HR, 19-02-1985, nr. 78067
ECLI:NL:PHR:1985:AC8716
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
19-02-1985
- Zaaknummer
78067
- LJN
AC8716
- Roepnaam
Aanmerkelijke kans
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1985:AC8716, Uitspraak, Hoge Raad, 19‑02‑1985; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1985:AC8716
ECLI:NL:PHR:1985:AC8716, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 19‑02‑1985
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1985:AC8716
- Vindplaatsen
Uitspraak 19‑02‑1985
Inhoudsindicatie
Het in de nadere bewijsoverweging vervatte oordeel dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat in de koffers heroïne zat, geeft geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk; de eigen waarneming van de Rb. kan mede in verband met de algemene ervaring redengevend zijn.
19 februari 1985
Strafkamer
nr. 78.067
JC
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 1 juni 1984 in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, zonder bekende woonplaats hier te lande, ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in het Huis van Bewaring II te [plaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - behoudens ten aanzien van de beslissing omtrent de inbeslaggenomen, niet teruggegeven voorwerpen - bevestigd een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Haarlem van 13 januari 1984, waarbij de verdachte ter zake van "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid en onder A, van de Opiumwet gegeven verbod" is veroordeeld tot zes jaren gevangenisstraf.
Het Hof heeft de verdachte tevens de bijkomende straf van verbeurdverklaring opgelegd zoals in het arrest is omschreven.
2 . Het cassatieberoep
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft Mr. G. Spong, advocaat. te 's-Gravenhage het navolgende middel van cassatie voorgesteld:
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid medebrengt.
In het bijzonder zijn de artt. 359, 415 Sv. geschonden doordien het Hof, het vonnis van de Rechtbank te dezer zake met overneming van gronden bevestigende, voor het bewijs heeft gebezigd de in het vonnis: onder 4.1.6 weergegeven eigen waarneming van de Rechtbank, zulks ten onrechte aangezien dit bewijsmiddel niet redengevend kan zijn voor het bewezenverklaarde voorwaardelijk : opzet, althans doordien dit opzet is afgeleid, uit ondermeer omstandigheden die niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen blijken.
De bewezenverklaring is mitsdien niet voldoende met redenen omkleed.
TOELICHTING
1: Onder 4.1.6. is blijkens het vonnis het navolgende weergegeven:
"Ter terechtzitting zijn aanwezig de bij verdachte inbeslaggenomen koffers. De Rechtbank neemt waar dat deze koffers zijn voorzien van "dubbele deksels en bodems, die gedeeltelijk weggebroken zijn. Voorts neemt zij waar dat er een opvallend duidelijke afstand voelbaar is tussen de binnenkant van de deksel of bodem en de buitenkant."
2: Met betrekking tot het bewezenverklaarde feit heeft de Rechtbank onder 4.2 overwogen:
"De Rechtbank acht ook het telastegelegde opzet bewezen. De verdachte heeft zich immers willens en wetens aan de geenszins ter verwaarlozen kans blootgesteld dat in de beide koffers een verdovend middel, met name heroïne, zou zijn verborgen, nu hij klaarblijkelijk ieder onderzoek, waartoe onder de door hem zelf genoemde en hierboven onder 4.1.1. vermelde omstandigheden alle aanleiding bestond, achterwege heeft gelaten. Reeds een vluchtig onderzoek zou immers aan het licht hebben gebracht dat deze koffers een abnormaal hoog "leeg gewicht" hadden, alsmede dat de deksels en bodems opvallend dik waren, zoals de Rechtbank blijkens hetgeen onder 4.1.6. is overwogen zelf heeft waargenomen. "
3: Bij het voorwaardelijk opzet ligt de nadruk op het weten. Nieboer stelt in dit verband dat de constructie van het kansopzet via de brug van het weten gaat. (W. Nieboer, Wetens en Willens pg. 30) . In het licht hiervan is rekwirant van mening dat de onder 4.1.6 in het vonnis weergegeven eigen waarneming niet redengevend kan zijn voor het bewezen -- verklaarde voorwaardelijk opzet, aangezien de Rechtbank (het Hof) aldus rekwirants opzet afleidt uit omstandigheden, die hij - juist vanwege het door de Rechtbank gereleveerde achterwege laten van onderzoek - niet heeft kunnen kennen. Aangezien het afleiden van voorwaardelijk opzet slechts kan geschieden uit omstandigheden die de verdachte heeft kunnen kennen en op grond daarvan aangenomen kan worden dat hij eventuele gevolgen heeft kunnen voorzien, althans op de koop toe heeft genomen, heeft het Hof door zulks te miskennen, de bewezenverklaring in dit opzicht niet voldoende met redenen omkleed.
