Hof Amsterdam, 23-06-2015, nr. 106.000.449-01
ECLI:NL:GHAMS:2015:2535
- Instantie
Hof Amsterdam
- Datum
23-06-2015
- Zaaknummer
106.000.449-01
- LJN
BX1132
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Ondernemingsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHAMS:2015:2535, Uitspraak, Hof Amsterdam, 23‑06‑2015; (Hoger beroep)
ECLI:NL:GHAMS:2011:BX1132, Uitspraak, Hof Amsterdam, 27‑09‑2011; (Hoger beroep)
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2013:BY8725
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:BY8725, Bekrachtiging/bevestiging
- Vindplaatsen
INS-Updates.nl 2015-0240
Uitspraak 23‑06‑2015
Inhoudsindicatie
Vervolg van HR 22 feb. 2013. Alsnog afwijzing van een deel van de vordering van de curator.
Partij(en)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 106.000.449/01
zaak-/rolnummer rechtbank Utrecht : 84916/HAZA 98-855
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 juni 2015
inzake
[appellant] ,
wonend te [woonplaats] , in zijn hoedanigheid van [appellant] in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DENTAL ‘80 B.V.,
appellant,
advocaat: mr. S.P.A. Wensink-Vergunst te Utrecht,
tegen
de naamloze vennootschap F. VAN LANSCHOT BANKIERS N.V., (rechtsopvolgster van CenE Bankiers N.V., voorheen Crediet- en Effectenbank N.V.),
gevestigd te ’s-Hertogenbosch,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.W. van Rijswijk te Amsterdam.
1. Het geding in hoger beroep
Partijen worden hierna (wederom) de [appellant] en de bank genoemd.
Het hof heeft op 27 september 2011 een (zesde) tussenarrest uitgesproken. Voor het verloop van het geding tot dan toe wordt naar dat arrest verwezen.
Het door de [appellant] tegen dat arrest ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 22 februari 2013 verworpen.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- akte aan de zijde van de bank van 18 maart 2013, met producties;
- antwoordakte aan de zijde van de [appellant] van 29 april 2014, met producties;
- akte aan de zijde van de bank van 10 juni 2014, met producties.
Ten slotte is wederom arrest gevraagd.
2. Verdere beoordeling
2.1.
Het hof merkt allereerst op dat het de zaak niet zal terugwijzen naar de rechtbank maar aan zich zal houden, omdat beide partijen dat hebben verzocht.
2.2.
In haar akte van 18 maart 2013 verzoekt de bank het hof terug te komen op een aantal beslissingen in de tussenarresten van 10 november 2009 en 27 september 2011. Dit verzoek verrast het hof in zoverre dat de bank, hoewel daartoe niet verplicht, geen incidenteel cassatieberoep heeft ingesteld. Een dergelijk beroep zou op deze punten immers meteen duidelijkheid hebben verschaft. Wat daarvan verder zij, het hof zal in-houdelijk op het verzoek van de bank ingaan op de plaats waar dat dienstig voorkomt.
2.3.1.
Bij het tussenarrest van 27 september 2011 heeft het hof in het kader van de behandeling van grief XXII de bank in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren van een aantal stellingen in het rapport van het door haar ingeschakelde kantoor BDO CampsObers Registeraccountants van 23 april 1999 (BDO III), te weten:
a. a) dat in de debiteurenpost per 28 september 1988 (met een gecorrigeerde boekwaarde van ƒ 1.201.798,=; verder: het debiteurensaldo) een bedrag van ƒ 73.399,= is begrepen dat reeds was voldaan (zie hierna 2.3.3);
b) dat over een bedrag van ƒ 114.632,= (van het debiteurensaldo) discussies met afnemers blijken te lopen over de juistheid van de vordering (zie hierna 2.3.4);
c) dat ten belope van een bedrag van ƒ 112.572,= (van het debiteurensaldo) de feitelijke leveringen worden betwist (zie hierna 2.3.5).
2.3.2.
In haar akte van 18 maart 2013 voert de bank aan dat zij ten onrechte door het hof met voormeld bewijs is belast omdat het aan de [appellant] is de omvang van de schade als gevolg van de onrechtmatige uitwinning door de bank (lees:) aannemelijk te maken. Dit laatste moge op zichzelf juist zijn, het hof heeft de bank in overweging 2.19 van zijn tussenarrest van 27 september 2011 met het bewijs ten aanzien van haar desbetreffende op BDO III gebaseerde stellingen belast omdat van de [appellant] , gezien de magere onderbouwing van deze stellingen door de bank, geen nadere onderbouwing van zijn betwisting kon worden gevergd en de bank had aangeboden haar desbetreffende stellingen te bewijzen. Omdat de bank bovendien ter adstructie van deze stellingen had verwezen naar “correspondentie met debiteuren” waarover zij - en niet de [appellant] - beschikt, blijft het hof, in verband met de eisen van redelijkheid en billijkheid, bij de door hem gehanteerde bewijslastverdeling.
2.3.3.
Met betrekking tot post (a) ter grootte van ƒ 73.399,= heeft de bank bij haar akte van 18 maart 2013 een brief van 28 februari 1990 overgelegd van mr. A.W. van Odijk, de advocaat van Van den Braak & De Vos Dental B.V. (verder: Van den Braak & De Vos), degene die de vorderingen van Dental ’80 van de bank heeft gekocht, waarin hij onder punt 1 een op voormeld bedrag sluitend overzicht geeft “van debiteuren, die op een aanschrijving door cliente hebben gereageerd met de mededeling, dat zij reeds betaald zouden hebben”. Mr. Van Odijk schrijft tevens dat zijn cliënte die reacties niet heeft kunnen verifiëren. Het hof acht met deze enkele brief, mede gezien de daarin gedane mededeling dat de reacties van de betrokken debiteuren niet zijn geverifieerd, niet bewezen dat het onderhavige bedrag op 28 september 1988 (reeds) geheel of gedeeltelijk was voldaan en om die reden van het debiteurensaldo per die datum moet worden afgetrokken. Nader bewijs heeft de bank niet aangeboden. Omdat de rechtbank dit bedrag (wel) van het debiteurensaldo heeft afgetrokken, is de grief in zoverre gegrond.
