AB 2023/16
Dublinoverdracht aan Slovenië. Interstatelijk vertrouwen. Geen pushback-risico.
ABRvS 08-09-2022, ECLI:NL:RVS:2022:2644, m.nt. L. Hillary
- Instantie
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
- Datum
8 september 2022
- Magistraten
Mrs. E. Steendijk, D.A. Verburg, A. Kuijer
- Zaaknummer
202106105/1/V3
- Noot
L. Hillary
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS683307:1
- Vakgebied(en)
Vreemdelingenrecht / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:RVS:2022:2644, Uitspraak, Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 08‑09‑2022
- Wetingang
Art. 4 Handvest Grondrechten EU; art. 3 EVRM; Dublinverordening
Essentie
De aangevoerde landeninformatie biedt onvoldoende concrete aanknopingspunten voor het oordeel dat de vreemdeling zich na een Dublinoverdracht vanuit Nederland aan Slovenië in dezelfde positie zal bevinden als een vreemdeling die vanuit een land waarmee Slovenië een bilaterale overeenkomst heeft gesloten, Slovenië is binnengekomen. Bij een Dublinoverdracht loopt de vreemdeling namelijk niet het risico dat zijn asielwens niet wordt onderkend. Er is daarom geen aanleiding om te veronderstellen dat de vreemdeling een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het EU Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling door te worden verwijderd van het Sloveense grondgebied zonder behandeling van zijn asielverzoek.
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de vraag of de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij bij de toepassing van de Dublinverordening voor Slovenië mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat de vreemdeling geen reëel risico loopt dat hij na overdracht aan Slovenië terechtkomt in een situatie die in strijd is met artikel 4 van het EU Handvest en artikel 3 van het EVRM. Daarbij zal met name worden ingegaan op het risico dat een overgedragen Dublinclaimant door Slovenië op basis van een bilaterale overeenkomst zal worden overgebracht naar een andere lidstaat van de Europese Unie en vanuit deze lidstaat uitgezet zal worden naar een derde land, zonder dat Slovenië zijn verzoek om internationale bescherming in behandeling neemt en daarop beslist.
Uit de voorgaande overwegingen volgt dat er aanwijzingen zijn dat de Sloveense autoriteiten in de informele procedure waarbij ze vreemdelingen overbrengen naar een ander land op grond van bilaterale overeenkomsten, niet voldoende waarborgen dat vreemdelingen een verzoek om internationale bescherming kunnen indienen. In zoverre kan op basis van de overgelegde stukken niet worden uitgesloten dat ook asielzoekers op grond van de bilaterale overeenkomsten worden overgebracht naar een ander land. Maar de stukken bieden geen concrete aanknopingspunten voor het oordeel dat de vreemdeling zich na een Dublinoverdracht vanuit Nederland aan Slovenië in dezelfde positie zal bevinden als een vreemdeling die vanuit een land waarmee Slovenië een bilaterale overeenkomst heeft gesloten, Slovenië is binnengekomen. Bij een Dublinoverdracht loopt de vreemdeling namelijk niet het risico dat zijn asielwens niet wordt onderkend. Het asielverzoek van de vreemdeling staat immers al in Eurodac geregistreerd, de autoriteiten hebben dat verzoek erkend in het claimakkoord, het Sloveense Constitutionele Hof heeft de bijzondere positie en rechten van Dublinclaimanten benadrukt en de autoriteiten hebben in hun e-mail van 10 mei 2022, onder verwijzing naar hetzelfde arrest van het Constitutionele Hof, nogmaals gegarandeerd dat Dublinclaimanten worden toegelaten tot de asielprocedure. Er is daarom geen aanleiding om te veronderstellen dat de vreemdeling een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het EU Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling door te worden verwijderd van het Sloveense grondgebied zonder behandeling van zijn asielverzoek. De Afdeling verwijst ter vergelijking naar het arrest van het EHRM van 4 november 2014, Tarakhel tegen Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712, paragrafen 93 en 120.
Partij(en)
Uitspraak op het hoger beroep van de vreemdeling, appellant, tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 15 september 2021 in zaak nr. NL21.13261 in het geding tussen:
De vreemdeling,
en
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Uitspraak
Procesverloop
Bij besluit van 16 augustus 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 15 september 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris en de vreemdeling hebben op verzoek van de Afdeling nadere schriftelijke inlichtingen gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 mei 2022, waar de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A. Heida, advocaat te Dordrecht, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. H.J. Metselaar, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.
