Het begrip onrechtmatige daad had in de tijd dat het Wetboek tot stand werd gebracht, dus vóór 1919, nog een beperkte betekenis.
HR, 02-02-1993, nr. 2902
ECLI:NL:HR:1993:ZC9218
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
02-02-1993
- Zaaknummer
2902
- LJN
ZC9218
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1993:ZC9218, Uitspraak, Hoge Raad, 02‑02‑1993; (Cassatie)
- Wetingang
- Vindplaatsen
NJ 1993, 552 met annotatie van Th.W. van Veen
Uitspraak 02‑02‑1993
2 februari 1993
Strafkamer
CW 1932
nr. 2902 Besch.
JM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie "in het belang der wet" van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden tegen een beschikking van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 12 mei 1992, gegeven op een verzoek als bedoeld in art. 89 Sv van:
[betrokkene] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1952, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden beschikking
Het Hof heeft [betrokkene] niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek.
2. Het cassatieberoep
Het beroep is ingesteld door de Procureur-Generaal bij de volgende voordracht en vordering tot cassatie in het belang der wet, welke het volgende middel van cassatie inhoudt:
1. In het belang der wet heb ik de eer mij te voorzien tegen de beschikking van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, kamer voor strafzaken, van 12 mei 1992, nummer BA 91178, gegeven in hoger beroep ingesteld door
[betrokkene]
tegen de beschikking van de Rechtbank te 's-Hertogenbosch op 9 oktober 1991 gegeven op het verzoek om toekenning van een schadevergoeding, gegrond op artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering. Ingevolge artikel 445 Sv staat tegen de beschikking van het Gerechtshof gaan beroep in cassatie open. Het procesdossier leg ik hierbij over.
2. Door dit beroep in cassatie wil ik de vraag voorleggen of de regeling van de artikelen 89 e.v. Sv kan worden toegepast, en het verzoek in zoverre ontvankelijk kan zijn, indien de verzoeker zich op het standpunt stelt dat de door hem ondergane hechtenis onrechtmatig was. Het Hof formuleert in r.o. 1.3 de vraag aldus:
"Ook blijkens de zijdens [betrokkene] ter zitting van het hof ter behandeling van dit verzoek gegeven toelichting stelt hij zich op het standpunt dat de door hem ondergane hechtenis onrechtmatig was. Daarom zal het hof eerst onder ogen zien of schadevergoeding wegens zulk een hechtenis op grond van artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering kan worden gevorderd. "
3. Het Hof beantwoordt die vraag ontkennend en verklaarde de appellant bijgevolg niet-ontvankelijk in zijn verzoek. Het Hot motiveert zijn beslissing met een beroep op de wetsgeschiedenis, de inrichting van de regeling van artikel 89 e.v. Sv en het arrest van de civiele kamer van Uw Raad van 7 april 1989 NJ 1989, 532. Tenslotte kent het Hof betekenis toe aan de omstandigheid dat in het onderhavige geval de zaak door sepot is geëindigd.
4. Over de wetsgeschiedenis van de regeling van artikel 89 Sv overweegt het Hof eerst dat de Memorie van Toelichting bij het ontwerp voor het wetboek van 1921 (Stb. 14) het onderscheid tussen rechtmatige en onrechtmatige toepassing van de voorlopige hechtenis kende1.. Naar ik aanneem doelt het Hof op de volgende opmerking onderaan op p. 73: "In het voorbijgaan moge in dit verband er nog even op worden gewezen, dat de eens rechtmatig bevolen voorloopige hechtenis rechtmatig blijft, ook indien het doel der strafvervolging niet wordt bereikt, zoodat van eene algemeene verplichting tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad ten deze moeilijk sprake zou kunnen zijn." Dat de wetgever toen (in 1913/14) aan het onderscheid het gevolg verbond dat de regeling van artikel 89 Sv alleen toepassing zou kunnen vinden in geval van rechtmatige vrijheidsbeneming, valt, meen ik, niet uit deze passage af te leiden. Evenmin blijkt dat uit de toentertijd vastgestelde wetsteksten van de artikelen 89 e.v. Sv. In het bijzonder valt te wijzen op de eerste zin van artikel 90 "De toekenning eener tegemoetkoming heeft steeds plaats, indien en voorzover daartoe, naar het oordeel van de rechter, gronden van billijkheid aanwezig zijn." Daarmee in overeenstemming staat te lezen op p. 75 van de Memorie van Toelichting als criterium voor toepassing: "Verzet het rechtsgevoel zich niet, dan zal derhalve het enkele feit van ondergane voorloopige hechtenis en geleden schade voldoende grond voor vergoeding zijn". Tenslotte zij opgemerkt dat Blok en Besier in hun commentaar niet wijzen op het onderscheid tussen rechtmatige en onrechtmatige vrijheidsbeneming.
