Procestaal: Duits.
HvJ EU, 05-12-2024, nr. C-389/23
ECLI:EU:C:2024:1001
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
05-12-2024
- Magistraten
F. Biltgen, M. L. Arastey Sahún, J. Passer
- Zaaknummer
C-389/23
- Roepnaam
Bulgarfrukt
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2024:1001, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 05‑12‑2024
Uitspraak 05‑12‑2024
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken — Europese betalingsbevelprocedure — Verordening (EG) nr. 1896/2006 — Uitvoerbaar verklaard Europees betalingsbevel — Betekening en kennisgeving van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken — Verordening (EG) nr. 1393/2007 — Bij de tenuitvoerlegging geconstateerd ontbreken van betekening of kennisgeving — Nationale wettelijke regeling die voorziet in een rechtsmiddel waarmee de verweerder nietigverklaring van het Europees betalingsbevel kan vorderen — Rechtsgevolgen — Verplichting voor de aangezochte rechter om het Europees betalingsbevel nietig te verklaren
F. Biltgen, M. L. Arastey Sahún, J. Passer
Partij(en)
In zaak C-389/23,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Amtsgericht Wedding (rechter in eerste aanleg Wedding, Berlijn, Duitsland) bij beslissing van 19 mei 2023, ingekomen bij het Hof op 27 juni 2023, in de procedure
Bulgarfrukt — Fruchthandels GmbH
tegen
Oranzherii Gimel II EOOD,
wijst
HET HOF (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: F. Biltgen (rapporteur), president van de Eerste kamer, waarnemend voor de president van de Tweede kamer, M. L. Arastey Sahún, president van de Vijfde kamer, en J. Passer, rechter,
advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Bulgarfrukt — Fruchthandels GmbH, vertegenwoordigd door W. Kreuzer en F. Sturm, Rechtsanwälte,
- —
Oranzherii Gimel II EOOD, vertegenwoordigd door W. Hoffmann, Rechtsanwalt,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Noë en J. Vondung als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van verordening (EG) nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure (PB 2006, L 399, blz. 1), en van verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (‘de betekening en de kennisgeving van stukken’), en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad (PB 2007, L 324, blz. 79).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen enerzijds Bulgarfrukt — Fruchthandels GmbH, een in Duitsland gevestigde vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, en anderzijds Oranzherii Gimel II EOOD (hierna: ‘Oranzherii’), een in Bulgarije gevestigde eenpersoonsvennootschap met beperkte aansprakelijkheid, over de tenuitvoerlegging van een Europees betalingsbevel.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Verordening nr. 1896/2006
3
De overwegingen 9, 10, 24 en 26 van verordening nr. 1896/2006 luiden als volgt:
- ‘(9)
Doel van deze verordening is de beslechting van een geschil in grensoverschrijdende zaken met betrekking tot niet-betwiste geldvorderingen te vereenvoudigen, te versnellen en goedkoper te maken door een Europese betalingsbevelprocedure in te voeren, en het vrije verkeer van Europese betalingsbevelen tussen de lidstaten te bewerkstelligen door minimumnormen te stellen waarvan de naleving tot gevolg heeft dat in de lidstaat van tenuitvoerlegging voorafgaand aan de erkenning en de tenuitvoerlegging geen intermediaire procedure hoeft te worden ingeleid.
- (10)
De bij deze verordening ingevoerde procedure is een aanvullend en facultatief instrument voor de eiser, die vrijelijk gebruik kan blijven maken van de procedures uit het nationale recht. Deze verordening strekt derhalve noch tot vervanging, noch tot harmonisatie van de bestaande mogelijkheden naar nationaal recht voor de inning van niet-betwiste schuldvorderingen.
[…]
- (24)
Een tijdig ingediend verweerschrift moet een einde maken aan de Europese betalingsbevelprocedure en moet de zaak automatisch doen overgaan naar een gewone civielrechtelijke procedure, tenzij de eiser uitdrukkelijk heeft verzocht om de procedure in dat geval stop te zetten. Het concept ‘[gewone] civielrechtelijke procedure’ wordt niet in de zin van het nationaal recht uitgelegd.
