HR, 29-09-1981, nr. 72931
ECLI:NL:PHR:1981:AC7336
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
29-09-1981
- Zaaknummer
72931
- LJN
AC7336
- Roepnaam
Plastic boodschappentasje
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1981:AC7336, Uitspraak, Hoge Raad, 29‑09‑1981; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1981:AC7336
ECLI:NL:PHR:1981:AC7336, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 29‑09‑1981
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1981:AC7336
- Vindplaatsen
Uitspraak 29‑09‑1981
Inhoudsindicatie
1. Gesprek op straat is i.c. geen verhoor als bedoeld in art. 29 lid 2 Sv. 2. Verdachte was, ondanks zijn slechte geestelijke en lichamelijke toestand, in staat in vrijheid te bepalen wat hij wenste te verklaren.
Partij(en)
29 september 1981
Strafkamer
nr. 72.931
J.O.
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een tussenarrest van 23 mei 1980 en een eindarrest van 13 november 1980 van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [plaats] op [geboortedatum] 1955, wonende te [plaats].
1. De bestreden uitspraken
Het Hof heeft in hoger beroep bij het arrest van 23 mei 1980 het onderzoek heropend en geschorst voor onbepaalde tijd, en bij het arrest van 13 november 1980 - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 6 december 1978 - de verdachte ter zake van “diefstal" veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf.
2. Het cassatieberoep
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft Mr.G. Spong, advocaat te 's-Gravenhage, de navolgende middelen van cassatie voorgesteld:
MIDDEL I
Verzuim van vormen waarvan niet-naleving nietigheid medebrengt en/of schending van het recht met name de artt. 27, 29, 359, 415 Sv. doordien het Hof het namens rekwirant ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen verweer inhoudende dat rekwirant op het tijdstip dat hij op straat door verbalisanten werd aangesproken niet als verdachte kon worden aangemerkt, ten onrechte heeft verworpen, althans op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen, zodat 's-Hofs arrest niet naar de eis der Wet voldoende met redenen is omkleed.
AD A DE FEITEN
Blijkens 's-Hofs arrest staat feitelijk vast dat de verbalisanten rekwirant kenden.
Tevens staat vast dat zij zich tot hem hebben gewend met 2 vragen t.w. de vraag wat zich in de plastic tas bevond (die rekwirant bij zich droeg) en voorts, toen rekwirant geantwoord had dat het boeken waren, de vraag waar hij die boeken had gekocht.
Het Hof verwerpt het verweer inhoudende dat [verdachte] op het tijdstip dat hij op straat door verbalisanten werd aangesproken niet als verdachte kon worden aangemerkt, zodat art. 27 Sv. is geschonden.
Het Hof overweegt hiertoe zakelijk weergegeven:
"dat het de verbalisanten vrijstond om aan de - hen bekende - [verdachte] te vragen wat zich in de plastic tas, die hij bij zich droeg, bevond en - na zijn antwoord dat het boeken waren - waar hij die boeken had gekocht;
dat het [verdachte] evenzeer vrijstond om al dan niet op deze vragen te antwoorden;
dat [verdachte] pas nadat hij op de tweede vraag van verbalisanten had geantwoord de boeken te hebben gestolen als verdachte in de zin van art. 27 van het Wetboek van Strafvordering werd aangemerkt"
Annotator Mulder vestigt in zijn noot bij dit arrest d.d. 2 okt. 1979 de aandacht er op dat niet altijd haarscherp het moment valt aan te duiden wanneer iemand verdachte is.
De kern van de zaak is de vraag of het Hof geredelijk tot het oordeel heeft kunnen komen dat rekwirant pas verdacht werd na zijn antwoord op de tweede vraag.
3 omstandigheden zijn in casu relevant.
1. Rekwirant was bekend bij de verbalisanten.
2. De aard van de door de verbalisanten gestelde vragen is van dien aard dat deze bezwaarlijk anders tot uitdrukking brengen dan dat bij de verbalisanten gerede twijfel bestond omtrent de rechtmatige verkrijging door rekwirant.
