HR, 02-10-1984, nr. 77212
ECLI:NL:PHR:1984:AB8091
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
02-10-1984
- Zaaknummer
77212
- LJN
AB8091
- Roepnaam
Mag het ietsje meer zijn?
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1984:AB8091, Uitspraak, Hoge Raad, 02‑10‑1984; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1984:AB8091
ECLI:NL:PHR:1984:AB8091, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 02‑10‑1984
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1984:AB8091
- Vindplaatsen
Uitspraak 02‑10‑1984
Inhoudsindicatie
Het Hof mocht i.c. bij de strafoplegging geen rekening houden met het feit dat inmiddels opnieuw processen-verbaal tegen verdachte zijn opgemaakt: onvoldoende strafmotivering nu de opgelegde straf zwaarder is dan de vordering van het OM.
2 oktober 1984Strafkamernr. 77.212ED
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 21 november 1983 in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft verstaan dat de verdachte van het vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Utrecht van 29 juni 1981, voor zover dit is gewezen ten aanzien van het bij inleidende dagvaarding met parketnummer 14878-0 telastegelegde, in verzet is gekomen en de zaak in zover ter verdere afdoening naar de Politierechter verwezen.
Voorts heeft het Hof in hoger beroep - met vernietiging van voormeld vonnis van de Politierechter, voor zover aan zijn oordeel onderworpen - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding parketnummer 8583-0 onder II telastegelegde en hem ter zake van I. "diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak" en III."diefstal" veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2. Het cassatieberoep
Het beroep, dat zich kennelijk niet richt tegen de gegeven vrijspraak, is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft Mr. E. Hummels, advocaat te Utrecht, het volgende middel van cassatie voorgesteld:
Schending of verkeerde toepassing van het nederlandse recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, in het bijzonder artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.
Toelichting
Het Amsterdamse Gerechtshof heeft met betrekking tot het opleggen van een zwaardere straf aan requirant tot cassatie onder meer overwogen:
" ... dat tegen hem in het afgelopen jaar opnieuw een aantal malen procesverbaal is opgemaakt terzake van soortgelijke delikten ... ".
Ten onrechte is het Hof aldus tot strafverzwaring gekomen.
Het spiegelbeeld, te weten het feit dat iemand nadien op het goede pad is gebleven, kan zonder meer een reden zijn voor mildere bestraffing.
Het feit echter dat tegen iemand opnieuw processen-verbaal zijn opgemaakt mag daarentegen echter niet leiden tot zwaardere bestraffing van de delikten in de voorafgaande periode. Zulks zou neerkomen op een dubbele bestraffing. Immers terzake van de genoemde processen-verbaal uit 1983 wordt requirant tot cassatie reeds vervolgd. Het Hof is derhalve ten onrechte tot strafverzwaring gekomen, maar in ieder geval heeft het Hof deze strafverzwaring niet naar de eisen der wet met redenen omkleed.
3. De conclusie van het Openbaar Ministerie
De Advocaat-Generaal Leijten heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep te worden berecht en afgedaan.
4. Bewezenverklaring
Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard:
dat
I. hij te [plaats] op 22 maart 1980, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeeigening heeft weggenomen: een bruin kleurig zakboekje, drie sleutels, een hamer, een paar handschoenen en een doosje inhoudende enkele sieraden, alles toebehorende aan: [benadeelde 1] , uit een perceel - woonhuis - gelegen aan de [a-straat] aldaar, waarbij zijn mededader zich de toegang tot dat perceel heeft verschaft en die goederen onder hun bereik heeft gebracht door een ruit van dat perceel te vernielen;
III. hij te [plaats] , op 11 februari 1980 met het oogmerk, van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen: een damestas, inhoudende onder meer een etui met autopapieren en rijbewijs, een Chinees dagboekje, een zakagenda, girobetaalkaarten en -pasje, een kluissleutel aan ring en een portemonnee, inhoudende een bedrag aan geld, toebehorende aan: [benadeelde 2] .
5. Beoordeling van het bestreden arrest naar aanleiding van het middel en ambtshalve
5.1 De Politierechter heeft de verdachte - bij verstek - veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, zulks terzake van de feiten, hierboven onder 1 vermeld sub I en III, alsmede terzake van poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak - waarvan het Hof de verdachte heeft vrijgesproken - en terzake van het feit waaromtrent het Hof heeft verstaan dat de verdachte van het vonnis van de Politierechter te dien aanzien in verzet is gekomen.
5.2 In hoger beroep heeft de Procureur-Generaal gevorderd dat het Hof het vonnis van de Politierechter zal bevestigen, met dien verstande dat de verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn beroep voor zover het is gericht tegen het vonnis van de Politierechter in zoverre dit betrekking heeft op het in de zaak met parketnummer 14878-0 telastegelegde feit.