5. Het Hof vervolgt met verwijzingen naar de parlementaire geschiedenis van de wijzigingswet van 26 juni 1975, Stb. 341, Daaruit blijkt dat over de kwestie uitvoerig is gediscussieerd, in het bijzonder ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in de beide Kamers der Staten-Generaal. En inderdaad
staat in de Memorie van Antwoord aan de Eerste Kamer het door het Hof geciteerde zinsgedeelte. De hele zin en de daarop volgende zinnen luiden:
"In het begin van de memorie van toelichting van dit wetsontwerp is betoogd, dat de onderhavige regeling in de praktijk in hoofdzaak zal dienen om de schade te vergoeden die het gevolg is van een eerst achteraf onjuist gebleken toepassing van de voorlopige detentie, dat is dus het geval ter zake van een rechtmatige overheidsdaad. Het geval dat. die detentie onrechtmatig is zal zelden of nooit voorkomen, maar het zou onjuist zijn dit geval uit te sluiten van de werking van de artikelen 89 e.v. Sv. Het moet voor de gewezen verdachte mogelijk blijven ook indien de detentie van meet af aan ongerechtvaardigd en dus onrechtmatig was, een beroep te doen op de mogelijkheid van een schadevergoeding ingevolge de regeling van het Wetboek van Strafvordering. Het benutten van deze mogelijkheid zal voor de betrokkene eenvoudiger en minder kostbaar zijn dan de weg naar de burgerlijke rechter. Ik acht het dan ook geenszins een bezwaar dat die regeling voor beide soorten gevallen kan dienen en ben van oordeel dat daarvan geen verwarring is te duchten. Meer kans op verwarring bij de justitiabelen zou juist ontstaan, indien in de onderhavige regeling zou worden gedifferentieerd tussen de beide gevallen, Dan zou immers een misverstand omtrent de vraag of de detentie nu rechtmatig of onrechtmatig was voor de betrokkene betekenen dat hij van de andere regeling gebruik had moeten maken. In de bestaande en in het ontwerp gehandhaafde regeling is een dergelijke gang van zaken uitgesloten."
6. Naar het mij voorkomt kan aan deze passage geen andere conclusie worden verbonden dan dat de artikelen 89 e.v. Sv ook van toepassing kunnen zijn in geval van onrechtmatige detentie. Vgl. verder Th. W. van Veen, Wetsontwerp Schadevergoeding voor ondergane voorlopige hechtenis (art. 89 Sv e.v. ). DD 6 (1976), p. 71 e.v.
7. Het Hof ontleent voorts een argument voor mijn oordeel aan de inrichting van de regeling van artikel 89 a.v. Svt "Al deze voorschriften, zo overweegt het Hof, wijzen op het weinig contentieuze karakter van de regeling. Deze wordt door eenvoud en snelheid gekenmerkt. Ook het ontbreken van voorschriften omtrent hoor en wederhoor, het in het geding brengen van stukken en inzake maatstaven ter bepaling van de aanspraken van eigen schuld zijn evenzovele aanwijzingen voor de aard van het vorderingsrecht."
8. Met wat het Hof over de inrichting van de regeling overweegt kan ik mij verenigen. Inderdaad is die regeling, omdat zij gericht is op schadevergoeding op gronden van billijkheid en zich kenmerkt door eenvoud en snelheid, niet geëigend om de aanspraken die gebaseerd zijn op onrechtmatige daad, vast te stellen. De tekst van de artikelen 89 a.v. Sv biedt daarvoor ook geen aanknoping.
