HR, 08-09-1987, nr. 1612E
ECLI:NL:HR:1987:AC1218
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
08-09-1987
- Zaaknummer
1612E
- LJN
AC1218
- Vakgebied(en)
Internationaal strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1987:AC1218, Uitspraak, Hoge Raad, 08‑09‑1987; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1987:AC1218
ECLI:NL:PHR:1987:AC1218, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 08‑09‑1987
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1987:AC1218
- Vindplaatsen
Uitspraak 08‑09‑1987
Inhoudsindicatie
Beklag, beslag ex art. 94 Sv op 1.673 (kartons) overhemden onder klaagster (vennootschap) t.z.v. verdenking van invoer van overhemden uit Zuid-Korea zonder vergunning, waarna strafzaak tegen klaagster is geseponeerd en Rb de vordering OvJ tot onttrekking aan het verkeer van overhemden heeft toegewezen. 1. Rechtsgevolgen van overschrijding van redelijke termijn. Had Rb de OvJ n-o moeten verklaren in zijn vordering tot onttrekking aan het verkeer wegens overschrijding van redelijke termijn? 2. Vatbaarheid voor onttrekking aan het verkeer, art. 36c.5 Sr. Kon Rb oordelen dat overhemden van zodanige aard zijn dat ongecontroleerd bezit daarvan in strijd is met wet? Ad 1. Ex art. 6.1 EVRM heeft ieder, indien het gaat om (A) vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of (B) bepalen van gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging, recht op behandeling van zijn zaak binnen redelijke termijn. Hier doet zich geval voor als onder (A) bedoeld, nu beslissing op vordering OvJ tot onttrekking aan het verkeer van inbeslaggenomen 1.673 overhemden onmiddellijk bepalend is voor recht van klaagster om als eigenaresse over die overhemden te beschikken. Anderzijds was sinds onvoorwaardelijk sepot van hoofdzaak nog slechts in beperkte mate sprake van geval als onder (B) bedoeld, aangezien nog slechts behoefde te worden onderzocht: (a) of in vordering genoemd strafbaar feit was begaan, (b) of 1.673 overhemden ex art. 36c dan wel 36d Sr vatbaar waren voor onttrekking aan het verkeer en (c) of geldelijke tegemoetkoming a.b.i. art. 33c.2 Sr diende te worden toegekend. Bij beantwoording van vraag naar gevolgen van overschrijding van redelijke termijn is het ook van belang onderscheid te maken tussen (I) gevallen waarin verdachte moet leven onder dreiging van strafvervolging en daaruit mogelijk voortvloeiende oplegging en tul van straffen en/of maatregelen die vrijheidsbeneming meebrengen, en (II) gevallen waarin betrokkene nog slechts onder ogen behoeft te zien dat vordering tot onttrekking aan het verkeer van inbeslaggenomen goederen aan oordeel van rechter wordt onderworpen nadat strafvervolging voor het overige is beëindigd. In de onder (I) bedoelde gevallen is niet-ontvankelijkverklaring OM niet enig mogelijk gevolg van overschrijding van redelijke termijn, aangezien het de feitenrechter vrijstaat lagere straf op te leggen dan hij zonder die overschrijding zou hebben gedaan. Dit geldt te meer voor de onder (II) aangegeven gevallen, waarin overschrijding van redelijke termijn kan leiden tot oordeel dat inbeslaggenomen goederen aan het verkeer moeten worden onttrokken, maar aan rechthebbende (indien deze nadeel heeft geleden doordat onttrekking aan het verkeer niet binnen redelijke termijn heeft plaatsgevonden) ter compensatie van dat nadeel een billijke geldelijke tegemoetkoming moet worden toegekend. Oordeel Rb dat behandeling van vordering OvJ heeft plaatsgevonden binnen redelijke termijn, kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst. Mede gelet op procesgang en daarin vermelde data kon Rb zonder miskenning van art. 6.1 EVRM tot oordeel komen dat behandeling van vordering OvJ heeft plaatsgevonden binnen redelijke termijn. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat Rb de OvJ wegens overschrijding van redelijke termijn n-o had moeten verklaren in zijn vordering tot onttrekking aan het verkeer van 1.673 overhemden. Ad 2. Rb kon tot slotsom komen dat inbeslaggenomen 1.673 overhemden ex art. 36c Sr vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer. In overwegingen Rb ligt als haar oordeel besloten dat zij tot oordeel is gekomen dat is voldaan aan de in art. 36c.5 Sr gestelde eis, dat voorwerpen “van zodanige aard zijn, dat ongecontroleerd bezit daarvan in strijd is met wet”. Rb kon tot dit oordeel komen. Rb heeft haar beschikking naar eis van art. 552f.4 Sv met redenen omkleed. Hieraan doet niet af dat Rb naar aanleiding van gevoerd verweer niet met zoveel woorden heeft overwogen dat zij tot dit oordeel is gekomen. Volgt verwerping.
8 september 1987
Strafkamer
nr. 1612 E Besch.
EN
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam, Economische Kamer, van 19 februari 1985 op een beklag als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:
[klaagster] B:V:, gevestigd te [vestigingsplaats], verder te noemen: [klaagster] .
