Smidt II, 1881, p. 93.
HR, 25-06-2013, nr. 12/01575
ECLI:NL:HR:2013:12
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25-06-2013
- Zaaknummer
12/01575
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:12, Uitspraak, Hoge Raad, 25‑06‑2013; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2012:BV8417, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:8
ECLI:NL:PHR:2013:8, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 23‑04‑2013
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:12
Beroepschrift, Hoge Raad, 21‑01‑2013
- Vindplaatsen
NJ 2013/482 met annotatie van B.F. Keulen
SR-Updates.nl 2013-0285
NJ 2013/482 met annotatie van B.F. Keulen
Uitspraak 25‑06‑2013
Inhoudsindicatie
Damschreeuwer. Nationale dodenherdenking op de Dam. Art. 142 Sr. 1. Valse alarmkreten. 2. Opzet. Ad 1. Het oordeel van het Hof dat het schreeuwen van verdachte kan worden aangemerkt als een valse alarmkreet geeft, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Ad 2. De opvatting van het Hof dat het opzet niet gericht behoeft te zijn op rustverstoring geeft blijk van een onjuiste uitleg van art. 142 .1 Sr, maar dat hoeft niet tot cassatie te blijken nu uit de bewijsmiddelen moet worden afgeleid dat verdachte opzettelijk de rust heeft verstoord.
Partij(en)
25 juni 2013
Strafkamer
nr. 12/01575
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 9 maart 2012, nummer 23/004230-11, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal W.H. Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Bewezenverklaring en bewijsvoering
2.1.
Overeenkomstig de tenlastelegging is ten laste van de verdachte – voor zover in cassatie van belang – onder 2 bewezenverklaard dat:
"hij op 4 mei 2010 te Amsterdam opzettelijk door valse alarmkreten de rust heeft verstoord, immers is verdachte opzettelijk doorgedrongen in de menigte op de Dam die daar was in verband met de dodenherdenking, gedurende de twee minuten gezamenlijke stilte, en heeft hij, verdachte, vervolgens zijn armen gespreid en angstaanjagend luidkeels geschreeuwd "Ahhhh, Ahhhh", waardoor een gedeelte van die menigte ongecontroleerd in beweging kwam en de rust, tijdens de twee minuten gezamenlijke stilte, van de dodenherdenking werd verstoord."
2.2.
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
"1. Een proces-verbaal van bevindingen, met nummer 2010111598-4, van 4 mei 2010 (dossierpagina's 18 tot en met 20), in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover relevant en zakelijk weergegeven, als mededeling van voornoemde verbalisanten:
Op dinsdag 4 mei 2010 rond 20.00 uur was op de Dam te Amsterdam de Nationale dodenherdenking alwaar de Koningin en diverse hoogwaardigheidsbekleders aanwezig waren. Tijdens de herdenking waren er duizenden mensen aanwezig welke de dodenherdenking bijwoonden. Rond 20.00 uur stond de Dam helemaal vol met toeschouwers.
Op dinsdag 4 mei 2010 bevonden wij ons op de Dam te Amsterdam. Wij hoorden dat de bel van de klok acht maal sloeg wat het teken in hield dat de twee minuten stilte was aangevangen. Wij hoorden in het totaal geen geluid en alle mensen waren stil. Het was reeds ongeveer 1 minuut stil op en rond de Dam.
Ik, [verbalisant 3] zag een man gekleed in een zwarte broek, wit overhemd en zwarte jas. Deze man gaf later op te zijn genaamd [verdachte]. Ik keek naar [verdachte] omdat hij liep en de rest stond allemaal stil. Ik zag dat hij zich door de menigte bewoog. Ik zag dat mensen geïrriteerd waren en hem nakeken. Ik zag iemand in zijn richting kijken en hoorde die persoon een sissend geluid maken kennelijk ten teken dat deze man zich stil moest houden. Ik bleef [verdachte] aankijken. Plotseling zag ik dat [verdachte] zijn armen spreidde en dat hij hierbij luidkeels schreeuwde: "AHHHH AHHH" Op dit moment stond ik ongeveer 5 à 6 meter bij [verdachte] vandaan. Direct hierop zag ik dat de omstanders vlak naast hem direct wegvluchtten om kennelijk zo ver mogelijk bij hem vandaan te komen. Er ontstond een kring van mensen welke steeds breder werd omdat iedereen wegrende. Hierdoor begon de hele menigte te rennen en ontstond er totale paniek.
Ik, [verbalisant 1], hoorde de kerkklok acht uur slaan ten teken dat de twee minuten waren aangevangen. Ik, [verbalisant 1], zag dat de menigte schouder aan schouder stond en dat de Dam geheel gevuld was met mensen die aanwezig waren voor de dodenherdenking. Ik, [verbalisant 1], zag dat er vanaf de Paleisstraat een man aan kwam lopen, die later opgaf te zijn genaamd [verdachte]. Ik, [verbalisant 1], zag dat [verdachte] door de menigte liep terwijl iedereen twee minuten stilhield, dat [verdachte] mensen opzij duwde en in de richting van de Dam/Rokin liep en dat [verdachte] snel bij mij vandaan liep en bijna in de menigte verdween. Direct hierna hoorde ik een man luid "AAAAAAAAAAAHHHHHHHHHHHHHHHH" schreeuwen. Direct hierna zag ik, [verbalisant 1], de gehele menigte in totale paniek van [verdachte] wegrennen.
2. Een proces-verbaal van bevindingen, met nummer 2010111598-7, van 4 mei 2010 (dossierpagina's 22 en 23), in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4], [verbalisant 5] en [verbalisant 6].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover relevant en zakelijk weergegeven, als mededeling van voornoemde verbalisanten:
Wij, verbalisanten, bevonden ons op dinsdag 4 mei 2010 omstreeks 20.00 uur op de Dam te Amsterdam. Wij zagen dat er zich een grote menigte had verzameld op de Dam. Wij zagen dat de gehele Dam vol met mensen stond. Wij zagen dat alle personen op de Dam stil stonden en dat het door de drukte bijna onmogelijk was om door de menigte te lopen. Omstreeks 20.00 uur hoorden wij over de portofoon dat het bijna 20.00 uur was en dat de twee minuten stilte ingingen. Op dat moment hoorden wij, verbalisanten, dat de taptoe werd gespeeld, wat bekend staat als het aanvangsmoment van de herdenking van de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog.
Wij, verbalisanten, hoorden vervolgens dat er een totale stilte heerste over de Dam. Wij, verbalisanten, zagen dat alle personen op de Dam geconcentreerd in de richting van het monument keken. Wij, verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6], hoorden achter ons een geluid.
Wij, [verbalisant 5] en [verbalisant 6], keken vervolgens naar de kant waar het geluid vandaan kwam. Wij zagen vervolgens een persoon.