2.3.4.
Ook met betrekking tot post (b) ter grootte van ƒ 114.632,= wijst de bank in haar akte van 18 maart 2013 op de zojuist genoemde brief van mr. Van Odijk, en wel op de punten 2 tot en met 10, met bijlagen. Mr. Van Odijk schrijft aan het slot van die brief echter tevens: “Cliente vertrouwt er op, dat Uw bank het er toe zal leiden, dat de bij deze gevraagde nadere gegevens alsnog zo spoedig mogelijk zullen worden verstrekt, zodat cliente verder kan.” Nu niet althans niet voldoende toegelicht is gesteld - noch is gebleken - hetzij dat incassering van de desbetreffende vorderingen ook na verstrekking door de bank van die nadere gegevens is mislukt, hetzij dat de bank de [appellant] om die nadere gegevens heeft verzocht maar niet heeft verkregen, acht het hof met deze brief niet bewezen, zakelijk, dat de onderhavige vorderingen op 28 september 1988 geheel of gedeeltelijk als oninbaar moesten worden beschouwd en daarom van het debiteurensaldo per die datum moeten worden afgetrokken. Nader bewijs heeft de bank niet aangeboden. Omdat de rechtbank dit bedrag (wel) van het debiteurensaldo heeft afgetrokken, is de grief ook in zoverre gegrond.
2.3.5.
Wat betreft post (c) ter grootte van ƒ 112.572,= verwijst de bank in haar akte van 18 maart 2013 naar een brief van 6 december 1988 van [[naam]] , waarin zij opmerkt dat facturen ten belope van genoemd bedrag ten onrechte in het debiteurensaldo waren opgenomen, kort gezegd, omdat de daarmee corresponderende leveringen zijn betwist of geretourneerd. De [appellant] heeft hierop gesteld dat in het rapport van Moret Ernst & Young van 12 juli 1996 (Moret I) met dit bedrag al rekening is gehouden en dat als gevolg daarvan het debiteurensaldo al dienovereenkomstig is verlaagd. De juistheid van deze door de bank bij haar akte van 10 juni 2014 betwiste stelling blijkt echter niet uit Moret I, te minder omdat de bank in laatstgenoemde akte met juistheid opmerkt dat uit pagina 2 van de (als productie 2 bij akte van 11 juli 2002 door de [appellant] overgelegde) notitie van Ernst & Young van 19 maart 2002 blijkt dat in Moret I het debiteurensaldo per 28 september 1988 is gebaseerd op het grootboeksaldo per 15 september 1988, vermeerderd met verkoopfacturen sedertdien en verminderd met ontvangsten. Dat het debiteurensaldo in Moret I niettemin is gecorrigeerd in verband met de genoemde brief van 6 december 1988 is ook overigens niet gebleken. In zijn stelling dat het bedrag van ƒ 112.572,= al is verdisconteerd in het debiteurensaldo per 28 september 1988 ligt besloten, zoals de bank ook heeft aangevoerd, dat (ook) de [appellant] van oordeel is dat bij de bepaling van het debiteurensaldo per 28 september 1988 met het onderhavige bedrag rekening moet worden gehouden. Nu dat niet is gebeurd, zal dat alsnog moeten geschieden, zoals de rechtbank ook heeft gedaan. In zoverre faalt de grief dus.
2.3.6.
De slotsom van het voorgaande is dat de gecorrigeerde boekwaarde van de debiteurenvorderingen van Dental ’80 per 28 september 1988 moet worden vastgesteld op (ƒ 1.201.798,= -/- ƒ 112.572,= is) ƒ 1.089.226,=. De overige stellingen van partijen ten aanzien van het debiteurensaldo kunnen onbesproken blijven.
2.4.
In haar akte van 18 maart 2013 heeft de bank het hof verzocht terug te komen van zijn naar aanleiding van grief XXIV in overweging 2.23 van het tussenarrest van 27 september 2011 neergelegde beslissing het door de [appellant] gevorderde bedrag van ƒ 14.000,= (€ 6.352,92) te zullen toewijzen. Het hof zal dit verzoek niet honoreren omdat de bank tot en met de memorie van antwoord op zichzelf niet betwistte dat, afgezien van de onderhavige gestelde afboeking, de balanspost waarborgsommen van ƒ 14.000,= correct was, maar slechts (als bevrijdend verweer) aanvoerde dat de praktijk nu eenmaal leert dat waarborgsommen in een liquidatiescenario (altijd) moeten worden afgeboekt. Voor zover de bank thans alsnog, afgezien van de door haar gewenste afboeking, de juistheid van deze balanspost betwist, is dat te laat. Het hof neemt ten slotte nog in aanmerking dat de deskundige [deskundige] RA in zijn rapport van 20 juli 2008 bij deze balanspost geen opmerkingen had.
2.5.
Omdat alle grieven nu zijn besproken, zal het hof overgaan tot het trekken van conclusies ten aanzien van de door de [appellant] ingestelde vorderingen. De in het tussenarrest van 5 december 2002 onder 4.3 genoemde vorderingen 2a tot en met 3d zijn alle vanwege het falen van de desbetreffende grieven terecht door de rechtbank afgewezen, evenals de onder 4.6 van dat tussenarrest genoemde vorderingen ter zake van materiële vaste activa en voorraden. Voorts heeft het hof in overweging 2.23 van het tussenarrest van 27 september 2011 (en hiervoor onder 2.4) aangekondigd om - anders dan de rechtbank voornemens was te doen - een bedrag van ƒ 14.000,=/ € 6.352,92 (een gedeelte van “overige posten” ter grootte van ƒ 106.000,=) te zullen toewijzen. In verband met het gehonoreerde verzoek van partijen de zaak aan zich te houden, zal het hof thans overgaan tot een bespreking van de resterende (deel)vorderingen van de [appellant] , te weten de schadevergoedingsvorderingen wegens debiteuren ter grootte van ƒ 659.993,= (zie hierna 2.6.1 e.v.) en die wegens “overlopende activa”, aanvankelijk ter grootte van ƒ 92.000,=, maar bij antwoordakte van 29 april 2014 verminderd tot ƒ 62.238,35 (zie hierna 2.7.1 e.v.).