1. De bestreden beschikking
1.1. De Rechtbank heeft na te melden, op 2 oktober 1981 inbeslaggenomen 1673 kartons overhemden aan het verkeer onttrokken verklaard. Deze beslissing heeft zij op de volgende gronden doen steunen:
1. Op grond van de processen-verbaal nummers 30.336.1 t/m 30.336.6, het rapport nummer 30.336.7 en de verklaring van de deskundige G.A.L.M. van der Mast is -voorzover in deze zaak van belang- het navolgende komen vast te staan.
a. In of omstreeks juni 1981 koopt [klaagster] B.V. van [betrokkene 1] , woonachtig in [woonplaats] , circa 58.000 overhemden voor een bedrag van $ 24,80 per dozijn. Medio juni 1981 worden de bewuste overhemden vanuit Zwitserland in Nederland ingevoerd.
b. De partij is van eenzelfde kwaliteit, kleur en dessin als een eerdere door [klaagster] bij [betrokkene 1] gekochte en ingevoerde partij overhemden.
c. In of omstreeks augustus 1981 koopt [klaagster] van [betrokkene 1] circa 99.000 overhemden voor een prijs variërend van $ 24, -- tot $ 26,50 per dozijn. In totaal betaalt [klaagster] [betrokkene 1] voor deze partij circa $ 212.000, --.
d. Deze partij wordt door Wilmink Transport B.V. op 30 september 1981 ten invoer in Nederland aangegeven. Bij deze aangifte worden verschillende documenten overgelegd, waaronder 3 certificaten van oorsprong afgegeven door de Handelskamer te Zürich. Op deze certificaten is als land van oorsprong van de goederen Japan vermeld. Daarnaast wordt overgelegd een zogenoemde invoervergunning waarbij [klaagster] toestemming krijgt voor de import van circa 99.000 overhemden met als land van herkomst Zwitserland en als land van oorsprong Japan.
e. De totale factuurwaarde van de goederen bedraagt f 543.907, --; circa f 5,50 per overhemd (exclusief vracht- en invoerrechten).
De prijs van soortgelijke overhemden als ingevoerd bedraagt, indien in Japan geconfectioneerd, circa f 15,-- (inclusief vracht- en invoerrechten).
f. Op 2 oktober 1981 wordt de bewuste partij overhemden, waarvan later bij telling blijkt dat het aantal kartons 1673 is, in beslag genomen.
g. Bij brief van 13 januari 1982 schrijft [betrokkene 2] , hoofd van de eenheid "Oorsprong goederen", welke is verbonden aan de E.E.G. commissie te Brussel, dat een bij het Japans Ministerie van Handel ingesteld onderzoek heeft uitgewezen dat de door [klaagster] ingevoerde overhemden niet van Japanse oorsprong zijn. Verder onderzoek wijst uit dat de overhemden afkomstig zijn uit Zuid-Korea.
h. Ten aanzien van overhemden afkomstig uit Japan geldt geen auto-limitatie regeling. Ten aanzien van textiel uit Zuid-Korea geldt dat bij invoer in Nederland een door het exporterende land te vertrekken export-licence dient te worden overgelegd. Deze vergunningen kunnen slechts worden afgegeven tot een in een overeenkomst met de E.E.G. vastgesteld maximum.
2. De officier van justitie vorderde op 2 februari 1983 de bewuste partij overhemden te onttrekken aan het verkeer. Hij stelde daartoe -kort samengevat- dat de overhemden uit Zuid-Korea afkomstig zijn en dat door of vanwege de Minister van Economische Zaken de op grond van de In- en Uitvoerwet voor de invoer van de overhemden benodigde vergunning niet zal worden verleend.
3. De officier van justitie vordert thans wederom onttrekking van deze textielgoederen op grotendeels dezelfde gronden als in zijn vordering van 2 februari 1983.
Ter terechtzitting van 9 november 1984 heeft de officier van justitie, in aanvulling op zijn brief van 26 maart 1984 aan de raadsman van belanghebbende, mr. E.W. Herz, meegedeeld dat hij de met deze vordering samenhangende strafzaak tegen belanghebbende onvoorwaardelijk heeft geseponeerd. De officier van justitie is derhalve, anders dan de raadslieden hebben betoogd, ontvankelijk in zijn vordering nu zich hier de situatie voordoet dat in deze zaak geen einduitspraak in de zin van artikel 36b eerste lid onder 4 van het Wetboek van Strafrecht zal volgen.
4. Nu voorts vaststaat dat de partij niet op legale wijze in Nederland is ingevoerd, namelijk -kennelijk ter ontduiking van importquota's voor textielgoederen uit derde landen- voorzien van valse certificaten van oorsprong en de kans zeer aannemelijk moet worden geacht dat deze partij -ook indien deze onder voorwaarden aan [klaagster] zou worden teruggegeven- toch weer op de EEG-markt terecht zou komen, dient deze aan het verkeer te worden onttrokken.
5. Het voorgaande leidt ertoe dat, nu niet is gebleken van feiten en omstandigheden die daaraan in de weg zouden staan, de vordering van de officier van justitie dient te worden toegewezen. De raadsman van [klaagster] heeft nog aangevoerd dat de bij afzonderlijke vordering van de officier van justitie ingeleide onderhavige behandeling in raadkamer in strijd is met het bepaalde in artikel 6 lid 1 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, met name omdat - daaraan externe openbaarheid en een contradictoire behandeling ontbreken. Dit betoog wordt verworpen; Uit de ratio van het artikel volgt dat er onder andere sprake dient te zijn van een behoorlijke procesvoering. Niet kan worden gezegd dat een behandeling in raadkamer, waarbij belanghebbende en haar raadslieden na te zijn opgeroepen hun standpunt naar voren hebben kunnen brengen en indien gewenst getuigen en deskundigen kunnen doen horen, niet zou voldoen aan de vereisten van evengemeld artikel 6 lid 1.
6. Vervolgens is aan de orde de vraag of aan [klaagster] een vergoeding dient te worden toegekend. Daarbij is het volgende van belang.
- de prijs van de bewuste overhemden van circa f 5,50 is voor een overhemd van Japanse oorsprong te laag, te meer nu er, gelet op de verklaring van de getuige Van Bodengraven, zoals vervat in het rapport nummer 30.336.7 van de Economische Controle Dienst, van kan worden uitgegaan dat het hier -met uitzondering van 1780 stuks- niet ging om een qua maat- en kleurassortiment incourante restpartij. De rechtbank verwerpt derhalve de stelling van [klaagster] , dat de prijs van de overhemden niet zodanig laag was dat zij tot twijfel omtrent de herkomst daarvan aanleiding moest geven.