5.3 Het Hof heeft de verdachte veroordeeld tot dezelfde straf als door de Procureur-Generaal gevorderd, doch alleen terzake van de onder 1 sub I en III vermelde feiten.
5.4 Het Hof heeft met betrekking tot de strafoplegging overwogen:
dat na te melden straf in overeenstemming is met de ernst van het bewezene, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken;
dat in het bijzonder het feit dat de verdachte, aan wie reeds eerder onvoorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd voor soortgelijke en andere vermogensdelicten, zich nadien schuldig heeft gemaakt aan de thans bewezen verklaarde feiten, en dat tegen hem in het afgelopen jaar opnieuw een aantal malen proces-verbaal is opgemaakt terzake van soortgelijke delicten, het hof heeft geleid tot de keuze van gevangenisstraf, voor na te melden gedeelte onvoorwaardelijk op te leggen, en aldus - aangezien die straf thans voor minder feiten wordt opgelegd dan bij de rechtbank het geval was - tot een zwaardere straf dan de rechtbank heeft opgelegd.
5.5 Waar het Hof overweegt, dat het tot de keuze van de aan de verdachte opgelegde straf mede is geleid door het feit "dat tegen hem in het afgelopen jaar opnieuw een aantal malen proces-verbaal is opgemaakt terzake van soortgelijke delicten", heeft het kennelijk op het oog een aantal processen-verbaal, vermeld op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister van de afdeling van de justitiële documentatiedienst te 's-Hertogenbosch van 27 september 1983 betreffende de verdachte, van welk uittreksel de voorzitter ter terechtzitting van 7 november 1983 mondeling de korte inhoud heeft medegedeeld.5.6 Aangezien echter:
(a) uit de enkele omstandigheid dat blijkens gemeld uittreksel tegen de verdachte opnieuw processen-verbaal zijn opgemaakt terzake van soortgelijke delicten, nog niet volgt dat de verdachte die delicten heeft begaan,
(b) de verdachte ter terechtzitting van 7 november 1983 niet is verschenen en zich toen mitsdien niet heeft kunnen uitlaten omtrent de vraag of hij evenbedoelde delicten al dan niet heeft begaan,
(c) bovendien uit niets blijkt dat terzake van die delicten geen vervolging meer tegen de verdachte zal worden ingesteld,
had het Hof bij de strafoplegging geen rekening mogen houden met het feit dat tegen de verdachte meergemelde processen-verbaal zijn opgemaakt.
5.7 Uit het onder 5.1, 5.2 en 5.3 overwogene, in onderlinge samenhang beschouwd, volgt voorts dat het Hof een zwaardere straf heeft opgelegd dan door de Procureur-Generaal was gevorderd. Immers, weliswaar is de door het Hof opgelegde straf, ook
voor wat het voorwaardelijk opgelegde gedeelte betreft, gelijk aan de door de Procureur-Generaal gevorderde, maar de strafoplegging door het Hof heeft betrekking op twee, de door de Procureur-Generaal gevorderde straf op drie feiten.5.8 Gelet op het zojuist overwogene had het Hof ingevolge het zevende lid van art. 359 Sv. in het bijzonder de redenen moeten opgeven die tot het opleggen van een zwaardere straf dan door de Procureur-Generaal was gevorderd hebben geleid.
Het bestreden arrest bevat zodanige opgave niet, hetgeen tot nietigheid leidt ingevolge het achtste lid van art. 359.
6. Slotsom
Het onder 5 overwogene brengt mee dat het bestreden arrest niet in stand kan blijven en verwijzing moet volgen.
7. Beslissing
De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer Van der Ven als voorzitter en de raadsheren Bronkhorst, De Groot, De Waard en Jeukens, in bijzijn van de griffier Sillevis Smitt-Mülder, en uitgesproken op 2 oktober 1984.
