HR, 16-01-1973
ECLI:NL:HR:1973:AB4979
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
16-01-1973
- Zaaknummer
[1973-01-16/NJ_54171]
- LJN
AB4979
- Vakgebied(en)
Internationaal strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1973:AB4979, Uitspraak, Hoge Raad, 16‑01‑1973; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1973:AB4979
ECLI:NL:PHR:1973:AB4979, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 16‑01‑1973
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1973:AB4979
- Vindplaatsen
NJ 1973, 281 met annotatie van C. Bronkhorst
Uitspraak 16‑01‑1973
Inhoudsindicatie
-
16 januari 1973
No. 66684
MIG.
De Hoge Raad der Nederlanden,
Op het beroep van de Officier van Justitie in het Arrondissement Maastricht alsmede op het beroep van [de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1938, van beroep koopman, wonende te [woonplaats] (Dl), ten tijde van na te noemen uitspraak verblijvende in het Huis van Bewaring te Maastricht, rekwiranten van cassatie tegen een uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Maastricht van 19 oktober 1972, waarbij ontoelaatbaar verklaard is de uitlevering van genoemde [de opgeëiste persoon] aan het Koninkrijk Zweden als verzocht in het schrijven van de Zweedse Ambassade van 6 oktober 1972, met opheffing van het door de Rechtbank tegen de opgeëiste persoon gegeven bevel tot gevangenneming;
Gehoord het verslag van de raadsheer-rapporteur;
Gezien het gerechtelijk schrijven namens de Procureur-Generaal aan de rekwirant [de opgeëiste persoon] uitgereikt ter kennisgeving ven de dag voor de behandeling van deze zaak bepaald;
Gelet op het middel van cassatie, door de Officier van Justitie voorgesteld bij schriftuur, luidende:
"Schending van het recht (meer in het bijzonder van artikel 2 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering en artikel 5 van de Uitleveringswet) doordat de rechtbank het verzoek tot uitlevering aan het Koninkrijk Zweden ontoelaatbaar heeft verklaard omdat voor de feiten, waaraan de opgeëiste persoon vermoed wordt zich te hebben schuldig gemaakt, ten tijde dat deze feiten werden gepleegd wel naar het recht van het Koninkrijk Zweden, doch niet naar het Nederlands recht een vrijheidsstraf van een jaar of van langere duur kon worden opgelegd, in plaats van dit verzoek tot uitlevering toelaatbaar te verklaren omdat ten tijde dat dit verzoek door het Koninkrijk Zweden werd gedaan voor de feiten, waaraan de opgeëiste persoon vermoed wordt zich te hebben schuldig gemaakt, te weten illegale invoer van amfetaminen in Zweden, zowel naar het recht van het Koninkrijk Zweden alsook naar het Nederlands recht een vrijheidsstraf van een jaar of van langere duur kon worden opgelegd.
Toelichting.
Ten tijde dat de feiten, waaraan de opgeëiste persoon vermoed wordt zich te hebben schuldig gemaakt, werden gepleegd, waren deze feiten, te weten de illegale invoer in Zweden van narcotica - waaronder naar Zweeds recht ook amfetaminen worden begrepen - volgens de paragrafen 1 en 3 van de Zweedse Wet inzake smokkel van goederen, strafbaar met een gevangenisstraf van tenminste een jaar.
Naar, Nederlands recht echter was ten tijde dat de onderhavige feiten werden gepleegd, de illegale in- en uitvoer van amfetaminen nog niet strafbaar gesteld.
Ten tijde dat het verzoek tot uitlevering werd gedaan, te weten op 6 oktober 1972, waren de paragrafen 1 en 3 van de Zweedse Wet inzake de smokkel van goederen van kracht, terwijl ingevolge het bepaalde in de In- en Uitvoerbeschikking Amfetaminen 1972, artikel 7 van de In- en Uitvoerwet en de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de Economische Delicten met ingang van 20 juni 1972 de illegale in- en uitvoer van amfetaminen gestraft kan worden met een vrijheidsstraf van ten hoogste zes jaar.
Aan de in artikel 2 van het Europees Verdrag betreffende de uitlevering en de in artikel 5 van de Uitleveringswet gestelde eis van de dubbele strafbaarheid was derhalve ten tijde dat de feiten, waarop het verzoek betrekking heeft, werden gepleegd niet voldaan, doch ten tijde dat het verzoek tot uitlevering werd gedaan was aan deze eis van de dubbele strafbaarheid wel voldaan.
Blijkens de uitspraak heeft de rechtbank aangenomen dat aan de eis van de dubbele strafbaarheid moet zijn voldaan ten tijde dat de onderhavige feiten werden gepleegd. Ik meen echter dat op grond van de navolgende overwegingen het tijdstip waarop het verzoek tot uitlevering wordt gedaan beslissend is voor de beoordeling van de vereiste dubbele strafbaarheid.
a. Het in het Europese Uitleveringsverdrag en in de Uitleveringswet door middel van het gequalificeerde dubbele strafbaarheidsbeginsel gebezigde eliminatiestelsel, dat tot doel heeft vast te stellen welke strafbare feiten tot uitlevering kunnen leiden, impliceert dat een der verdragspartijen door middel van een wijziging in zijn nationale strafwetgeving, zoals i.c. het brengen van de illegale in- en uitvoer van amfetaminen onder de In- en Uitvoerwet, dus onder de criteria van het verdrag, de werkingssfeer van het verdrag kan verruimen. Door een eenzijdige wetgevingsmaatregel ontstaat dus hetzelfde effect dat zou ontstaan wanneer van een verdrag of een uitleveringswet, dat het enumeratiestelsel huldigt, de lijst van feiten waarvoor kan worden uitgeleverd zou worden uitgebreid met dit delict.
In beide hiervoren genoemde gevallen wordt aldus als het ware voor dit misdrijf nieuw uitleveringsrecht geschapen. Dit confronteert ons met de problematiek van het transitoir recht. De Kamerstukken met betrekking tot de Uitleveringswet en de goedkeuring van het Europees Uitleveringsverdrag bevatten ter zake verhelderende beschouwingen ( zie Memorie van Antwoord, zitting 1965-1966, 8054, nr. 10, pagina 2 linker kolom).