4: De bewezenverklaring is voorts onvoldoende met redenen omkleed, aangezien het Hof, het vonnis bevestigende, in de bewijsoverweging (onder de streep) 4.2 de omstandigheid dat de koffers een abnormaal hoog "leeg gewicht" hadden redengevend heeft geacht. Zulks ten onrechte, aangezien uit de gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt, althans kan worden afgeleid dat het hierbedoelde leeg gewicht als "abnormaal hoog" kan worden aangemerkt.
3. De conclusie van het Openbaar Ministerie
De Advocaat-Generaal Remmelink heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
4. Bewezenverklaring en bewijsvoering
4.1.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard:
"dat verdachte op 24 oktober 1983 in de [plaats] te [plaats] opzettelijk per vliegtuig vanuit het buitenland binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht zoals bedoeld in artikel 1 Opiumwet, ongeveer 4, 8 kilogram heroïne (diacetylmorfine), zijnde een middel als bedoeld in. artikel 1 Opiumwet, vermeld op de bij deze wet behorende lijst I".
4.2.
Deze bewezenverklaring steunt op de navolgende bewijsmiddelen:
4.1.1.
Een proces-verbaal, nummer 83.10.24.0157.01, op 27 oktober 1983 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , beiden wachtmeester der Rijkspolitie eerste klasse, behorende tot de Dienst Luchtvaart van het Korps Rijkspolitie, Afdeling Schiphol.
Dit proces-verbaal houdt in - zakelijk weergegeven- als de op 27 oktober 1983 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van verdachte:
Op 20 oktober 1983 kwam ik per vliegtuig vanuit Amsterdam aan te Karachi (Pakistan). Ik reisde op een ticket, dat: ik had gekocht voor de route Lagos - New York - Washington - New York - Amsterdam - Karachi - Islamabad - Karachi - Amsterdam - Lagos. Vanuit Karachi ben ik naar Islamabad gevlogen. In Islamabad heb ik ondergoed gekocht om in Lagos te kunnen verkopen. Op zaterdagavond, 22 oktober 1983 ontmoette ik in een bar in Islamabad een Nigeriaanse man. Deze man kende ik van Lagos. Hij is net als ik zakenman. Zijn naam is [betrokkene 1] . Ik ontmoette hem op zondag weer, in mijn hotel. Ik. had toen al gepakt voor mijn terugreis naar Lagos, want het laatste vliegtuig van Islamabad naar Karachi ging om zeven uur 's avonds. Ik had toen alleen de bagagestukken, die ik ook bij mijn vertrek uit Lagos bij mij had, zijnde een documentenkoffer en een bruine tas. Ik had in Islamabad 12 onderbroeken en 12 hemden gekocht. [betrokkene 1] , vertelde mij, dat hij ook terugging naar Lagos, maar via Londen en pas over een paar dagen. Ik mocht van hem zijn nieuw gekochte koffers lenen en naar Lagos brengen. Hij zou ze dan daar komen ophalen. Hij is toen naar zijn hotel gegaan en hij heeft toen twee nieuwe koffers bij mij gebracht. Deze koffers zagen er nieuw uit en er zaten enige kledingstukken van hem in. Ik deed toen mijn eigendommen bij die van hem in de koffers. Ik kreeg van hem twee stel koffersleutels. Een met de sleutels van de grote koffer en een met de sleutels van de kleine koffer. Ik heb toen twee stel sleutels samengesteld, elk stel met sleutels van beide koffers. Een van deze sets heb ik in mijn documentenkoffer gedaan en de andere set stak ik in mijn kleding. Voordat ik vertrok, heb ik beide koffers op slot gedaan. Daarna ben ik naar Karachi gevlogen en van daaruit ben ik met beide bedoelde koffers vertrokken naar Amsterdam.