9. Dit neemt evenwel niet weg dat het verzoek tot schadevergoeding van de gewezen verdachte, hoewel hij stelt dat de aan dat verzoek ten grondslag gelegde vrijheidsbeneming onrechtmatig was, zou kunnen uitmonden in een toewijsbaar verzoek tot toekenning van vergoeding op gronden van billijkheid, zoals voorzien in de regeling van de artikelen 89 e.v. Sv. Daartoe moge ik onder meer verwijzen naar de conclusie van mevrouw mr Biegman- Hartogh onder 4.4 vóór het hierna te bespreken arrest van de civiele kamer van 7 april 1989. In dit verband is voor toewijzing ook niet de inzet, of de vrijheidsbeneming onrechtmatig te achten is, zelfs niet indien dit in het verzoek wordt gesteld. Voldoende is voor de strafrechter dat voor toekenning van de vergoeding gronden van billijkheid bestaan. De beslissing omtrent de onrechtmatigheid en de toekenning van de daaraan verbonden schadevergoeding. blijven voorbehouden aan de civiele rechter op een vordering uit onrechtmatige daad.
10. In deze benadering wordt ook voorkomen de uit een oogpunt van goede rechtsbedeling weinig aantrekkelijke situatie dat betrokkene, die schadevergoeding verlangt op de grond dat de ondergane voorlopige hechtenis onrechtmatig was, te dier zake door de strafrechter reeds op deze enkele grond of op de grond dat deze zelf de detentie (voorhands) als onrechtmatig kwalificeert, naar een voor de civiele rechter in te stellen vordering wordt verwezen, terwijl de civiele rechter - aan wie het is hierover te beslissen - nog moet vaststellen of er sprake is van de gestelde onrechtmatigheid. De minister wees er al op in de hiervoor geciteerde passage. Zie voor dit aspect ook T. Prakken, Schadevergoeding na voorlopige hechtenis, NJB 16 december 1989, p. 1575 e.v. alsmede het onder 13 hieronder te bespreken arrest van Uw Raad.
11. Bovendien kan een ongewenste situatie ontstaan als de civiele rechter de detentie niet onrechtmatig acht. De termijn voor het indienen van een verzoekschrift ex artikel 89 Sv zal dan immers al verstreken zijn, terwijl toch ook in dat geval er gronden van billijkheid kunnen zijn voor het toekennen van de bedoelde vergoeding.
12. Aan het slot van de beschikking overweegt het Hof dat het verschil in de regelingen van beide vorderingsrechten te meer betekenis heeft in een geval als het onderhavige waarin door een sepot de strafrechter in het geheel niet aan een onderzoek van de zaak is toegekomen. In het licht van het vorenstaande meen ik dat dit aspect, wat daarvan ook moge zijn, niet leidt tot een ander oordeel. De regeling van de artikelen 89 e. v. Sv is overigens sedert 1926 ook van toepassing indien de strafrechter in het geheel niet aan een onderzoek van de zaak is toegekomen, zie Blok en Besier, eerste deel p. 287.
13. In de derde plaats ontleent het Hof een argument aan de tussenzin die begint met "daargelaten" van de volgende overweging onder 3.2 uit het arrest van de civiele kamer van Uw Raad van 7 april 1989 NJ 1989, 5321
"Zowel uit de tekst van de art. 89 en 90 Sv ... als uit de geschiedenis van hun totstandkoming ... blijkt dat ... niet meer is beoogd dan de rechter de mogelijkheid te geven naar billijkheid een vergoeding toe te kennen ter zake van rechtmatige, doch achteraf niettemin onjuist gebleken vrijheidsbeneming. Zoals bij die totstandkoming ook tot uitdrukking is gebracht, staan deze bepalingen daarom, daargelaten in hoeverre zij toepassing kunnen vinden in geval van onrechtmatige vrijheidsbeneming, in elk geval niet eraan in de weg dat wie meent daarvan het slachtoffer te zijn, ter zake op de voet van art. 1401 BW een voorziening vordert bij de burgerlijke rechter. Daarbij kan hij, in overeenstemming met het bepaalde in art. 5 1id 5 EVRM, voor zover hij ten gevolge van de onrechtmatige vrijheidsbeneming schade heeft geleden, aanspraak maken op volledige vergoeding daarvan."