- [klaagster] heeft na inbeslagname van de goederen geen conservatoire maatregelen jegens [betrokkene 1] en/of diens onderneming doen nemen, noch heeft zij deze in rechte aangesproken.
- blijkens door [klaagster] ' raadsman ingewonnen inlichtingen naar de kredietwaardigheid van [betrokkene 1] is komen vast te staan dat laatstgenoemde -thans- niet over de middelen beschikt om de betaalde koopprijs te kunnen terug betalen.
Op grond van het bovenstaande bestaat er geen aanleiding [klaagster] een geldelijke tegemoetkoming toe te kennen. Het zou immers op de weg van [klaagster] hebben gelegen om met het oog op de zeer lage prijs van de goederen, op grond waarvan het niet denkbeeldig was dat er twijfel aan de oorsprong kon ontstaan en daardoor problemen bij de invoer van de goederen konden volgen, door [betrokkene 1] voldoende zekerheid te laten stellen. Evenmin heeft [klaagster] [betrokkene 1] in rechte betrokken. Zij voert weliswaar aan dat [betrokkene 1] heeft toegezegd de goederen terug te nemen en de koopprijs terug te betalen, maar zij heeft, toen de officier van justitie met die teruggave niet instemde, verzuimd [betrokkene 1] alsnog in rechte te betrekken. Onder deze omstandigheden kan, nu [klaagster] zelf heeft verzuimd de nodige maatregelen te treffen, niet worden gezegd dat zij door het onttrekken van de goederen aan het verkeer onevenredig wordt getroffen.
7. Ten aanzien van dit punt wordt voorts overwogen dat de waarde van de textielgoederen thans lager is dan in 1981 wegens het uit de mode geraken van de kleuren en modellen van deze partij, zodat de partij bij teruggave niet meer de factuurwaarde van 1981 (f.543.907, -- ) zal hebben. In 1981 is door [klaagster] in verband met het beslag een eenmalige voorraadvoorziening getroffen, zoals blijkt uit de door haar overgelegde resultatenrekening over dat jaar, van f.621.150, --. Weliswaar heeft deze voorziening het bedrijfsresultaat over dat jaar aanmerkelijk beïnvloed, maar uit de resultatenrekening over de eerste vier maanden van 1983 blijkt dat [klaagster] een winst over die periode heeft behaald van f. 167.321,63. Derhalve kan niet worden gesteld dat [klaagster] -haar draagkracht in aanmerking nemend- door de onttrekking onevenredig wordt getroffen.
8. Al het voorgaande, waarbij geldt dat het verzoek van [klaagster] om de pleitnota van haar raadsman te beschouwen als een klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafrecht nu de goederen zullen worden onttrokken verklaard aan het verkeer geen bespreking meer behoeft, leidt, gelet op de artikelen 36a en 36b van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1 en 38 van de Wet op de Economische Delicten alsmede de artikelen 2 en 18 van de In- en Uitvoerwet tot de volgende beslissing.
1.2. De Hoge Raad zal de hier weergegeven overwegingen van de Rechtbank hierna telkens met voormelde nummers 1 tot en met 8 aanduiden. De Hoge Raad herstelt een in overweging 8 voorkomende kennelijke vergissing in dier voege dat in plaats van de artikelen "36a en 36b" van het Wetboek van Strafrecht wordt gelezen: de artikelen "36b en 36c" van dat wetboek.
2. Het cassatieberoep
Het beroep is ingesteld door [klaagster] . Namens deze heeft Mr. G. Spong, advocaat te 's-Gravenhage, de volgende middelen van cassatie voorgesteld:
MIDDEL I
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid medebrengt. In het bijzonder zijn de artt. 36 b Sr. en art. 6 lid 1 van het Europees Verdrag inzake de bescherming van de rechten van de mens en art. 14 derde lid, aanhef en onder c van het Internationaal Verdrag inzake de Burgerrechten en Politieke rechten geschonden doordien de Rechtbank heeft nagelaten de Officier van Justitie in zijn vordering tot onttrokkenverklaring aan het verkeer wegens overschrijding van de redelijke termijn niet-ontvankelijk te verklaren.
TOELICHTING
I Blijkens de gedingstukken in het bijzonder de beschikking van de Rechtbank d.d. 19 februari 1985 staat het volgende vast.
1. Op 2 oktober 1981 wordt een partij overhemden, waarvan de Officier van Justitie thans onttrekking aan het verkeer vordert, in beslag genomen.
2. Op 2 februari 1983 vorderde de Officier van Justitie bij afzonderlijke vordering de onttrekking aan het verkeer van deze overhemden.
3. Bij beschikking van 22 juni 1983 verklaarde de Rechtbank de hierbedoelde overhemden (verpakt in 1673 kartons) onttrokken aan het verkeer.
4. Deze beschikking is gesneuveld en wel doordien Uw Raad bij beschikking van 10 januari 1984 de bestreden beschikking heeft vernietigd. (NJ 1984, 684) .
5. Op 26 maart 1984 vordert de Officier van Justitie wederom de onttrekking aan het verkeer van de hierbedoelde overhemden.
6. Deze vordering werd (terecht) met grote voortvarendheid geappointeerd voor de behandeling in Raadkamer van 5 april 1984.
7. Blijkens het proces-verbaal in Raadkamer werd de behandeling echter aangehouden voor "onbepaalde tijd". De reden hiervoor is niet in het proces-verbaal vermeld.
