NJ 1974, 200
HR, 12-03-1974
HR 12-03-1974, ECLI:NL:PHR:1974:AB4539, m.nt. Th.W. van Veen
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
12 maart 1974
- Magistraten
Kazemier, Moons, Vroom, Fikkert, Enschede
- Zaaknummer
[1974-03-12/NJ_54614]
- Noot
Th.W. van Veen
- LJN
AB4539
- JCDI
JCDI:ADS145916:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Materieel strafrecht / Sancties
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1974:AB4539, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 12‑03‑1974
ECLI:NL:PHR:1974:AB4539, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 12‑03‑1974
- Wetingang
Sv art. 350; Sv art. 358; Sv art. 359; DHW art. 3; DHW art. 23
Essentie
Sexclub, horecabedrijf; weerlegging van een feitelijk verweer ‘onder de streep’.
Samenvatting
Hoge Raad: Uit de vastgestelde feiten en omstandigheden volgt noodzakelijk, dat requirant het bewezenverklaarde verboden aanwezig hebben en laten gebruiken van alcoholhoudende drank bedrijfsmatig heeft verricht en mitsdien in de uitoefening van een horecabedrijf conform art. 3.1.a Drank- en Horecawet. Het valt derhalve op grond van art. 23.3.a en 23.5.a niet onder de verboden van art. 23.1.a en c.
Advocaat-Generaal Remmelink ambtshalve: De overweging dat verdachte de feiten waarop zijn verweer steunt ‘niet aannemelijk gemaakt heeft’ is onvoldoende voor de weerlegging niet alleen voor een verweer conform ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.