2.6.1.
Aan zijn vordering van ƒ 659.993,= heeft de [appellant] ten grondslag gelegd dat Dental ‘80 schade ter grootte van dit bedrag heeft geleden omdat de bank de vorderingen van Dental ‘80 op een aantal van haar debiteuren ter grootte van - volgens hem - ƒ 1.201.798,= - heeft verkocht voor slechts ƒ 675.000,=, op welke opbrengst nog bedragen van ƒ 48.403,= en ƒ 84.792,= in mindering moeten worden gebracht, zodat deze per saldo ƒ 541.805,= beloopt en de schade (ƒ 1.201.798,= -/- ƒ 541.805,= is ) ƒ 659.993,= bedraagt. Aldus de [appellant] .
2.6.2.
Hoewel de bank in eerste aanleg de door de [appellant] van de opbrengst van ƒ 675.000,= afgetrokken posten van ƒ 48.403,= en ƒ 84.792,= niet had betwist, heeft de rechtbank in overweging 4.17 van het bestreden vonnis over die posten vragen gesteld. Het hof zal daarop echter niet ingaan, omdat de bank (ook) in haar akte van 10 juni 2014 hieraan geen woord heeft gewijd, zulks terwijl deze posten door de cura-tor in zijn antwoordakte van 29 april 2014 waren besproken. Het hof gaat derhalve met de [appellant] uit van een totaalopbrengst van de vorderingen van ƒ 541.805,=. Anderzijds is de boekwaarde van de vorderingen, zoals onder 2.3.6 overwogen, niet ƒ 1.201.798,= maar ƒ 1.089.226,=. De te dezen maximaal te vorderen schade is dus ƒ 547.421,=.
2.6.3.
Vaststaat dat de bank de onderhavige vorderingen niet eigenmachtig had mogen verkopen; vgl. het tussenarrest van 5 december 2002, overweging 4.1 (g). De vraag is dan of de [appellant] met vrucht voormeld bedrag van ƒ 547.421,= als schade bij de bank kan vorderen. In beginsel is dit naar het oordeel van het hof - gegeven de onrechtmatige daad van de bank, het vaststaande (gecorrigeerde) debiteurensaldo en de verkoopopbrengst van de vorderingen - het geval en het is aan de bank feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken die ertoe leiden dat te dezen een lager of geen schadebedrag in aanmerking moet worden genomen dan het bedrag van ƒ 547.421,=. In dit verband is, anders dan zij stelt, niet van belang of de bank vanwege de uitwinningssituatie van Dental ‘80 in redelijkheid geen hogere prijs dan ƒ 675.000,= heeft kunnen bedingen, maar (slechts) of aannemelijk is dat Dental ‘80 (dan wel de [appellant] na haar faillietverklaring), de onrechtmatige verkoop door de bank weggedacht, er niet in zou zijn geslaagd de vorderingen tot het beloop van hun boekwaarde te incasseren. De bank heeft weliswaar in hoger beroep een aantal feiten en omstandigheden aangevoerd die volgens haar tot deze conclusie leiden, maar de [appellant] heeft een en ander gemotiveerd betwist en de bank heeft op dit punt in appel geen althans geen voldoende concreet bewijsaanbod gedaan.
2.6.4.
De conclusie is dat de vordering van de [appellant] te dezen tot een bedrag van ƒ 547.421,=/€ 248.408,82 toewijsbaar is.
2.7.1.
Aan zijn vordering van - thans - ƒ 62.238,35 heeft de [appellant] , naar het hof begrijpt, ten grondslag gelegd dat hij en/of Dental ’80 dit bedrag niet bij debiteuren in rekening hebben kunnen brengen doordat de bank de administratie van Dental ’80 in beslag heeft genomen althans die administratie heeft laten teloorgaan, alsmede dat de boedel als gevolg van deze onrechtmatige daad van de bank schade tot het gevorderde bedrag heeft geleden.
2.7.2.
De bank heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep betwist de administratie van Dental ’80 in beslag te hebben genomen. De bewijslast ter zake rust op de [appellant] , aangezien hij de door hem gestelde inbeslagneming aan zijn onderhavige vordering ten grondslag heeft gelegd. De [appellant] heeft dat bewijs niet geleverd. De op 2 november 1989 in een voorlopig getuigenverhoor gehoorde getuige [[naam]] heeft niet verklaard dat de bank de administratie van Dental ’80 in beslag heeft genomen en/of een computer heeft meegenomen waarop die administratie zich bevond. Integendeel, Zumbrink heeft verklaard, zakelijk, dat de eigenaar van het pand waarin Dental ’80 bedrijfsruimte had gehuurd op maandag 3 oktober 1988 de gehele administratie van Dental ‘80 in een container buiten het gebouw heeft gegooid en dat hij die administratie op advies van de advocaat van Dental ’80 dezelfde avond nog uit de container heeft gehaald en weer in het pand heeft gebracht. Niet gesteld of gebleken is dat de bank de eigenaar van dat pand was. De in voormeld voorlopig getuigenverhoor op 15 maart 1990 gehoorde getuige [[naam]] , de toenmalige accountant van Dental ’80, heeft evenmin iets verklaard waaruit kan worden afgeleid dat de bank de administratie van Dental ’80 in beslag heeft genomen en/of heeft laten teloorgaan. Het door de [appellant] bij memorie van grieven gedane aanbod Zumbrink en Kuijl als getuigen te doen horen, heeft geen betrekking op de inbeslagneming en/of teloorgang van de administratie door de bank (maar op de moeite die [getuigen] hebben moeten doen om de administratie te achterhalen en te reconstrueren en/of op de ernstige schadelijke gevolgen daarvan) en is ook overigens, in het licht van de omstandigheid dat beiden reeds als getuigen zijn gehoord, te algemeen en te vaag, ook als moet worden aangenomen dat het voorlopig getuigenverhoor op deze kwestie niet specifiek betrekking had. De [appellant] heeft, hoewel zulks op grond van overweging 4.19 onder b van het bestreden vonnis in de rede had gelegen, geen (andere) getuigenverklaringen overgelegd waarmee de juistheid van zijn onderhavige stelling kan worden bewezen noch namen genoemd van getuigen die daarover (alsnog) zouden kunnen verklaren. Het hof concludeert dan ook dat de juistheid van deze stelling niet is komen vast te staan.