8. De behandeling in Raadkamer is eerst voortgezet op 9 november 1984 en 4 januari 1985.
Rekwirante is allereerst van oordeel dat de redelijke termijn garantie als bedoeld in de in het middel aangehaalde bepalingen van toepassing is op de onderhavige procedure. Bij de procedure tot onttrekking aan het verkeer bij een bekende dader zoals in casu is er immers sprake van een determination van
"civil rights" en van een "criminal charge" betreffende rekwirante. Het gevolg van een onttrokken verklaring leidt er immers toe dat rekwirante haar eigendom, althans bezit van de overhemden verliest, hetgeen eens te meer klemt indien, zoals in casu, haar elke schadevergoeding onthouden wordt.
De onttrekkingsprocedure leidt er mitsdien toe dat een burgerlijk recht of een burgerlijke verplichting wordt vastgesteld.
Rekwirante verliest de eigendom c.q. bezit en de Staat verkrijgt het recht de goederen aan het verkeer te onttrekken, hetgeen in een staatsbestel als het onze een zeer verstrekkende bevoegdheid is. In wezen is de onttrekking aan het verkeer een strafrechtelijke onteigeningsprocedure, die tot een "determination" van een burgerlijk recht leidt.
Met betrekking tot dit onteigeningskarakter zij verwezen naar de conclusie van Uw A.G. Mr Leyten voorafgaand aan H.R. 3 mei 1983 N.J. 1983, 651 waarin voorzover hier van belang zakelijk weergegeven wordt opgemerkt:
"Maar als het er om gaat of iemand terzake van die "buitenwerkingstelling" van die voorwerpen al dan niet moet worden schadeloos gesteld, is de importantie van het openbaar belang inmiddels immers vervaagd. "
"Dan gaat het er wat meer op lijken of iemand die volgens het geheel van strafrechtelijke wetten niet kan worden gestraft toch nog kan worden gegrepen door hem zijn spullen zonder schadeloosstelling te ontnemen; wat té sterk gezegd: of hij mag worden onteigend zonder de in de "Grondwet voorziene schadeloosstelling."
Het belang van de vaststelling dat de onttrekkingsprocedure als hierbedoeld een onteigeningskarakter draagt ligt in het feit, dat nog vrij recentelijk het Europese Hof voor de Rechten van de Mens heeft erkend dat er "civil rights" in het geding zijn bij een (civiele) onteigeningsprocedure. (vgl. arrest van 23 september 1982 in de Sporrong en Lönnroth-zaak, en P. van Dijk en G.J.H. van Hoof, de Europese Conventie in Theorie en Praktijk pg. 274 e.v.)
Dat het hier een Raadkamerprocedure betreft doet aan het voorgaande niet af. (vgl. E.P. von Brucken Fock, preadvies N.J.V. pg. 184, 185.) Op grond van dit arrest moet gelet op voormeld karakter van de onderhavige procedure worden aangenomen dat in deze procedure "civil rights" worden vastgesteld.
Ook is er hier sprake van een "determination of a criminal charge" aangezien bij de onttrekking aan het verkeer de Rechter de delictuele relatie tussen dader en strafbaar feit moet vaststellen.
Dat hij dit in een soort mini procesje doet zonder de bewijsmiddelen in extenso in zijn beslissing op te geven is niet van belang: van belang is dat de Rechter in een onttrekkingsprocedure moet vaststellen dat er een strafbaar feit is. (vgl. H.R. 16 dec. 1980 N.J. 1981, 499.)
II Bij arrest van 19 februari 1985 (nr. 77. 757) heeft Uw Raad ondermeer beslist dat bij de beoordeling van de redelijkheid van de termijn de behandeling van de zaak over het geheel genomen, dus niet alleen voor wat betreft één enkele fase, relevant is. Toegepast op de onderhavige zaak moet dit ertoe leiden dat in het bijzonder de ongemotiveerde aanhouding voor onbepaalde tijd, die in totaal ruim 7 maanden heeft bedragen, de druppel is die de emmer doet overlopen.
Immers het gaat hier om goederen die reeds in 1981 in beslag zijn genomen en die rijkelijk laat namelijk eerst op 2 februari 1983 onderwerp van een onttrekkingsprocedure (de eerste) werden. Reeds toen was eigenlijk al de grens van het onredelijke zeer dicht genaderd, in aanmerking genomen dat het hier om handelsgoederen gaat die aan snelle modewisselingen onderhevig zijn. Thans zijn de overhemden zoals de getuige-deskundige G.A.M. L. van der Mast heeft verklaard inmiddels ouderwets geworden. Van de overheid mag juist ten aanzien van dit soort zaken grote voortvarendheid worden verlangd, opdat voorkomen wordt dat de goederen gedurende de procedure al te zeer in waarde dalen (vgl. I.R. 20 dec. 1940 N.J. 1941, 365) .
Hieraan kan nog worden toegevoegd dat namens rekwirante bij pleitnota d.d. 9 juni 1983, die gehecht is aan de pleitnota van 4 januari 1985, er op is gewezen dat zij recht en belang heeft bij een spoedige en definitieve afdoening. Welnu, indien reeds in 1983 aangedrongen wordt op een spoedige afdoening dan maakt zo'n ongemotiveerd lange aanhouding voor onbepaalde tijd de totale periode eens te meer onredelijk.
Op grond van het vorenstaande moet aangenomen worden dat er ten deze sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. De Rechtbank heeft mitsdien verzuimd op deze grond de Officier van Justitie niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering. Op zich is dit verzuim een klein beetje begrijpelijk omdat de Rechtbank in niet geringe mate zelf schuld treft dat de hierbedoelde temmijn is overschreden. Voor de niet-ontvankelijkheid maakt dit echter niets uit. Gelet op de ten processe vaststaande feiten blijkt vanzelf welk
tijdsverloop er tussen de verschillende gebeurtenissen heeft gezeten. Een daartoe strekkend verweer was dus niet nodig. Dit tijdsverloop geconstateerd hebben kan Uw Raad eigenhandig de Officier van Justitie alsnog wegens overschrijding van de redelijke termijn niet-ontvankelijk verklaren. (vgl. E.P. von Brucken Fock en A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken pg. 96.)