Deze man gaf later aan het politiebureau op te zijn genaamd: [verdachte].
Wij, [verbalisant 5] en [verbalisant 6] hoorden dat [verdachte] zei: 'Wat een onzin, waar is dat voor nodig?'.
Wij, verbalisanten, zagen dat [verdachte] zich vervolgens door de menigte heen duwde. Wij zagen dat de mensen geïrriteerd reageerden op het gedrag van [verdachte].
Wij zagen dat diverse mensen op de Dam keken naar [verdachte]. Wij hoorden dat diverse mensen tegen [verdachte] zeiden: 'sssssst'.
Wij, verbalisanten, zagen dat [verdachte] in de richting van Madame Tussauds liep.
Wij, verbalisanten, hoorden enkele ogenblikken hierna een harde schreeuw uit de richting van Madame Tussauds.
Wij zagen dat er paniek ontstond in de mensenmassa. Wij hoorden mensen gillen. Wij zagen mensen rennen komende uit de richting van Madame Tussauds en gaande in de richting van de Nieuwezijds Voorburgwal. Wij zagen dat er mensen over elkaar heen vielen tijdens het wegrennen.
3. Een proces-verbaal van verhoor getuige, met nummer 2010111598-10, van 4 mei 2010 (dossierpagina's 46 tot en met 48), in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 7].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover relevant en zakelijk weergegeven, als verklaring van de getuige [getuige 1]:
Ik ben getuige geweest van de ordeverstoring welke vandaag dinsdag 4 mei 2010 te 20.01 uur ten tijde van de twee minuten stilte van de Dodenherdenking op de Dam te Amsterdam heeft plaatsgevonden.
Ik had op de Dam ter hoogte van de Madame Tussauds positie ingenomen.
Plotseling midden in de twee minuten stilte kwam er een man welke mij van achteren naderde. Ik zag en voelde dat de man mij vastpakte bij mijn beide armen ter hoogte van mijn biceps. Ik voelde dat de man mij heel stevig vastgreep. Ik draaide mij direct naar achteren, naar de man toe zeg maar. Terwijl de man naar voren schoof, kneep hij mij nog extra stevig in mijn armen en keek mij daarbij aan. Ik hoorde dat de man daarbij zei: "He dank je wel".
Ik ervoer de aanraking van de man als indringend omdat ik het gevoel kreeg dat de man echt aandacht zocht. Ik zag dat de man verder de menigte door (het hof begrijpt: doorliep) in de richting van het Rokin. Ik keek de man nog even na. Ik hoorde de man nog iets roepen in de trant van 'he hoe gaat 't?' Ik kreeg het gevoel dat de man heel vastberaden op (het hof begrijpt: vastberaden was om) de aandacht op zich te vestigen.
Ik hoorde mensen sssst roepen en in die richting kijken waarin de man verder liep.
De man lokte echt reacties uit door te gaan praten.
Het moment nadat de man op het Rokin de hoek om was gegaan hoorde ik een luid ononderbroken geschreeuw. Ik kan het omschrijven alsof het klonk als een doodskreet.
De reactie van de mensen eromheen leek alsof hetgeen ze aanschouwden iets verschrikkelijks was, daarbij denk ik aan iemand die zichzelf neersteekt. Ik hoorde de mensen namelijk heel diep zuchten met hoog geluid van schrik.
Ik zag toen dat de menigte vanaf de hoek bij Madame Tussauds, Rokin zich massaal begon te bewegen in mijn richting. Dit gebeurde rennend en schreeuwend waarbij ook ik vervolgens begon te rennen. Er ontstond in een fractie van een seconde totale paniek.
Ik kan de man als volgt beschrijven: orthodox joodse kleding, zwarte klassieke hoed, zwart haar met lange pijpenkrullen.
4. Een proces-verbaal van verhoor getuige, met nummer 2010111598-18, van 5 mei 2010 (dossierpagina's 64 en 65), in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 8].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover relevant en zakelijk weergegeven, als verklaring van de getuige [getuige 2]:
Vanavond dinsdag 4 mei 2010, omstreeks 20:00 uur was ik aanwezig bij de Dodenherdenking op de Dam te Amsterdam. Ik stond vlakbij het wassenbeelden museum Madame Tussauds.
Bij het begin van de twee minuten stilte zag ik, dat er een man gekleed in een zwart gewaad, pijpenkrullen, baard en keppel, tussen de mensenmenigte doorliep. Ik hoorde dat de man hardop liep te praten; ik hoorde dat hij iets zei van "kutwijf" althans woorden van gelijke strekking. Ik hoorde dat een man de man maande om stil te zijn. Ik hoorde dat deze man het geluid maakte van: Ssstt.
Ik zag dat de man met de pijpenkrullen mij aankeek. Ik zag in zijn blik woede en haat. Volgens mij was hij niet dronken of zoiets. Opeens begon hij te gillen. Hij slaakte een lange verschrikkelijk harde kreet. De kreet ging mij door merg en been.
5. Een proces-verbaal van verhoor getuige, met nummer 2010111632-46, van 6 mei 2010 (dossierpagina's 117 en 118), in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 9].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover relevant en zakelijk weergegeven, als verklaring van de getuige [getuige 3]:
Ik was op dinsdag 4 mei 2010 aanwezig bij de dodenherdenking op de Dam in Amsterdam. Ik stond op de stoeprand vlak voor Madame Tussauds.
Om 20.00 uur, toen de twee minuten stilte begon, zag en hoorde ik dat er een man die vlak achter ons stond begon te bellen. Ik hoorde niet wat hij zei maar ik zag dat hij een telefoon bij zijn oor hield waar hij in sprak. Ik hoorde dat diverse omstanders hem aanspraken op zijn gedrag en zeiden dat hij stil moest zijn. Deze man stond ongeveer anderhalve meter achter ons op de stoep voor Madame Tussauds. Toen de man aangesproken werd door diverse omstanders liep de man naar voren tussen de menigte door. Ik kon de man niet meer zien door de mensenmassa, hij verdween in de menigte. Vlak hierna hoorde ik een ijzingwekkende gil. Het ging door merg en been.
Ik kan de man als volgt omschrijven:
- de man was kleiner dan ik, ik ben 1.80 (het hof begrijpt: meter) lang,
- de man had een baard,
- droeg een zwarte hoed met een brede rand en een donkere jas.
Uit het onder 4 en 5 weergegeven signalement leidt het hof af dat het telkens de verdachte betrof.
6. Een geschrift, zijnde het uitgewerkte eerste studioverhoor van de verdachte op 5 mei 2010 (dossierpagina's 263 tot en met 295).