2.7.3.
Omdat de daaraan ten grondslag gelegde onrechtmatige gedraging van de bank niet is komen vast te staan, zal de onderhavige vordering van de [appellant] reeds daarom worden afgewezen. Alle overige stellingen en weren van partijen te dezen, in het bijzonder ten aanzien van de omvang van de balanspost “overlopende activa”, behoeven daarom geen bespreking meer.
2.8.
Anders dan de bank in haar akte van 18 maart 2013 bepleit, ziet het hof geen aanleiding terug te komen op zijn in overweging 2.5 van het tussenarrest van 10 november 2009 neergelegde beslissing de bank te belasten met de kosten van het deskundigenbericht van [[naam]] . Dit rapport was immers alleen maar noodzakelijk, omdat de bank de in Moret I opgenomen balans betwistte. Omdat die balans, naar uit laatstgenoemd tussenarrest blijkt, slechts op één punt aangepast behoefde te worden, dient de bank de kosten van dit rapport, als uitvloeisel van haar grotendeels onterechte betwisting van de cijfers van Moret I, te dragen.
2.9.
Op grond van al hetgeen hiervoor en in de tussenarresten is overwogen, zal het hof het bestreden vonnis vernietigen, de vordering van de [appellant] - onder afwijzing van het meer of anders gevorderde – toewijzen tot een bedrag van (€ 6.352,92 + € 248.408,82 is) € 254.761,74, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 december 1988. In dit verband merkt het hof op dat het zich verenigt met overweging 4.25, eerste alinea, van het bestreden vonnis.
2.10.
De [appellant] zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden verwezen in de kosten van het geding in beide instanties, met dien verstande dat de kosten in verband met de akten van partijen van 17 februari 2009 en de pleidooien van 15 september 2009, welke kosten alle verband houden met het deskundigenbericht van Den Butter, buiten beschouwing zullen worden gelaten. De kosten van de bij het tussenarrest van 11 november 2004 benoemde [deskundigen] zijn reeds ten laste van de [appellant] gebracht. De bank zal echter, als gezegd, worden veroordeeld de door de [appellant] betaalde kosten van de bij het tussen-arrest van 10 april 2008 benoemde deskundige [deskundige] aan de [appellant] te voldoen.
3. Beslissing
Het hof:
vernietigt het bestreden vonnis van de rechtbank Utrecht van 2 februari 2000 en, opnieuw rechtdoende:
veroordeelt de bank tot betaling aan de [appellant] van een bedrag van € 254.761,74, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 december 1988 tot de dag der voldoening;
veroordeelt de bank tot betaling aan de [appellant] van een bedrag van € 12.145,= wegens de door de [appellant] voldane kosten van het deskundigenrapport van A.P. den Butter RA;
verwijst de [appellant] in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van de bank gevallen en begroot op € 3.160,58 wegens verschotten en € 5.536,12 wegens salaris van de advocaat;
verwijst de [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep (behoudens die van voormeld rapport van Den Butter), aan de zijde van de bank gevallen en tot op heden begroot op € 4.242,84 wegens verschotten en € 54.960,= wegens salaris van de advocaat;
verklaart dit arrest ten aanzien van al deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.A. Goslings, R.J.M. Smit en D.J. van der Kwaak en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken 23 juni 2015.
Uitspraak 27‑09‑2011
Inhoudsindicatie
Faillissement was ook zonder het onrechtmatig handelen van de bank onvermijdelijk.
Partij(en)
GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
EERSTE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER
ARREST
in de zaak van:
mr. Adriaan RIGTERS,
wonende te De Bilt,
in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DENTAL ’80 B.V.,
APPELLANT,
vertegenwoordigd door mr. D.J. Beenders, advocaat te Amsterdam,
t e g e n
de naamloze vennootschap F. VAN LANSCHOT BANKIERS N.V. (rechtsopvolger van C en E Bankiers N.V., voorheen Crediet- en Effectenbank),
gevestigd te ’s-Hertogenbosch,
GEÏNTIMEERDE,
vertegenwoordigd door mr. M.A. Blom, advocaat te Amsterdam.
Partijen worden hierna (wederom) de curator en de bank genoemd.
1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
Het hof heeft op 5 december 2002, 11 november 2004, 29 maart 2007, 10 april 2008 en 10 november 2009 een tussenarrest gewezen. Voor het verloop van het geding in hoger beroep tot laatstgenoemde datum wordt naar die arresten verwezen.
Bij het tussenarrest van 10 november 2009 heeft het hof (onder meer) een aantal vraagpunten geformuleerd met betrekking tot het door de bij tussenarrest van 11 november 2004 benoemde deskundigen op 5 oktober 2005 uitgebrachte deskundigenbericht. Deze deskundigen hebben vervolgens een “aanvullend bericht van deskundigen”, gedateerd 8 oktober 2010, uitgebracht.
Daarop hebben zowel de curator als de bank een memorie na deskundigenbericht genomen. De bank heeft bij die gelegenheid nader bewijs aangeboden.
Vervolgens hebben partijen hun zaak ter zitting van het hof van 7 juli 2011 wederom doen bepleiten. Er is gepleit door hun hiervoor genoemde advocaten, aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities. De bank heeft ter gelegenheid van die pleidooien nog een tweetal producties in het geding gebracht, de curator nog één.
Ten slotte is (wederom) arrest gevraagd.
2. De verdere beoordeling
2.1
In het tussenarrest van 10 november 2009 staat onder 2.8 een tikfout: waar aldaar wordt verwezen naar overweging 2.7 van het tussenarrest van 10 april 2008 gaat het om de boekwaarde van de vorderingen (en niet - zoals onder 2.8, zesde regel, staat - om de “dekkingsvoorraad” van de vorderingen).
2.2
De bij het tussenarrest van 11 november 2004 benoemde deskundigen zullen hierna “de deskundigen” worden genoemd. Het eerste door hen uitgebrachte deskundigenbericht zal in dit arrest “het eerste deskundigenbericht” worden genoemd en het naar aanleiding van het tussenarrest van 10 november 2009 door hen uitgebrachte nadere bericht “het tweede deskundigen-bericht”.