3. Indien Uw Raad bereid is kennis te nemen van het te dezer zake opgemaakt P.V. 3508/1978 (pg.2) zal Uw Raad bevinden dat de verbalisanten zich "begaven" naar rekwirant. Van een toevallig elkaar tegen het lijf lopen is dus geen sprake. Hieruit blijkt dat de verbalisanten, die surveillancedienst hadden, reeds op dat moment een vermoeden moeten hebben gehad dat rekwirant zich zou hebben schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.
Het moet voor een ieder duidelijk zijn dat toen rekwirant met voornoemde vragen benaderd werd reeds "verdacht" was, omdat het zomaar informeren door 2 verbalisanten naar de inhoud van een tas en de herkomst van goederen daarvan nu eenmaal niet als een volstrekt normale gebeurtenis aangemerkt kan worden.
Het samenstel van de onderhavige vragen dient naar de mening van rekwirant dan ook gezien te worden als een subtiele poging te achterhalen of hij de goederen in de plastic tas had gestolen.
Aangezien deze feiten het Hof evident tot een ander oordeel hadden moeten leiden kan 's-Hofs arrest niet in stand blijven.
MIDDEL II
Verzuim van vormen waarvan niet naleving nietigheid medebrengt en/of schending van het recht met name de artt. 359, 415 Sv. doordien het Hof het namens rekwirant in hoger beroep voorgedragen verweer inhoudende dat het verhoor op het politiebureau onder ontoelaatbare omstandigheden is afgenomen ten onrechte, althans op gronden die zulks niet kunnen dragen, heeft verworpen, zodat 's-Hofs arrest niet naar de eis der Wet met redenen heeft omkleed.
C.
Kennelijk ligt aan het oordeel van het Hof ten grondslag dat voor het afleggen van een verklaring in het kader van een verhoor minder "strenge eisen omtrent verdachtes geestelijke en lichamelijke gesteldheid gesteld hoeven te worden dan bij een rijden met verdachte het geval is.
Rekwirant wenst in het midden te laten of deze opvatting voorzover betrekking hebbende op de lichamelijke gesteldheid juist is omdat voorstelbaar is dat genoemde handelingen niet, dezelfde fysieke conditie vereisen doch meent dat genoemde opvatting niet aanvaardbaar is voor wat betreft de geestelijke gesteldheid. Zowel het rijden door [plaats] - om aanwijzingen te geven - als een verklaring afleggen hebben gemeen dat rekwirant bewijs tegen zichzelf schept en hebben alzo gemeen dat een zekere vrije wilsvorming gebaseerd op een adekwate geestelijke toestand vereist is.
Zodra dan ook gekonstateerd wordt dat de geestelijke toestand van een verdachte niet toelaat dat deze bewijsscheppende handelingen, welke in casu op één lijn met het afleggen van een verklaring gesteld mogen worden, verricht, dient te worden aangenomen dat verdachte tevens niet in staat moet worden geacht een verklaring als bedoeld in art. 29 1 Sv. af te leggen.
De konklusie welke het Hof in dit verband aan de konstateringen van de verbalisanten verbindt is derhalve apert onjuist, zodat Uw Raad voorzover hierin een feitelijk oordeel gelezen wordt, zulks in cassatie kan toetsen nu de feiten immers tot een ander oordeel hadden moeten leiden.
3. De conclusie van het Openbaar Ministerie
De Advocaat-Generaal Mok heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
4. Bewezenverklaring en gebezigd bewijsmiddel
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard:
"dat hij op 29 maart 1978 te [plaats] "met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen uit een filiaal van de [boekhandel] , twee boeken toebehorende aan voornoemde boekhandel".