Dit geschrift houdt in, voor zover relevant en zakelijk weergegeven (op dossierpagina's 284 en 285):
G= Gehoorde (het hof begrijpt: [verdachte])
1= Interviewer
G: Ik ben richting het Damplein gewandeld. Nou, dat zou toen om een uur of 5 voor 8 geweest zijn of zo. (het hof begrijpt op 4 mei 2010, 19:55 uur)
G: En ik loop de Dam op en ik denk, wat een dooie boel hier zeg. Wat een stille toestand.
I: Hoe bedoel je, stille toestand?
G: Nou, dat het zo stil was.
G: Dus ik vond het wel druk, maar zo stil.
G: Ik denk, weetje wat we doen? We gooien d'r een letter in.
G: Dus ja, ik denk laten we 's wat roepen."
2.3.
Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts nog het volgende overwogen:
"Voor de bewezenverklaring van artikel 142 van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat de rust wordt verstoord door valse alarmkreten of signalen, waarmee de gedachte aan een gevaarlijke of anderszins de gemoederen schokkende gebeurtenis wordt opgewekt. In het onderhavig geval moet derhalve bezien worden of de schreeuw van de verdachte een dusdanige opwekking heeft veroorzaakt en of die alarmkreet opzettelijk is gedaan, waarbij het opzet van de verdachte niet gericht hoeft te zijn op de rustverstoring. (...)
Met de advocaat-generaal en anders dan de rechtbank, acht het hof allereerst wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de rust heeft verstoord door opzettelijk valse alarmkreten te uiten. Daartoe wordt het navolgende overwogen.
Op 4 mei 2010, tijdens de Nationale dodenherdenking op de Dam in Amsterdam, op het moment dat de twee minuten stilte in acht werden genomen, slaakte de verdachte
- naar uit zijn verklaring kan worden opgemaakt - opzettelijk een duidelijk hoorbare kreet. Hierdoor werd de normale gang van zaken op dat moment verstoord. Verbalisanten en getuigen hebben verklaard dat de verdachte plotseling, terwijl de twee minuten stilte al was begonnen, te midden van de menigte zijn armen spreidde en luidkeels schreeuwde "Ahhhh Ahhhh". Getuigen hebben de schreeuw omschreven als een doodskreet, een ijzingwekkende gil, die door merg en been ging. Er waren op dat moment duizenden mensen ter plaatse aanwezig. Slechts een gering aantal van hen heeft kunnen waarnemen dat de verdachte schreeuwde zonder dat daar een redelijke aanleiding voor was. Voor anderen die dit niet hebben kunnen waarnemen kon de schreeuw de gedachte aan een concrete aanleiding in de zin van (dreigend) gevaar alleszins opwekken. Dat zulks ook feitelijk heeft plaatsgevonden blijkt genoegzaam uit het feit dat (er) mensen zijn gaan gillen en/of hebben geprobeerd weg te komen. Aldus is het hof van oordeel dat het schreeuwen van de verdachte is aan te merken als een opzettelijk valse alarmkreet waardoor de rust werd verstoord, in de zin van artikel 142 van het Wetboek van Strafrecht."
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1.
Het middel klaagt dat het Hof ten aanzien van feit 2 de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten doordat het een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de daarin voorkomende termen "valse alarmkreten" en "opzettelijk".
3.2.
De tenlastelegging is toegesneden op art. 142, eerste lid, Sr. De in de tenlastelegging voorkomende begrippen "opzettelijk" en "alarmkreten" zijn kennelijk gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in deze bepaling. Art. 142, eerste lid, Sr luidt:
"Hij die opzettelijk door valse alarmkreten of signalen de rust verstoort, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie."
3.3.
Het Hof heeft ten aanzien van het schreeuwen door de verdachte het volgende vastgesteld:
(i) de verdachte heeft in de twee minuten stilte tijdens de Nationale dodenherdenking op de Dam te Amsterdam luidkeels "Ahhhh, Ahhhh" geschreeuwd;
(ii) getuigen hebben die schreeuw omschreven als een doodskreet en een ijzingwekkende gil;
(iii) voor de duizenden aanwezigen op de Dam die niet konden waarnemen dat de verdachte zonder redelijke aanleiding schreeuwde, kon de kreet alleszins de gedachte aan (dreigend) gevaar opwekken;
(iv) vervolgens zijn mensen inderdaad gaan gillen en/of hebben zij geprobeerd weg te komen omdat zij gevaar vreesden.
Op grond hiervan heeft het Hof het schreeuwen door de verdachte aangemerkt als een valse alarmkreet. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste uitleg van art. 142, eerste lid, Sr, is niet onbegrijpelijk en kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet verder worden getoetst.
In zoverre faalt het middel.
3.4.
Het middel is evenwel gegrond voor zover het klaagt over de opvatting van het Hof dat het opzet van de dader niet gericht behoeft te zijn op de rustverstoring. In aanmerking genomen dat in de delictsomschrijving het woord "opzettelijk" is geplaatst vóór "de rust verstoort", moet worden aangenomen dat voor een veroordeling ter zake van het misdrijf van art. 142, eerste lid, Sr is vereist dat de dader opzettelijk de rust heeft verstoord. 's Hofs opvatting geeft dus blijk van een onjuiste uitleg van voormelde bepaling.
3.5.
Dit behoeft echter niet tot cassatie te leiden nu uit de gebezigde bewijsmiddelen en in het bijzonder de hiervoor onder 2.2 sub 6 weergegeven verklaring van de verdachte moet worden afgeleid dat de verdachte opzettelijk de rust heeft verstoord.
4. Beoordeling van de middelen voor het overige
De middelen kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu, W.F. Groos, N. Jörg en V. van den Brink, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 25 juni 2013.
Conclusie 23‑04‑2013
Inhoudsindicatie
Damschreeuwer. Nationale dodenherdenking op de Dam. Art. 142 Sr. 1. Valse alarmkreten. 2. Opzet. Ad 1. Het oordeel van het Hof dat het schreeuwen van verdachte kan worden aangemerkt als een valse alarmkreet geeft, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Ad 2. De opvatting van het Hof dat het opzet niet gericht behoeft te zijn op rustverstoring geeft blijk van een onjuiste uitleg van art. 142 .1 Sr, maar dat hoeft niet tot cassatie te blijken nu uit de bewijsmiddelen moet worden afgeleid dat verdachte opzettelijk de rust heeft verstoord.
Nr. 12/01575 Zitting: 23 april 2013 | Mr. Vellinga Conclusie inzake: [verdachte] |
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens 1. “aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zodanig letsel bekomt dat daaruit tijdelijk ziekte of verhindering in de uitoefening van zijn ambts- of beroepsbezigheden ontstaat, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid, meermalen gepleegd”, 2. primair “opzettelijk door valse alarmkreten de rust verstoren”, 3. “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen”, 4. “diefstal, meermalen gepleegd” en 5. “diefstal” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van 2 jaren. Voorts bevat het arrest enige bijkomende beslissingen, een en ander als in het arrest vermeld.