2.3
Uit het eerste deskundigenbericht maakt het hof op dat het voor het door de deskundigen gegeven (positieve) antwoord op de vraag of Dental ’80 - het onrechtmatig handelen van de bank weggedacht - in oktober 1988, of zoveel later als de in dit geval redelijk te achten opzegtermijn langer was dan ongeveer vier weken, in redelijkheid financierbaar was als ‘going concern’ noodzakelijk was dat Dental ‘80 destijds (zoals de deskundigen meenden) een vermogensversterkingskrediet van f 100.000,- en een bedrijfskrediet van f 250.000,- had kunnen krijgen op de voet van de Kredietregeling Midden- en Kleinbedrijf (hierna: de KMK-regeling). Zonder die kredieten zou immers de door het hof vastgestelde minimale kredietbehoefte van f 1.671.868,- niet worden “gehaald” (zie in dit verband het eerste deskundigenbericht sub 4.7.3).
2.4
Ingevolge artikel 11 aanhef en onder e van de KMK-regeling wordt een aanvraag afgewezen indien het aansprakelijk vermogen minder dan 10% van het balanstotaal na kredietverstrekking zou bedragen. In het tweede deskundigenbericht gaan de deskundigen uit van een aansprakelijk vermogen van f 434.000,- en een balanstotaal van f 3.790.000,- (zie dat bericht onder 4.5.11). Het aansprakelijk vermogen bedraagt daarmee 11,45% van het balanstotaal. Genoemde bepaling staat daarmee – aldus de deskundigen - niet aan verstrekking van KMK-kredieten in de weg (in het eerste deskundigenbericht – onder 7.1.12 – hebben deskundigen opgemerkt dat het balanstotaal door de kredietverstrekking niet wijzigt).
2.5
De bank heeft betwist dat Dental ’80 KMK-kredieten had kunnen verkrijgen, onder meer op de grond dat sprake zou zijn geweest van de in artikel 11 onder e KMK genoemde weigeringsgrond. In dat verband heeft de bank onder meer aangevoerd dat de deskundigen ten onrechte bij het aansprakelijk vermogen de “achtergestelde” pensioenvoorziening van f 76.000,- hebben meegerekend. Zij heeft daarbij gewezen op de wijzigingen die op 22 december 1986 in de KMK-regeling zijn aangebracht - de definitie van aansprakelijk vermogen is veranderd (artikel 1 onder j) en er is bepaald wat onder een achtergestelde vordering wordt verstaan (onderdeel k) – en op de toelichting die daarbij is gegeven:
“Gebleken is dat er bij verschillende bij de uitvoering betrokken banken onzekerheid bestaat over de uitleg van wat tot het aansprakelijk vermogen behoort. Om aan deze onzekerheid een einde te maken is thans de definitie van aansprakelijk vermogen zodanig aangepast dat duidelijk is onder welke condities achtergestelde vorderingen kunnen meetellen bij de berekening van het aansprakelijk vermogen. De achtergestelde vorderingen moeten daarvoor dan aan een aantal eisen voldoen. Voor de volledigheid zij opgemerkt dat rechten op een pensioen of uit een stamrecht beogen te voorzien in een uitkering in de toekomst. Er is geen sprake van een vordering die achtergesteld kan worden.”
2.6
Vaststaat dat, als de pensioenvoorziening van f 76.000,- niet tot het aansprakelijk vermogen wordt gerekend, de weigeringsgrond van artikel 11 onder e van de KMK-regeling zich inderdaad voordoet: dat vermogen bedraagt dan immers slechts 9,44% van voornoemd balanstotaal. Dit wordt ook niet anders als er tevens van zou worden uitgegaan dat de deskundigen zouden hebben verzuimd rekening te houden met een nadere balanskorting van f 71.000,-, zoals de curator eerst bij de gelegenheid van de laatste pleidooien – en om die reden, naar het oordeel van het hof, tardief - heeft aangevoerd. Dan zou bedoeld percentage namelijk uitkomen op 9,63%.
2.7
Ondanks dat de bank in reactie op het aan haar voorgelegde concept-eerste deskundigenbericht expliciet op de nieuwe KMK-regeling had gewezen (zie de brief van de bank aan de deskundigen van 15 augustus 2005, p.2) en dit via verwijzing naar die brief nogmaals deed in haar reactie op het aan haar voorgelegde concept-tweede deskundigenbericht (zie de brief van de bank aan de deskundigen van 30 augustus 2010, p. 9), lijken de deskundigen (in ieder geval) in het tweede deskundigenbericht uit te gaan van de oude tekst van de KMK-regeling: zo wordt onder 4.4.2 de oude definitie geciteerd van wat in de regeling onder aansprakelijk vermogen wordt verstaan en wordt, waar de deskundigen hun visie onderbouwen waarom volgens hen de pensioenvoorziening van f 76.000,- wèl tot het aansprakelijk vermogen kan worden gerekend (zie het tweede deskundigen-bericht, p. 33, 34 en 52), niet ingegaan op de tekst van de nieuwe regeling noch op de hiervoor onder 2.5 geciteerde toelichting daarop. Voor zover de deskundigen uit het feit dat het hof in zijn tussenarrest van 10 november 2009 heeft overwogen dat de deskundigen ervan kunnen uitgaan dat [Z.], indien een potentiële kredietverschaffer hem dat zou vragen, onverwijld de achterstelling van zijn pensioen-voorziening zou hebben bewerkstelligd, de conclusie hebben getrokken dat (het hof van oordeel is dat) de pensioenvoorziening in het kader van de KMK-regeling tot het aansprakelijk vermogen kan worden gerekend, hebben zij dat ten onrechte gedaan: uit het één kan het ander niet worden opgemaakt, zulks te minder in het licht van meerbedoeld citaat uit de toelichting op de nieuwe KMK-regeling. Uit dat citaat valt immers, zonder overtuigende argumentatie waarom dat in het onderhavige geval anders ligt, slechts op te maken dat de pensioenvoorziening van f 76.000,- in het kader van de KMK-regeling nìèt tot het aansprakelijk vermogen mag worden gerekend.