Deze bewezenverklaring steunt op een procesverbaal van 29 maart 1978, op ambtsbelofte respectievelijk ambtseed opgemaakt door [verbalisant 1] , en [verbalisant 2] , beiden hoofdagent van [gemeentepolitie-rechercheur] , voor zover inhoudende:
A. als op 29 maart 1978 aan verbalisant [verbalisant 1] afgelegde verklaring van de verdachte:
"Op 29 maart 1978 bevond ik mij in de [boekhandel] . Ik ben gaan rondkijken in die zaak. Toen ik enkele delen van de Nieuwe Winkler Prins zag staan, kreeg ik het idee om twee delen te gaan stelen. Ik pakte deel drie en vier en liep met de twee delen de winkel uit zonder de boeken op de gebruikelijke wijze te hebben betaald. Ik heb van niemand het recht of de toestemming gekregen de boeken, die mij niet in eigendom toebehoren, weg te nemen en mij toe te eigenen".
B. als op 29 maart 1978 aan verbalisant [verbalisant 2] afgelegde verklaring van [betrokkene 1] :
"Ik ben filiaal-directeur van de [boekhandel] . Uit hoofde van mijn beroep ben ik bevoegd tot het doen van aangifte. Ik hoor van u dat u een man heeft aangehouden, die heeft bekend twee boeken uit mijn winkel te hebben gestolen. U heeft mij deze twee boeken getoond. De twee boeken die mij zijn getoond, zijn soortgelijk aan boeken die ik in mijn winkel verkoop. Het gaat hier om twee encyclopediën van het, merk "Winkler-Prins" deel III en deel IV. Ik heb aan niemand het recht of de toestemming gegeven bedoelde boeken weg te nemen en zich zonder te betalen toe te eigenen. Deze boeken behoren de [boekhandel] geheel in eigendom toe".
5. Verwerping van gevoerde verweren
5.1.
Blijkens het bestreden arrest van 13 november 1980 heeft de raadsman namens de verdachte aangevoerd:
"dat het bewijsmateriaal onrechtmatig is verkregen, omdat:
a. [verdachte] op het tijdstip dat hij op straat door verbalisanten werd aangesproken niet als verdachte kon worden aangemerkt, zodat artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering is geschonden;
b. dat gesprek op straat als verhoor moet worden aangemerkt en daarbij het voorschrift van artikel 29, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering niet is nageleefd;
c. het verhoor op het politiebureau onder ontoelaatbare omstandigheden is afgenomen, omdat verbalisanten in hun proces-verbaal vermeldden dat een rijden met verdachte door [plaats] (nl. om een andere boekwinkel op te sporen, waar [verdachte] ook boeken had weggenomen) geen enkele zin had, aangezien - aldus verbalisanten - de verdachte [verdachte] in een zodanige slechte geestelijke en lichamelijke toestand verkeerde, dat er geen resultaat mogelijk was. Kennelijk verkeerde de verdachte onder invloed van het gebruik van verdovende middelen".
5.2.
Het Hof heeft deze verweren verworpen op grond van de navolgende (door de Hoge Raad van de aanduidingen "ad a en b" en "ad c" voorziene) overwegingen:
ad a en b: "dat het de verbalisanten vrijstond om aan de - hen bekende - [verdachte] te vragen wat zich in de plastic tas, die hij bij zich droeg, bevond en - na zijn antwoord dat het boeken waren - waar hij die boeken had gekocht;
dat het [verdachte] evenzeer vrijstond om al dan niet op deze vragen te antwoorden;
dat [verdachte] pas nadat hij op de tweede vraag van verbalisanten had geantwoord de boeken te hebben gestolen als verdachte in de zin van "artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering werd aangemerkt en derhalve eerst toen het voorschrift van artikel 29, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering diende te worden nageleefd en ook is nageleefd;
ad c: dat het oordeel van verbalisanten, dat het rijden met verdachte door [plaats] om de boven geciteerde reden niet zinvol was, op zichzelf niet de conclusie rechtvaardigt dat verdachte niet in staat was op het politiebureau een verklaring af te leggen;
dat het hof mitsdien ook dit verweer van der raadsman verwerpt".