Naar aanleiding van een vraag gesteld aan het slot van het algemeen gedeelte van het Voorlopig Verslag, of het de bedoeling was om de uitleverbaarheid, waar deze tot dusver niet mogelijk was, pas te laten intreden voor delicten gepleegd na de inwerkingtreding van de betrokken verdragen of van de daarop berustende uitbreidingen, antwoordden de Ministers van Buitenlandse Zaken en Justitie ontkennend.
Men kan, aldus de bewindslieden, bezwaarlijk stellen dat ieder die verdacht is van - of veroordeeld is wegens - een delict dat naar de geldende regeling geen grond oplevert voor uitlevering, een "materieel bepaalde rechtspositie" en dus bij voorkeur een zowel door de nationale als door de internationale wetgever te eerbiedigen recht op niet-uitlevering zou hebben.
Zij voegden hieraan toe, dat de opvatting volgens welke de mogelijkheid van uitlevering zou moeten worden beoordeeld naar het recht zoals dat gold ten tijde waarop het in de aanvraag bedoelde delict is begaan, tot onaanvaardbare consequenties leidt.
Men zou dan moeten aannemen dat iemand in sommige gevallen nog behoort te worden uitgeleverd op grond van een reeds buiten werking getreden verdrag. Eenzelfde standpunt vindt men verdedigd in de dissertatie van de S.D. Bedi "Extradition in international law and practice", pagina 37 e.v. (proefschrift R.U. Utrecht, 1966, "Bronder offset", Rotterdam).
Er bestaat naar mijn mening geen enkele grond de gestelde vraag in een andere zin te beantwoorden, wanneer de dubbele strafbaarheid tot stand is gebracht door een eenzijdige wetsaanvulling van een der verdragspartners.
Men stelle zich trouwens het omgekeerde geval voor: iemand is in Zweden veroordeeld ter zake een delict analoog aan het recentelijk afgeschafte artikel 248 bis van het Wetboek van Strafrecht, voordat deze afschaffing in Nederland haar beslag had gevonden.
Het lijkt evident dat, wanneer nu door Zweden de uitlevering zou worden gevraagd, een dergelijk verzoek als strijdig met de gequalificeerde dubbele strafbaarheid, niet zou worden ingewilligd.
Deze strafbaarheid dient te worden beoordeeld naar de situatie op het moment dat het verzoek om rechtshulp. wordt gedaan.
b. Een ander argument is te putten uit de ratio van het beginsel van de gequalificeerde dubbele strafbaarheid. Het beginsel dankt zijn ontstaan en ontwikkeling primair aan zijn functie als garantie, dat van de aangezochte staat niet de medewerking kan worden verlangd bij de vrijheidsbeneming van een persoon wegens gedragingen die volgens het recht van deze staat niet in overeenkomstige gevallen tot vrijheidsbeneming zou kunnen leiden. In de tweede plaats beoogt het beginsel de uitlevering te voorkomen wegens "bagatel delicten".
Vaststaat dat de feiten die ten grondslag liggen aan het Zweedse uitleveringsverzoek aan vorenstaande criteria voldoen.
Het beginsel leidt tot de conclusie dat de al dan niet aanwezigheid van gequalificeerde dubbele strafbaarheid moet worden beoordeeld naar het moment waarop het verzoek om uitlevering wordt gedaan. Op dat moment staat de aangezochte staat voor de beslissing of zij het feit, waarvoor de uitlevering gevraagd wordt, voldoende strafwaardig acht om daarop een wederkerige verplichting tot uitlevering te baseren.
Bij dit alles moet worden onderkend dat uitlevering rechtshulp is en als zodanig niet gerekend kan worden te behoren tot het materiele maar tot het formele strafrecht (zie t.a.p. Memorie van Antwoord).
c. Dit laatste leidt er toe dat de vraag of de hierboven op de aangevoerde gronden verdedigde opvatting dat de eis van de gequalificeerde dubbele strafbaarheid beoordeeld dient te worden naar het moment waarop het verzoek tot uitlevering wordt gedaan deswege in strijd komt met het beginsel dat is neergelegd in artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht, ontkennend moet worden beantwoord. Bij de interpretatie mag derhalve niet zover worden gegaan, dat aan dit beginsel van gequalificeerde dubbele strafbaarheid materieelrechtelijke betekenis voor de aangezochte staat moet worden toegekend.
Artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht bevat immers een beginsel dat bij de berechting in acht moet worden genomen, die berechting heeft de aangezochte staat niet in handen.
In de Memorie van Antwoord aan de Eerste Kamer inzake de goedkeuring van het Europees Uitleveringsverdrag stellen de Ministers van Buitenlandse Zaken en Justitie: De beslissing van de rechtbank omtrent de toelaatbaarheid van een verzochte uitlevering is in hoofdzaak een rechtsbeslissing, namelijk over de vraag of aan de formele vereisten van de Wet en het toepasselijke verdrag is voldaan. Over de feiten van de strafzaak oordeelt de rechtbank niet, behalve indien en voor zover zij vaststelt, dat geen sprake kan zijn van schuld van de opgeëiste persoon aan het feit, waarvoor diens uitlevering is gevraagd.