De vreemdeling heeft de Eritrese nationaliteit. De staatssecretaris heeft zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, omdat volgens hem op grond van de Dublinverordening Slovenië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Deze uitspraak gaat over de vraag of de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij bij de toepassing van de Dublinverordening voor Slovenië mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat de vreemdeling geen reëel risico loopt dat hij na overdracht aan Slovenië terechtkomt in een situatie die in strijd is met artikel 4 van het EU Handvest en artikel 3 van het EVRM. Daarbij zal met name worden ingegaan op het risico dat een overgedragen Dublinclaimant door Slovenië op basis van een bilaterale overeenkomst zal worden overgebracht naar een andere lidstaat van de Europese Unie en vanuit deze lidstaat uitgezet zal worden naar een derde land, zonder dat Slovenië zijn verzoek om internationale bescherming in behandeling neemt en daarop beslist.
1.1.
Voorafgaand aan de zitting heeft de Afdeling partijen vragen gesteld over de behandeling van overgedragen Dublinclaimanten door de Sloveense autoriteiten. Daarbij heeft de Afdeling gewezen op het rapport van InfoKolpa, 'Report on illegal practice of collective expulsion on Slovene-Croatian border', van april 2018 en het rapport van Asylum Information Database (hierna: AIDA), 'Country Report: Slovenia (2020 Update)', van 31 maart 2021.
De bijlage bij deze uitspraak bevat een overzicht van deze en andere door partijen aangehaalde bronnen. Deze bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
De uitspraak van de rechtbank en de grief van de vreemdeling
2.
De rechtbank heeft bij de beoordeling van de beroepsgrond van de vreemdeling over het interstatelijk vertrouwensbeginsel verwezen naar haar tussenuitspraak van 25 mei 2021 in een eerdere procedure van de vreemdeling, met zaak nr. NL21.5466 T. Daarin heeft zij overwogen dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat de staatssecretaris voor Slovenië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. De rechtbank heeft verwezen naar het claimakkoord, waarin de Sloveense autoriteiten hebben gegarandeerd het verzoek van de vreemdeling om internationale bescherming te behandelen. Volgens de rechtbank zijn het rapport van InfoKolpa en het rapport van US Department of State, 'Slovenia 2020 Human Rights Report', van 30 maart 2021, onvoldoende om aan te nemen dat Slovenië die garantie niet zal nakomen. Die rapporten hebben geen betrekking op Dublinclaimanten en daaruit blijkt ook niet van een grootschalige pushbackpraktijk die zich uitstrekt tot Dublinclaimanten. De staatssecretaris is volgens de rechtbank dan ook terecht ervan uitgegaan dat de Sloveense autoriteiten hun toepasselijke internationale verplichtingen nakomen.
2.1.
De vreemdeling klaagt in zijn vierde grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat de pushbackpraktijk ook relevant is voor aan Slovenië overgedragen Dublinclaimanten. Hij wijst erop dat hij tijdens zijn reis naar Nederland zelf slachtoffer is geworden van een pushback aan de Sloveense grens. Verder betoogt hij dat Slovenië door de pushbacks de werking van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel ondergraaft en vreemdelingen blootstelt aan een risico op refoulement. Gezien deze opstelling van de Sloveense autoriteiten kan er volgens de vreemdeling niet op worden vertrouwd dat zij de bereidheid hebben om hun verplichtingen na te leven. De rechtbank heeft daarom volgens de vreemdeling ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris terecht ervan is uitgegaan dat de Sloveense autoriteiten hun toepasselijke internationale verplichtingen nakomen.
De overgelegde stukken en het onderzoek ter zitting
3.
De Afdeling heeft partijen voor de zitting gewezen op de zaken die hebben geleid tot haar uitspraken van 13 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1042 en ECLI:NL:RVS:2022:1043. In die uitspraken heeft de Afdeling overwogen dat de staatssecretaris nader onderzoek moet doen naar het risico voor aan Kroatië overgedragen Dublinclaimanten om door de Kroatische autoriteiten te worden uitgezet zonder dat zij de asielprocedure kunnen doorlopen. De Afdeling heeft partijen gevraagd of volgens hen dezelfde conclusie moet worden getrokken voor aan Slovenië overgedragen Dublinclaimanten. Daarbij heeft zij gevraagd of uit de overgelegde stukken kan worden afgeleid dat aan Slovenië overgedragen Dublinclaimanten naar andere lidstaten worden overgebracht, al dan niet op basis van een bilaterale overeenkomst, zonder in de gelegenheid te worden gesteld de asielprocedure te doorlopen en vanuit die andere lidstaten slachtoffer worden van een pushback naar een derde land.
3.1.
Tot de overgelegde stukken behoort het rapport van InfoKolpa. Hierin staat dat vreemdelingen illegaal en systematisch op grond van 'bilateral readmission agreements' (hierna: bilaterale overeenkomsten) collectief worden overgebracht van Slovenië naar Kroatië, zonder een verzoek om internationale bescherming te kunnen indienen. Ook bevat het rapport foto's en beschrijvingen van incidenten, waarbij vreemdelingen in de meeste gevallen vanuit politiebureaus in Slovenië naar Kroatië en vanuit dat land naar Bosnië en Herzegovina werden uitgezet.