MIDDEL II
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid medebrengt.
In het bijzonder zijn de artt. 36 c Sr. en 552 f lid 4 Sv. geschonden doordien de Rechtbank verzuimd heeft te beslissen op het namens rekwirante gevoerd verweer inhoudende dat de aard van de goederen niet zodanig is, dat het ongecontroleerd bezit er van in strijd is met de Wet of het algemeen belang, althans doordien de Rechtbank heeft verzuimd te beslissen dat het ongecontroleerd bezit van de aan het verkeer onttrokken verklaarde goederen in strijd is met de Wet of het algemeen belang.
Meer subsidiair, doordien de Rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat vorenbedoelde overhemden vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer. (vgl. conclusie voor H.R. 22 maart 1983, N.J. 1983, 531 en de toelichting op middel II in H.R. 10 januari 1984 N.J. 1984, 684) .
Op grond van het vorenstaande is de beschikking onvoldoende met redenen omkleed.
TOELICHTING
Bij pleitnota van rekwirantes raadsman d.d. 9 juni 1983 is uitvoerig betoogd op welke gronden moet worden aangenomen dat van een ongecontroleerd bezit in casu geen sprake is en de in beslag genomen voorwerpen niet vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer. Reeds toen is namens rekwirante aangeboden de goederen te exporteren buiten de E.E.G. Bij pleitnota overlegd op 4 januari 1985 is namens rekwirante nog het volgende voorzover hier van belang zakelijk weergegeven gesteld:
[klaagster] handhaaft haar stelling dat de hemden niet "zodanig van aard zijn", dat onttrekking mogelijk is. Hoe relatief het O.M. het "ongecontroleerd bezit" uitlegt blijkt bovendien uit het feit, dat zij er geen bezwaar tegen heeft indien de goederen via hulporganisaties de E.E.G. verlaten, maar wel bezwaar maakt tegen export door [klaagster] , eventueel met een door haar te stellen garantie.
Het argument (overigens ter zitting niet controleerbaar) dat de goederen toch veelal vervolgens illegaal terecht komen op de Europese markt, kan [klaagster] niet worden verweten. Zo dit desondanks een relevante overweging zou zijn om het bij herhaling door [klaagster] gedane verzoek tot export te weigeren - daardoor de "rechtstoestand" van de goederen in ieder geval in overeenstemming met de Nederlandse Wet wordt gebracht - is dit tegelijkertijd een argument om [klaagster] een volledige tegemoetkoming toe te kennen. Immers, door haar niet toe te rekenen omstandigheden kan export niet plaatsvinden.
Overigens merkt [klaagster] op, dat uit recente persberichten blijkt dat het multi-vezelakkoord, waarop de onderhavige strafbepalingen zijn gebaseerd, zeer waarschijnlijk per ultimo 1985 zal expireren (en er in het geheel geen grond voor onttrekking meer zal zijn. ) Een argument te meer om het begrip "zodanig van aard" strikt uit te leggen.
In tegenstelling tot de beschikking van de Rechtbank van 22 juni 1983 wordt in de thans bestreden beschikking met geen woord gerept over de vraag of de bewuste overhemden kunnen worden onttrokken aan het verkeer op grond dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de Wet of het algemeen belang. De enkele vaststelling onder nummer 4 van de beschikking dat vaststaat dat de partij niet op legale wijze in Nederland is ingevoerd is hiertoe onvoldoende, aangezien hiermede nog niets is gezegd over de vraag of hier sprake is van ongecontroleerd bezit in de zin van art. 36 C Sr.
Dit verzuim te beslissen op voormeld verweer dient nietigheid tengevolge te hebben, zeker nu het gedane aanbod de goederen naar een land buiten de E.E.G. te exporteren tot gevolg heeft dat elk belang van de Officier van Justitie bij een veiligheidsmaatregel als de onttrekking aan het verkeer is komen te vervallen. Point d'interêt point d'action.
Tenslotte zij opgemerkt dat art. 1 lid 2 Sr. toepassing verdient indien het juist zou blijken te zijn dat het multi-vezelakkoord waarop de onderhavige strafbepalingen zijn gebaseerd per ultimo 1985 expireert en Uw Raad op dat moment nog geen beschikking zou hebben genomen.
3. De conclusie van het Openbaar Ministerie
De Advocaat-Generaal Remmelink heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
4. Beoordeling van het eerste middel
4.1.
In de toelichting op het middel is onder I met juistheid vermeld hetgeen blijkens de inhoud van de desbetreffende stukken van het geding in de onderhavige procedure is voorgevallen.
4.2.
Ingevolge het eerste lid van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft een ieder, indien het gaat om (A) het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of (B) het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging, recht op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn.
4.3.1.
Terecht gaat het middel ervan uit, dat zich te dezen een geval voordoet als onder (A) bedoeld. Immers, de beslissing op de vordering van de Officier van Justitie tot onttrokkenverklaring aan het verkeer van de op 2 oktober 1981 inbeslaggenomen 1673 kartons overhemden is onmiddellijk bepalend voor het recht van [klaagster] om als eigenares over die overhemden te beschikken.
4.3.2.
Anderzijds was sedert het onvoorwaardelijke sepot van de hoofdzaak nog slechts in beperkte mate sprake van een geval als onder (B) bedoeld, aangezien nog slechts behoefde te worden onderzocht: (a) of het in voormelde vordering genoemde strafbare feit was begaan, (b) of de 1673 kartons overhemden ingevolge art. 36c Sr. dan wel art. 36d Sr. vatbaar waren voor onttrekking aan het verkeer en (c) of - indien de Rechtbank tot het oordeel zou komen, dat die overhemden aan het verkeer dienden te worden onttrokken - een geldelijke tegemoetkoming als bedoeld in het tweede lid van art. 33c Sr. diende te worden toegekend.