d. Tenslotte zou nog op het volgende kunnen worden gewezen:
indien de uitspraak van de rechtbank te Maastricht juist zou zijn, dan valt niet in te zien waarom dan ook niet alle andere bepalingen van strafrecht (b.v. strafuitsluitingsgronden, territoriale werking van de strafwet in de aangezochte staat, ontoerekeningsvatbaarheid van de dader e.d. ) in de beoordeling van de toelaatbaarheid van het uitleveringsverzoek zouden moeten worden betrokken. Deze betreffen immers de strafbaarheid van de dader. Dat zulks onjuist zou zijn blijkt reeds hieruit dat uit uw constante rechtspraak valt af te leiden - en ook aansluit op hetgeen onder b. reeds werd opgemerkt - dat niet in concreto de strafbaarheid van de opgeëiste persoon ter toetse staat maar in abstracto, behoudens indien het verdrag en de uitleveringswet uitdrukkelijk anders bepalen, zoals ten aanzien van de verjaring, en het ne bis in idem beginsel (resp. art. 10 en 9 Europees uitleveringsverdrag) het geval is";
Gelet voorts op de schriftuur, namens de rekwirant [de opgeëiste persoon] bij de Hoge Raad ingediend en toegelicht bij pleidooi, waarin "voor het geval de door de Heer Officier van Justitie bij de Arrondissementsrechtbank te Maastricht principaal voorgestelde middelen van cassatie gegrond mochten worden bevonden" als middelen van cassatie worden voorgedragen:
"Schending van het recht, en verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming nietigheid ten gevolge heeft, omdat de rechtbank haar beslissing mede heeft doen steunen op de overwegingen:
I. dat het verzoek tot uitlevering van requirant vergezeld gaat van de in het derde lid van artikel 18 van de Uitleveringswet jo. artikel 12 van het Europees verdrag betreffende uitlevering, gesloten te Parijs op 13 december 1957, vereiste gegevens;
II. dat de rechtbank aanneemt dat naar het recht van het koninkrijk Zweden voor de feiten, waaraan requirant wordt vermoed zich te hebben schuldig gemaakt, een vrijheidsstraf van een langere duur dan een jaar kan worden opgelegd, hetgeen de rechtbank aanneemt op grond van de inhoud van een door [betrokkene 1], zaakgelastigde ad interim van Zweden, voor eensluidende copy van het origineel gewaarmerkte fotocopy van het bevel tot aanhouding van onder andere requirant, gegeven door Rechter [betrokkene 2] van het District Court te Stockholm d.d. 19 januari 1970, zomede op grond van de inhoud van een door genoemde [betrokkene 1] voor eensluidende copy van het origineel gewaarmerkte fotocopy van een Memorandum ondertekend door [betrokkene 3], Officier van Justitie te Stockholm, inhoudende een uiteenzetting der feiten,
zakelijk weergegeven hierop neerkomende dat requirant gedurende de periode van mei 1968 tot 1969 op grote schaal partijen drugs aan verschillende wederverkopers in Zweden vanuit een plaats buiten Zweden heeft geleverd; in welk memorandum door genoemde officier van justitie worden opgesomd de paragrafen en de tekst dezer paragrafen, te weten paragraaf 1 en 3 van de Criminal Code betreffende narcotica, alsmede de paragrafen 1 en 3 en dezer tekst van de Act betreffende smokkel van goederen, voor wat betreft middel I ten onrechte omdat bedoelde gegevens niet voldoen aan de vereisten, daaraan gesteld in artikel 18 lid 3 van de Uitleveringswet, terwijl de rechtbank implicite aanneemt dat voormelde gegevens wél aan die vereisten voldoen;
immers, artikel 18 lid 3 sub a. van de Uitleveringswet verlangt dat wordt overgelegd door de uitlevering verzoekende staat het origineel of een authentiek afschrift, hetzij van een voor tenuitvoerlegging vatbaar, tegen de opgeëiste persoon gewezen, strafvonnis, hetzij van een door de daartoe bevoegde autoriteit van de verzoekende staat gegeven bevel tot zijn aanhouding of van een stuk dat dezelfde rechtskracht heeft; een en ander opgemaakt in de vorm voorgeschreven door het recht van die staat en betrekking hebbende op de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd;
in casu is overgelegd een fotocopie van een bevel tot aanhouding van requirant, voor eensluidend afschrift getekend door de zaakgelastigde ad interim van Zweden te 's-Gravenhage;
er is niet gebleken dat in zulk geval naar Zweeds recht kan worden gesproken van een authentiek afschrift; ook naar maatstaven van Nederlands recht kan in casu niet gesproken worden van een authentiek afschrift; er moet dus van worden uitgegaan dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat door Zweden een authentiek afschrift van vorenbedoeld bevel is overgelegd;
vervolgens verlangt artikel 18 lid 3 sub c van de Uitleveringswet dat het verzoek tot uitlevering vergezeld gaat van de tekst van de toepasselijke rechtsvoorschriften of, voor zover ongeschreven recht van toepassing is, een voor de beoordeling van het verzoek voldoende verklaring omtrent de inhoud van dat recht ;
uit het memorandum van de heer [betrokkene 3], officier van justitie te Stockholm blijkt, dat de uitlevering van requirant wordt verzocht ter zake van beweerdelijke door requirant gepleegde handelingen betreffende levering en/of smokkel van phenmetraline;
uit de door Zweden overgelegde wetteksten moet dus blijken of vorenbedoelde handelingen naar Zweeds recht strafbaar zijn en of daarop een maximum vrijheidsstraf is gesteld van een jaar of meer in Zweden;