4.1.2.
Een proces-verbaal, contentieusnummer 776/83, als bijlage- behorend bij het onder 4.1.1. genoemd. proces-verbaal, op 24 oktober 1983 op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , beiden assistent-A, ambtenaren van Rijksbelastingen, bevoegde ambtenaren der invoerrechten en accijnzen, geplaatst te Schiphol.
Dit proces-verbaal houdt in - zakelijk weergegeven - als relaas van verrichtingen en bevindingen van verbalisanten of van één hunner. Op 24 oktober 1983 bevonden wij ons in dienst op de luchthaven Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, waar wij ondermeer belast waren met des controle op binnenkomende luchtreizigers en de door hen meegevoerde bagage. Wij bevonden ons bij de uitgang 049 waar zojuist het vliegtuig met vluchtnummer [...] o.a. komende uit Karachi was aangekomen.
Wij bevonden ons daar naar aanleiding van binnengekomen informatie dat zich aan boord van dit vliegtuig een persoon kon zitten met de nigeriaanse nationaliteit. Van deze persoon werd vermoed dat hij zich bezighield met de smokkel van verdovende middelen.
Tussen de uitstappende passagiers bevond zich inderdaad een kennelijk afrikaanse man, dit gezien de door hem gedragen kleding. Ik, [verbalisant 4] , volgde deze mij onbekende man naar de transitbalie gelegen in de D-pier. Daar zag ik dat de man aan een daar dienstdoende employé zijn ticket overhandigde en vroeg naar het toestel naar Lagos. Voorts zag ik op het ticket de naam [verdachte] , en dat het ticket geldig was voor de route Karachi-Amsterdam-Lagos. Ik zag dat aan de buitenkant op het ticket 2 bagagelabels waren geplakt,. waarvan ik er een gedeeltelijk. kon opnemen. Zo zag ik dat de bagage was gelabeld naar Lagos en was genummerd KL.-11-13. Vervolgens heb ik, [verbalisant 4] , de wachtmeester der Rijkspolitie [verbalisant 1] op de hoogte gesteld.
Daarna begaven wij, verbalisanten ons naar de bagagekelder. Wij troffen daar tijdens het uitladen van de containers met bagage van der vlucht KL 836 een Samsonitekoffer gelabeld naar Lagos. Het nummer van dit label, KL. 44-11-13, kwam overeen met het labelnummer op het ticket van voornoemde [verdachte] . Vervolgens troffen wij nog een tweede koffer van het merk Samsonite, eveneens gelabeld naar Lagos, labelnummer KL 44-11-14. Deze koffer was van een kleiner formaat. Nadat wij deze koffer hadden geopend troffen wij onder de bekleding van de koffer een zogenaamde dubbele bodem aan, bestaande uit een formica plaat. Daaronder troffen wij een grijze poeder aan, verpakt in plastic, vermoedelijk heroine. Nadat wij de koffer hadden gesloten, hebben wij middels de portofoon de wachtmeester [verbalisant 1] van onze bevindingen op de hoogte gesteld. Wij, verbalisanten, hebben de beide koffers uit de bagagekelder overgebracht naar een visitatielokaal. Na enige tijd vervoegde zich bij ons in het visitatielokaal de wachtmeesters [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en de afrikaanse man. Nadat wij deze man daarnaar hadden gevraagd, verklaarde hij dat deze twee koffers hem toebehoorden. De man overhandigde ons zijn ticket, genummerd 074-4429 737 293, route Karachi-Amsterdam-Lagos, met daaraan gehecht 2 bagagelabels, waarvan een leesbaar met het nummer KL 44-11-13 welk nummer overeenstemde met het nummer op het bagagelabel van de kleinste Samsonite-koffer. Het ticket was ten naam gesteld van mr. [verdachte] . In het bijzijn van de man hebben wij ook de grote Samsonitekoffer, met bagagelabelnummer KL. 44-11-14, geopend. Ook in deze koffer troffen wij een dubbele bodem aan. Nadat wij d: man daarnaar hadden gevraagd, gaf hij op te zijn [verdachte] , geboren op [geboortedatum] . 1946 te [geboorteplaats] .