4.4.1.
Bij de beantwoording van de vraag naar de gevolgen van een overschrijding van de termijn, bedoeld in de in het middel genoemde verdragsbepalingen, is het van belang een tweede onderscheid te maken, en wel tussen (I) de gevallen waarin de verdachte moet leven onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging en de daaruit mogelijk voortvloeiende oplegging en tenuitvoerlegging van straf(fen) en/of maatregel(en) welke vrijheidsbeneming medebrengen, en (II) de - uit de aard der zaak de betrokkene minder belastende - gevallen waarin de betrokkene nog slechts onder ogen behoeft te zien dat een vordering tot onttrokkenverklaring aan het verkeer van inbeslaggenomen goederen aan het oordeel van de rechter wordt of zal worden onderworpen nadat de strafvervolging voor het overige is beëindigd.
4.4.2.
Is een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de onder (I) bedoelde gevallen niet het enig mogelijke gevolg van overschrijding van de evenbedoelde termijn - aangezien het de rechter die over de feiten oordeelt in dat geval vrij staat (indien aan alle overige voorwaarden tot een veroordeling van de verdachte voldaan is) een lagere straf op te leggen dan hij zonder die overschrijding zou hebben gedaan - , zulks geldt te meer voor de onder (II) aangegeven gevallen, waarin een overschrijding als bedoeld kan leiden tot het oordeel dat de inbeslaggenomen goederen aan het verkeer behoren te worden onttrokken, doch dat aan de rechthebbende(n), indien en voor zover deze (extra) nadeel heeft (hebben) geleden doordat de onttrokkenverklaring niet binnen de redelijke termijn heeft plaats gevonden, ter compensatie van dat nadeel een billijke geldelijke tegemoetkoming behoort te worden toegekend.
4.5.1.
Bij de beantwoording van de vraag of de Rechtbank zonder miskenning van art. 6, eerste lid, EVRM en art. 14, derde lid aanhef en onder c, van het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke rechten tot het - in de bestreden beschikking besloten liggende - oordeel is kunnen komen, dat de behandeling van de onderhavige vordering van de Officier van Justitie heeft plaats gevonden binnen de in die verdragsbepalingen bedoelde redelijke termijn, moet worden vooropgesteld, dat evenbedoeld oordeel in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst, omdat het mede afhankelijk is van de waardering van de feitelijke omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van de zaak welke tot de inbeslagneming van de 1673 kartons overhemden heeft geleid, het gedrag van [klaagster] en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
4.5.2.
Gelet op de in de toelichting op het middel onder I weergegeven procesgang en de aldaar onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 8 vermelde data, en mede in aanmerking genomen:
a) dat uit het proces-verbaal van het onderzoek in raadkamer van 5 april 1984 niet blijkt, dat door de aldaar aanwezige gemachtigde van [klaagster] of de raadsman enig bezwaar is gemaakt tegen de aanhouding van de behandeling van de zaak voor onbepaalde tijd;
b) dat niet is gesteld of aannemelijk geworden, dat op enig tijdstip tussen 5 april 1984 en 9 november 1984 de datum waarop het onderzoek in raadkamer opnieuw is aangevangen - vanwege [klaagster] om een spoedige behandeling van de zaak is verzocht;
c) dat uit geen van de processen-verbaal van het onderzoek in raadkamer op 5 april 1984, 9 november 1984 en 4 januari 1985 blijkt, dat door de gemachtigde van [klaagster] of de raadsman een beroep op overschrijding van vorenbedoelde redelijke termijn is gedaan, zodat het ervoor moet worden gehouden dat zulks niet is geschied;
d) dat aan laatstgemelde omstandigheid temeer betekenis toekomt omdat - zoals onder meer blijkt uit overweging 5 van de bestreden beschikking - door de raadsman wel een beroep op schending van een ander in het eerste lid van art. 6 EVRM neergelegd voorschrift is gedaan,
moet de onder 4.5.1 vermelde vraag bevestigend worden beantwoord.
4.5.3.
Tevergeefs wordt in de toelichting op het middel onder II een beroep gedaan op de omstandigheid, dat reeds op 9 juni 1983 vanwege [klaagster] is aangevoerd, dat zij recht op en belang bij een spoedige en definitieve afdoening heeft. Immers, volgens de desbetreffende pleitnota van 3 juni 1983, welke is gehecht aan de pleitnota van 4 januari 1985 en deel uitmaakt van het proces-verbaal van het op laatstgemelde datum gehouden onderzoek in raadkamer, heeft de raadsman verzocht eerstgemelde pleitnota tevens te beschouwen als een klaagschrift ingevolge art. 552a Sv., strekkende tot teruggave van de inbeslaggenomen goederen, terwijl hij subsidiair, voor het geval geen last tot teruggave mocht worden gegeven, de voorkeur heeft gegeven aan een onttrekking van die goederen aan het verkeer onder toekenning van een redelijke (= volledige) tegemoetkoming boven hetzij een niet-ontvankelijk-verklaring van de Officier van Justitie in zijn vordering tot onttrokkenverklaring aan het verkeer (op de in overweging 5 van de bestreden beschikking vermelde grond) hetzij een afwijzing van die vordering. Door of vanwege [klaagster] is volgens de processen-verbaal van het onderzoek in raadkamer echter niet verzocht om - hoe dan ook - spoedig en definitief te beslissen op de onderhavige vordering van de Officier van Justitie.
4.6.
Uit al het vorenoverwogene volgt, dat niet kan worden gezegd dat - zoals het middel betoogt - de Rechtbank de Officier van Justitie wegens overschrijding van de in gemelde verdragsbepalingen bedoelde redelijke termijn niet-ontvankelijk had behoren te verklaren in zijn vordering tot onttrokkenverklaring aan het verkeer van de 1673 kartons overhemden.
4.7.
Het middel faalt derhalve.