Dat overdrachten plaatsvinden tussen Slovenië en Kroatië op grond van bilaterale overeenkomsten, wordt ook benoemd in andere overgelegde stukken, zoals het rapport van AIDA van 31 maart 2021. Daaruit volgt dat de politie op grond van deze overeenkomsten vreemdelingen overbrengt naar het land van waaruit ze Slovenië zijn binnengekomen. Gezien de vele rapporten over pushbacks en het verschil tussen het grote aantal illegale grensoverschrijdingen en het relatief kleine aantal mensen dat in Slovenië de asielprocedure instroomt, concludeert AIDA dat de politie in deze procedure vreemdelingen systematisch de toegang tot de asielprocedure ontzegt.
3.2.
De vreemdeling heeft ter zitting betoogd dat uit de overgelegde stukken niet blijkt wat de samenstelling is van de groepen vreemdelingen die op grond van bilaterale overeenkomsten vanuit Slovenië systematisch worden overgebracht naar andere lidstaten, waaronder Kroatië. Volgens de vreemdeling kan daarom niet gezegd worden dat aan Slovenië overgedragen Dublinclaimanten daar geen deel van uitmaken en zal ook hij, als overgedragen Dublinclaimant, het risico lopen om zonder de asielprocedure te kunnen doorlopen vanuit Slovenië via Kroatië te worden uitgezet naar Bosnië en Herzegovina. Ter onderbouwing heeft hij gewezen op de brief van VluchtelingenWerk Nederland (hierna: VWN) van 25 april 2022. Volgens VWN kan uit het rapport van AIDA van 31 maart 2021 worden afgeleid dat de bilaterale overeenkomsten ook worden toegepast op Dublinclaimanten, die door Italië en Oostenrijk naar Slovenië worden overgebracht.
3.3.
De staatssecretaris heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat uit de overgelegde stukken niet volgt dat overgedragen Dublinclaimanten in Slovenië het reële risico lopen om slachtoffer te worden van pushbacks. De informatie over overdrachten op grond van bilaterale overeenkomsten gaat volgens hem over vreemdelingen die illegaal de Sloveense grens oversteken en geen asielwens hebben geuit. De staatssecretaris heeft betoogd dat de asielwens van overgedragen Dublinclaimanten al bij de Sloveense autoriteiten bekend is en dat de vreemdeling niet duidelijk heeft gemaakt dat ook asielzoekers worden overgebracht op grond van de bilaterale overeenkomsten. Verder wijst hij erop dat hij navraag heeft gedaan bij de Sloveense autoriteiten en dat zij schriftelijk hebben bevestigd dat er voor Dublinterugkeerders geen obstakels zijn in de toegang tot de asielprocedure. Die bevestiging is door de staatssecretaris ook overgelegd.
Beoordeling
Het interstatelijk vertrouwensbeginsel en het toetsingskader
4.
Bij de beoordeling welke lidstaat op grond van de toepasselijke criteria van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van een door een vreemdeling bij een van de lidstaten van de EU ingediend asielverzoek, gaat de staatssecretaris uit van het vermoeden dat de behandeling van een vreemdeling in de aangezochte lidstaat in overeenstemming is met de bepalingen van het EU Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM (zie het arrest van het Hof van Justitie van 19 maart 2019, Jawo, ECLI:EU:C:2019:218, punten 80 en 81).
4.1.
Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraken van 13 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1042 en ECLI:NL:RVS:2022:1043, is dat vermoeden weerlegbaar en is het aan een vreemdeling om feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit zou kunnen worden afgeleid dat niet van dat vermoeden mag worden uitgegaan. Uit die uitspraken volgt verder hoe de vreemdeling invulling kan geven aan die verplichting en onder welke omstandigheden de staatssecretaris gehouden is nader onderzoek te doen in de aangezochte lidstaat.
4.2.
De Afdeling heeft in de uitspraken van 13 april 2022 ook het toetsingskader neergelegd aan de hand waarvan zij beoordeelt of de staatssecretaris zich terecht op het standpunt stelt dat hij van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan en dat de vreemdeling geen reëel risico loopt dat hij bij terugkeer naar die lidstaat terechtkomt in een situatie die in strijd is met artikel 4 van het EU Handvest en artikel 3 van het EVRM. In deze zaak betekent dat dat de Afdeling zal beoordelen of er aanknopingspunten zijn dat de asielprocedure in Slovenië een fundamentele systeemfout bevat die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt en die relevant is voor de specifieke overdracht van Dublinclaimanten aan Slovenië. De Afdeling verwijst naar het arrest Jawo, punten 83–85 en 91–93.
De situatie in Slovenië
4.3.
