanghebbende is over 1925 aangeslagen in de dividend- en tantièmebelasting o.a. voor een uitdeeling aan aandeelhouders groot f 48.000 .- Zij betwistte dezen aanslag in zooverre en wel op dezen grond, dat van haar reservefonds, dat vroeger was gevormd uit het agio ad f 2.200.000 .- bij een uitgifte van aandeelen ontvangen, over 1925 een bedrag van f 2.200.354.10 is afgeschreven op haar stoomschepen om de boekwaarde daarvan met de werkelijke waarde in overeenstemming te brengen. Onder deze omstandigheden was er naar haar oordeel geen sprake van belastbare winst over 1925.
Bij een eerste uitspraak, door den Raad van Beroep in deze zaak gegeven, is de aanslag gehandhaafd, doch zij is bij arrest van den Hoogen Raad van 14 December 1927 met verwijzing naar den Raad van Beroep vernietigd. De Hooge Raad overwoog hierbij:
"dat als winst te beschouwen is datgene, waarmede het vermogen der onderneming het werkelijk in het bedrijf gestoken kapitaal overtreft, waaruit volgt, dat voor de beantwoording der vraag, of een uitdeeling al of niet uit de winst geschied is, niet beslissend is de uitkomst van het geen, waarover de uitkeering geschiedt, maar moet worden rekening gehouden met den geheelen finantieelen toestand van de onderneming".
en verder: "dat bij het beantwoorden der vraag, of het vermogen eener onderneming haar kapitaal overtreft, moet worden rekening gehouden met het kapitaal, zooals dit zich na het ondergaan eener vermindering vertoont."
Daarom was de Hooge Raad van oordeel, dat de Raad van Beroep alsnog een beslissing zou moeten nemen over des Inspecteurs betoog, dat het indertijd verkregen agio, door daaruit de waardevermindering der schepen af te schrijven, een bestemming heeft verkregen en uit het kapitaal is verdwenen, zoodat het kapitaal weder met het als agio verkregen bedrag is verminderd.
Bij het tweede, thans bestreden arrest heeft daarop de Raad van Beroep den aanslag andermaal gehandhaafd, thans onder meer overwegende:
"dat den Raad bij het onderzoek gebleken is, dat, zooals de Inspecteur betoogd heeft, het indertijd verkregen agio een bestemming verkregen heeft door daaruit de waardevermindering der schepen af te schrijven en dat het kapitaal weder met het als agio verkregen bedrag verminderd is; "dat het kapitaal per 31 dece. 1925 dientengevolge f 16.000.000 (res f 1.600.000,-) bedroeg, terwijl het vermogen op dien datum op f 2.095.285,84 te stellen was;
"dat aan aandeelhouders f 48.000 is uitgekeerd, waarop ingevolge art. 3 der wet f 1800- in mindering moet komen, terwijl aan tantième of salarissen een belastbaar bedrag van f 3997,18 uitgekeerd is; "dat uit een en ander moet volgen, dat de aanslag, die dienovereenkomstig berekend is, te recht opgelegd is".
Tegen deze uitspraak voert thans de belanghebbende twee middelen van cassatie aan. Het eerste luidt:
"Schending, althans verkeerde toepassing van art. 16 der Wet van 19 Dec. 1914 (Stbl. Nr. 564) in verband met de artikelen 2, 5 en 6 der Wet op de Dividend- en Tantièmebelasting 1917, doordien de Raad van Beroep bij zijn beslissing van de vraag of door ondergetekende over haar boekjaar 1925 een uitdeeling uit winst is gedaan, geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid, dat tot de overboeking, waarbij de rekening "Stoomschepen" gecrediteerd werd voor een bedrag van f. 2.200.354,10 tegenover de rekening "Reservefonds", blijkens de vierde overweging van Uw arrest dd. 14 Dec. 1927 en blijkens pagina 4 van het jaarverslag eerst werd besloten in de vergadering van aandeelhouders dd. 7 Mei 1926, zoodat dit besluit, waar de Inspecteur zich op beroept posterieur is aan het boekjaar 1925. Mocht deze overboeking dus al tot gevolg hebben, dat hierdoor het gestort en nog niet terugbetaald kapitaal als vergelijkingscijfer vermindert, met deze vermindering mag voor het boekjaar 1925, naar ondergeteekende meent, nog geen rekening gehouden worden."
Wat het in dit middel bedoelde jaarverslag inhoudt staat niet feitelijk vast en noch in de vierde overweging, noch elders in 's Hoogen Raads arrest staat te lezen, dat tot de in het middel bedoelde overboeking eerst in de aandeelhoudersvergadering van 7 mei 1926 is besloten. Het middel mist dus feitelijken grondslag.
In bedoelde vierde overweging is wel vastgelegd, dat de Raad van Beroep reeds in zijn vorige uitspraak had overwogen, dat het verlies wegens waardevermindering der schepen over 1925 door afschrijving tot uitdrukking is gebracht en ook door die uitspraak zelve staat en stond dit vast. Bij mijne vorige conclusie in deze zaak meende ik hieruit te mogen afleiden, dat de uitdeeling was geschied uit het agio, dat op de rekening "Stoomschepen" was overgeboekt, dus uit kapitaal. Doch inmiddels is in de zaak der Nederlandsche Handelmaatschappij op 16 mei ll. door den Hoogen Raad een arrest gewezen, blijkens hetwelk de Hooge Raad van oordeel is, dat voor de vraag, of in zeker jaar winst is behaald, met het agio geen rekening meer behoort te worden gehouden, zoodra dit een bestemming heeft gekregen en uit het kapitaal is verdwenen, ook al is dit juist in het betrokken boekjaar geschied. Ik kom hierop dus niet meer terug.
Als tweede middel van cassatie is aangevoerd:
"Schending, althans verkeerde toepassing van art. 2, 5 en 6 der wet op de Dividend- en Tantièmebelasting 1917, doordat de Raad van Beroep de door Uw Raad in Uw arrest dd. 14 Dec. 1927 gegeven opdracht, om nader te onderzoeken en te beslissen over des Inspecteurs betoog, dat het indertijd verkregen agio door daaruit de waardevermindering der schepen af te schrijven, een bestemming heeft verkregen en uit het kapitaal verdwenen is, zoodat het kapitaal weder met het als agio verkregen bedrag verminderd is" naar ondergetekende voorkomt àl te letterlijk heeft opgevat, door zijn beslissing te baseeren op het resultaat van het onderzoek of de overboeking van Reserverekening naar de rekening "Stoomschepen" inderdaad heeft plaats gehad, terwijl het toch naar wij vertrouwen de bedoeling van Uw Raad geweest is, om te onderzoeken of aan de overboeking de beteekenis zou moeten toegekend worden als door den Inspecteur gewenscht, waar het doel van het onderzoek toch is na te gaan of er winst is of verlies".
Het komt mij voor, dat de Raad van Beroep het arrest zeer juist aldus heeft opgevat, dat, indien bleek - wat thans het geval is geweest - dat het kapitaal over de afschrijving ten laste der agio-reserve zóó was verminderd, dat het vermogen der belanghebbende op 31 december 1925 het verminderde kapitaal overtrof, de uitdeeling belastbaar zou zijn als zijnde voortgekomen uit de winst. Het middel is derhalve ongegrond.
Ik concludeer tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij den Hoogen Raad der Nederlanden
Parket, 18 Mei 1928.