2. Namens verdachte heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel houdt in dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat opzet als bestanddeel van art.142 Sr niet mede ziet op het verstoren van rust, alsmede dat het Hof heeft miskend dat onder valse alarmkreten in de zin van art. 142 Sr slechts kreten vallen die in het maatschappelijk verkeer plegen te worden aangemerkt als een waarschuwing voor gevaar.
4. In het oorspronkelijk regeringsontwerp van het Wetboek van Strafrecht was voorzien in een overtreding die straf stelde op het verstoren van de openbare rust door valse alarmkreten of signalen (art. 487). De wetgever ging er daarbij vanuit dat de verdachte met de valsheid van zijn kreten of signalen bekend was. De Tweede Kamer was van oordeel dat in de bepaling tot uitdrukking diende te worden gebracht dat die bekendheid werd geëist. Dat leidde niet alleen tot het opnemen van opzet in de bepaling maar ook tot het omvormen van de bepaling van overtreding naar misdrijf. Daarmee was het huidige art. 142 Sr geboren.
5. Voor zover van belang voor de beantwoording van de vraag of het opzet in art. 142 Sr mede betrekking heeft op het verstoren van rust houdt Het Verslag van de Tweede Kamer met Regeringsantwoord in:
“Art. 487. De Memorie van Toelichting eischt bekendheid met de valschheid der alarmkreten en signalen. Dit dient de wet zelve uit te drukken. Het artikel zou anders ook toepasselijk zijn bijv. op hem, die, een ander brand hoorende roepen, te goeder trouw meeroept, niet wetende dat de kreet valsch is. Maar uit de noodzakelijkheid om hier de wetenschap der valschheid als een element van het strafbaar feit op te nemen, blijkt tevens dat niet aan eene overtreding maar aan een misdrijf moet worden gedacht. De Commissie zou dan ook het artikel willen overbrengen in den Vden Titel van het Tweede Boek, en het aldus willen lezen: »Met gevangenisstraf van ten hoogste veertien dagen of geldboete van ten hoogste vijftig gulden wordt gestraft hij, die opzettelijk door valsche alarmkreten of signalen de rust verstoort.”1.
6. Aan de formulering van strafbare feiten in het Wetboek van Strafrecht ligt de regel ten grondslag dat het opzet betrekking heeft op al hetgeen daarna als bestanddeel in de delictsomschrijving staat vermeld.2.Volgens die regel heeft het opzet in art. 142 Sr betrekking op het verstoren van rust.3.
7. Daar staat echter tegenover dat in het Verslag van de Tweede Kamer met Regeringsantwoord tot uitdrukking wordt gebracht dat de formulering van de onderhavige bepaling is ingegeven door de wens wetenschap der valsheid – en niet ook wetenschap van de verstoring van de rust – als een element van het strafbaar feit op te nemen, terwijl de wetgever niet heeft laten blijken zich bij de formulering van de bepaling rekenschap te hebben gegeven van genoemde algemene regel. Dat lijkt erop te wijzen dat de wetgever in het onderhavige geval een inbreuk op voormelde algemene regel heeft willen maken dan wel zich de consequenties van de systematiek van het Wetboek bij de formulering van de strafbepaling niet heeft gerealiseerd en dus naar valt aan te nemen niet heeft beoogd. Noyon-Langemeijer-Remmelink schrijft dan ook dat de bepaling door plaatsing van het begrip opzet voorafgaand aan de verstoring van rust gezien genoemde algemene regel een andere strekking heeft gekregen dan wellicht de bedoeling van de wetgever was. Daarom houd ik het er - met het Hof - op dat de wetgever niet heeft beoogd dat het opzet ook betrekking had op het verstoren van rust, ook al is dat wetstechnisch gesproken niet goed tot uitdrukking gebracht.
8. Naar mijn oordeel biedt noch de tekst van de wet noch de parlementaire geschiedenis enig aanknopingspunt voor het in het middel verwoorde standpunt dat onder alarmkreten in de zin van art. 142 Sr slechts kreten vallen die in het maatschappelijk verkeer plegen te worden aangemerkt als een waarschuwing voor gevaar.4.De bepaling is erop gericht verstoring van de rust door valse alarmkreten of signalen tegen te gaan. Het hoeft geen betoog dat ook andere alarmkreten of signalen dan die welke in het maatschappelijk verkeer plegen te worden aangemerkt als een waarschuwing voor gevaar de rust kunnen verstoren. Daarom is er anders dan het middel voorstaat geen reden de valse alarmkreten of signalen te beperken tot die welke in het maatschappelijk verkeer plegen te worden aangemerkt als een waarschuwing voor gevaar.
9. Het middel faalt.
10. Het tweede middel klaagt dat het Hof ten onrechte bewezen heeft verklaard dat er causaal verband is tussen het bewezenverklaarde luidkeels schreeuwen door de verdachte enerzijds en het bewezenverklaarde verstoren van de rust en het bewezenverklaarde letsel anderzijds.
11. Met betrekking tot bedoeld causaal verband heeft het Hof overwogen:
“Met de advocaat-generaal en anders dan de rechtbank, acht het hof allereerst wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de rust heeft verstoord door opzettelijk valse alarmkreten te uiten. Daartoe wordt het navolgende overwogen.
Op 4 mei 2010, tijdens de Nationale dodenherdenking op de Dam in Amsterdam, op het moment dat de twee minuten stilte in acht werden genomen, slaakte de verdachte - naar uit zijn verklaring kan worden opgemaakt - opzettelijk een duidelijk hoorbare kreet. Hierdoor werd de normale gang van zaken op dat moment verstoord. Verbalisanten en getuigen hebben verklaard dat de verdachte plotseling, terwijl de twee minuten stilte al was begonnen, te midden van de menigte zijn armen spreidde en luidkeels schreeuwde "Ahhhh Ahhhh". Getuigen hebben de schreeuw omschreven als een doodskreet, een ijzingwekkende gil, die door merg en been ging. Er waren op dat moment duizenden mensen ter plaatse aanwezig. Slechts een gering aantal van hen heeft kunnen waarnemen dat de verdachte schreeuwde zonder dat daar een redelijke aanleiding voor was. Voor anderen die dit niet hebben kunnen waarnemen kon de schreeuw de gedachte aan een concrete aanleiding in de zin van (dreigend) gevaar alleszins opwekken. Dat zulks ook feitelijk heeft plaatsgevonden blijkt genoegzaam uit het feit dat (er) mensen zijn gaan gillen en/of hebben geprobeerd weg te komen. Aldus is het hof van oordeel dat het schreeuwen van de verdachte is aan te merken als een opzettelijk valse alarmkreet waardoor de rust werd verstoord, in de zin van artikel 142 van het Wetboek van Strafrecht.