[…]
- (26)
De gerechtskosten van artikel 25 hebben geen betrekking op, bijvoorbeeld, advocatenhonoraria of de kosten van betekening of kennisgeving van stukken door een andere instantie dan een gerecht.’
4
Artikel 1van die verordening luidt:
- ‘1.
Deze verordening heeft ten doel:
- a)
de beslechting van een geschil in grensoverschrijdende zaken met betrekking tot niet-betwiste geldvorderingen te vereenvoudigen, te versnellen en goedkoper te maken door een Europese betalingsbevelprocedure in te voeren;
en
- b)
het vrije verkeer van Europese betalingsbevelen tussen de lidstaten te bewerkstelligen door minimumnormen te stellen waarvan de naleving tot gevolg heeft dat in de lidstaat van tenuitvoerlegging voorafgaand aan de erkenning en de tenuitvoerlegging geen intermediaire procedure hoeft te worden ingeleid.
- 2.
Deze verordening belet geenszins dat een eiser een vordering in de zin van artikel 4 geldend maakt met behulp van een andere procedure waarin het recht van een lidstaat of het gemeenschapsrecht voorziet.’
5
Artikel 12 van deze verordening heeft als opschrift ‘Uitvaardiging van een Europees betalingsbevel’ en bepaalt in de leden 3 en 5:
- ‘3.
In het Europees betalingsbevel wordt de verweerder meegedeeld dat hij de volgende mogelijkheden heeft:
- a)
het in het betalingsbevel vermelde bedrag aan de eiser te betalen;
of
- b)
verweer tegen het bevel aan te tekenen door bij het gerecht van oorsprong een verweerschrift in te dienen, dat binnen 30 dagen nadat het bevel aan de verweerder is betekend of [te zijner] kennis [is] gebracht wordt verzonden.
[…]
- 5.
Het gerecht draagt er zorg voor dat het betalingsbevel overeenkomstig het nationale recht aan de verweerder betekend of ter kennis gebracht wordt volgens een methode die voldoet aan de minimumnormen van de artikelen 13, 14 en 15.’
6
Artikel 13 van die verordening, met als opschrift ‘Betekening of kennisgeving met bewijs van ontvangst door de verweerder’, luidt:
‘Het Europees betalingsbevel kan op een van de volgende wijzen aan de verweerder worden betekend of ter kennis [worden] gebracht, overeenkomstig het nationale recht van de staat waar de betekening of kennisgeving moet worden verricht:
- a)
door persoonlijke betekening of kennisgeving blijkend uit een door de verweerder ondertekende ontvangstbevestiging, met de datum van ontvangst;
- b)
door persoonlijke betekening of kennisgeving blijkend uit een document ondertekend door de bevoegde persoon die de betekening of kennisgeving heeft verricht, en waarin wordt verklaard dat de verweerder het stuk in ontvangst heeft genomen of zonder wettige grond geweigerd heeft, en waarin de datum van betekening of kennisgeving is vermeld;
- c)
door betekening of kennisgeving per post, blijkend uit een door de verweerder ondertekende en teruggezonden ontvangstbevestiging, met de datum van ontvangst;
- d)
door betekening of kennisgeving langs elektronische weg, bijvoorbeeld door middel van een faxbericht of een elektronisch postbericht, blijkend uit een door de verweerder ondertekende en teruggezonden ontvangstbevestiging, met de datum van ontvangst.’
7
Artikel 14 van verordening nr. 1896/2006, ‘Betekening of kennisgeving zonder bewijs van ontvangst door de verweerder’, bepaalt:
- ‘1.