4.1.3.
Het. onder 4.1.1. genoemd. proces-verbaal, inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verrichtingen en bevindingen van verbalisanten of van één hunner:
Wij, verbalisanten, hebben deze man die had opgegeven te zijn genaamd [verdachte] aangehouden als verdacht van overtreding van artikel 2 Opiumwet.
Wij, verbalisanten, brachten de verdachte over naar de visitatieruimte van de douane te Schiphol. Aldaar hebben wij, de verdachte geconfronteerd met de twee in de bagagekelder aangetroffen koffers. Wij, verbalisanten, vroegen de verdachte of deze koffers van hem waren. Hij verklaarde: "Deze koffers. zijn van mij"
In genoemde visitatieruimte hebben wij de verdachte aan de kleding en het lichaam onderzocht. In de kleding van de verdachte troffen wij een sleutelhanger aan, waaraan twee koffersleutels waren bevestigd. Deze twee koffersleutels pasten op genoemde koffers en middels deze sleutels konden genoemde koffers worden geopend.
Op 24 oktober 1983 werd de verdachte alsmede zijn bagage, zijnde twee koffers (ruimbagage), een documentenkoffer en een plastic tas (handbagage) door ons overgebracht naar het. bureau, van der rijkspolitie te Schiphol, alwaar wij op 24 oktober 1983 met hem aankwamen.
Tijdens zijn aanhouding was de verdachte in het bezit van een documentenkoffer en een plastic tas. De documentenkoffer was van het merk Samsonite. In deze documentenkoffer troffen wij persoonlijke goederen aan van de verdachte, alsmede nieuwe hemden van het merk Opal vest, welke nog in de verpakking zaten. Ook troffen wij in deze documentenkoffer een sleutelbos aan, waaraan twee koffersleutels waren bevestigd. Deze sleutels waren voorzien van de nummers 383 en 453.
Vervolgens werden door ons de in de bagagekelder aangetroffen koffers onderzocht. Daarbij bleek ons het volgende:
koffer 1: merk Samsonite, kleur zwart, voorzien van sloten met het nummer 453. Aan deze koffer was een bagagelabel bevestigd van de Koninklijke Luchtvaart. Maatschappij, hierna te noemen de K.L.M., voorzien van het nummer KL. 44-11-13. Op deze koffer was een naamsticker bevestigd met het opschrift [verdachte] ., 2 Lagos St Lagos Nigeria te Nigeria. In deze koffer troffen wij herenkleding aan. Deze koffer had een totaalgewicht van 21600 gram. Nadat de inhoud uit deze koffer was verwijderd, had deze koffer een gewicht van 9600 gram. Deze koffer werd op 24 oktober 1983 onderzocht door de technische recherche van de rijkspolitie. Hierbij bleek het volgende: Na verwijdering van de binnenbekleding van de bodem en deksel: werd een zwarte kunststoffen plaat zichtbaar in die bodem en deksel. Na verwijdering van deze platen, zagen wij zowel in de bodem als in de deksel negen plastic zakken. Wij zagen, dat deze plastic vermoedelijke zakken waren gevuld met een stof welke geleek op heroïne.