14. Naar het mij voorkomt valt uit deze passage niet af te leiden dat bij onrechtmatige detentie de procedure van de artikelen 89 e.v. Sv niet kan worden gevolgd. Het arrest brengt, als ik het wel heb, tot uitdrukking dat
in het voorliggende geval van een rechtmatige doch achteraf onjuist gebleken vrijheidsbeneming de weg van artikel 89 Sv gevolgd kan worden doch dat die regeling de weg van de (civiele) onrechtmatige daadsactie niet uitsluit, voor zover de vrijheidsbeneming tevens onrechtmatige aspecten in zich draagt. In het bedoelde tussenzinnetje nu behoudt Uw Raad zich uitdrukkelijk zijn oordeel voor over de vraag in hoeverre de regeling in de artikelen 89 e.v. Sv toepassing kan vinden in geval van onrechtmatige vrijheidsbeneming. Een suggestie in de ene of de andere richting ligt daarin niet besloten. De vraag naar de toepasselijkheid op zichzelf wordt bovendien in dit voorbehoud niet genoemd. Kennelijk heeft Uw Raad zich gerealiseerd dat de regeling in de artikelen 89 e.v. Sv haar beperkingen voor de toepassing daarvan kent. Zo zal de zaak geëindigd dienen te zijn "zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten". Bij een partiële vrijspraak zal de regeling geen toepassing kunnen vinden. Vgl. HIR 14 november 1989 NJ 1990, 274 (ThWvV). Zie voor andere voorbeelden J. P.M. Borsboom, Schadevergoeding voor voorlopige hechtenis, Kluwers Post Scriptum Reeks 1983, p. 84 e.v .. Bovendien zal degene die zich beroept op onrechtmatige detentie aanspraak kunnen maken op volledige vergoeding van de schade, doch in het kader van artikel 89 e.v. Sv niet meer toegewezen krijgen dan een "toekenning van een schadevergoeding ... voor zover daartoe ... gronden naar billijkheid aanwezig zijn". Vgl. J.H.F.J. Cremers, Schadevergoeding na voorlopige 'hechtenis, NJB 1989 p. 705 e.v. Overigens heeft in deze zaak de rechtbank het verzoek betreffende één der schadeposten, namelijk het bedrag dat door de gemeente is verhaald wegens ten onrechte verleende bijstand, niet ontvankelijk verklaard.
15. Als middel van cassatie moge ik voordragen:
Schending van het recht, in het bijzonder van de artikelen 89 e.v. Sv, omdat het Gerechtshof appellant die zich op het standpunt heeft gesteld dat de door hem ondergane voorlopige hechtenis onrechtmatig was, enkel op die grond niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn verzoek, zulks ten onrechte omdat de regeling van de artikelen 89 e.v. Sv ook toepassing kan vinden in geval van onrechtmatige vrijheidsbeneming bij de toepassing van de voorlopige hechtenis. De enkele omstandigheid dat de verzoeker zich op het standpunt heeft gesteld dat de door hem ondergane voorlopige hechtenis jegens hem onrechtmatig was, sluit niet uit dat hem op grond van die regeling een schadevergoeding kan worden toegekend, indien overigens aan de voorwaarden van de artikelen 89 e.v. Sv is voldaan.
16. Op grond van vorenstaande moge ik vorderen dat: Uw Raad
1. de bestreden beschikking in het belang der wet zal vernietigen;
2. op de voet van artikel 456 1id 3 Sv het rechtspunt zal beslissen, en het hier eerder besproken verzoek alsnog - en in zoverre - ontvankelijk zal oordelen;
3. zal verstaan dat - in de terminologie van artikel 98 van de Wet op de rechterlijke organisatie: - het door Uw Hand te wijzen arrest geen nadeel zal toebrengen aan de rechten door partijen verkregen.