Het Europees betalingsbevel kan tevens op een van de volgende wijzen aan de verweerder worden betekend of ter kennis worden gebracht, overeenkomstig het nationale recht van de staat waar de betekening of kennisgeving moet worden verricht:
- a)
in persoon op het persoonlijke adres van de verweerder, aan een persoon die als huisgenoot van de verweerder dezelfde woonplaats heeft of aldaar in dienst is;
- b)
wanneer de verweerder een zelfstandige of een rechtspersoon is, in persoon op het zakenadres van de verweerder, aan een persoon die bij de verweerder in dienst is;
- c)
door deponering van het bevel in de brievenbus van de verweerder;
- d)
door deponering van het bevel op het postkantoor of bij de bevoegde autoriteiten, en schriftelijke mededeling daarvan in de brievenbus van de verweerder, mits in de schriftelijke mededeling duidelijk wordt vermeld dat het om een gerechtelijk stuk gaat of dat deze schriftelijke mededeling rechtsgeldig is als betekening of kennisgeving en de toepasselijke termijnen doet ingaan;
- e)
per post zonder bewijs overeenkomstig lid 3 indien de verweerder zijn adres in de lidstaat van oorsprong heeft;
- f)
langs elektronische weg, blijkens een automatische aankomstbevestiging, op voorwaarde dat de verweerder vooraf uitdrukkelijk met deze wijze van betekening of kennisgeving heeft ingestemd.
- 2.
Voor de toepassing van deze verordening is betekening of kennisgeving overeenkomstig lid 1 niet toegestaan, indien het adres van de verweerder niet met zekerheid bekend is.
- 3.
Betekening of kennisgeving overeenkomstig lid 1, onder a), b), c) en d), blijkt uit:
- a)
een document dat is ondertekend door de bevoegde persoon die de betekening of de kennisgeving heeft verricht, en waarin het volgende wordt vermeld:
- i)
de wijze waarop de betekening of kennisgeving is geschied,
en
- ii)
de datum van betekening of kennisgeving,
en
- iii)
indien het bevel ter betekening of kennisgeving is aangeboden aan een andere persoon dan de verweerder, de naam van die persoon en zijn relatie tot de verweerder,
of
- b)
voor de toepassing van lid 1, onder a) en b), een ontvangstbevestiging van de persoon aan wie de betekening of kennisgeving is gedaan.’
8
Artikel 15 van deze verordening heeft als opschrift ‘Betekening of kennisgeving aan een vertegenwoordiger’ en bepaalt:
‘Betekening of kennisgeving overeenkomstig de artikelen 13 of 14 kan ook aan een vertegenwoordiger van de verweerder geschieden.’
9
Artikel 16 van die verordening draagt het opschrift ‘Verweer tegen een Europees betalingsbevel’ en luidt:
- ‘1.
De verweerder kan bij het gerecht van oorsprong een verweerschrift tegen het Europees betalingsbevel indienen door middel van het standaardformulier F van bijlage VI, dat hem samen met het Europees betalingsbevel wordt verstrekt.
- 2.
Het verweerschrift wordt toegezonden binnen 30 dagen nadat het betalingsbevel aan de verweerder is betekend of [te zijner] kennis is gebracht.
[…]’
10
Artikel 18 van die verordening heeft als opschrift ‘Uitvoerbaarheid’ en luidt als volgt:
- ‘1.
Indien binnen de in artikel 16, lid 2, gestelde termijn, met inachtneming van een redelijke tijdspanne met het oog op de aankomst van een verweerschrift, geen verweerschrift is ingediend, verklaart het gerecht van oorsprong het Europees betalingsbevel onverwijld uitvoerbaar door middel van het standaardformulier G van bijlage VII. Het gerecht van oorsprong verifieert de datum van betekening of kennisgeving.
- 2.
Onverminderd lid 1 worden de formele voorwaarden waaronder het bevel uitvoerbaar wordt, beheerst door het recht van de lidstaat van oorsprong.
- 3.
Het gerecht zendt het uitvoerbare Europees betalingsbevel aan de eiser.’