5. Beoordeling van het tweede middel
5.1.
Op grond van (a) de in overweging 1 sub a tot en met h vastgestelde feiten en omstandigheden, (b) de in overweging 2 kennelijk als juist aanvaarde stellingen van de Officier van Justitie dat de overhemden uit Zuid-Korea afkomstig zijn en dat door of vanwege de Minister van Economische Zaken de op grond van de In- en Uitvoerwet voor de invoer van overhemden benodigde vergunning niet zal worden verleend, (c) de in overweging 4 vastgestelde omstandigheid dat de partij overhemden niet op legale wijze - doch voorzien van valse certificaten van oorsprong - in Nederland is ingevoerd en (d) het voorts in overweging 4 vervatte oordeel dat de kans zeer aannemelijk moet worden geacht dat deze partij - ook indien deze onder voorwaarden aan [klaagster] zou worden teruggegeven - toch weer op de EEG-markt terecht zou komen, is de Rechtbank tot de slotsom kunnen komen, dat de inbeslaggenomen 1673 kartons overhemden ingevolge het bepaalde in art. 36c Sr. vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer.
5.2.
In gemelde overwegingen ligt besloten, dat de Rechtbank tot het oordeel is gekomen, dat te dezen is voldaan aan de in art. 36c onder 5° Sr. gestelde eis, dat de voorwerpen "van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet". Zonder miskenning van de hier aangehaalde woorden is de Rechtbank tot dit oordeel kunnen komen.
5.3.
Door te overwegen hetgeen in de overwegingen 1,2 en 4 van de bestreden beschikking tot uitdrukking is gebracht heeft de Rechtbank die beschikking naar de ets van art. 552f, vierde lid, Sv. met redenen omkleed. Hieraan doet niet af dat de Rechtbank naar aanleiding van het dienaangaande gevoerde verweer niet met zoveel woorden heeft overwogen dat zij tot het hiervoren onder 5.2 bedoelde oordeel is gekomen. 5.4. Het middel faalt derhalve.
6. Slotsom
Nu geen van beide middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden beschikking ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
7. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president Van der Ven als voorzitter, de vice-president Bronkhorst en de raadsheren Jeukens, De Waard en Beekhuis, in bijzijn van de griffier Sillevis Smitt-Mülder, in raadkamer van 8 september 1987.
Conclusie 08‑09‑1987
Inhoudsindicatie
Beklag, beslag ex art. 94 Sv op 1.673 (kartons) overhemden onder klaagster (vennootschap) t.z.v. verdenking van invoer van overhemden uit Zuid-Korea zonder vergunning, waarna strafzaak tegen klaagster is geseponeerd en Rb de vordering OvJ tot onttrekking aan het verkeer van overhemden heeft toegewezen. 1. Rechtsgevolgen van overschrijding van redelijke termijn. Had Rb de OvJ n-o moeten verklaren in zijn vordering tot onttrekking aan het verkeer wegens overschrijding van redelijke termijn? 2. Vatbaarheid voor onttrekking aan het verkeer, art. 36c.5 Sr. Kon Rb oordelen dat overhemden van zodanige aard zijn dat ongecontroleerd bezit daarvan in strijd is met wet? Ad 1. Ex art. 6.1 EVRM heeft ieder, indien het gaat om (A) vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of (B) bepalen van gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging, recht op behandeling van zijn zaak binnen redelijke termijn. Hier doet zich geval voor als onder (A) bedoeld, nu beslissing op vordering OvJ tot onttrekking aan het verkeer van inbeslaggenomen 1.673 overhemden onmiddellijk bepalend is voor recht van klaagster om als eigenaresse over die overhemden te beschikken. Anderzijds was sinds onvoorwaardelijk sepot van hoofdzaak nog slechts in beperkte mate sprake van geval als onder (B) bedoeld, aangezien nog slechts behoefde te worden onderzocht: (a) of in vordering genoemd strafbaar feit was begaan, (b) of 1.673 overhemden ex art. 36c dan wel 36d Sr vatbaar waren voor onttrekking aan het verkeer en (c) of geldelijke tegemoetkoming a.b.i. art. 33c.2 Sr diende te worden toegekend. Bij beantwoording van vraag naar gevolgen van overschrijding van redelijke termijn is het ook van belang onderscheid te maken tussen (I) gevallen waarin verdachte moet leven onder dreiging van strafvervolging en daaruit mogelijk voortvloeiende oplegging en tul van straffen en/of maatregelen die vrijheidsbeneming meebrengen, en (II) gevallen waarin betrokkene nog slechts onder ogen behoeft te zien dat vordering tot onttrekking aan het verkeer van inbeslaggenomen goederen aan oordeel van rechter wordt onderworpen nadat strafvervolging voor het overige is beëindigd. In de onder (I) bedoelde gevallen is niet-ontvankelijkverklaring OM niet enig mogelijk gevolg van overschrijding van redelijke termijn, aangezien het de feitenrechter vrijstaat lagere straf op te leggen dan hij zonder die overschrijding zou hebben gedaan. Dit geldt te meer voor de onder (II) aangegeven gevallen, waarin overschrijding van redelijke termijn kan leiden tot oordeel dat inbeslaggenomen goederen aan het verkeer moeten worden onttrokken, maar aan rechthebbende (indien deze nadeel heeft geleden doordat onttrekking aan het verkeer niet binnen redelijke termijn heeft plaatsgevonden) ter compensatie van dat nadeel een billijke geldelijke tegemoetkoming moet worden toegekend. Oordeel Rb dat behandeling van vordering OvJ heeft plaatsgevonden binnen redelijke termijn, kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst. Mede gelet op procesgang en daarin vermelde data kon Rb zonder miskenning van art. 6.1 EVRM tot oordeel komen dat behandeling van vordering OvJ heeft plaatsgevonden binnen redelijke termijn. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat Rb de OvJ wegens overschrijding van redelijke termijn n-o had moeten verklaren in zijn vordering tot onttrekking aan het verkeer van 1.673 overhemden. Ad 2. Rb kon tot slotsom komen dat inbeslaggenomen 1.673 overhemden ex art. 36c Sr vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer. In overwegingen Rb ligt als haar oordeel besloten dat zij tot oordeel is gekomen dat is voldaan aan de in art. 36c.5 Sr gestelde eis, dat voorwerpen “van zodanige aard zijn, dat ongecontroleerd bezit daarvan in strijd is met wet”. Rb kon tot dit oordeel komen. Rb heeft haar beschikking naar eis van art. 552f.4 Sv met redenen omkleed. Hieraan doet niet af dat Rb naar aanleiding van gevoerd verweer niet met zoveel woorden heeft overwogen dat zij tot dit oordeel is gekomen. Volgt verwerping.