Conclusie 02‑10‑1984
Inhoudsindicatie
-
ChNr. 77.212Zitting 5 juni 1984
Mr. Leijten Conclusie inzake:[verdachte]
Edelhoogachtbare Heren,
1. In het middel wordt erover geklaagd, dat het hof te Amsterdam - rechtdoende in appèl bij arrest van 21 november 1983- heeft besloten aan verzoeker wegens het bewezenverklaarde: inbraak en diefstal, een zwaardere straf op te leggen dan de Utrechtse politierechter deed onder meer omdat "in het afgelopen jaar opnieuw een aantal malen proces-verbaal is opgemaakt terzake van soortgelijke delicten". 2. De politierechter had vonnissend bij verstek nominaal dezelfde straf opgelegd: zes maanden gevangenisstraf, waarvan drie voorwaardelijk, proeftijd twee jaar en aftrek van voorarrest, maar dat betrof allereerst ook nog een derde telastegelegd, soortgelijk feit: poging tot inbraak, waarvan het hof hem vrijsprak. 3. Ook nog een vierde feit, gevoegd telastegelegd, speelt een (kleine) rol. Het betrof kort gezegd aanwezig hebben van 0,43 gram hashish. Ook dat achtte de politierechter bewezen, hij kwalificeerde het (ten onrechte) als het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met het in art. 3, onder C van de Opiumwet gegeven verbod en ook dat feit viel onder de strafoplegging van zes maanden enz.4. Met betrekking tot dat telastegelegde feit overwoog het hof dat het een overtreding opleverde, en dat nu die bij de politierechter was aangebracht, het daartegen te richten rechtsmiddel dat van verzet was.Het hof "converteerde" in zoverre het appel in verzet. Twee opmerkingen hierover: het lijkt duidelijk dat verzoeker geen enkel belang kan hebben bij dit verzet. Wat hij voor dit feit in eerste aanleg heeft gekregen zal eeuwig onbekend blijven, maar het zat in die zes maanden in. Komt er enige straf uit die verzetsbehandeling, dan is dat een surplus. En voorts: is het zo zeker dat er nu de politierechter het telastegelegde feit heeft gekwalificeerd als: opzettelijk handelen enz, en verzoeker onder aanhaling van art. 57 en niet óók van art. 62 Sr. terzake dus door deze is veroordeeld wegens misdrijf, voor verzoeker hier geen hoger beroep open stond? Wat is dienaangaande beslissend: de telastelegging of het vonnis?
Ik heb er redelijk lang over gepiekerd maar ik ben er nog niet uit.5. Na wat men tegenwoordig misschien wel heroverweging zou noemen acht ik het middel gegrond. Wat houden die processenverbaal in? Beschrijving van vermoedelijk door verzoeker begane strafbare feiten van soortgelijke aard neem ik aan. Worden die in die processen-verbaal door verzoeker erkend? Ik weet het niet. Blijkt ergens uit, dat zij ter zitting in eerste aanleg of in hoger beroep zijn ter sprake gebracht? Ik zou daarop bevestigend willen antwoorden, gelet op het proces-verbaal van de zitting van 7 november 1983, waaruit blijkt dat de voorzitter van het hof heeft meegedeeld de korte inhoud van een verzoeker betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister, waarin van de ontvangst van processen-verbaal uit het afgelopen jaar melding wordt gemaakt. Toen echter was verzoeker niet aanwezig. Uiteraard heeft hij de feiten, waar het in die processen-verbaal over ging niet erkend. Dat zijn raadsman er iets over gezegd heeft, blijkt evenmin. Ik vind dat dit zo lijkt op het "meenemen" van ad-informandumzaken, dat ook hier, willen de strafbare feiten, vermeld in die verbalen meedoen, deze ter zitting door de verdachte erkend moeten zijn. Bovendien is er in dit geval geen enkele aanwijzing dat het O.M. heeft toegezegd voor deze zaken straks geen vervolging meer in te zullen stellen. Het ziet er zelfs naar uit dat die zaken straks wel vervolgd zullen worden met als middelpunt parketno. 8878. En dan kan deze grond voor verzwaring van de huidige straf twee keer werken.Ik besef dat deze hele denkwijze simpel overboord kan worden gezet door te overwegen, dat het hof door deze motivering slechts te kennen heeft willen geven dat de betrokkenheid van verzoeker bij nieuwe strafbare feiten, het niet teruggekeerd zijn van de dwaalwegen der criminaliteit, uit die processenverbaal blijkt en dat dit een omstandigheid de persoon van verzoeker en diens omstandigheden betreffend is, die in de strafmaat kan worden verdisconteerd. Ik heb echter duidelijk trachten te maken, waarom ik die gedachtengang niet wil volgen. Het past, dunkt mij, niet in een zorgvuldig systeem, waarbij mensen slechts tot straf kunnen worden veroordeeld wegens bewezen of in het strafproces zelf erkende strafbare feiten.
Zoals het hof terecht overwoog legde het, voor twee feiten veroordelend een zelfde straf opleggend als de politierechter die dat voor vier feiten deed, een zwaardere straf op dan de politierechter deed. Dat behoefde, strikt wettelijk, geen bijzondere verklaring. Wèl waarom het een hogere straf oplegde dan de procureur-generaal vorderde.
Die immers vorderde bevestiging van het vonnis van de politierechter, dus ook wat de strafmaat betrof, maar dan voor de drie feiten, genoemd onder 2). Het hof heeft verzuimd de bijzondere redenen daarvoor op te geven. Dat leidt tot nietigheid van het arrest, gelet op art. 359 lid 7 en 8 en art. 415 Sv.
Deze conclusie strekt ertoe, dat de Hoge Raad wegens gegrondheid van het middel en/of ambtshalve het bestreden arrest zal vernietigen en de zaak zal verwijzen naar een aangrenzend hof teneinde deze op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,