2.8
Waar ook de curator vorenbedoelde argumentatie niet heeft gegeven, is het hof van oordeel dat de bank moet worden gevolgd in haar visie dat meerbedoelde pensioenvoorziening voor de bepaling van het in artikel 11 onder e bedoelde percentage niet tot het aansprakelijk vermogen mag worden gerekend. Het hof ziet zich in dat oordeel gesteund door de door de bank ter gelegenheid van de laatste pleidooien overgelegde verklaringen, met name – gelet op zijn na te noemen achtergrond – door die van drs. [W.] (werkzaam bij het Ministerie van Economische zaken en in 1988 aldaar werkzaam als ambtenaar met verantwoordelijkheid voor de juiste toepassing van de KMK-regeling, in welke hoedanigheid hij – als waarnemer namens het Ministerie - ook zitting had in de in artikel 2 van die regeling bedoelde Centrale Beoordelingscommissie). [W.] verklaart:
“Aan mij is (..) de vraag voorgelegd of de reservering voor het pensioen van de directeur van Dental ten bedrage van f 76.000,- gerekend had mogen worden tot het aansprakelijk vermogen als bedoeld in artikel 1 onder j van de KMK. Dat was niet het geval. De KMK is op 22 december 1986 gewijzigd. De reden voor die wijziging was onder meer dat bij banken onzekerheid bleek te bestaan over wat tot het aansprakelijk vermogen behoorde. Het bleek niet voldoende duidelijk te zijn dat niet zo maar elke achtergestelde vordering tot het aansprakelijk vermogen gerekend mag worden en dat in het bijzonder een pensioenreservering – die overigens door het ministerie nimmer als achtergesteld vermogen geaccepteerd werd – daar niet toe gerekend mag worden. Om die reden is de definitie van aansprakelijk vermogen gewijzigd en is dat in de toelichting op de wijziging uitdrukkelijk vermeld.”
2.9
Dit oordeel van het hof betekent (zie hiervoor onder 2.6) dat ervan uitgegaan moet worden dat Dental ’80 destijds niet voor KMK-kredieten in aanmerking zou zijn gekomen, hetgeen vervolgens betekent dat de onder 2.3 beschreven noodzakelijke peiler voor het positieve antwoord van de deskundigen op de vraag – kort gezegd – “was Dental ’80 destijds in redelijkheid financierbaar” wegvalt. Dit zo zijnde, komt het hof, mèt de rechtbank, tot de conclusie dat Dental ’80 destijds hoe dan ook niet financierbaar was en dat het faillissement van Dental ‘80 ook zonder het onrechtmatig handelen van de bank onvermijdelijk was. De slotsom is dan dat de grieven VII tot en met XVII falen en dat grief IV niet tot resultaat leidt.
2.10
Het hof merkt, voor alle volledigheid, nog het volgende op. Voor zover de curator bewijs heeft aangeboden heeft dat niet specifiek op voornoemde kwestie betrekking. Daar komt bij dat het bij de vraag of Dental ’80 destijds met succes een beroep op de KMK-regeling kon doen - althans in de hier voorliggende vraagstelling - gaat om uitleg van die regeling. De curator heeft geen conctrete feiten gesteld die tot een andere uitleg nopen dan hiervoor overwogen. In zoverre ten overvloede overweegt het hof dat het de curator niet volgt in zijn standpunt dat de zogenaamde omkeringsregel in deze casus van toepassing is.
2.11
Grief XVIII houdt in dat de rechtbank (in overweging 4.12 van het bestreden vonnis) overweging 5.15 van het vonnis van 7 oktober 1992 en overweging 4.15 van het arrest van 2 juni 1994 (zie voor beide uitspraken overweging 4.1 onder g van het tussenarrest van 5 december 2002) onjuist heeft geïnterpreteerd.
2.12
De grief faalt, omdat het hof in overweging 4.15 van zijn arrest van 2 juni 1994 wel degelijk, zoals de rechtbank in de bestreden overweging heeft geoordeeld, in het midden heeft gelaten of de bank heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in de artikelen 1200 e.v. BW (oud). Niet van belang is daarom of de rechtbank in die overweging ten onrechte heeft opgemerkt dat overweging 5.15 van het vonnis van 7 oktober 1992 niet ziet op de verkoop van de (handels)vorderingen. Voorts heeft het hof in overweging 3 van zijn arrest van 2 juni 1994 overwogen, zoals de rechtbank terecht heeft opgemerkt – zakelijk weergegeven – dat tegen de in het vonnis van 7 oktober 1992 vastgestelde feiten geen grieven zijn gericht. Overigens valt niet in te zien welk belang de curator bij de onderhavige grief heeft, waar het – gelet op het overwogene onder 2.9 – in dit geding thans nog slechts gaat om de vraag (kort gezegd) of de bank bij de uitwinning zorgvuldig te werk is gegaan.
2.13
Grief XIX bouwt uitsluitend voort op de hiervoor al verworpen grief XVII en moet daarom het lot van die grief delen.
2.14
In overweging 4.13 van het bestreden vonnis heeft de rechtbank onder meer overwogen:
“De curator heeft, primair, zijn schade becijferd door de opbrengst van de desbetreffende verkopen (handelsvoorraad, gecedeerde vorderingen en inventaris; hof) te vergelijken met de boekwaarde of de taxatiewaarde van de desbetreffende activa. Dienaangaande overweegt de rechtbank dat deze vergelijking er ten onrechte van uitgaat dat Dental ’80 kon worden voortgezet. Nu dit niet het geval is, dient niet de boekwaarde of de taxatiewaarde van de diverse activa te worden gehanteerd, doch de liquidatiewaarde. Subsidiair heeft de curator betoogd dat de liquidatie van de bank op zichzelf onzorgvuldig is geweest, in die zin dat de bank niet heeft gestreefd naar de hoogst mogelijke liquidatieopbrengst, doch ermee heeft volstaan een zodanige opbrengst te bewerkstelligen dat deze precies de vordering van de bank dekte. De curator heeft geconcludeerd dat de bank dusdoende schade heeft toegebracht aan (de failliete boedel van) Dental “80 en dus aan de schuldeisers van Dental ’80. Dit kan met name het geval zijn, indien de bank op onzorgvuldige wijze een te geringe opbrengst bij de uitwinning van de zekerheden heeft gerealiseerd. Het bewijsrisico ter zake rust op de curator.”