Partijen zijn het erover eens dat uit de overgelegde rapporten blijkt dat groepen vreemdelingen op grond van bilaterale overeenkomsten vanuit Slovenië systematisch worden overgebracht naar andere lidstaten. Zij verschillen van mening over de vraag of deze praktijk ook betrekking heeft op vanuit andere lidstaten aan Slovenië overgedragen Dublinclaimanten. Uit de overgelegde rapporten volgt dat de rechtbank deze vraag terecht ontkennend heeft beantwoord.
4.3.1.
De Afdeling wijst allereerst op de uitspraak van de Constitutional Court of the Republic of Slovenia van 10 oktober 2012, Up-21/11. In de overgelegde Engelse samenvatting van die uitspraak staat:
"In its judgement, the Constitutional Court considered that the circumstances in which the Applicant was handed over to the Republic of Slovenia on the basis of the Dublin Regulation were key. In accordance with point (d) of the first paragraph of Article 20 of the Dublin Regulation, the Member State that re-accepts the application of an asylum seeker also has to allow the Applicant to re-enter its territory. […] This principle also defines the obligation to re-admit the Applicant for international protection. The Applicant is thus ensured effective access to procedures for obtaining international protection in a Member State that is — taking into account the standards and mechanisms defined in the Regulation — responsible for the application. This prevents the appearance of so-called refugees in orbit, i.e. applicants for international protection who are shuttled from one country to another, without having their application processed, which practically annuls their right to international protection. Taking into account the guidelines found in the EU legislation dealing with asylum seekers, it is unacceptable to equate the position of the Applicant with the position of a foreigner who is in the process of being removed from the country […]."
4.3.1.1.
Deze Engelstalige samenvatting is afkomstig van de European Database of Asylum Law en de juistheid van de weergave is niet in geschil. Uit het voorgaande volgt dat het Sloveense Constitutionele Hof al in 2012 heeft geoordeeld dat aan Slovenië overgedragen Dublinclaimanten toegang moeten krijgen tot het grondgebied, dat zij effectieve toegang tot de asielprocedure moeten krijgen en dat zij niet mogen worden overgebracht naar een ander land zonder behandeling van hun asielaanvraag.
4.3.2.
Ook wijst de Afdeling op de overgelegde uitspraak van de Ordinary Court of Rome van 18 januari 2021, No 56420/2020, waarin is overwogen:
"The response of the Ministry specifies that '… informal readmission procedures to Slovenia are applied to migrants found close to the Italian-Slovenian border, when it appears clear that they came from the Slovenian territory, even if there is an intention to apply for international protection…', with the only exceptions being vulnerable persons or persons for whom the EURODAC system indicates that they have already applied to an EU Member State or who have already been granted refugee status. […]".
4.3.2.1.
Hoewel hieruit volgt dat het voorkomt dat vreemdelingen met een asielwens worden overgebracht naar een ander land op grond van een bilaterale overeenkomst, volgt hieruit ook dat Dublinclaimanten, van wie de asielaanvragen in andere lidstaten in Eurodac geregistreerd staan, volgens de Italiaanse autoriteiten in ieder geval zijn uitgezonderd van de toepassing van de bilaterale overeenkomst tussen Italië en Slovenië.
4.3.3.
Uit het overgelegde rapport van AIDA van 31 maart 2021 volgt niet dat aan Slovenië overgedragen Dublinclaimanten in strijd met de uitspraak van het Sloveense Constitutionele Hof slachtoffer zijn geweest of worden van een overbrenging op grond van een bilaterale overeenkomst. Uit dat rapport volgt dat de Sloveense politie in een informele procedure vreemdelingen op grond van bilaterale overeenkomsten overbrengt naar het land van waaruit ze Slovenië zijn binnengekomen. Ook volgt daaruit het vermoeden dat hun in die procedure de toegang tot de asielprocedure wordt geweigerd (zie bijvoorbeeld pagina 19 en pagina 20). Het rapport biedt echter geen aanknopingspunten dat deze informele procedure ook op overgedragen Dublinclaimanten wordt toegepast. Zij komen immers vanuit Nederland naar Slovenië en de Sloveense autoriteiten hebben al erkend verantwoordelijk te zijn voor de behandeling van het asielverzoek middels een claimakkoord.
4.4.
Dat aan Slovenië overgedragen Dublinclaimanten ook in de praktijk worden opgevangen en toegelaten tot de asielprocedure, volgt bovendien uit het nader onderzoek dat de staatssecretaris heeft verricht. De Sloveense autoriteiten hebben in hun reactie van 10 mei 2022 op de door hem gestelde vragen onder meer verklaard:
"Before addressing the questions, we would like to explain that Dublin returnees are considered asylum applicants from the moment of their return to Slovenia (established by Constitutional Court, Decision Up-21/11, 10 October 2012)."
"Dublin returnees are accommodated in the reception facilities of the Asylum Centre upon their return where they wait to lodge an application for international protection."