Deze aangetroffen stof werd door ons op voorgeschreven wijze en met de voorgeschreven middelen getest. Die stof reageerde positief op de heroïnetest. De in die koffer aangetroffen stof werd door ons gewogen . Hierbij bleek, dat de stof, in deze koffer aangetroffen, een totaalgewicht had van ongeveer 3040 gram.
koffer 2: merk Samsonite, kleur zwart, voorzien van sloten met het nummer 383. Aan deze koffer was een bagagelabel bevestigd van de K.L.M. voorzien van het. nummer KL. 44-11-14.
Op deze koffer was een naamsticker bevestigd met het opschrift [verdachte] ., 2 Lagos st, Lagos Nigeria. In deze koffer troffen wij herenkleding aan. Deze koffer had een totaalgewicht van 10500. gram. Nadat de inhoud uit deze koffer was verwijderd, had deze koffer een gewicht van 5200 gram. Deze koffer werd op 24. oktober 1983 onderzocht door de technische recherche van de rijkspolitie. Hierbij bleek het volgende: Na verwijdering van de binnenbekleding van die koffer, van de bodem en de deksel, werd een zwarte kunststofplaat zichtbaar in die deksel en bodem. Na verwijdering, van die platen, zagen wij zowel in de bodem als in de deksel van die koffer zes plastic zakken. Wij zagen, dat deze plastic zakken waren gevuld met een stof welke geleek op heroïne.
Deze aangetroffen stof werd door ons op voorgeschreven wijze en met de voorgeschreven middelen getest. Die stof reageerde positief op de heroïnetest. De in die koffer aangetroffen stof werd door ons gewogen. Hierbij bleek, dat de stof, in deze koffer aangetroffen, een totaalgewicht had van ongeveer 1830 gram.
Het gewicht van de totale hoeveelheid aangetroffen vermoedelijke heroïne bedraagt 4870 gram.
Wij, verbalisanten, namen uit de aangetroffen hoeveelheden vermoedelijke heroïne een representatief monster en schreven deze monsters in onder nummer 254 (koffer 2) en 254a (koffer 1). Deze monsters werden op 24 oktober 1983 door collega. [betrokkene 2] overgebracht naar het Gerechtelijk Laboratorium te Rijswijk. Op 24 oktober 1983 werd door ons onder meer het volgende inbeslaggenomen:
1) twee samsonite koffers;
2) 4870 gram hero:ine;
3) twee sleutelhangers elk met twee koffersleutels;
4.1.4.
Een proces-verbaal, als bijlage behorend bij het onder 4.1.1. genoemd proces-verbaal, op 24 oktober 1983 op ambtseed opgemaakt door [betrokkene 2] ; wachtmeester der Rijkspolitie der eerste klasse, behorende tot de Dienst Luchtvaart van het Korps Rijkspolitie, afdeling Schiphol. Dit proces-verbaal houdt in - zakelijk weergegeven - als relaas van verrichtingen en bevindingen van verbalisant:
Op 24:oktober 1983 heb ik van [verbalisant 2] , wachtmeester der Rijkspolitie eerste klasse, behorende tot de Dienst Luchtvaart van het Korps Rijkspolitie, ontvangen:
2 monsters vermoedelijke heroïne.
Deze vermoedelijke heroïne is op 24 oktober 1983 inbeslaggenomen bij de [verdachte] . Vervolgens heb ik de eerder genoemde vermoedelijke heroïne voor nader onderzoek overgebracht naar het Gerechtelijk Laboratorium te Rijswijk, alwaar ik. op 24. oktober 1983 aankwam. Terstond na aankomst heb ik, verbalisant, de genoemde vermoedelijke heroïne overgedragen aan een ambtenaar bij de afdeling Zaken - Beheer van het Gerechtelijk Laboratorium te Rijswijk. Na, informatie werd mij, verbalisant, medegedeeld dat genoemde vermoedelijke heroïne nader zal worden onderzocht en bij het Gerechtelijk Laboratorium was ingeschreven onder het registratienummer 94047.