2.15
Met grief XX komt de curator tegen deze overweging op. Anders dan de curator betoogt valt in het vonnis van 7 oktober 1992 niet te lezen – evenmin als in het arrest van 2 juni 1994 – dat de bank haar zekerheden (onrechtmatig) heeft uitgewonnen op de door de curator gestelde wijze als onder 2.14 vermeld. In dit licht bezien heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de bewijslast te dien aanzien op de curator rust. Het hof wijst er ook in dit verband op dat het de omkeringsregel op deze casus niet van toepassing acht (zie ook hiervoor onder 2.10, slot). Aan een en ander doet niet af dat vaststaat dat de bank aansprakelijk is vanwege onder meer het feit dat zij eigenmachtig de haar verleende zekerheden onderhands heeft verkocht. Uit dat feit vloeit immers niet voort dat de bank verwijtbaar die zekerheden (op de door de curator gestelde wijze) voor een te laag bedrag heeft verkocht. Uit het falen van de grieven VII tot en met XVII volgt voorts dat de rechtbank er terecht van is uitgegaan dat Dental ’80 niet kon worden voortgezet. De curator heeft niet bestreden dat de liquidatiewaarde moet worden gehanteerd, als Dental ’80 niet kon worden voortgezet. De grief treft dus geen doel.
2.16
Grief XXI is gericht tegen de afwijzing door de rechtbank (in de overwegingen 4.14 en 4.15) van de op de (voormelde) subsidiaire grondslag ingestelde vordering ter zake van de voorraden en de inventaris.
2.17
Deze grief bouwt enerzijds (wederom) voort op de reeds verworpen stelling dat ten aanzien van deze verkopen telkens de boekwaarde moet worden gehanteerd. Terecht immers is de rechtbank uitgegaan van de liquidatiewaarde(n). Anderzijds licht de grief in het geheel niet toe waarom de gerealiseerde opbrengsten van f 625.000,- voor de voorraden en f 40.000,- voor de inventaris lager zijn dan de desbetreffende liquidatiewaarden. Ook deze grief faalt derhalve.
2.18
Grief XXII richt zich tegen overweging 4.16 van het bestreden vonnis. Daarin heeft de rechtbank overwogen dat de curator een aantal vaststellingen in het rapport BDO III met betrekking tot de post debiteuren niet had bestreden, reden waarom zij vervolgens van de juistheid van die vaststellingen is uitgegaan. Het gaat om de volgende (vast)stellingen in genoemd rapport:
- -
in de debiteurenpost per 28 september 1988 is een bedrag van f 73.399,- begrepen, welke op dat moment reed was voldaan;
- -
over een bedrag van f 114.632,- blijken discussies met afnemers te lopen over de juistheid en terechtheid van de vordering;
- -
voor een bedrag van f 112.572,- blijken de feitelijke leveringen betwist te worden.
De curator stelt de desbetreffende stellingen wel degelijk bestreden te hebben en bestrijdt deze voor zover nodig alsnog. Hij voert aan dat de bewuste stellingen niet onderbouwd zijn, laat staan bewezen. Voorts wijst hij er op dat de bank jegens hem nooit verantwoording heeft afgelegd over de opbrengst van de debiteurenportefeuille.
2.19
Het hof overweegt dat meerbedoelde stellingen in BDO III slechts onderbouwd worden met de vermelding dat een en ander “blijkt uit correspondentie met debiteuren” (zie p. 15). Gelet hierop kan van de curator niet gevergd worden dat hij zijn betwisting nader onderbouwt. Nu de bank heeft aangeboden de bewuste stellingen te bewijzen, zal zij daartoe in de gelegenheid worden gesteld. Het hof gaat er vooralsnog van uit dat de bank dit bewijs via in het geding brengen van stukken zal willen leveren. Uit het vorenstaande kan worden opgemaakt dat het hof de bank niet volgt in haar visie dat de curator in de onderhavige grief niet (ook) weerspreekt dat in de post debiteuren per 28 september 1988 een bedrag van f 73.399,- was begrepen dat al was voldaan.
2.20
De verdere behandeling van de grief wordt tot na bedoelde bewijslevering aangehouden.
2.21
Grief XXIII richt zich tegen overweging 4.17 van het bestreden vonnis. De grief heeft naast grief XXII geen betekenis hetzij is prematuur, waar de rechtbank in genoemde overweging enerzijds slechts voortbouwt op hetgeen in overweging 4.16 werd overwogen en anderzijds verdere beslissingen ten aanzien van de opbrengst van de handelsvorderingen aanhoudt totdat partijen haar op de in de overweging genoemde punten nader hebben geïnformeerd. De grief faalt daarom.
2.22
Met grief XXIV komt de curator op tegen de afwijzing door de rechtbank (overweging 4.19) van de vordering wegens waarborgsommen van f 14.000,-.
2.23
Voor zover de grief wederom voortbouwt op de stelling dat van een liquidatiesituatie geen sprake was, stuit hij af op het falen van de grieven VII tot en met XVII. Voor het overige overweegt het hof als volgt. In de bestreden overweging heeft de rechtbank geoordeeld dat de curator niet heeft weersproken de stelling van de bank dat waarborgsommen “in een liquidatiescenario” altijd afgeboekt moeten worden. Thans doet de curator dat wel. De bank heeft weliswaar aangeboden te bewijzen dat “de praktijk nu eenmaal leert dat waarborgsommen moeten worden afgeboekt”, maar een dergelijke stelling is onvoldoende concreet om voor bewijslevering in aanmerking te komen. Dit betekent dat van de juistheid van de bewuste stelling niet kan worden uitgegaan. Nu de bank geen andere reden heeft aangevoerd voor afwijzing van deze schadepost, zal die post ad € 6.352,92 (f. 14.000,-) bij het in deze zaak te wijzen eindarrest (alsnog) worden toegewezen. De grief slaagt mitsdien.