6. Beoordeling van het eerste middel
6.1.
Voor zover het middel klaagt over de verwerping van het hiervoren onder 5.1 sub a weergegeven verweer, te weten: dat [verdachte] op het tijdstip waarop hij door de verbalisanten werd aangesproken niet als verdachte kon worden aangemerkt, faalt het reeds omdat in 's Hofs onder 5.2 ad a en b weergegeven overwegingen besloten ligt, dat [verdachte] op dat tijdstip in feite ook niet als verdachte werd aangemerkt.
6.2.
Blijkens de gegeven toelichting bedoelt het middel echter tevens te klagen over de verwerping van het hiervoren onder 5.1 sub b vermelde verweer. Dienaangaande is het volgende van belang:
6.2.1.
Het onder 4 vermelde proces-verbaal van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] houdt als relaas van verbalisanten omtrent hetgeen zij op 29 maart 1978 te 13.30 uur in de [a-straat] te [plaats] hebben waargenomen het volgende in:
"Op die plaats en dat tijdstip zagen wij, verbalisanten, de ons bekende [verdachte] lopen in de " [a-straat] , alhier. Wij zagen dat hij een plastic tas in zijn handen droeg. Wij begaven ons naar [verdachte] . Op onze vraag wat zich in de plastic tas bevond, antwoordde hij dat hij vier boeken bij zich droeg. Wij, verbalisanten, vroegen hem waar hij die boeken gekocht had. [verdachte] antwoordde ons dat hij de vier boeken, die hij bij zich droeg, even tevoren bij twee boekwinkels had gestolen.
Het bleek ons, verbalisanten, dat zich in de plastic tas vier boeken bevonden ven wel deel I tot en met deel IV van de Nieuwe Winkler Prins Encyclopedie.
Wij hebben op woensdag, 29 maart 1978 te 13.40 uur in de [a-straat] als verdacht van diefstal van boeken aangehouden, [verdachte] ".
6.2.2.
Anders dan het middel betoogt, vloeit uit dit relaas niet noodzakelijk voort, dat de verbalisanten reeds op het tijdstip waarop zij [verdachte] op straat aanspraken, te zijnen aanzien een redelijk vermoeden van schuld in de zin van artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aanwezig achtten. Voormeld relaas kan immers geredelijk in die zin worden verstaan, dat de verbalisanten daarin tot uitdrukking wilden brengen, dat de omstandigheid dat de hun bekende [verdachte] met een plastic tas in zijn handen in de [a-straat] te [plaats] liep, hun enerzijds wèl aanleiding gaf zich naar [verdachte] te begeven en hem voormelde vragen te stellen, doch anderzijds door hen niet zonder meer werd beschouwd als een omstandigheid waaruit een redelijk vermoeden van schuld in de zin van laatstgemeld artikel voortvloeide.
6.2.3.
Door te overwegen:
"dat [verdachte] pas nadat hij op de tweede vraag van verbalisanten had geantwoord de boeken te hebben gestolen als verdachte in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering werd aangemerkt,
heeft het Hof aan het onder 6.2.1. weergegeven relaas van verbalisanten derhalve een uitleg gegeven, welke niet onverenigbaar is met de bewoordingen waarin dat relaas is gesteld en welke in cassatie moet worden geëerbiedigd.
6.2.4.
Voor zover het over die uitleg klaagt, treft het middel derhalve evenmin doel.
7. Beoordeling van het tweede middel
7.1.