as
Nr. 1612 E
Parket, 16 april 1985
Mr. Remmelink
Conclusie inzake:
[klaagster] B.V.
Edelhoogachtbare Heren,
In deze zaak waarin de Rechtbank op vordering van de officier van justitie aan het verkeer onttrokken heeft verklaard 1673 in beslaggenomen kartons overhemden, tegen welke beschikking requirante zich van beroep in cassatie heeft voorzien, zijn namens haar twee middelen van cassatie voorgesteld.
In middel I wordt gesteld dat de Rechtbank ten onrechte de officier van justitie niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn. Ik moge daartoe het volgende opmerken:
Requirante stelt zich op het standpunt dat art. 6 lid 1 EVRM op de onderhavige procesgang van toepassing zou zijn. Er zou hier nl. sprake zijn van een "determination" van "civil rights". Het gevolg van de onderhavige onttrekking is immers dat requirante de eigendom van de goederen verliest. Ik kan met deze rubricering van dit proces niet instemmen. Onder "determination" zal toch moeten worden verstaan de vaststelling van een burgerlijk recht: bijv., dat A en niet B eigenaar is van een goed. Of dat A recht op schadevergoeding heeft jegens B. Zelfs in een onteigeningsprocedure kan het komen tot vaststelling van burgerlijke rechten.
Hier gaat het echter om een maatregel van openbare orde (veiligheid): Wie civielrechtelijke aanspraken op de goederen heeft is voor de toepassing van de maatregel niet terzake. Het gaat er slechts om ze uit de maatschappij, waarin ze onduldbaar zijn, want storend werken, worden verwijderd. Mocht de rechthebbende op die goederen daardoor op onbillijke wijze worden gedupeerd dan kan de rechter hem een schadeloosstelling toekennen.
De wetgever heeft deze maatregel gerelateerd aan een strafrechtelijke inbeslagneming en toepassing aan de justitiële autoriteiten (0.M. en rechters) opgedragen, doch men kan zich voorstellen, dat zij ook geheel los hiervan door het Bestuur zo'n onttrekking plaatsvindt, bijv. als ergens een bom wordt aangetroffen. Van een strafrechtelijke vervolging (vaststelling van de juistheid van een "charge") - waarover requirante ook rept - is uiteraard evenmin sprake. Ook het door requirante geciteerde HR 16 december 1980, NJ 1980 no. 449 houdt zich hoofdzakelijk in vaststelling van een strafrechtelijke relatie met een persoon, schoon ik dit arrest, zo Uw Raad weet, niet volledig kan onderschrijven.
Het vorenstaande impliceert, dat de toepasselijkheid in de maatregel m.i. niet afhankelijk kan worden gesteld van (kort gezegd) "tijdsverloop". Zolang vaststaat, dat het goed "socially dangerous" is, moet het onttrokken kunnen worden.
Mocht Uw Raad hierover anders oordelen, dan ben ik van mening dat de omstandigheid, dat requirante in de persoon van haar directeur die bij de behandeling van de zaak op 5 april 1984 vergezeld van haar rechtsgeleerde raadsman aanwezig was zich blijkbaar tegen de aanhouding voor onbepaalde tijd niet heeft verzet, geen aanleiding geeft om het uitstel tot 9 november 1984 als "undue delay" te qualificeren.
Requirante stelt ook nog, dat de zaak überhaupt te lang heeft "gesleept", maar ik meen, dat gelet o.m. op de ingewikkeldheid van de zaak hiervan getoetst aan de door Uw Raad gestelde criteria geen sprake is, daargelaten dat requirante die kwestie bij de behandeling van de zaak bij de Rechtbank aan de orde had moeten stellen.
In middel II wordt aangevoerd dat de maatregel niet zou kunnen worden toegepast (en dus ten onrechte is toegepast) omdat de aard van de goederen niet zodanig is dat het ongecontroleerde bezit in strijd zou zijn met wet of algemeen belang. Ik denk daarover anders, en meen dat de Rechtbank juist heeft geoordeeld. Dit standpunt komt hierop neer: Het gaat hier om goederen die op illegale wijze, nl. kennelijk ter ontduiking van importquota voor textielgoederen uit derde landen, voorzien van valse certificaten in Nederland zijn ingevoerd, en de kans moet zeer aannemelijk worden geacht dat ze, ook als ze aan requirante zouden worden teruggegeven weer op de EEG-markt terecht zouden komen.
Onder deze omstandigheden kan inderdaad gezegd worden dat de "aard" van de goederen "socially dangerous" is, zoals clandestien gestookte jenever, zwarte drukken van boeken en witte grammofoonplaten (hoe voortreffelijk van qualiteit) dat ook kunnen zijn. Ik verwijs naar mijn standpunt nog naar de conclusies vóór HR 10 januari 1984, NJ 1984 no. 684 met noot van Van Veen.
De middelen niet aannemelijk achtend concludeer ik tot verwerping van het beroep.
Parket, 16 april 1985
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,