11
Artikel 26 van verordening nr. 1896/2006, ‘Verhouding tot het nationale procesrecht’, bepaalt:
‘Niet uitdrukkelijk in deze verordening geregelde procedurekwesties worden beheerst door het nationale recht.’
12
Artikel 27 van deze verordening luidt:
‘Deze verordening laat onverlet de toepassing van verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad van 29 mei 2000 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken [(PB 2000, L 160, blz. 37)].’
Verordening nr. 1393/2007
13
Artikel 1 van verordening nr. 1393/2007 bepaalt in lid 1:
‘Deze verordening is van toepassing in burgerlijke en in handelszaken, waarin een gerechtelijk of buitengerechtelijk stuk van een lidstaat naar een andere lidstaat moet worden verzonden ter betekening of kennisgeving aldaar. Deze verordening is met name niet van toepassing in fiscale, douane- en/of administratieve zaken of in het geval van aansprakelijkheid van de staat voor handelingen of omissies bij de uitoefening van het overheidsgezag (‘acta iure imperii’).’
14
Artikel 7 van deze verordening heeft als opschrift ‘Betekening of kennisgeving van stukken’ en bepaalt in lid 1:
‘De ontvangende instantie zorgt voor de betekening of kennisgeving van het stuk, hetzij overeenkomstig het recht van de aangezochte lidstaat, hetzij in de specifieke, door de verzendende instantie gewenste vorm, mits deze met het recht van die aangezochte lidstaat verenigbaar is.’
15
Artikel 8 van deze verordening, ‘Weigering van ontvangst van een stuk’, luidt als volgt:
- ‘1.
De ontvangende instantie stelt degene voor wie het stuk is bestemd, door middel van het in bijlage II opgenomen modelformulier in kennis van het feit dat hij kan weigeren het stuk waarvan betekening of kennisgeving moet worden verricht, in ontvangst te nemen op het ogenblik van de betekening of kennisgeving ofwel door het stuk binnen een week naar de ontvangende instantie terug te zenden, indien het niet is gesteld in of niet vergezeld gaat van een vertaling in een van de volgende talen:
- a)
een taal die degene voor wie het stuk bestemd is, begrijpt,
of
- b)
de officiële taal van de aangezochte lidstaat of, indien er verscheidene officiële talen in de aangezochte lidstaat zijn, de officiële taal of een van de officiële talen van de plaats waar de betekening of kennisgeving moet worden verricht.
- 2.
Indien de ontvangende instantie ervan op de hoogte is gesteld dat de persoon voor wie het stuk is bestemd dit overeenkomstig lid 1 weigert in ontvangst te nemen, stelt zij de verzendende instantie daarvan onmiddellijk door middel van het in artikel 10 bedoelde certificaat in kennis en zendt zij de aanvraag alsmede de stukken waarvan de vertaling wordt gevraagd terug.
- 3.
Indien degene voor wie het stuk is bestemd overeenkomstig lid 1 heeft geweigerd het stuk in ontvangst te nemen, kan de betekening of kennisgeving van het stuk worden geregulariseerd door aan degene voor wie het stuk is bestemd overeenkomstig deze verordening betekening of kennisgeving te doen van het stuk vergezeld van een vertaling in een taal zoals bedoeld in lid 1. In dat geval is de datum van betekening of kennisgeving van het stuk die waarop de betekening of kennisgeving van het stuk vergezeld van de vertaling overeenkomstig het recht van de aangezochte lidstaat is geschied. Wanneer de betekening of kennisgeving van een stuk overeenkomstig het recht van een lidstaat echter binnen een bepaalde termijn moet worden verricht, dan is de datum die ten aanzien van de aanvrager in aanmerking wordt genomen de datum van betekening of kennisgeving van het oorspronkelijke stuk, vastgesteld overeenkomstig artikel 9, lid 2.