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit wordt het navolgende overwogen.
Het is een feit van algemene bekendheid dat ten behoeve van de dodenherdenking van 4 mei op de Dam in Amsterdam allerlei veiligheidsmaatregelen worden genomen waaronder het plaatsen van hekken, om in verband met de aanwezigheid van de Koningin en een grote menigte mensen de stromen van bezoekers in goede banen te kunnen leiden. De verdachte heeft verklaard dit 's morgens op de 4 mei 2009 ook te hebben waargenomen. In de huidige tijd met gebeurtenissen zoals 9/11 en de aanslagen in - onder andere - Londen en Madrid worden angstgevoelens bij mensen op een voor een groot publiek toegankelijke plaats daardoor eerder opgeroepen, zo ook tijdens een plechtigheid als de dodenherdenking, een en ander te meer tegen de achtergrond van de aanslag in Apeldoorn op Koninginnedag op 30 april 2009. Dat de verdachte met dat gebeuren bekend was en zich daarvan op 4 mei 2010 bewust is geweest volgt uit eerder die dag door de verdachte gedane uitlatingen waarover door twee getuigen, een medewerkster en een klant van de Albert Heijn, verklaringen zijn afgelegd.
Gezien een en ander was het voor de verdachte niet alleen redelijkerwijs te verwachten maar ook voorzienbaar dat een schreeuw, zoals die door de verdachte is geuit, angst en paniek zou doen ontstaan bij de omstanders en dat als gevolg daarvan, gelet op de hoeveelheid aanwezige mensen en de drukte, gewonden zouden vallen bij een massale paniekreactie. Het gedrag van de verdachte is dan ook aan te merken als roekeloos gedrag, waarmee de verdachte bewust het risico heeft genomen dat zijn schreeuw paniek bij de menigte zou aanwakkeren. De verdachte moet gezien hebben dat duizenden mensen zich hadden verzameld op de Dam en hij moet ook geweten hebben dat die mensen zeer dicht op elkaar stonden toen hij in die menigte doordrong. Voorts wist de verdachte dat de twee minuten stilte van de dodenherdenking-ceremonie reeds was begonnen, zodat zijn schreeuw duidelijk hoorbaar zou zijn voor een groot gedeelte van de menigte. Dat de verdachte wist dat men was begonnen aan de twee minuten stilte blijkt uit zijn verklaring bij de politie, inhoudende "Ik loop de Dam op en ik denk, wat een dooie boel hier zeg. Wat een stille toestand... dat het zo stil was....Ik denk, weet je wat we doen? We gooien d'r een letter in".
Door het slaken van de kreet heeft de verdachte de daarna volgende gebeurtenissen veroorzaakt: mensen zijn massaal weggevlucht, waardoor hekken zijn omgevallen. Vervolgens zijn mensen over die hekken of over elkaar gevallen met verwondingen als gevolg. Deze gevolgen, met name de verwondingen, zijn dan ook aan de verdachte in volle omvang toe te rekenen. Dat er na het slaken van de kreet door de verdachte ook iemand anders zou hebben gegild of dat er knallen - veroorzaakt door het vallen van hekken - zouden hebben geklonken doet daaraan niet af, nu deze naar algemene ervaringsregels leren, tevens hun oorzaak hebben kunnen vinden in de initiërende kreet van de verdachte. Van een wezenlijke 'interventie - een doorbreking van de causaliteit - zoals door de raadsman is betoogd, is dan ook geen sprake. Alle gevolgen staan in een zodanig verband tot de door de verdachte geslaakte kreet dat deze in volle omvang aan hem zijn toe te rekenen. Evenmin is sprake van een exceptionele omstandigheid die niet reeds bij het slaken van de kreet onder de gegeven omstandigheden was te voorzien, nog daargelaten dat niet voorzienbare gevolgen ook zeer wel kunnen worden toegerekend. Maar van die laatste situatie is in het onderhavige geval geen sprake.”
12. Bij de beoordeling van het middel dient te worden vooropgesteld dat bedoeld causaal verband aanwezig is wanneer het letsel en het verstoren van rust redelijkerwijs als gevolg van verdachtes luidkeels schreeuwen aan verdachte kunnen worden toegerekend.5.
13. Aan het oordeel dat verdachtes luidkeels schreeuwen de rust heeft verstoord heeft het Hof de volgende feiten ten grondslag gelegd:
- het schreeuwen vond plaats tijdens de Nationale dodenherdenking op de Dam in Amsterdam op het moment dat twee minuten stilte in acht werd genomen;
- verdachtes schreeuwen was als een doodskreet, een ijzingwekkende gil, die door merg en been ging;
- slechts een klein aantal van het grote aantal ter plaatse aanwezige personen heeft kunnen waarnemen dat de verdachte schreeuwde zonder dat daar een redelijke aanleiding voor was;
- voor anderen die dit niet hebben kunnen waarnemen, kon de schreeuw de gedachte aan een concrete aanleiding in de zin van (dreigend) gevaar alleszins opwekken;
- zulks heeft ook plaatsgevonden gezien het feit dat mensen zijn gaan gillen en/of hebben geprobeerd weg te komen.
14. Op grond van deze feiten heeft het Hof zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk kunnen oordelen dat verdachtes valse alarmkreet de rust heeft verstoord. Dat volgt reeds uit de omstandigheid dat de kreet werd geslaakt terwijl er twee minuten stilte in acht werd genomen. Die kreet doorbrak de ter plaatse heersende stilte en verstoorde dus die rust. Daar komt nog bij dat uit verdachtes voor het bewijs gebezigde verklaring kan worden afgeleid dat hij de stilte wenste te verstoren. Blijkens zijn verklaring wilde hij immers iets doen aan wat hij omschreef als een “dooie boel”.