Meergemeld proces-verbaal van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] behelst voorts nog als verklaring van de verdachte, aansluitend op diens hiervoren onder 4 sub A weergegeven verklaring:
"Ik ben de winkel uitgelopen en ben naar een andere boekenwinkel gelopen, ik dacht dat die op de De Plaats is gevestigd. Ik wilde namelijk ook deel één en twee in mijn bezit krijgen. Ik ben toen die boekenwinkel ingelopen en heb deel één en twee van de Nieuwe Winkler Prins eveneens in het plastic tasje gedaan. Daarna ben ik weer de winkel uitgelopen".
en als relaas van verbalisanten naar aanleiding hiervan:
"Bij een door ons, verbalisanten, ingesteld onderzoek naar de boekenwinkel alwaar de verdachte de delen één en twee zou hebben ontvreemd, kon niet van een gunstig resultaat blijken. Die boekenwinkel is door ons niet gevonden, Een rijden met deze verdachte door [plaats] had geen enkele zin aangezien de verdachte R.M.L. [verdachte] in een zodanige slechte geestelijke en lichamelijke toestand verkeerde, dat er geen resultaat mogelijk was. Kennelijk verkeerde de verdachte onder invloed van het gebruik van verdovende middelen".
7.2.
Uit laatstgemeld relaas van verbalisanten volgt niet zonder meer, dat de verdachte tengevolge van de slechte geestelijke toestand waarin hij verkeerde niet in staat mocht worden geacht een verklaring als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering af te leggen. Waar het middel ten betoge van het tegendeel aanvoert, dat het rijden met de verdachte door [plaats] ter opsporing van evenbedoelde boekwinkel als bewijsscheppende handeling op één lijn is te stellen met het afleggen van een verklaring door de verdachte, omdat in beide situaties "een zekere vrije wilsvorming gebaseerd op een adekwate geestelijke toestand vereist is", ziet het eraan voorbij, dat het Hof het onder 7.1 weergegeven relaas van verbalisanten geredelijk aldus heeft kunnen uitleggen - gelijk het Hof, overwegende zoals onder 5.2 sub c weergegeven, kennelijk ook hééft gedaan -, dat daarin tot uitdrukking is gebracht, dat de geestelijke en lichamelijke toestand waarin de verdachte verkeerde van dien aard was, dat hij enerzijds niet bij machte kon worden geacht laatstbedoelde boekwinkel terug te vinden en aan te wijzen, doch anderzijds wèl in staat moch worden geacht in vrijheid zijn wil te bepalen ten aanzien van hetgeen hij al dan niet aan de verbalisanten wenste te verklaren.
7.3.
Uit het vorenoverwogene volgt, dat het middel tevergeefs is voorgesteld.
8. Slotsom
Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraken ambtshalve zouden behoren te worden vernietigd, moet het cassatieberoep worden verworpen.
9. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Moons als voorzitter en de raadsheren Van der Ven, De Waard, Hermans en Jeukens, in bijzijn van de griffier Sillevis Smitt-Mülder, en uitgesproken op 29 september 1981.
Conclusie 29‑09‑1981
Inhoudsindicatie
1. Gesprek op straat is i.c. geen verhoor als bedoeld in art. 29 lid 2 Sv. 2. Verdachte was, ondanks zijn slechte geestelijke en lichamelijke toestand, in staat in vrijheid te bepalen wat hij wenste te verklaren.
L.
Nr. 72931
Zitting 23 juni 1981.
Mr. Mok.
Conclusie inzake het beroep
van [verdachte] .
Edelhoogachtbaar College,
Centraal in deze zaak staat de vraag wannéer sprake is van "verhoor van een verdachte" in de zin van art. 29, lid 2, Sv., en daarmee wanneer de in die wetsbepaling bedoelde mededeling (ook wel aangeduid als "cautie" - een uitdrukking die ik liever vermijd, omdat zij in het recht al een andere betekenis had) moet worden gedaan.
Rekwirant is in hoger beroep door het Haagse hof tot twee weken gevangenisstraf veroordeeld terzake van diefstal. Twee politiemannen kwamen hem op straat tegen en vroegen hem wat er in de plastic tas, die hij droeg, zat. Na het antwoord "boeken" vroegen de agenten aan rekwirant waar hij deze had gekocht. Vervolgens bleek dat hij ze had gestolen.
Middel I steunt op de veronderstelling dat de politiemensen al vóór zij rekwirant aanspraken een redelijk vermoeden hadden dat hij gestolen goederen bij zich had. Dat zou betekenen dat zij hem als verdachte beschouwden en dat het vraaggesprek het karakter van een verhoor had.
De toelichting op het middel wijst op een proces-verbaal van de Haagse gemeentepolitie van 29 maart 1978, nr. 3508/1978, dat tot de gedingstukken behoort. Dat proces-verbaal vermeldt dat de verbalisanten, in burger, in een bepaalde straat in [plaats] aan het surveilleren waren. "Op die plaats en dat tijdstip zagen wij, verbalisanten, de ons bekende [verdachte] lopen ( ... ) Wij zagen dat hij een plastic tas in zijn handen droeg. Wij begaven ons naar [verdachte] . Wij, verbalisanten, vroegen hem waar hij die boeken gekocht had. [verdachte] antwoordde ons dat hij de vier boeken ( ... ) had gestolen."
Het middel beklemtoont dat de agenten rekwirant kenden en dat zij zich naar hem begaven. Op zichzelf lijkt dat niet doorslaggevend. Het is heel normaal dat men, als men op straat een bekende ziet, naar hem toegaat en evt. door het stellen van een vraag, een gesprek met hem begint. Het ligt misschien wel iets anders als het om surveillerende politieagenten in burger gaat, die een "bekende" met een uitvoerige straflijst tegenkomen.
Desondanks kan men niet uitsluiten dat ook in zo'n geval de politiemannen niet meer willen doen dan een praatje maken, zij het met de gedachte in hun achterhoofd nuttige informatie te verwerven. Men kan niet volhouden dat ieder aan wie een surveillerende agent iets vraagt daarmee verdachte is, al kent de agent hem en al heeft hij een straflijst. I.c. lijkt de inkleding van de tweede gestelde vraag - waar de boeken waren. gekocht - erop te wijzen dat (nog) geen verdenking van diefstal aanwezig was. Anderzijds (in de woorden van de wnd. a.g. Minkenhof voor HR 2 oktober 1979, NJ 1980, 243, m.n. G.E. Mulder): "het moet ook niet zó worden, dat de politie opzettelijk de vragen in deze onschuldig lijkende informatieve vorm gaat inkleden om aan de cautie van art. 29 te ontkomen."
In zijn noot onder het genoemde arrest schrijft Mulder: " ... hier rijst wel het interessante probleem wanneer er moet worden gewaarschuwd. Het antwoord is in theorie duidelijk. Zolang tegen iemand geen op feiten en omstandigheden gebaseerd redelijk vermoeden van schuld bestaat (art. 27 lid 1 Sv. ) is hij tijdens het opsporingsonderzoek geen verdachte. Dan kan de politie informatieve vragen stellen, ook al zou een antwoord de aangesprokene verdacht maken. ( ... ) Hierbij geldt ( ... ) het beginsel, dat iemand wordt vermoed onschuldig te zijn totdat het tegendeel is gebleken. Dat beginsel heeft vooral betrekking op verhoren door de rechter ( ... ). Naar analogie daarvan geldt voor een opsporingsambtenaar dat hij iemand niet als verdachte dient te behandelen die het nog niet is. Doet hij dat wel, dan heeft de betrokkene ook meteen alle aanspraken op de rechtsbescherming die het strafprocesrecht hem biedt. "
Die opvatting van Mulder zou ik willen onderschrijven. Dat betekent dat het in deze zaak aankomt op de vraag of de opsporingsambtenaren bij het gesprek op straat rekwirant onmiddellijk als verdachte hebben moeten behandelen. Die vraag heeft het hof ook beantwoord en wel als volgt: "dat [verdachte] pas nadat hij op de tweede vraag van verbalisanten had geantwoord de boeken te hebben gestolen als verdachte in de zin van art. 27 van het Wetboek van Strafvordering is aangemerkt ( ... )".
Is dat antwoord juist? Uiteraard stelt de politie niet aan willekeurige voorbijgangers vragen naar de inhoud van pakjes die zij bij zich hebben. In dit geval kende de agenten de betrokken voorbijganger (rekw. ) en wel, mag men aannemen, door zijn strafrechtelijk verleden. Dat stempelt hem niet tot verdachte. Men moet zich hoeden voor toepassing van de zegswijze "wie eens steelt is altijd een dief". Het is geenszins uitgesloten dat de politieagenten benieuwd waren of rekwirant zijn leven gebeterd had. Hun initiale vraagstelling waar de boeken gekocht waren wijst in die richting, al bestaat (zie de eerder geciteerde conclusie van mevr. Minkenhof) de mogelijkheid dat de politie vragen behoedzaam formuleert om aan de regel van art. 29, lid: 2, Sv. te ontkomen.
In deze zaak komt het mij voor dat het hof het moment waarop rekwirant als verdachte moest worden aangemerkt, op grond van de vastgestelde feiten heeft kunnen bepalen zoals het heeft gedaan, zodat het middel geen doel treft. (vgl. HR 7 okt. 1980, NJ 1981,61 en 6 jan. 1981, DD 81.152: er was nog geen strafbaar feit geconstateerd, zodat rekwirant ook nog niet als bij zo'n feit betrokken persoon kon worden aangemerkt).
Middel II behelst een motiveringsklacht tegen het verwerpen door het hof van het verweer dat rekwirant op het politiebureau onder ontoelaatbare omstandigheden een verhoor is afgenomen.
In de eerder genoemde plastic tas had rekwirant bij zijn aanhouding (volgend op het hierboven genoemde gesprek) vier boeken. Van twee daarvan kon worden achterhaald waar ze vandaan kwamen, van de andere twee niet. De politieagenten meenden dat rekwirant in zodanige slechte geestelijke en lichamelijke toestand verkeerde, dat het geen zin had met hem door de stad te gaan rijden om de boekhandel te vinden waar die laatste twee boeken vandaan kwamen. Ze hebben hem toen mee naar het politiebureau genomen, waar hij een verklaring heeft afgelegd.
Het hof heeft overwogen "dat het oordeel van verbalisanten; dat het rijden met verdachte door [plaats] om de boven geciteerde reden niet zinvol was, op zichzelf niet de conclusie rechtvaardigt dat verdachte niet in staat was op het politiebureau een verklaring af te leggen".
De toelichting op het middel verdedigt dat de feiten tot een ander oordeel hadden moeten leiden. "Zowel het rijden door [plaats] - om aanwijzingen te geven - als een verklaring afleggen hebben gemeen dat rekwirant bewijs tegen zichzelf schept en hebben alzo gemeen dat een zekere vrije wilsvorming gebaseerd op een adekwate geestelijke toestand vereist is", aldus deze toelichting.
Ik merk op dat het evt. rijden door [plaats] niet zozeer de bedoeling zou hebben gehad bewijs te scheppen (rekwirant had al toegegeven de boeken te hebben gestolen), als wel om de rechtmatige eigenaar van die boeken te vinden. Waar het om gaat is of van de verdachte (op het bureau) een verklaring is verkregen, waarvan, in strijd met art. 29, lid 1, Sv. niet gezegd kan worden dat zij in vrijheid is afgelegd.
Het hof heeft beslist, en heeft m.i. op grond van de feiten ook kunnen beslissen, dat van een niet in vrijheid afgelegde verklaring geen sprake is geweest. Naar mijn inzicht was het hof tot het geven van een nadere motivering van deze beslissing niet gehouden, zodat het middel faalt.
Ik concludeer tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,