"As explained above, Dublin returnees are readmitted to the asylum procedure […]."
4.4.1.
De Afdeling beschouwt dit als een uitdrukkelijke bevestiging door de Sloveense autoriteiten dat zij de vreemdeling zullen opnemen in de nationale asielprocedure, al dan niet na het opnieuw indienen van een verzoek om internationale bescherming.
4.5.
Uit de voorgaande overwegingen volgt dat er aanwijzingen zijn dat de Sloveense autoriteiten in de informele procedure waarbij ze vreemdelingen overbrengen naar een ander land op grond van bilaterale overeenkomsten, niet voldoende waarborgen dat vreemdelingen een verzoek om internationale bescherming kunnen indienen. In zoverre kan op basis van de overgelegde stukken niet worden uitgesloten dat ook asielzoekers op grond van de bilaterale overeenkomsten worden overgebracht naar een ander land. Maar de stukken bieden geen concrete aanknopingspunten voor het oordeel dat de vreemdeling zich na een Dublinoverdracht vanuit Nederland aan Slovenië in dezelfde positie zal bevinden als een vreemdeling die vanuit een land waarmee Slovenië een bilaterale overeenkomst heeft gesloten, Slovenië is binnengekomen. Bij een Dublinoverdracht loopt de vreemdeling namelijk niet het risico dat zijn asielwens niet wordt onderkend. Het asielverzoek van de vreemdeling staat immers al in Eurodac geregistreerd, de autoriteiten hebben dat verzoek erkend in het claimakkoord, het Sloveense Constitutionele Hof heeft de bijzondere positie en rechten van Dublinclaimanten benadrukt en de autoriteiten hebben in hun e-mail van 10 mei 2022, onder verwijzing naar hetzelfde arrest van het Constitutionele Hof, nogmaals gegarandeerd dat Dublinclaimanten worden toegelaten tot de asielprocedure. Er is daarom geen aanleiding om te veronderstellen dat de vreemdeling een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het EU Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling door te worden verwijderd van het Sloveense grondgebied zonder behandeling van zijn asielverzoek. De Afdeling verwijst ter vergelijking naar het arrest van het EHRM van 4 november 2014, Tarakhel tegen Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712, paragrafen 93 en 120.
Prejudiciële vragen
5.
De vreemdeling heeft de Afdeling voorgesteld aan het Hof van Justitie prejudiciële vragen te stellen. De Afdeling zou allereerst de vraag moeten stellen of het interstatelijk vertrouwensbeginsel ondeelbaar is, zodat elke ernstige schending van een grondrecht van een derdelander door een lidstaat moet leiden tot de conclusie dat voor die lidstaat niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan.
Voor het geval het Hof de eerste vraag ontkennend beantwoordt, zou de Afdeling de vraag moeten stellen of elke ernstige schending van een grondrecht van een derdelander door een lidstaat moet leiden tot de conclusie dat voor die lidstaat niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan, tenzij de overdragende lidstaat aannemelijk heeft gemaakt dat wel van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan.
5.1.
Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, en van 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, punt36, ziet de Afdeling in deze zaak geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen. De door de vreemdeling voorgestelde vragen kunnen naar het oordeel van de Afdeling voor een situatie als deze worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof.
5.1.1.
Uit het arrest van het Hof van 21 december 2011, N.S. e.a., ECLI:EU:C:2011:865, punten 82 tot en met 86, en het al genoemde arrest Jawo, punten 85, 90 en 91, volgt namelijk dat een lidstaat niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan als in de lidstaat waarnaar een asielzoeker zou worden overgedragen sprake is van fundamentele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen en die tekortkomingen ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat de asielzoeker een reëel risico zal lopen op een behandeling in strijd met artikel 4 van het EU Handvest.
Ook volgt uit de arresten van 16 februari 2017, C.K. e.a., ECLI:EU:C:2017:127, punten 63 tot en met 65 en punt 96, en Jawo, punt 87, dat als niet ernstig hoeft te worden gevreesd voor systeemfouten, een asielzoeker alleen kan worden overgedragen als die overdracht geen reëel en bewezen risico inhoudt dat deze asielzoeker wordt onderworpen aan onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het EU Handvest. De Afdeling wijst ter vergelijking op het hiervoor al genoemde arrest Tarakhel, paragraaf 120.
Gelet op wat onder 4.5 is overwogen, leiden de tekortkomingen in het asielsysteem in Slovenië er niet toe dat ten aanzien van Dublinclaimanten of deze vreemdeling een risico bestaat op een behandeling in strijd met artikel 4 van het EU Handvest.
5.2.
De Afdeling heeft na sluiting van het onderzoek ter zitting kennis genomen van de prejudiciële vragen die de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, aan het Hof heeft voorgelegd in de uitspraak van 15 juni 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:5724, maar ziet gezien het voorgaande in dit geval geen aanleiding om het onderzoek te heropenen en de zaak aan te houden in afwachting van de beantwoording daarvan.