de door Zweden overgelegde wetteksten maken duidelijk dat strafbaar is gesteld het vervaardigen en smokkelen etc. van "narcotica"; bedoelde wetteksten maken voorts duidelijk dat de stoffen die onder "narcotica" begrepen zijn kennelijk omschreven staan in paragraaf 1 van de "Ordinance relating to Narcotic Drugs of December 14, 1962 (no. 704)"; de tekst van laatstbedoelde bepaling is evenwel niet overgelegd, zodat niet blijkt of onder "narcotica" tevens begrepen is phenmetraline; zulks leidt er toe dat evenmin duidelijk is of het vervaardigen van, de handel in en het smokkelen etc. van phenmetraline een strafbaar feit vormt naar Zweeds recht; ook hieruit blijkt dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat het verzoek van Zweden tot uitlevering van requirant is vergezeld gegaan van de gegevens als bedoeld in artikel 18 lid 3 van de Uitleveringswet; bovendien, zelfs al zou moeten worden aangenomen dat bedoelde handelingen naar Zweeds recht wel strafbaar zouden zijn en dat zulks zou blijken uit de door Zweden overgelegde wetteksten, afgezien van de nationaliteit van requirant en de plaats waar de requirant aangewreven feiten zich hebben afgespeeld, dan nog staat geenszins vast dat naar Zweeds recht requirant deswege strafbaar zou zijn;
immers, uit het door Zweden overgelegde memorandum betreffende de feiten ter zake waarvan Zweden de uitlevering heeft verzocht blijkt dat al deze feiten zich zouden hebben afgespeeld in West-Duitsland; de rechtbank heeft als vaststaand aangenomen dat requirant van West- Duitse nationaliteit is;
naar Nederlandse recht zou alsdan de Nederlandse strafwet, zulks op grond van het bepaalde in artikel 4 van het Wetboek van Strafrecht, niet op requirant toepasselijk zijn geweest;
uit de door Zweden overgelegde wetteksten blijkt niet dat requirant naar Zweeds recht wél strafbaar is, ondanks het feit dat hij niet van Zweedse nationaliteit is en de requirant aangewreven feiten, zo al begaan, niet in Zweden zijn begaan;
ook daarom heeft de rechtbank ten onrechte aangenomen dat is voldaan aan het vereiste van artikel 18 lid 3 van de Uitleveringswet;
tenslotte heeft Zweden geen stukken overgelegd en geen gegevens verstrekt waaruit blijkt van de identiteit van requirant ;
wederom ten onrechte heeft dus de rechtbank aangenomen dat het verzoek is vergezeld gegaan van de gegevens als bedoeld in artikel 18 lid 3 van de Uitleveringswet;
voor wat betreft middel II ten onrechte omdat, zoals blijkt uit de toelichting op middel I, de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat naar het recht van het Koninkrijk Zweden voor de feiten, waaraan requirant wordt vermoed zich te hebben schuldig gemaakt, een vrijheidsstraf van een langere duur dan een jaar kan worden opgelegd;
aldus heeft de rechtbank artikel 5 lid 1 sub a. van de Uitleveringswet geschonden"; Gehoord de Advocaat-Generaal Kist in zijn conclusie dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen, en doende wat de Rechtbank had behoren te doen alsnog de gevraagde uitlevering toelaatbaar zal verklaren;
Overwegende dat de bestreden uitspraak het navolgende inhoudt:
"De Arrondissementsrechtbank te Maastricht, Tweede Kamer van Strafzaken,
Gezien de schriftelijke vordering d.d. 10 oktober 1972 ex artikel 23 en 27 van de Uitleveringswet door de Officier van Justitie bij deze Rechtbank ingediend naar aanleiding van een door het Koninkrijk Zweden gedaan verzoek tot uitlevering van:
[de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedatum] 1938, van duitse nationaliteit, thans verblijvende in het Huis van Bewaring te Maastricht;
Gezien de stukken, waaronder meer bepaald:
a. een schrijven van de Zweedse Ambassade d.d. 6 oktober 1972 gericht aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken te 's-Gravenhage, inhoudende een verzoek tot uitlevering van [de opgeëiste persoon] , van duitse nationaliteit, geboren [geboortedatum] 1938 verdacht van grove overtreding inzake verdovende middelen en illegale invoer van goederen, welk schrijven door de Minister van Justitie te 's-Gravenhage is toegezonden aan de Officier van Justitie bij deze Rechtbank bij schrijven van 9 oktober 1972;
b. een door [betrokkene 1], zaakgelastigde ad interim van Zweden, voor eensluidende copy van het origineel gewaarmerkte fotocopy van het bevel tot aanhouding van onder andere de opgeëiste persoon, gegeven door Rechter [betrokkene 2] van het District Court te Stockholm d.d. 19 januari 1970;
c. een door genoemde [betrokkene 1] voor eensluidende copy van het origineel gewaarmerkte fotocopy van een Memorandum ondertekend door [betrokkene 3], Officier van Justitie te Stockholm, inhoudende een uiteenzetting der feiten, zakelijk weergegeven hierop neerkomende dat de opgeëiste persoon gedurende de periode van mei 1968 tot 1969 op grote schaal partijen drugs aan verschillende wederverkopers in Zweden vanuit een plaats buiten Zweden heeft geleverd;
in welk Memorandum door genoemde Officier van Justitie worden opgesomd de paragrafen en de tekst dezer paragrafen te weten paragraaf 1 en 3 van de Criminal Code betreffende Narcotica, alsmede de paragrafen 1 en 3 en dezer tekst van de Act betreffende smokkel van goederen;
d. een beschikking van de Voorzitter dezer Strafkamer houdende bepaling van het tijdstip waarop de opgeëiste persoon door de Rechtbank zal worden gehoord;
e. een verklaring van de Officier van Justitie bij deze Rechtbank, d.d. 10 oktober 1972;
Gehoord de opmerkingen ter openbare terechtzitting d.d. 11 oktober 1972 omtrent het verzoek tot uitlevering en de in verband daarmede te nemen beslissing, gemaakt door de Officier van Justitie, de opgeëiste persoon en diens raadsman;
Overwegende, dat de uitlevering van de opgeëiste persoon, gelet op de inhoud van de aangehaalde bescheiden klaarblijkelijk wordt gevraagd ten behoeve van een door de autoriteiten van het Koninkrijk Zweden ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden, dat de opgeëiste. persoon zich heeft schuldig gemaakt in de periode van mei 1968 tot juni 1969 aan handel in narcotica zonder daartoe bevoegd te zijn, alsmede in genoemde periode aan illegale invoer van narcotica naar Zweden, terwijl dit verzoek vergezeld gaat van de in het derde lid van artikel 18 van de Uitleveringswet juncto artikel 12 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering gesloten te Parijs d.d. 13 december 1957 vereiste gegevens en het verzoek op de bij artikel 12 van voornoemd verdrag voorgeschreven wijze is gedaan;
Overwegende thans met betrekking tot de vraag of voldaan is aan de voorwaarden voor uitlevering zoals deze zijn opgesomd in Hoofdstuk II van de Uitleveringswet en artikelen 2 en volgende van genoemd Verdrag: dat, zo al voor de feiten, waaraan de opgeëiste persoon vermoed wordt zich te hebben schuldig gemaakt, naar het recht van het Koninkrijk Zweden een vrijheidstraf van langere duur dan een jaar kan worden opgelegd, hetgeen de Rechtbank aanneemt op grond van de inhoud van de hierboven onder b. en c. gemelde stukken, in ieder geval niet gezegd kan worden, dat voor die feiten naar Nederlands recht een vrijheidstraf van een jaar of van langere duur kan worden opgelegd, zodat, nu immers niet voldaan is aan het vereiste, neergelegd in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a. van de Uitleveringswet, reeds daarom het verzoek tot uitlevering van de opgeeiste persoon niet voor inwilliging vatbaar is;
Overwegende dienaangaande nader, dat de feiten als in voorgaande overweging gemeld, blijkens de inhoud van het hiervoor onder b. gemeld stuk, zijn gepleegd in een periode gelegen vóór het tijdstip van de in dat stuk vervatte beslissing, zijnde 19 januari 1970, derhalve op een tijdstip, waarop het hieronder te melden Besluit van de Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiene nog niet was genomen;
Overwegende, dat eerst sedert 20 juni 1972, de dag van de inwerkingtreding van de In- en Uitvoerbeschikking Amfetaminen 1972 (Nederlandse Staatscourant 19 juni 1972, nr. 116 bladzijde 3) met toepassing voorts van artikel 7 van de In- en Uitvoerwet en van de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de Economische Delicten, op soortgelijke delicten, uiteraard slechts voor zover gepleegd na het tijdstip van die inwerkingtreding, naar Nederlands recht een vrijheidstraf van een jaar of van langere duur kan worden opgelegd, zodat zulks met betrekking tot de feiten, terzake waarvan thans de uitlevering verzocht wordt, niet het geval is;
Overwegende, dat, nu de Rechtbank tot het oordeel komt, dat de uitlevering niet kan worden toegestaan, het door Haar op Hare terechtzitting van 11 oktober 1972 met toepassing van artikel 27, eerste lid van de Uitleveringswet gegeven bevel tot gevangenneming van de opgeëiste persoon moet worden opgeheven;
Uitspraak doende: "In naam der Koningin!"
Verklaart ontoelaatbaar de uitlevering van [de opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] , laatst wonende te Ubach- Palenberg (Duitse Bondsrepubliek) thans verblijvende in het Huis van Bewaring te Maastricht, aan het Koninkrijk Zweden als verzocht in het hiervoor onder a. gemeld schrijven van de Zweedse Ambassade;
Heft op het tegen de opgeëiste persoon door deze Rechtbank ter terechtzitting van 11 oktober 1972 met toepassing van artikel 27, eerste lid, van de Uitleveringswet gegeven bevel tot gevangenneming";
Overwegende met betrekking tot het door de Officier van Justitie voorgestelde middel:
dat ingevolge de artikelen 1 en 2 van het ten deze toepasselijke, op 13 december 1957 te Parijs tot stand gekomen Europees Verdrag betreffende uitlevering het Koninkrijk der Nederlanden gehouden is aan het Koninkrijk Zweden personen uit te leveren, die door de Zweedse rechterlijke autoriteiten vervolgd worden ter zake van feiten, die krachtens de wetten van beide Partijen strafbaar zijn gesteld met een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste een jaar of met een zwaardere straf;
dat de Rechtbank, ervan uitgaande, dat soortgelijke feiten als waarvoor door Zweden de uitlevering van de opgeëiste persoon [de opgeëiste persoon] wordt verzocht, sedert 20 juni 1972 krachtens de Nederlandse wet strafbaar zijn gesteld met een zodanige vrijheidsstraf, ten onrechte de uitlevering ontoelaatbaar heeft verklaard op grond, dat de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht vóór dat tijdstip zijn begaan;
dat immers het in artikel 2 van het Verdrag neergelegde beginsel der dubbele strafbaarheid de strekking heeft te voorkomen, dat de aangezochte Partij zou moeten medewerken aan het handhaven van normen die met de eigen rechtsopvattingen in strijd zijn, of waarbij althans een strafsanctie misplaatst wordt geacht, en zulk een geval zich niet voordoet indien, gelijk ten deze, soort gelijke feiten als waarvoor uitlevering wordt verzocht, krachtens de wetten van de aangezochte Partij ten tijde van het verzoek tot en de beslissing omtrent de uitlevering strafbaar zijn gesteld op de voet als in artikel 2 omschreven;
dat het middel dus doel treft;
Overwegende omtrent de door rekwirant [de opgeëiste persoon] voorgestelde middelen:
dat, anders dan de eerste grief, vervat in het eerste middel, wil, de Rechtbank mocht oordelen - gelijk zij kennelijk deed - dat een door een Zweedse diplomatiek ambtenaar voor eensluidend getekend afschrift van een bevel tot aanhouding, gegeven door een Zweedse rechter, een authentiek afschrift is in de zin van artikel 12, tweede lid van het Verdrag;
dat de tweede in dit middel te berde gebrachte grief, alsmede het tweede middel eveneens falen;
dat immers ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder c vereist is overlegging van een afschrift van de op de strafbare feiten waarvoor uitlevering wordt verzocht toepasselijke wetsbepalingen;
dat ten deze aan die eis is voldaan door de overlegging van het afschrift van de op de feiten toepasselijke strafbepalingen, en overlegging van een afschrift van andere bepalingen die voor die toepasselijkheid van van belang zijn of die de omvang van de werking van de strafwet van de verzoekende Partij bepalen door het Verdrag niet wordt gevorderd;