15. Het Hof is op de volgende gronden tot het oordeel gekomen dat het bewezenverklaarde letsel redelijkerwijs als gevolg van verdachtes luidkeels schreeuwen aan verdachte als gevolg kan worden toegerekend:
- het schreeuwen vond plaats tijdens de Nationale dodenherdenking op de Dam in Amsterdam op het moment dat twee minuten stilte in acht werd genomen;
- het is van algemene bekendheid dat ten behoeve van de dodenherdenking allerlei veiligheidsmaatregelen worden genomen;
- verdachte heeft deze veiligheidsmaatregelen onder andere bestaande in het plaatsen van hekken waargenomen;
- door gebeurtenissen zoals 9/11 en de aanslagen in - onder andere - Londen en Madrid worden bij mensen op een voor een groot publiek toegankelijke plaats eerder dan voordien gebruikelijk angstgevoelens opgeroepen, temeer gezien de aanslag in Apeldoorn op Koninginnedag op 30 april 2009;
- verdachte was met dat laatste gebeuren bekend en is zich daarvan op 4 mei 2010 bewust geweest;
- op grond van het voorgaande was voor de verdachte niet alleen redelijkerwijs te verwachten maar ook voorzienbaar dat zijn schreeuwen angst en paniek zou doen ontstaan bij de omstanders met als gevolg dat gelet op de hoeveelheid aanwezige mensen en de drukte bij een massale paniekreactie gewonden zouden vallen;
- verdachte heeft bewust het risico genomen dat zijn schreeuw paniek bij de menigte zou aanwakkeren;
- verdachte was ervan op de hoogte dat de twee minuten stilte waren begonnen toen hij zijn kreet slaakte en heeft blijkens zijn uitlatingen tegenover de politie aan wat hij heeft omschreven als een dooie boel een einde willen maken.
16. Gelet op de feiten en omstandigheden die het Hof aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd geeft het oordeel van het Hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. Het ontstaan van paniek onder het publiek, het daardoor wegvluchten van mensen en het dientengevolge optreden van verwondingen onder het publiek is in de omstandigheden van het onderhavige geval – het temidden van een groot publiek dat stilte in acht neemt slaken van een kreet die wordt ervaren als een doodskreet, een ijzingwekkende gil, die door merg en been gaat – niet zo uitzonderlijk dat dit aan toerekening aan de verdachte van die verwondingen als gevolg van verdachtes schreeuwen in de weg staat. Dit geldt temeer nu het Hof verdachtes gedrag met het oog op te verwachten reacties van het aanwezige publiek heeft aangemerkt als roekeloos, een oordeel dat in cassatie niet is betwist.
17. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
18. Met betrekking tot het eerste middel zou de vraag kunnen worden gesteld of de verdachte wel belang heeft bij zijn middel. Zoals ik hiervoor reeds heb opgemerkt kan uit verdachtes voor het bewijs gebezigde verklaring zonder meer worden afgeleid dat hij de stilte wenste te verstoren. Dit betekent dat ook als geëist zou worden dat het opzet gericht moet zijn op het verstoren van de rust, bewezenverklaring, kwalificatie en veroordeling van verdachte in stand zouden kunnen blijven. Hoe dit ook zij, tot toepassing van art. 80a RO kan dit niet leiden omdat voor wat betreft het eerste middel de vereiste klaarblijkelijkheid ontbreekt.
19. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 23‑04‑2013
Smidt I, 1881, p. 70, 71.
Aldus Noyon-Langemeijer-Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, art. 142, aant. 1 (suppl. 135. maart 2006).
In het Verslag van de Tweede Kamer met Regeringsantwoord (Smidt II, 1881, p. 93, 94) worden wel kreten genoemd, die in het maatschappelijk verkeer plegen te worden aangemerkt als een waarschuwing voor gevaar (brand, het signaal van een schip in nood), maar dat zijn niet meer dan voorbeelden.
O.a. HR 13 juni 2006, LJN AV8535, rov. 3.4.
Beroepschrift 21‑01‑2013
HOGE RAAD
DER
NEDERLANDEN
SCHRIFTUUR: houdende middelen van cassatie in de zaak van:
[verzoeker], verzoeker tot cassatie van een hem betreffend arrest van het gerechtshof te Amsterdam uitgesproken op 9 maart 2012.
Middel 1
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid medebrengt.
In het bijzonder zijn met betrekking tot het sub 2 bewezenverklaarde feit de artt. 142 Sr, 350, 359, 415 Sv geschonden doordien het hof niet heeft beraadslaagd en beslist op de grondslag van de tenlastelegging, nu het hof aan het in de delictsomschrijving en tenlastelegging voorkomende begrip ‘valse alarmkreten’ een onjuiste betekenis heeft toegekend c.q. daaromtrent blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door aan het begrip opzet als bedoeld in art. 142 Sr een onjuiste, te beperkte betekenis toe te kennen en/of de enkele kreet ‘Ahhh Ahhh’ aan te merken als een (valse) alarmkreet, aangezien de schreeuw de gedachte aan een concrete aanleiding in de zin van (dreigend) gevaar alleszins kon opwekken zulks ten onrechte nu het opzet, anders dan het hof meent, mede ziet op de rustverstoring en onder alarmkreten in de zin van art. 142 Sr slechts kreten die in het maatschappelijk verkeer plegen te worden aangemerkt als een waarschuwing voor gevaar, bijvoorbeeld help, help, brand, vallen (zie Smidt, II (1881), p. 93). Het hof heeft mitsdien op grond van het voorgaande de grondslag van de telastelegging verlaten. Subsidiair kan het bewezenverklaarde sub 2 niet uit de gebezigde bewijsmiddelen volgen nu daaruit niet kan worden afgeleid dat verzoeker opzet op de rustverstoring had en/of zijn kreten ‘Ahhh, ahhh’ naar algemene ervaringsregels plegen te worden opgevat als een waarschuwing voor dreigend gevaar, 's Hofs arrest lijdt hierdoor aan nietigheid.
Toelichting
1.
Het hof heeft in dit verband, zakelijk weergegeven, overwogen:
‘De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak van de verdachte bepleit van zowel het als feit 1 als van het als feit 2, primair ten laste gelegde. Daartoe heeft de raadsman, kort samengevat, aangevoerd dat het causaal verband niet kan worden vastgesteld tussen de schreeuw van de verdachte op de Dam op 4 mei 2010 en de daarop volgende paniek in de menigte en het daardoor ontstane letsel bij slachtoffers, althans dat het causaal verband wordt doorbroken. De raadsman heeft naar voren gebracht dat uit de stukken van het dossier blijkt dat na de schreeuw ook een gil van een vrouw en knallen zijn gehoord voordat de paniek uitbrak. Ook heeft de raadsman aangevoerd dat het op de schreeuw van de verdachte volgend oplopen van letsel door aanwezige personen van een zodanige aard is dat het niet als voorzienbaar gevolg van het schreeuwen door de verdachte valt aan te merken, althans niet gezegd kan worden dat de verdachte het risico dat een dergelijk gevolg zou ontstaan bewust heeft genomen.
Het hof overweegt als volgt:
Voor de bewezenverklaring van artikel 142 van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat de rust wordt verstoord door valse alarmkreten of signalen, waarmee de gedachte aan een gevaarlijke of anderszins de gemoederen schokkende gebeurtenis wordt opgewekt. In het onderhavig geval moet derhalve bezien worden of de schreeuw van de verdachte een dusdanige opwekking heeft veroorzaakt en of die alarmkreet opzettelijk is gedaan, waarbij het opzet van de verdachte niet gericht hoeft te zijn op de rustverstoring. Voorts dient in het kader van het als feit 1 ten laste gelegde bezien te worden of er sprake is van causaal verband tussen de schreeuw en het letsel en zo ja, of de gevolgen daarvan aan de verdachte toegerekend kunnen worden.
Het hof ziet aanleiding eerst het tweede ten laste gelegde feit te behandelen en daarna het eerste ten laste gelegde feit.
Met de advocaat-generaal en anders dan de rechtbank, acht het hof allereerst wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de rust heeft verstoord door opzettelijk valse alarmkreten te uiten. Daartoe wordt het navolgende overwogen.
Op 4 mei 2010, tijdens de Nationale dodenherdenking op de Dam in Amsterdam, op het moment dat de twee minuten stilte in acht werden genomen, slaakte de verdachte — naar uit zijn verklaring kan worden opgemaakt — opzettelijk een duidelijk hoorbare kreet. Hierdoor werd de normale gang van zaken op dat moment verstoord. Verbalisanten en getuigen hebben verklaard dat de verdachte plotseling, terwijl de twee minuten stilte al was begonnen, te midden van de menigte zijn armen spreidde en luidkeels schreeuwde ‘Ahhhh Ahhhh’. Getuigen hebben de schreeuw omschreven als een doodskreet, een ijzingwekkende gil, die door merg en been ging. Er waren op dat moment duizenden mensen ter plaatse aanwezig. Slechts een gering aantal van hen heeft kunnen waarnemen dat de verdachte schreeuwde zonder dat daar een redelijke aanleiding voor was. Voor anderen die dit niet hebben kunnen waarnemen kon de schreeuw de gedachte aan een concrete aanleiding in de zin van (dreigend) gevaar alleszins opwekken. Dat zulks ook feitelijk heeft plaatsgevonden blijkt genoegzaam uit het feit dat (er) mensen zijn gaan gillen en/of hebben geprobeerd weg te komen. Aldus is het hof van oordeel dat het schreeuwen van de verdachte is aan te merken als een opzettelijk valse alarmkreet waardoor de rust werd verstoord in de zin van artikel 142 van het Wetboek van Strafrecht.’
2.
's Hofs oordeel dat het opzet van de verdachte niet gericht hoeft te zijn op de rustverstoring is onjuist, althans geeft blijk van een verkeerde rechtsopvatting.
3.
Voormeld oordeel van het hof sluit weliswaar aan bij het arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden d.d. 16 december 1886, W 5246. Dit hof besliste dat het opzet niet op de ordeverstoring gericht behoeft te zijn omdat ‘uit de plaatsing van het woord opzettelijk onmiddellijk vóór de woorden door valsche alarmkreten of signalen en niet onmiddellijk vóór de woorden de rust verstoort blijkt dat de wetgever de wetenschap van den dader dat de door hem geuite of aangeheven alarmkreten of door hem gegeven signalen valsch zijn en den wil van den dader om in weerwil van die hem bekende valschheid toch zulke alarmkreten aan te treffen of signalen te geven, strafbaar heeft gesteld indien daardoor de rust wordt verstoord.’
4.
In NLR noot 1 bij art. 142 Sr wordt evenwel uit de doeken gedaan dat deze uitlegging taalkundig onjuist schijnt daar er toch wel geen onderscheid zal zijn tussen ‘de rust verstoren door alarmkreten of signalen’, en ‘door alarmkreten of signalen de rust verstoren’. Deze semantische analyse van genoemde auteurs is juist, aangezien in beide gevallen de relatie tussen de rustverstoring en het middel bestaande in de valse alarmkreten en/of signalen en het opzet op die relatie vereist is. Zo zal de moeder van een huilende en/of krijsende baby tijdens de dodenherdenking op de Dam danook bezwaarlijk voor dit delict vervolgd kunnen worden, zelfs ook in het geval dat voor haar redelijkerwijs voorzienbaar was dat haar dierbare kroost het op een krijsen zou zetten. Deze redelijke wetsuitleg is naar we mogen aannemen terug te voeren op de maatschappelijke opvatting dat het huilen/krijsen van baby's nu eenmaal bij het leven hoort en dus niet als (het doen plegen van) een strafbare rustverstoring kan worden aangemerkt, zelfs niet als derden daar behoorlijke last van hebben, zoals onder meer in vliegtuigen en bij begrafenissen niet zelden het geval is.
5.
NLR wijzen er voorts op dat een dergelijke opvatting — nu van twee hoven — in strijd is met de betekenis die door de wetgever zelf aan de plaatsing van het woord ‘opzettelijk’ is toegekend. Gulden regel is van oudsher dat alles wat na het bestanddeel opzettelijk in een delictsomschrijving volgt daardoor beheerst wordt (zie Smidt I, p. 78)
6.
Voor strafbaarheid van enig feit, waarbij in de omschrijving ‘opzettelijk’ voorkomt, moet derhalve het opzet in beginsel gericht zijn op elk bestanddeel na dit woord genoemd (vgl. NLR aant. 11 en 12, Inleiding/opzet en Tekst & Commentaar aant. 7 bij art. 142 Sr).
Dat dit ook een logische uitleg van de reikwijdte van het opzet in dit geval is, volgt uit de aard en strekking van de delictsomschrijving. Het gaat toch bij de strafbaarstelling als bedoeld in art. 142 Sr primair om de verstoring van de rust en niet louter alleen om de alarmkreten of signalen. Het betreft typisch een delict waar het opzet op de wederrechtelijkheid en het gevolg moet zijn gericht. Want een valse alarmkreet in een verlaten woestijn zal geen strafbaar feit ex art. 142 Sr opleveren.
7.
Het hof heeft voorts een onjuiste betekenis toegekend aan het begrip valse alarmkreten, en aldus de grondslag van de telastelegging verlaten, door daaraan niet slechts een in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke alarmkreet te begrijpen, maar ook een als een doodskreet, en/of een ijzingwekkende gil te verstaan. Zulks ten onrechte, daarmee de strafrechtelijke aansprakelijkheid buiten de wil van de wetgever verruimend, nu een doodskreet primair geschikt is om hulpverlening als effect te sorteren en niet zonder meer de normale gang van zaken in de samenleving hoeft verstoren (zie HR 3 februari 2004, NJ 2004, 216), aangezien hulpverlening bieden immers tot de normale gang van zaken in een samenleving behoort. Dat is zelfs zó normaal dat het onder omstandigheden strafbaar is die hulpverlening achterwege te laten (zie art. 255 Sr)
Middel 2
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid medebrengt.