Conclusie
6.
De rechtbank heeft terecht overwogen dat de staatssecretaris terecht voor Slovenië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel is uitgegaan en dat door overdracht van de vreemdeling aan Slovenië geen situatie zal ontstaan in strijd met artikel 4 van het EU Handvest of artikel 3 van het EVRM. Grief 4 faalt.
7.
Wat de vreemdeling in de overige grieven heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
8.
Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Bijlage
- 1.
Uitspraak van de Constitutional Court of the Republic of Slovenia van 10 oktober 2012, Up-21/11;
- 2.
Rapport van InfoKolpa, 'Report on illegal practice of collective expulsion on Slovene-Croatian border', april 2018;
- 3.
Rapport van Amnesty International, 'Slovenia: Push-Backs and Denial of Access to Asylum', juni 2018;
- 4.
Rapport van Asylum Information Database (AIDA), 'Country Report: Slovenia (2018 Update)', maart 2019;
- 5.
Rapport van Asylum Information Database (AIDA), 'Country Report: Slovenia (2019 Update)', maart 2020;
- 6.
Rapport van US Department of State, 'Slovenia 2019 Human Rights Report', 11 maart 2020;
- 7.
Rapport van European Asylum Support Office (EASO), 'EASO Asylum Report 2020', 25 juni 2020;
- 8.
Uitspraak van de Ordinary Court of Rome van 18 januari 2021, No 56420/2020;
- 9.
Rapport van US Department of State, 'Slovenia 2020 Human Rights Report', 30 maart 2021;
- 10.
Rapport van Asylum Information Database (AIDA), 'Country Report: Slovenia (2020 Update)', 31 maart 2021;
- 11.
Rapport van Amnesty International, 'Amnesty International Report 2020/21. The state of the world's human rights', 7 april 2021;
- 12.
Rapport van Asylum Information Database (AIDA), 'Country Report: Croatia (2020 Update)', 27 mei 2021;
- 13.
Gegevens uit Eurostat, 'Asylum applicants by type of applicant, citizenship, age and sex - monthly data (rounded)', 1 april 2022;
- 14.
Brief van VluchtelingenWerk Nederland, 'Slovenië - push backs Kroatië/Afdelingsvragen 24–3–22', 25 april 2022;
- 15.
Rapport van Asylum Information Database (AIDA), 'Country report: Austria (2021 Update)', pagina 21, 25 april 2022;
- 16.
E-mail van de Sloveense autoriteiten van 10 mei 2022.
Noot
Auteur: L. Hillary*
1.
Bovenstaande Afdelingsuitspraak en een gelijkaardige uitspraak van dezelfde dag (ABRvS 8 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2645) zijn belangwekkend om twee redenen. Deze uitspraak is van belang voor het migratierecht, vanwege de thema’s die erin aan bod komen: Dublinoverdrachten aan Slovenië, pushbacks en bilaterale overeenkomsten over migratiemanagement. Maar deze uitspraak heeft ook een bredere reikwijdte vanwege de systematische benadering van het interstatelijk vertrouwensbeginsel die de Afdeling hierin aan de dag legt.
2.
In deze uitspraak geeft de Afdeling nadere invulling aan het in april 2022 geschetste kader over het interstatelijk vertrouwensbeginsel (ABRvS 13 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1043, JV 2022/110, m.nt. E. Berger). Dat kader bestaat volgens mij uit de volgende drie stappen, die achtereenvolgens moeten worden doorlopen. Het interstatelijk of wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten is het uitgangspunt. Dit beschouw ik als stap 1 van het toetsingskader. Het uitgangspunt is echter weerlegbaar:
‘[a]ls de vreemdeling onder verwijzing naar objectieve informatie betoogt dat de staatssecretaris niet meer van het vermoeden kan uitgaan dat de aangezochte lidstaat aan zijn internationale verplichtingen zal voldoen, is het aan de staatssecretaris om te motiveren dat hij nog altijd van dat vermoeden mag uitgaan’ (ABRvS 13 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1043, r.o. 4.1).