3. Motivering van de bestreden beschikking
Het Hof heeft de bestreden beschikking als volgt gemotiveerd:
1.3. Ook blijkens de zijdens [betrokkene] ter zitting van het hof ter behandeling van dit verzoek gegeven toelichting stelt hij zich op het standpunt dat de door hem ondergane hechtenis onrechtmatig was. Daarom zal het hof eerst onder ogen zien of schade wegens zulk een hechtenis op grond van artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering kan worden gevorderd,
1. Reeds de Memorie van Toelichting (p. 72 e.v. ) bij het ontwerp dat leidde tot opname van de artikelen 89 e.v. in het Wetboek van Strafvordering in de wet van 15 januari 1921, 8. 14 (ontwerp 1913/14) kende het onderscheid tussen rechtmatige en onrechtmatige toepassing van de voorlopige hechtenis. De minister heeft bij de herziening van de onderhavige materie in het ontwerp dat leidde tot de wet van 26 Juni 1975, 6.341 in de Memorie van Toelichting (IIe Kamer zitting 1972 - 12132, nr. 3 p. 3) uitgesproken: "De grondslag van de vergoeding kan dus niet liggen in de onrechtmatigheid, maar houdt verband met de omstandigheid dat de voorlopige detentie achteraf d.w.z. op het tijdstip van de uitspraak van de rechter, op grond van inmiddels aan het licht gekomen gegevens onjuist blijkt te zijn geweest." De minister heeft dit standpunt herhaald in de Memorie van Antwoord (IIe Kamer 1973-1974, nr. 6, p.1) en in de Memorie van Antwoord aan de Eerste Kamer (Ie Kamer 1974-1975, nr. 91b. p.1 .; "schade die het gevolg is van een eerst achteraf onjuist gebleken toepassing van de voorlopige detentie, dat is dus de vergoeding ter zake van een rechtmatige overheidsdaad."
1.5. Deze strekking van de regeling in de artikelen 89 e.v. van het Wetboek van Strafvordering om de mogelijkheid tot vergoeding open te stellen in geval van rechtmatige detentie blijkt niet alleen uit de wetshistorie maar ook uit de inrichting van de regeling. Een voorschrift als gegeven in artikel 89, lid 4 van het Wetboek van Strafvordering, dat de raadkamer zoveel mogelijk is samengesteld uit leden die over de zaak hebben gezeten; ook het voorschrift inzake de beperking van hoger beroep (artikel 91, lid 1 en 3 van het Wetboek van Strafvordering); of het voorschrift om een afwijzende beschikking niet in het openbaar uit te spreken (artikel 90, lid 3 van het Wetboek van Strafvordering). Al deze voorschriften wijzen op het weinig contentieuze karakter van de regeling. Deze wordt door eenvoud en snelheid gekenmerkt. Ook het ontbreken van voorschriften omtrent hoor en wederhoor, het in het geding brengen van stukken en inzake maatstaven ter bepaling van de aanspraken en eigen schuld zijn evenzovele aanwijzingen voor de aard van het vorderingsrecht.
1.6. In het geval van een van het begin af aan onrechtmatige detentie geeft artikel 5, lid 5 EVRM een verdragsrechtelijke grondslag voor een civielrechtelijke schadevergoedingsregeling. Artikel 6:162 BW geeft daaraan een uitwerking.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 7 april 1989, NJ 89, nr. .522 dat handelde over een vordering uit artikel 1401 8W (oud) wegens onrechtmatige detentie ten aanzien van samenloop met een vordering uit artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering opgemerkt dat artikel 1401 8W (oud) een volledige vergoeding verschaft en inzoverre in overeenstemming ls met artikel 5 EVRM. Ten aanzien van het gebruik van artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering in dat geval merkt de Hoge Raad ten overvloede op: "daargelaten in hoeverre zij toepassing kunnen vinden in geval van onrechtmatige vrijheidsbeneming."
1.7. Het verschil in de regelingen van beide vorderingsrechten heeft te meer betekenis in een geval als het onderhavige waarin door een sepot jegens [betrokkene] de (straf) rechter in het geheel niet aan een onderzoek van de zaak tegen hem is toegekomen.
1.8. Om al deze redenen acht het hof in de onderhavige zaak de artikelen. 89 e.v. van het Wetboek van Strafvordering niet van toepassing. In het op die artikelen gegronde verzoek kan [betrokkene] derhalve niet worden ontvangen.
4. Beoordeling van het middel
4.1. Het middel stelt de vraag aan de orde of de regeling van de artikelen 89 en volgende Sv toepassing kan vinden in geval de toepassing van de voorlopige hechtenis onrechtmatig moet worden geoordeeld.
4.2. Voornoemde regeling is gewijzigd bij de wet van 26 juni 1975, Stb. 341.
De aan de Eerste Kamer aangeboden memorie van antwoord betreffende het wetsontwerp dat heeft geleid tot voornoemde wet houdt onder meer het volgende in (Eerste Kamer, zitting 1974-1975, 12132, nr. 91b, blz. 1):
"In het begin van de memorie van toelichting van dit wetsontwerp is betoogd, dat de onderhavige regeling in de praktijk in hoofdzaak zal dienen om de schade te vergoeden die het gevolg is van een eerst achteraf onjuist gebleken toepassing van de voorlopige detentie, dat is dus het geval ter zake van een rechtmatige overheidsdaad. Het geval dat die detentie onrechtmatig is zal zelden of nooit voorkomen, maar het zou onjuist zijn dit geval uit te sluiten van de werking van de artikelen 89 e.v. Sv. Het moet voor de gewezen verdachte mogelijk blijven ook indien de detentie van meet af aan ongerechtvaardigd en dus onrechtmatig was, een beroep te doen op de mogelijkheid van een schadevergoeding ingevolge de regeling van het Wetboek van Strafvordering. Het benutten van deze mogelijkheid zal voor de betrokkene eenvoudiger en minder kostbaar zijn dan de weg naar de burgerlijke rechter. Ik acht het dan ook geenszins een bezwaar dat die regeling voor beide soorten gevallen kan dienen en ben van oordeel dat daarvan geen verwarring is te duchten, Meer kans op verwarring bij de justitiabelen zou juist ontstaan, indien in de onderhavige regeling zou worden gedifferentieerd tussen de beide gevallen. Dan zou immers een misverstand omtrent de vraag of de detentie nu rechtmatig of onrechtmatig was voor de betrokkene betekenen dat hij van de andere regeling gebruik had moeten maken. In de bestaande en in het ontwerp gehandhaafde regeling is een dergelijke gang van zaken uitgesloten,"
4.3. Op grond van het vorenstaande moet worden aangenomen dat naar de bedoeling van de wetgever de regeling van art. 89 en volgende Sv, niet alleen toepassing kan vinden in geval van rechtmatige, doch ook in geval van onrechtmatige vrijheidsbeneming.
4.4. Anders dan het Hof blijkens het hiervoren onder 3 sub 1.5 weergegevene heeft geoordeeld, valt aan de "inrichting van voormelde regeling" geen argument voor een tegengestelde opvatting te ontlenen. De artikelen 89 en volgende Sv bieden de gewezen verdachte een snelle en eenvoudige, doch tevens, gelet op het bepaalde in het eerste en het tweede lid van art. 90 Sv, beperkte mogelijkheid een vergoeding van geleden schade te krijgen op billijkheidsgronden. Bedoelde regeling strekt dan ook niet tot vaststelling door de rechter van volledige schadevergoeding uit hoofde van een door de Staat jegens de (gewezen) verdachte gepleegde onrechtmatige daad, en laat derhalve voor laatstgenoemde de mogelijkheid onverlet zich uit dien hoofde tot de burgerlijke rechter te wenden. Gelet op de beperkte strekking van de in art. 89 en volgende Sv vervatte regeling staat hetgeen daarin is voorgeschreven omtrent de te volgen procedure een toepassing daarvan ook in het geval van onrechtmatige vrijheidsbeneming niet in de weg.
4.5. Uit het vorenoverwogene volgt dat het Hof aan zijn hiervoren onder 1 weergegeven beslissing een
onjuiste opvatting nopens het bepaalde in de artikelen 89 en volgende Sv, ten grondslag heeft gelegd. Het Hof heeft mitsdien [betrokkene] ten onrechte op die grond in zijn verzoek niet-ontvankelijk verklaard.
4.6. Het middel is derhalve terecht voorgesteld.
5. Slotsom
Uit het hiervoren onder 4 overwogene volgt dat de bestreden beschikking wegens schending van het recht niet in stand kan blijven.
6. Beslissing
De Hoge Raad vernietigt in het belang der wet de bestreden beschikking en verstaat dat deze beslissing geen nadeel toebrengt aan de door partijen verkregen rechten.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Haak als voorzitter, en de raadsheren Mout, Bleichrodt, Van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp en Koster, in bijzijn van de griffier Sillevis Smitt-Mülder en uitgesproken op 2 februari 1993.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 02‑02‑1993