4.1.5.
Een rapport, nummer 94047/83/XI,. op 17 november 1983 door [betrokkene 3] , apotheker/scheikundige aan het gerechtelijk laboratorium van het ministerie van justitie te Rijswijk, opgemaakt. op de door hem op 28 november 1974 afgelegde algemene eed, als vast gerechtelijk deskundige.
Dit: rapport: houdt. in -- zakelijk: weergegeven --:
Op 24 oktober 1983 ontving ik in de zaak kontra [verdachte] ,. van [betrokkene 2] wachtmeester I, van de rijkspolitie te Schiphol:
A. monster crêmekleurig poeder;
B. monster crêmekleurig poeder.
Verzocht werd een onderzoek in te stellen naar middelen, welke vallen onder de bepalingen van de Opiumwet. (corr. nr. 254 en 254 A/83 pv.nr. 83.10.24.0157.01).
ONDERZOEK:
Het materiaal werd onderzocht met behulp van mikrochemische reakties en van plaatchromatografie. Hierbij werd vastgesteld dat het materiaal ad 1 en 2 heroïne bevatte. Deze substantie is vermeld op lijst I, behorende bij de Opiumwet.
4.1.6.
Ter terechtzitting zijn aanwezig de bij verdachte inbeslaggenomen koffers. De rechtbank neemt waar dat deze koffers zijn voorzien van "dubbele" deksels en bodems, die gedeeltelijk weggebroken zijn. Voorts neemt zij waar dat er een opvallend duidelijke afstand voelbaar is tussen d: binnenkant van de deksel of bodem en de buitenkant.
4.3.
In aansluiting op deze weergave van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen heeft de Rechtbank in haar in voege als voormeld met overneming van gronden door het Hof bevestigde vonnis nog overwogen en beslist hetgeen in de toelichting op het middel onder 2 is aangehaald.
5. Beoordeling van het middel
5.1.
Kennelijk hebben Rechtbank en Hof op grond van de onder 4.1.6 gerelateerde waarnemingen van de Rechtbank met betrekking tot de koffers in samenhang met verdachtes onder 4.1.1 weergegeven verklaring - in het bijzonder met de daarin gerelateerde omstandigheden dat er al enige kledingstukken in de koffers zaten en dat hij zelf slechts reisde met een documentenkoffer en een tas - onaannemelijk geacht dát het de verdachte niet zou zijn opgevallen dat de deksels en bodems van die koffers opvallend dik waren en dat zij zwaarder waren dan van dergelijke koffers verwacht mocht worden.
5.2.
De hierboven onder 4.3 bedoelde overweging moet aldus worden verstaan, dat daarin is neergelegd het oordeel dat de verdachte, door ondanks de aan het slot van 5.1 genoemde omstandigheden de koffers niet aan een nader onderzoek te onderwerpen, zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat in beide koffers verdovende middelen waren verborgen, in aanmerking genomen dat, naar van algemene bekendheid is, veelal in deksels en bodems van koffers verdovende middelen worden vervoerd. Dit oordeel geeft geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Voor verdere toetsing daarvan is in cassatie geen plaats.
.
5.3.
Uit het vorenoverwogene volgt, dat aan de in het middel bedoelde waarneming van de Rechtbank redengevende kracht niet kan worden ontzegd en dat ook hetgeen in de hierboven onder 4.3 bedoelde overweging is vermeld steunt op gebezigde bewijsmiddelen. 5.4. Het middel is derhalve tevergeefs voorgesteld.
6. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
7. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Van der Ven als voorzitter, en de raadsheren Bronkhorst, De Groot, Jeukens en Haak, in bijzijn van de griffier Sillevis Smitt-Mülder, en uitgesproken op 19 februari 1985.
Conclusie 19‑02‑1985
Inhoudsindicatie
Het in de nadere bewijsoverweging vervatte oordeel dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat in de koffers heroïne zat, geeft geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk; de eigen waarneming van de Rb. kan mede in verband met de algemene ervaring redengevend zijn.
A.T.
Nr. 78.067
Zitting 8 januari 1985.
Mr. Remmelink.
Conclusie inzake:
[verdachte] .
Edelhoogachtbare Heren,
In deze zaak waarin het Hof behoudens de beslissing omtrent de inbeslaggenomen niet teruggegeven voorwerpen en de strafmotivering bevestigend het vonnis van de Rechtbank requirant heeft veroordeeld terzake van "Opzettelijk handelen in strijd met een in art. 2, eerste lid en onder A Opiumwet gegeven verbod" (requirant zou opzettelijk per vliegtuig vanuit het buitenland 4,8 kg heroïne binnen het grondgebied van Nederland hebben gebracht) tot een gevangenisstraf voor de tijd van 6 jaar, tegen welk arrest hij zich van beroep in cassatie heeft voorzien, is namens hem één middel van cassatie voorgesteld.
Aangevoerd wordt, dat de rechters uit de bewijsmiddelen niet hebben kunnen afleiden, dat requirant (voorwaardelijk) opzet heeft gehad. De omstandigheid, dat requirant ieder onderzoek van de op smokkel ingerichte koffers die hij meekreeg achterwege liet zou - zo versta ik het cassatiemiddel - geen aanwijzing van opzet zijn, maar eerder van schuld. Hij deed niet wat hij had behoren te doen. Had hij dat wèl gedaan, dan zou hij hebben geweten. Maar juist de (actuele) wetenschap is noodzakelijk voor opzet, stelt requirant met een beroep op Nieboer .
Ik meen gelet op de gehele context, dat de Rechtbank het anders bedoelt: Zij stelt, dat de omstandigheden waaronder hem de koffers ten vervoer werden aangeboden alle aanleiding gaven die niet zonder meer mee te nemen. Requirant heeft willens en wetens de kans dat het hier om smokkelkoffers ging aanvaard doordien hij opzettelijk heeft nagelaten daarnaar een onderzoek in te stellen.
Zou hij dat wèl hebben gedaan, dan zou hij enz .. Dat nalaten zal opzettelijk zijn geweest, want hij heeft zijn weinige eigendommen in de koffers gestopt en hij werd geconfronteerd met de "opvallend" geringe ruimte. Iedere doorsneemens zal dat opvallen, zo denkt kennelijk de Rechtbank, en wie dan (zg.) onwetend blijft, is niet te goeder trouw, m.a.w. is in werkelijkheid wel op de hoogte. Zie over bewijs van opzet in dit verband ook de jurisprudentie enz. vermeld bij Hazewinkel-Suringa, negende druk, p. 172.
Requirant klaagt er ook nog over, dat de Rechtbank heeft vastgesteld onder de streep dat de koffers een abnormaal hoog "leeg gewicht" hadden. Dat zou uit de gebezigde bewijsmiddelen niet blijken. Ik meen evenwel, dat de Rechtbank deze conclusie heeft kunnen trekken uit de eigen "waarneming" van de koffers. Zij constateerde immers dat de koffers waren voorzien van dubbele deksels en bodems die gedeeltelijk waren weggebroken en dat er een opvallend duidelijke afstand voelbaar was tussen de binnenkant van de deksel of bodem en de buitenkant. M.a.w. de Rechtbank zal de koffers ook wel in handen hebben gehad.
Het middel niet aannemelijk achtend concludeer ik tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,