Dat is stap 2. Stap 2 kan verder worden onderverdeeld al naargelang er discussie bestaat tussen de vreemdeling en de staatssecretaris over de waardering van de objectieve informatie (stap 2.1). Maar het is ook goed mogelijk is dat er, voor wat betreft de waardering van de objectieve informatie over de andere lidstaat, geen licht zit tussen de waarderingen van de vreemdeling en de staatssecretaris — of dat dat verschil reeds (primair) is beslecht. Het geschil zal zich dan toespitsen op het vraagstuk van systeemfouten in het asiel- of opvangstelsel in de ontvangende lidstaat (stap 2.2). Om vast te houden aan het vermoeden van interstatelijk vertrouwen, lijkt de staatssecretaris daarbij twee opties te hebben (ABRvS 13 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1043, r.o. 4.2). De eerste optie is om te motiveren dat er géén sprake is van systeemfouten in de andere lidstaat (stap 2.2.a). De andere optie (stap 2.2.b) is dat er wel wordt geaccepteerd dat er sprake is van systeemfouten, maar niet dat deze systeemfouten de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid in de zin van het arrest Jawo bereiken (HvJ EU 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, AB 2019/196, m.nt. L. Hillary (Jawo)). Pas als al het voorgaande niet heeft geleid tot een volgens de rechter bevredigende uitkomst, is de staatssecretaris gehouden nader onderzoek te doen naar de situatie in de andere lidstaat (ABRvS 13 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1043, r.o. 4.3). Met die laatste verplichting incorporeert de Afdeling de mijns inziens essentiële rol van fundamentele rechten voor het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In de woorden van de Afdeling:
‘een nader onderzoek in de aangezochte lidstaat [doet] geen afbreuk aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Een dergelijk onderzoek, dat ik beschouw als stap 3, kan juist bevestigen dat nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan’ (ABRvS 13 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1043, r.o. 4.3).
Het gevolgde kader vat ik als volgt samen:
Stap 1 | Interstatelijk vertrouwen | Uitgangspunt |
Stap 2 | Weerleggen interstatelijk vertrouwen | Vreemdeling voert landeninformatie aan |
Stap 2.1 | Discussie over landeninformatie | Waardering van landeninformatie |
Stap 2.2 | Discussie over systeemfouten | Alleen voor zover er geen discussie (meer) bestaat over landeninformatie |
Stap 2.2.a | Discussie over bestaan van systeemfouten | Discussie over überhaupt bestaan van systeemfouten |
Stap 2.2.b | Discussie over zwaarwegendheid van systeemfouten | Geen discussie over bestaan systeemfouten, maar over bereiken van bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid |
Stap 3 | Nader onderzoek door staatssecretaris | Alleen voor zover bovenstaande stappen niet zijn geslaagd |
3.
In de uitspraken van 8 september 2022 wordt invulling gegeven aan het in april uiteengezette kader. Dat gebeurt in de specifieke context van Dublinoverdrachten aan Slovenië, waarbij niet zozeer de mensenrechtelijke situatie in Slovenië zelf aan de orde is, als wel het bestaan van een bilaterale overeenkomst tussen Slovenië en Kroatië. De vreemdeling voert aan dat op grond van die overeenkomst asielzoekers zonder eerst de asielprocedure te doorlopen, worden overgebracht naar Kroatië, waar — zo oordeelde de Afdeling op 13 april 2022 — sprake is van pushback-praktijken. Pushback-praktijken bestaan uit het (vaak meteen na aankomst en vaak aan de buitengrenzen van de EU) terugsturen van vreemdelingen zonder een beoordeling van hun asielverzoek (zie ook punt 9 van mijn noot bij ABRvS 15 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2791, AB 2022/42). Als de betrokken vreemdelingen, na overdracht aan Slovenië, inderdaad zouden worden overgebracht naar Kroatië, en daar slachtoffer zouden worden van uitzetting zonder asielprocedure, zou dit neerkomen op een schending van artikel 4 Handvest c.q. artikel 3 EVRM. In de uitspraken van 8 september 2022 is dan ook de vraag aan de orde of dat risico specifiek geldt voor Dublinclaimanten die aan Slovenië zouden worden overgedragen.
4.
De Afdeling constateert dat er eigenlijk geen discussie bestaat over het feit dat Slovenië vreemdelingen systematisch overbrengt naar andere lidstaten, waaronder Kroatië, op grond van bilaterale overeenkomsten (r.o. 4.3). Er bestaat wel discussie tussen partijen over de vraag of ook Dublinclaimanten naar andere lidstaten zouden worden overgebracht. Dat betekent dat er een verschil bestaat in de waardering van de objectieve informatie over de behandeling van Dublinclaimanten door Slovenië. In het onder punt 2 geschetste kader, bevinden we ons volgens mij dus in stap 2.1.
5.