In het bijzonder zijn de artt. 142 Sr, 359, 415 Sv geschonden doordien de bewezenverklaarde causaliteit onder sub 1 en 2 niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid en/of het hof het verweer van de raadsman dat vanwege het gillen door anderen of door vallende hekken veroorzakende knallen sprake is van een doorbreking van de causaliteit heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.
's Hofs arrest is in zoverre niet naar de eis van de wet voldoende met redenen omkleed.
Toelichting
1.
Voor zover hier van belang, heeft het hof, zakelijk weergegeven, overwogen:
‘Het is een feit van algemene bekendheid dat ten behoeve van de dodenherdenking van 4 mei op de Dam in Amsterdam allerlei veiligheidsmaatregelen worden genomen waaronder het plaatsen van hekken, om in verband met de aanwezigheid van de Koningin en een grote menigte mensen de stromen van bezoekers in goede banen te kunnen leiden. De verdachte heeft verklaard dit 's morgens op de 4 mei 2009 ook te hebben waargenomen. In de huidige tijd met gebeurtenissen zoals 9/11 en de aanslagen in — onder andere — Londen en Madrid worden angstgevoelens bij mensen op een voor een groot publiek toegankelijke plaats daardoor eerder opgeroepen, zo ook tijdens een plechtigheid als de dodenherdenking, een en ander te meer tegen de achtergrond van de aanslag in Apeldoorn op Koninginnedag op 30 april 2009. Dat de verdachte met dat gebeuren bekend was en zich daarvan op 4 mei 2010 bewust is geweest volgt uit eerder die dag door de verdachte gedane uitlatingen waarover door twee getuigen, een medewerkster en een klant van de Albert Heijn, verklaringen zijn afgelegd.
Gezien een en ander was het voor de verdachte niet alleen redelijkerwijs te verwachten maar ook voorzienbaar dat een schreeuw, zoals die door de verdachte is geuit, angst en paniek zou doen ontstaan bij de omstanders en dat als gevolg daarvan, gelet op de hoeveelheid aanwezige mensen en de drukte, gewonden zouden vallen bij een massaal paniekreactie. Het gedrag van de verdachte is dan ook aan te merken als roekeloos gedrag, waarmee de verdachte bewust het risico heeft genomen dat zijn schreeuw paniek bij de menigte zou aanwakkeren. De verdachte moet gezien hebben dat duizenden mensen zich hadden verzameld op de Dam en hij moet ook geweten hebben dat die mensen zeer dicht op elkaar stonden toen hij in de menigte doordrong. Voorts wist de verdachte dat de twee minuten stilte van de dodenherdenking-ceremonie reeds was begonnen, zodat zijn schreeuw duidelijk hoorbaar zou zijn voor een groot gedeelte van de menigte. Dat de verdachte wist dat men was begonnen aan de twee minuten stilte blijkt uit zijn verklaring bij de politie, inhoudende ‘Ik loop de Dam op en ik denk, wat een dooie boel hier zeg. Wat een stille toestand… dat het zo stil was… Ik denk, weet je wat we doen? We gooien d'r een letter in’.
Door het slaken van de kreet heeft de verdachte de daarna volgende gebeurtenissen veroorzaakt: mensen zijn massaal weggevlucht, waardoor hekken zijn omgevallen. Vervolgens zijn mensen over die hekken of over elkaar gevallen met verwondingen als gevolg. Deze gevolgen, met name de verwondingen, zijn dan ook aan de verdachte in volle omvang toe te rekenen. Dat er na het slaken van de kreet door de verdachte ook iemand anders zou hebben gegild of dat er knallen — veroorzaakt door het vallen van hekken — zouden hebben geklonken doet daaraan niet af, nu deze naar algemene ervaringsregels leren, tevens hun oorzaak hebben kunnen vinden in de initiërende kreet van de verdachte. Van een wezenlijke interventie — een doorbreking van de causaliteit — zoals door de raadsman is betoogd, is dan ook geen sprake. Alle gevolgen staan in een zodanig verband tot de door de verdachte geslaakte kreet dat deze in volle omvang aan hem zijn toe te rekenen. Evenmin is sprake van een exceptionele omstandigheid die niet reeds bij het slaken van de kreet onder de gegeven omstandigheden was te voorzien, nog daargelaten dat niet voorzienbare gevolgen ook zeer wel kunnen worden toegerekend. Maar van die laatste situatie is in het onderhavige geval geen sprake.’
2
Vooropgesteld moet worden dat sinds de invoering van de dodenherdenking op de Dam op 4 mei niet eerder een rustverstoring als die welke ten laste van verzoeker bewezen is verklaard zich heeft voorgedaan.
's Hofs oordeel dat het voor verzoeker voorzienbaar was dat zijn schreeuw tot angst en paniek bij omstanders zou leiden is mitsdien onbegrijpelijk, althans niet zonder meer begrijpelijk. Hetzelfde geldt voor 's hofs oordeel dat hij bewust het risico heeft genomen dat zijn schreeuw paniek bij de menigte zou aanwakkeren. Gevoelens van consternatie zijn immers niet zonder meer gelijk te stellen aan paniek. Slechts wanneer de massale vlucht van de mensenmenigte naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was, kan onder de gegeven omstandigheden sprake zijn van een redelijke toerekening aan verzoeker. De enkele vaststelling dat verzoeker roekeloos heeft gehandeld is danook onvoldoende.
Voorzover het hof evenwel een beroep heeft gedaan op algemene ervaringsregels, is zulks gelet op de uniciteit van het gebeuren onbegrijpelijk, althans niet zonder meer begrijpelijk.
3.
's Hofs hiervoor weergegeven oordeel dat van een wezenlijke interventie — een doorbreking van de causaliteit — geen sprake is, is onbegrijpelijk, althans zonder nadere motivering niet zonder meer begrijpelijk. Het enkele feit dat de gestelde interveniërende causale omstandigheden tevens hun oorzaak hebben kunnen vinden in de initiërende kreet van verzoeker, laat immers onverlet dat zij op zichzelf ‘so potent in causing death’ zijn dat zij de twee enkele valse alarmkreten van verzoeker als ‘insignificant’ kunnen doen verbleken (vgl. R.v.Cheshire (1991) 3 AER 670) en de annotatie van Buruma onder HR 13 juni 2006, NJ 2007, 48.
Het hof heeft verzuimd zulks in zijn overwegingen te betrekken, zodat het arrest in zoverre ontoereikend is gemotiveerd.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr G. Spong, advocaat, kantoorhoudende te Amsterdam, aan de Keizersgracht 278, die bij dezen verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoeker in cassatie.
Amsterdam, 21 januari 2013
mr G. Spong