dat ook de derde in het eerste middel neergelegde grief doel mist, vermits door de vermelding in het verzoek en de daarbij gevoegde stukken van naam en voornamen en andere identiteitsgegevens van de opgeëiste persoon voldaan is aan de in artikel 12 vervatte eisen betreffende de gegevens ten dienste van de vaststelling van de identiteit van de opgeëiste persoon;
dat derhalve de beide voorgestelde middelen falen;
Verwerpt het beroep van rekwirant [de opgeëiste persoon] ;
Overwegende dat wegens de gegrondheid van het middel van de Officier van Justitie de bestreden uitspraak moet worden vernietigd, doch zulks uitsluitend voor zover daarbij de uitlevering ontoelaatbaar is verklaard en het tegen de opgeëiste persoon gegeven bevel tot gevangenneming is opgeheven;
Vernietigt de uitspraak in zoverre, en te dien aanzien doende wat de Rechtbank had behoren te doen:
Overwegende dat de opgeëiste persoon ter terechtzitting van de Rechtbank van 11 oktober 1972 blijkens het van die zitting opgemaakte proces-verbaal heeft verklaard te zijn [de opgeëiste persoon] , geboren in de [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1938, van beroep koopman en wonende te [woonplaats] , alsmede niet de Nederlandse, maar de Duitse nationaliteit te bezitten;
dat ten tijde van het verzoek tot uitlevering gelijk ook ten tijde van 's Hogen Raads arrest soortgelijke feiten als waarvoor de uitlevering is verzocht naar Nederlands recht krachtens de artikelen 47 en 48 van het Wetboek van Strafrecht, 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten in verband met de artikelen 7, 2, tweede lid, 4 en 5 van de In- en uitvoerwet in verband met de In- en uitvoerbeschikking amfetaminen 1972 strafbaar zijn met gevangenisstraf met een maximum van meer dan een jaar;
dat ten aanzien van het verzoek tot uitlevering ook overigens is voldaan aan de vereisten gesteld bij het Verdrag en bij de Uitleveringswet;
Gezien voorts de artikelen 1, 2 en 12 van het Verdrag;
Verklaart toelaatbaar de uitlevering aan Zweden van [de opgeëiste persoon] , geboren in de [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1938, van beroep koopman, wonende te [woonplaats] (Dl) voor de feiten, omschreven in het op 19 januari 1970 door het "Stockholm District Court" onder meer tegen de opgeëiste persoon verleende bevel tot aanhouding, ter zake van welke feiten [de opgeëiste persoon] door de Zweedse rechterlijke autoriteiten wordt vervolgd.
Gewezen te 's-Gravenhage bij de Mrs. Kazemier, Vice-President, Moons, Fikkert, van Dijk en Enschede, Raden, in bijzijn van de Substituut-Griffier Sarolea, die dit arrest hebben ondertekend en door voornoemde Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van de zestiende januari 1900 drieënzeventig in tegenwoordigheid van de Advocaat-Generaal Kist. De Raadsheren Fikkert en van Dijk waren verhinderd te tekenen.
Conclusie 16‑01‑1973
Inhoudsindicatie
-
L.
Nr. 66684
Zitting 5 december 1972.
Mr. Kist.
Conclusie inzake:
[de opgeëiste persoon].
Edelhoogachtbare Heren,
De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering ontoelaatbaar verklaard op grond van de volgende overwegingen:
"Overwegende thans met betrekking tot de vraag of voldaan is aan de voorwaarden voor uitlevering zoals deze zijn opgesomd in Hoofdstuk II van de Uitleveringswet en artikelen 2 en volgende van genoemd Verdrag: dat, zo al voor de feiten, waaraan de opgeëiste persoon vermoed wordt zich te hebben schuldig gemaakt, naar het recht van het Koninkrijk Zweden een vrijheidstraf van langere duur dan een jaar kan worden opgelegd, hetgeen de Rechtbank aanneemt op grond van de inhoud van de hierboven onder b. en c. gemelde stukken, in ieder geval niet gezegd kan worden, dat voor die feiten naar Nederlands recht een vrijheidstraf van een jaar of van langere duur kan worden opgelegd, zodat, nu immers niet voldaan is aan het vereiste, neergelegd in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a. van de Uitleveringswet, reeds daarom het verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon niet voor inwilliging vatbaar is;
Overwegende dienaangaande nader, dat de feiten als in voorgaande overweging gemeld, blijkens de inhoud van het hiervoor onder b. gemeld stuk, zijn gepleegd in een periode gelegen vóór het tijdstip van de in dat stuk vervatte beslissing, zijnde 19 januari 1970, derhalve op een tijdstip, waarop het hieronder te melden Besluit van de Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiene nog niet was genomen;
Overwegende, dat eerst sedert 20 juni 1972, de dag van de inwerkingtreding van de In- en Uitvoerbeschikking Amfetaminen 1972 (Nederlandse Staatscourant 19 juni 1972, nr. 116 bladzijde 3) met toepassing voorts van artikel 7 van de In- en Uitvoerwet en van de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de Economische Delicten, op soortgelijke delicten, uiteraard slechts voorzover gepleegd na het tijdstip van die inwerkingtreding, naar Nederlands recht een vrijheidstraf van een jaar of van langere duur kan worden opgelegd, zodat zulks met betrekking tot de feiten, terzake waarvan thans de uitlevering verzocht wordt, niet het geval is."
De Heer Rekwirant komt op tegen de beslissing van de Rechtbank stellende (heel kort samengevat) dat de door de Rechtbank gehuldigde opvatting onjuist is en dat aan de eis van de dubbele strafbaarheid is voldaan indien het feit naar aanleiding waarvan de uitlevering wordt gevraagd strafbaar is op het tijdstip waarop het verzoek tot uitlevering wordt gedaan.
Dit standpunt van de Heer Rekwirant wordt door hem uitvoerig gemotiveerd.
Ik kan mij met de stelling van de Heer Rekwirant dat de door de Rechtbank gehuldigde opvatting onjuist is en de daarvoor gegeven motivering zeer wel verenigen en meen mij in hoofdzaak bij zijn opvattingen te kunnen aansluiten.