2.24
Grief XXV betreft een deel van de nadere informatie die de rechtbank ten aanzien van de post overlopende activa ter grootte van f 92.000,- wenst te vernemen. De rechtbank vroeg de curator (onder meer) of met de door Moret I bedoelde “inbeslagname van de administratie” (pagina 4, onderaan, van dat rapport) dezelfde inbeslagname wordt bedoeld als door de curator vermeld in alinea 2.5 (en 2.6. voegt het hof toe) van de conclusie van repliek.
2.25
Wat er zij van de stelling van de curator dat de rechtbank had moeten begrijpen dat Moret I hier doelt op de inbeslagname van de administratie waarover [Z.] in zijn getuigenverklaring heeft verklaard, het hof stelt vast dat de curator de bewuste vraag daarmee inmiddels in bevestigende zin heeft beantwoord. Nu Moret I op verzoek en op basis van door de curator (en Dental ’80) verschafte informatie is opgesteld, gaat het hof ervan uit dat dit antwoord van de curator correct is. Het vorenstaande betekent dat meerbedoelde vraag na een eventuele verwijzing naar de rechtbank geen beantwoording meer behoeft. In zoverre slaagt de grief. Vanzelfsprekend is aldus nog niet geoordeeld over de inhoudelijke kant van de zaak, waarover de bank zich in haar reactie op de grief heeft uitgelaten. Het hof overweegt in dit verband nog dat het de bedoelde verklaring van [Z.] niet bij de stukken die in hoger beroep zijn gewisseld heeft aangetroffen. In verband met de mogelijkheid dat het hof de zaak aan zich zal houden (zie hierna overweging 2.31), dient de curator die verklaring alsnog in het geding te brengen. Hij zal dit kunnen combineren met zijn reactie op het door de bank aan te leveren (als gezegd, het hof verwacht: schriftelijke) bewijs als hiervoor onder 2.19 bedoeld.
2.26
Grief XXVI heeft betrekking op de afwijzing door de rechtbank (in overweging 4.20) van de vordering ter zake van winstderving. De grief bouwt echter uitsluitend voort op de hiervoor reeds verworpen stelling dat Dental ’80, het onrechtmatig handelen van de bank weggedacht, destijds had kunnen worden voortgezet en faalt om die reden.
2.27
Met grief XXVII komt de curator op tegen de afwijzing door de rechtbank (in de overwegingen 4.21 tot en met 4.24) van enkele specifieke schadeposten.
2.28
Met betrekking tot de rente over de belastingschulden en de schuld aan de bedrijfsvereniging (overweging 4.23) geldt het volgende. Enkel als aannemelijk zou zijn dat Dental ’80, het onrechtmatig handelen van de bank weggedacht, bedoelde schulden (niet uit geleend, maar) uit eigen geld zou hebben kunen betalen, zou gezegd kunnen worden dat de boedel renteschade heeft geleden als gevolg van bedoeld onrechtmatig handelen van de bank. De curator heeft dit echter niet aannemelijk gemaakt. Gelet op de vaststeling dat Dental ’80 eind 1988 niet financierbaar was, kan er – integendeel – van worden uitgegaan dat die schulden - zo al - met geleend geld betaald zouden zijn. Met betrekking tot genoemde schadeposten faalt de grief derhalve.
2.29
Met betrekking tot de andere posten waar de grief op ziet (kosten ter zake van de opzegging van de kredietfaciliteiten, kosten van de curator, kosten van de accountant en kosten van ingeschakelde juridische adviseurs) geldt allereerst dat ook hier ervan moet worden uitgegaan dat Dental ’80 eind 1988 niet financierbaar was. Voor zover in de toelichting op de grief van een andere situatie wordt uitgegaan, mist die toelichting ook hier doel. Het hof stelt voorts vast dat in de toelichting op de grief verder niet wordt toegelicht waarom het oordeel van de rechtbank met betrekking tot (de afwijzing van) de kosten ter zake van de opzegging van de kredietfaciliteiten niet juist zou zijn. Hetzelfde geldt voor wat betreft de (afwijzing van de) kosten van ingeschakelde juridische adviseurs: ook hier (memorie van grieven sub 92) wordt enkel aangevoerd dat Dental ’80 destijds wèl financierbaar was. Waar de curator, gelet op al het hiervoor overwogene, voor het merendeel in het ongelijk zal worden gesteld, geldt voor de overige posten (kosten curator en kosten accountant) dat deze hoe dan ook niet voor volledige vergoeding in aanmerking komen. De curator heeft geen inzicht heeft verschaft in het aandeel van de (extra) kosten van zijn bemoeienis noch in dat van de (extra) accountantskosten dat specifiek is ontstaan als gevolg van de (volgens hem) feitelijke inbeslagname van de boekhouding van Dental ’80 door de bank. Het geven van dat inzicht had op zijn weg gelegen. Bedoelde schadeposten hebben daarmee als onvoldoende onderbouwd te gelden.
2.30
De slotsom is dus dat ook de onderhavige grief faalt.
2.31
De zaak zal naar de rol verwezen worden voor bewijslevering door de bank als hiervoor onder 2.19 aangegeven. Bij die gelegenheid zal de bank zich ook dienen uit te laten over de vraag of zij wenst dat het hof de zaak, na afdoening van alle grieven, aan zich houdt of dat het de zaak naar de rechtbank verwijst. Ter gelegenheid van zijn reactie op de bewijslevering zal de curator zich ook over deze kwestie dienen uit te laten. Voorst verwijst het hof hier naar het overwogene onder 2.25, slot.
2.32
Het hof zal bepalen dat partijen reeds nu tegen dit arrest beroep in cassatie kunnen instellen.
3. Beslissing
Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van 25 oktober 2011 voor bewijslevering door en uitlating van de bank bij akte als hiervoor onder 2.31 vermeld;
bepaalt dat de curator vervolgens een antwoordakte kan nemen als hiervoor onder 2.31 aangeduid;
houdt iedere verdere beslissing aan;
bepaalt dat partijen tegen dit arrest reeds nu beroep in cassatie kunnen instellen.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.A. Goslings, R.J.M. Smit en C. Uriot en is op 27 september 2011 in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer.