HR, 19-11-2013, nr. 11/04827
ECLI:NL:HR:2013:1348
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
19-11-2013
- Zaaknummer
11/04827
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:1348, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 19‑11‑2013; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:1301, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2013:1301, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 24‑09‑2013
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1348, Gevolgd
- Vindplaatsen
Uitspraak 19‑11‑2013
Inhoudsindicatie
HR: 81.1 RO en strafvermindering i.v.m. overschrijding redelijke termijn.
Partij(en)
19 november 2013
Strafkamer
nr. S 11/04827
CB/LBS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 18 oktober 2011, nummer 23/004819-09, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. C.M. Peeperkorn, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De waarnemend Advocaat-Generaal J. Wortel heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de betrokkene opgelegde gevangenisstraf van 24 maanden.
4. Slotsom
Nu Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze 23 maanden beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 november 2013.
Conclusie 24‑09‑2013
Inhoudsindicatie
HR: 81.1 RO en strafvermindering i.v.m. overschrijding redelijke termijn.
Nr. 11/04827
Mr. Wortel
Zitting 24 september 2013
conclusie inzake
[verdachte]
1.1 Namens de verdachte is cassatieberoep ingesteld tegen een op 18 oktober 2011 uitgesproken arrest van het Gerechtshof Amsterdam, waarbij de verdachte wegens “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” is veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf.
1.2 Namens de verdachte heeft mr. C.M. Peeperkorn, advocaat te Amsterdam, middelen van cassatie voorgesteld.
1.3 Deze zaak vertoont samenhang met de zaak die bij de Hoge Raad aanhangig is onder griffienummer 11/04828, waarin ik heden eveneens concludeer.
2. Het eerste middel klaagt over tegenstrijdigheden in de gebezigde bewijsmiddelen.
De in de toelichting op het middel genoemde punten zijn, zo daarin werkelijk onverenigbaarheden moeten worden gezien – in elk geval is geen enkel bewijsmiddel tegenstrijdig aan de bewezenverklaring – , van zo gering belang dat de redengevendheid van de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd, niet wordt aangetast.
Het middel faalt
3.1 Het tweede middel klaagt erover dat het Hof in de strafmotivering heeft aangekondigd bij de strafoplegging rekening te zullen houden met een overschrijding van de redelijke termijn, maar heeft verzuimd te vermelden in welke mate de straf om die reden is verminderd.
3.2 Ik meen dat er in dit 80a-RO tijdperk alle reden is de jurisprudentiële eis waarop het middel doelt te nuanceren. Het Hof heeft met zoveel woorden vastgesteld dat de termijn van twee jaar in hoger beroep met 20 dagen is overschreden. Daarmee heeft het Hof in ieder geval tot uitdrukking gebracht dat slechts een geringe strafreductie aan de orde kan zijn. Voorts in aanmerking genomen dat in dit geval 24 maanden gevangenisstraf is opgelegd voor een feit – betrokkenheid bij de uitvoer van hard drugs naar het buitenland – waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaren kan volgen en dat ook in de praktijk met onvoorwaardelijke gevangenisstraf van niet geringe duur pleegt te worden afgedaan, valt zonder nadere toelichting niet in te zien welk rechtens te respecteren belang de verdachte bij deze klacht kan hebben.
4. Het derde middel klaagt eveneens over de strafmotivering, ditmaal met de klacht dat het Hof heeft verzuimd de bijzondere redenen te vermelden die een vrijheidsbenemende straf aangewezen maken.
Die redenen liggen reeds besloten in de aard van het bewezenverklaarde feit. Betrokkenheid bij het uitvoeren van niet onaanzienlijke hoeveelheden cocaïne, bij diverse gelegenheid gedurende ongeveer een half jaar, is een zo ernstige aantasting van de rechtsorde dat een andere straf dan gevangenisstraf bepaald verbazing zou wekken. Het middel faalt dus.
5.1 In elk geval het eerste en het derde middel lenen zich voor toepassing van art. 81 RO.
5.2 Uiterst voortvarende (verdere) behandeling van dit beroep zou nog kunnen voorkomen dat de daarvoor geldende redelijke termijn wordt overschreden. Met die kanttekening strekt deze conclusie tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
wnd A-G