Inderdaad is de door de Rechtbank aangehangen opvatting in artikel 5 Uitleveringswet niet te lezen. Het artikel bepaalt niet meer dan dat "de uitlevering" alleen kan worden toegestaan ten behoeve van een dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een feit waarvoor, zowel naar het recht van de verzoekende Staat als naar dat van Nederland, een vrijheidstraf kan worden opgelegd. In deze bepaling ligt m.i., alleen reeds indien men uitsluitend de tekst van het artikel in aanmerking neemt, besloten dat de dubbele strafbaarheid moet bestaan op het moment van "de uitlevering". Het voorschrift verlangt niet dat de strafbaarheid vóór "de uitlevering" moet hebben bestaan. Maar ook indien men acht slaat op de aard van het instituut van de uitlevering is er m.i. geen aanleiding daarover anders te denken. De uitlevering immers is niet meer dan een vorm van internationale rechtshulp in strafzaken tussen staten die in hoofdzaak dezelfde rechtsbeginselen aanvaarden en die over en weer voldoende vertrouwen kunnen stellen in elkaars strafrechtspleging. Daarbij is een van de waarborgen die een ingrijpen in de persoonlijke vrijheid van de opgeëiste persoon dienen te omgeven de eis van de zgn. dubbele strafbaarheid. "Medewerking aan het handhaven van normen die met de eigen rechtsopvattingen in strijd zijn of waarbij althans een strafsanctie misplaatst wordt geacht, is kwalijk van een Staat te vergen". (M.v.T. Uitleveringswet blz. 11 2e kolom). Maar deze waarborg brengt niet meer mede, dan dat het feit, dat aanleiding heeft gegeven tot de uitlevering, ten tijde van "de uitlevering" strafbaar is. Dan is immers aan de waarborg voldaan. De Rechtbank heeft wellicht gedacht aan artikel 1 Sr. Maar dit artikel speelt in casu geen rol. Het heeft slechts betekenis indien in Nederland een strafvervolging plaats moet vinden. Dat is hier nu juist niet het geval. Het strafrechtelijk onderzoek zal in Zweden plaatsvinden, waar het feit tijdens het plegen daarvan strafbaar was (principe van ons art. 1 Sr.) en onze Minister van Justitie doet niet meer dan hulp aan Zweden verlenen om die berechting te kunnen doen plaats vinden. Die hulp kan de Minister (en ook de Nederlandse rechter die er bij betrokken is) verlenen omdat het hier om feiten gaat die (thans) ook naar Nederlands recht strafbaar zijn gesteld.
Terecht wijst de Heer Rekwirant voorts tot staving van zijn standpunt op de parlementaire geschiedenis van de Uitleveringswet (M.v.A. blz. 2 linkerkolom). Het is niet aanvaardbaar dat iemand op grond van een opvatting als door de Rechtbank aangehangen als het ware een verkregen recht op niet-uitlevering zou hebben. Al heeft de Regering het thans aan de orde zijnde probleem in geheel de zelfde vorm waarin het zich in deze zaak voordoet niet besproken, dat van een opvatting volgens welke de mogelijkheid van uitlevering zou moeten worden beoordeeld naar het recht zoals het gold ten tijde van het plegen van het delict geen sprake kan zijn, heeft de Regering m.i. zeer overtuigend uiteengezet in het door de Officier van Justitie geciteerde stuk van de M.v.A.
Toch is het vraagstuk m.i. nog iets gecompliceerder dan de Heer Rekwirant het voorstelt. Wat is nl. "de uitlevering" bedoeld in artikel 5 van de Uitleveringswet? En wat is het tijdstip van "de uitlevering"? Het middel spreekt van het tijdstip van het verzoek tot uitlevering. Is dit het beslissende moment? Men zou kunnen stellen dat er behalve het in het middel voorgestane voor de dubbele strafbaarheid beslissende tijdstip nog enige andere tijdstippen in aanmerking komen: nl. dat waarop de betrokkene het laatst het land is binnengekomen en dat waarop zijn (in)vrijheidsbeneming heeft plaatsgevonden die ten tijde van de beslissing over de uitlevering nog voortduurt. Van het eerste is m.i. niet veel te zeggen; het zal trouwens dikwijls niet vast te stellen zijn. Het laatste daarentegen is misschien wel het meest redelijke, want het is denkbaar dat iemand bij de invoering van de Nederlandse strafbaarstelling Nederland zou hebben willen verlaten, maar daarin door zijn vrijheidsbeneming wordt verhinderd, en dan is uitlevering m.i. niet geheel in de geest van het stelsel van de dubbele strafbaarheid.
Hoe dit ook zij, voor de onderhavige zaak speelt laatstgenoemde opvatting geen rol en in elk geval acht ik het door de Rechtbank gekozen tijdstip van de dubbele strafbaarheid onjuist. De uitspraak van de Rechtbank zal derhalve niet in stand kunnen blijven.
Namens gerekwireerde is op 2 november 1972 incidenteel beroep in cassatie ingesteld. Is dit beroep ontvankelijk? Van een aanzegging door de Officier van Justitie van het door hem ingesteld beroep in cassatie blijkt uit het dossier niet. Bij informatie bleek mij dat een dergelijke aanzegging niet heeft plaats gevonden. Mij op het standpunt stellende dat dan ook de termijn van acht dagen genoemd in artikel 434 lid 3 Sv. niet is begonnen te lopen, (bedoeld termijn heeft immers kennelijk de strekking van een eindtermijn, d.w.z. geeft aan tot welke dag nog beroep in cassatie kan worden ingesteld) meen ik dat het incidenteel beroep ontvankelijk kan worden geacht. Namens gerekwireerde nu zijn twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste stelt dat de Rechtbank haar beslissing mede heeft doen steunen op de overweging dat het verzoek tot uitlevering van rekwirant vergezeld gaat van de in het derde lid van artikel 18 van de Uitleveringswet jo. artikel 12 van het Europees verdrag betreffende uitlevering, gesloten te Parijs op 13 december 1957, vereiste gegevens, terwijl deze gegevens niet voldoen aan de vereisten daaraan gesteld in artikel 18 lid 3 Uitleveringswet, omdat artikel 18 lid 3 sub a verlangt dat wordt overgelegd het origineel of een authentiek afschrift van een door de daartoe bevoegde autoriteit van de verzoekende Staat gegeven bevel tot aanhouding of van een stuk dat dezelfde rechtskracht heeft, een en ander in de vorm voorgeschreven door het recht van die Staat en betrekking hebbende op de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, terwijl in casu is overgelegd een fotocopie van een bevel tot aanhouding van rekwirant, voor eensluidend afschrift getekend door de zaakgelastigde ad interim van Zweden te 's-Gravenhage.