De Afdeling leidt uit verschillende landenrapporten en een Sloveense (r.o. 4.3.1.) en Italiaanse (r.o. 4.3.2) uitspraak af dat Slovenië Dublinclaimanten niet overbrengt naar andere lidstaten, maar dat ze de asielprocedure in Slovenië doorlopen. Ik vraag me af in hoeverre dat echt blijkt uit de aangehaalde twee uitspraken. De eerste uitspraak betreft een uitspraak van het Sloveense Constitutionele Hof (Ustavno sodišče Republike Slovenije, hierna: USRS), waarin het USRS heeft geoordeeld dat Dublinclaimanten effectief toegang moeten krijgen tot de asielprocedure. Deze uitspraak is relevant, maar dateert uit 2012. Het is mij onduidelijk welke gevolgen deze uitspraak in Slovenië heeft geressorteerd en daarmee of Dublinclaimanten ook daadwerkelijk worden opgenomen in de Sloveense asielprocedure. De tweede uitspraak, van de Tribunale Ordinario di Roma, gaat mijns inziens over een andere situatie, namelijk dat een vreemdeling op grond van een bilaterale overeenkomst wordt overgebracht van Italië naar Slovenië, waardoor de situatie daar feitelijk anders is dan in de hier geannoteerde uitspraak, waarin het overbrengen van Dublinclaimanten van Slovenië naar andere lidstaten ter discussie staat. Bovendien is de Tribunale Ordinario di Roma vergelijkbaar met een rechtbank van eerste aanleg, zodat beroep openstaat en de uitspraak kan worden overruled door het Italiaanse Constitutionele Hof. Daardoor sta ik twijfelachtig tegenover het veralgemeniseren van het oordeel in deze ene zaak van de Tribunale Ordinario di Roma. Uit de genoemde uitspraken leid ik dus niet zonder meer af dat Dublinclaimanten altijd de asielprocedure in Slovenië doorlopen in plaats van te worden overgebracht naar een andere lidstaat, waar een pushback-risico bestaat.
6.
Het zwaartepunt van de zaak ligt echter in het nader onderzoek dat de staatssecretaris heeft verricht. Dát dergelijk onderzoek wordt verricht is mijns inziens wenselijk in het licht van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Met het onderzoek onderbouwt de staatssecretaris immers dat in de praktijk terecht van het vermoeden van vertrouwen wordt uitgegaan. Hierbij merk ik op dat het nader onderzoek in deze zaak als doel heeft om uit te klaren hoe de objectieve landeninformatie moet worden gewaardeerd. Dat is mijns inziens onderdeel van stap 2.1 van het eerder geschetste kader, omdat het nog steeds gaat over de vraag hoe de landeninformatie moet worden gewaardeerd, terwijl een discussie over systeemfouten nog niet aan de orde is geweest.
7.
De precieze invulling van een dergelijk nader onderzoek is echter niet vanzelfsprekend. In dit geval bestond het nader onderzoek eruit dat de staatssecretaris vragen heeft voorgelegd aan zijn Sloveense evenknie. De vragen van de staatssecretaris zijn niet gepubliceerd, maar de reactie van de Sloveense autoriteiten is wel deels weergegeven in de uitspraak. Daarin bevestigen de Sloveense autoriteiten dat aan Slovenië overgedragen Dublinclaimanten worden toegelaten tot de asielprocedure en dat er in hun opvang wordt voorzien (r.o. 4.4.). Dit beschouwt de Afdeling als een uitdrukkelijke bevestiging dat ‘de vreemdeling’ (enkelvoud) zal worden opgenomen in de nationale asielprocedure, al dan niet na het opnieuw indienen van een asielverzoek. Uit het gebruik van het enkelvoud leid ik af dat de Afdeling aanvullende individuele garanties niet nodig acht voor Dublinoverdrachten aan Slovenië.
8.
Gelet op Europese jurisprudentie verdient het volgens mij aanbeveling om de vragen van de staatssecretaris en de antwoorden van de autoriteiten van de andere lidstaat, te evalueren in het licht van andere landeninformatie. Daaronder vallen bijvoorbeeld ook rapporten van ngo’s (zie bijv. EHRM 21 januari 2011, 30696/09, par. 347–350 (M.S.S.)). Wellicht zou het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU hier opheldering kunnen bieden.
9.
Met de overwegingen over de situatie in Slovenië (r.o. 4.3–4.5) heeft de Afdeling het geschil over de waardering van de objectieve informatie over Slovenië voor nu echter beslecht. Daarmee is stap 2.1 van het kader afgerond. Om het in punt 2 geschetste kader te vervolledigen, vloeit uit de Afdelingsuitspraak impliciet ook een antwoord voort op de vraag die onder stap 2.2 aan de orde is, namelijk dat er geen sprake is van systeemfouten in Slovenië.
10.
Voor nu komt de Afdeling dan ook tot de conclusie dat Dublinoverdrachten aan Slovenië doorgang kunnen vinden en dat het risico op een pushback (na overbrengen van de Dublinclaimant door Slovenië naar een andere lidstaat) niet geldt voor Dublinclaimanten. Met die conclusie kan de staatssecretaris er vanuit gaan dat er geen systeemfouten bestaan in Slovenië, zodat het interstatelijk vertrouwensbeginsel blijft gelden.
Voetnoten
Voetnoten
Lynn Hillary is universitair docent Europeanisering Staats- en Bestuursrecht aan de Universiteit van Amsterdam.