De aangevoerde grief lijkt mij niet gegrond. In de eerste plaats stelt het middel niet waarom hier niet van een origineel of een authentiek afschrift van het bevel tot aanhouding zou mogen worden gesproken. Afgezien daarvan kan worden opgemerkt dat een fotocopie (indien althans de valsheid daarvan niet wordt beweerd, hetgeen in casu niet het geval is) kan worden gelijkgesteld met het origineel, en dat in elk geval het overgelegde stuk dat door de Chargé d'affaires a.i. is gewaarmerkt, als een authentiek afschrift kan worden beschouwd. In elk geval zijn de nodige waarborgen aanwezig, dat men hier met het krachtens artikel 18 lid 3 sub a vereiste stuk te doen heeft. Dat ook nog door Zweden zou moeten worden gesteld dat in casu naar Zweeds recht sprake is van een authentiek afschrift is een overdreven eis die de wet noch het Verdrag stelt.
Vervolgens wordt als grief aangevoerd dat uit de door Zweden overgelegde wetteksten niet duidelijk wordt dat onder "narcotica" ook valt de stof "phenmetraline" welke het voorwerp zou zijn geweest van de handelingen van rekwirant. De tekst van de desbetreffende bepaling is niet overgelegd. Naar aanleiding van deze grief moge ik opmerken dat ik inmiddels in het bezit ben gekomen van een door de Zweedse Regering nader overgelegde Engelse vertaling van de "Narcotics Ordinance" van 14 december 1962 en een daarbij behorende "List of narcotic drugs" waarin "Phenmetraline" wordt vermeld als drug in de zin van die Ordinance, met welke stof kennelijk die drug is bedoeld Waarover wordt gesproken in het Zweedse arrestatiebevel. De bedoelde stukken heb ik aan het dossier toegevoegd.
De aangevoerde grief kan hiermede m.i. als vervallen worden beschouwd.
Voorts wordt als bezwaar aangevoerd dat de feiten, naar aanleiding waarvan de uitlevering wordt gevraagd, in West-Duitsland zijn gepleegd, terwijl rekwirant van West-Duitse nationaliteit is, en dat alsdan naar Nederlands recht ingevolge artikel 4 Sr. de Nederlandse Strafwet niet op rekwirant toepasselijk zou zijn geweest.
Naar mijn oordeel mist deze grief echter feitelijke grondslag, omdat uit de overgelegde bescheiden blijkt, dat de feiten waarover het gaat geheel of gedeeltelijk in Zweden zijn gepleegd. In het arrestatiebevel wordt rekwirant onder meer beschuldigd van het (zelf of door middel van anderen) invoeren (smokkelen) van drugs in Zweden en van het afleveren (zelf of door middel van anderen) daarvan aan verschillende personen in Zweden.
Afgezien van het gemis aan feitelijke grondslag van de vermelde grief is het m.i. zeer de vraag of bij het onderzoek naar de vereiste dubbele strafbaarheid ook algemene beperkingen van de omvang van de werkingssfeer der strafwet als die van artikel 4 van ons Wetboek van Strafrecht in aanmerking moeten worden genomen. In de memorie van toelichting op de Uitleveringswet wordt dit met zoveel woorden uitgesloten wat betreft de algemene beperking van artikel 2 Sr. (M.v.T. blz. 11 2e kolom onderaan:
"algemene beperkingen van de omvang van de werkingssfeer der strafwet - zoals die van art. 2 ... "). (Vgl. H.R. 30 mei 1972 inzake H.F. Pohlmann no. 66368) .
Tenslotte wordt geklaagd dat Zweden geen stukken heeft overgelegd en geen gegevens heeft verstrekt waaruit blijkt van de identiteit van rekwirant. Deze klacht is in zoverre ongegrond dat Zweden geboortedatum, namen en nationaliteit van rekwirant heeft opgegeven. Maar overigens kan worden opgemerkt dat rekwirant ter zitting van de Rechtbank heeft toegegeven de opgeëiste persoon te zijn. Er bestaat derhalve over de identiteit van rekwirant geen enkele twijfel.
Middel II berust op een zelfde bezwaar als ten grondslag ligt aan middel I. Nu dit bezwaar vervallen kan worden geacht, ontvalt aan het middel de grondslag.
Hoewel de uitspraak van de Rechtbank (althans naar mijn mening) wegens het slagen van het middel van de Heer Rekwirant vernietigd zal dienen te worden en Uw Raad dan zal moeten doen wat de Rechtbank had behoren te doen, meen ik dat een nader verhoor van gerekwireerde niet noodzakelijk is. Voor de Rechtbank hebben gerekwireerde en zijn raadsman de gelegenheid gehad tot het voeren van verweer terwijl ook in cassatie een aantal verweren zijn gevoerd, die, indien Uw Raad mij daarin zou volgen, kunnen worden verworpen. Waar het in deze zaak in cassatie voornamelijk gaat over de te huldigen rechtsopvatting betreffende de dubbele strafbaarheid, meen ik dat Uw Raad zou kunnen volstaan met vernietiging van de bestreden uitspraak en het geven van de juiste beslissing ten aanzien van de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering.
Ik heb mitsdien de eer te concluderen dat Uw Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen, en doende wat de Rechtbank had behoren te doen alsnog de gevraagde uitlevering toelaatbaar zal verklaren.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,