[…]’
Duits recht
16
§ 1092a van de Zivilprozessordnung (wetboek van burgerlijke rechtsvordering; hierna: ‘ZPO’) draagt het opschrift ‘Rechtsmiddel ingeval het Europees betalingsbevel niet of niet naar behoren is betekend of ter kennis is gebracht’en luidt:
- ‘(1)
De verweerder kan verzoeken om intrekking van het Europees betalingsbevel indien dit bevel:
- 1.
niet aan hem betekend of ter kennis gebracht is, of
- 2.
betekend of ter kennis gebracht is op een wijze die niet in overeenstemming is met de voorschriften van de artikelen 13 tot en met 15 van [verordening nr. 1896/2006].
Het verzoek moet worden ingediend binnen een maand na de datum waarop de verweerder kennis heeft gekregen of had kunnen krijgen van de uitvaardiging van het Europees betalingsbevel of van de gebrekkige betekening of kennisgeving ervan. Indien de rechter het verzoek om een van de in de eerste volzin genoemde redenen toewijst, wordt het Europees betalingsbevel nietig verklaard.
- (2)
Indien de rechter bij de indiening van het in lid 1, eerste volzin, bedoelde verzoek het Europees betalingsbevel reeds overeenkomstig artikel 18 van [verordening nr. 1896/2006] uitvoerbaar heeft verklaard en het verzoek nu toewijst, verklaart hij de gedwongen tenuitvoerlegging van het betalingsbevel niet-toelaatbaar. Lid 1, derde volzin, is van overeenkomstige toepassing.
- (3)
De beslissing wordt genomen bij beschikking. De beschikking kan niet worden aangevochten. § 1092, leden 2 tot en met 4, is van overeenkomstige toepassing.’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
17
Op verzoek van Bulgarfrukt heeft het Amtsgericht Wedding (rechter in eerste aanleg Wedding, Berlijn, Duitsland) — de verwijzende rechter — op 4 januari 2019 een Europees betalingsbevel uitgevaardigd tegen Oranzherii.
18
De Bulgaarse aangezochte instantie heeft verklaard dat de betekening krachtens verordening nr. 1393/2007 had plaatsgevonden op 26 juli 2019. Uit deze verklaring bleek echter niet op welke wijze de betekening was gebeurd. Wel stond er in het Bulgaars aangegeven: ‘De persoon heeft het adres verlaten en zijn [huidige] adres is niet ingeschreven in het register. De stukken […] worden geacht rechtsgeldig te zijn betekend of ter kennis te zijn gebracht.’
19
In de veronderstelling dat de betekening rechtsgeldig was geschied, heeft de verwijzende rechter op 24 april 2020 het Europees betalingsbevel op grond van artikel 18, lid 1, van verordening nr. 1896/2006 uitvoerbaar verklaard.
20
Bij faxbericht van 1 maart 2021 heeft Oranzherii een verweerschrift tegen dat Europees betalingsbevel ingediend en aangevoerd dat zij daar pas op 24 februari 2021 kennis van had genomen, in het kader van de executiemaatregelen ervan.
21
Na door de verwijzende rechter te zijn gewezen op de toegelaten rechtsmiddelen, heeft Oranzherii bij akte van 25 maart 2021 beroep ingesteld op grond van § 1092a ZPO.
22
Om te beginnen betwijfelt de verwijzende rechter of § 1092a ZPO, waarin dit rechtsmiddel tegen een Europees betalingsbevel is neergelegd, wel verenigbaar is met het Unierecht.
23
Door de aangezochte rechter te verplichten een Europees betalingsbevel dat niet of niet rechtsgeldig is betekend of ter kennis is gebracht, nietig te verklaren, is de Duitse regeling immers strenger dan de beginselen die voortvloeien uit het arrest van 4 september 2014, eco cosmetics en Raiffeisenbank St. Georgen (C-119/13 en C-120/13, EU:C:2014:2144), volgens hetwelk een dergelijke situatie moet leiden tot nietigheid van de uitvoerbaarverklaring van dat Europees betalingsbevel.
24
In dit verband is de verwijzende rechter in de eerste plaats van oordeel dat § 1092a, lid 1, ZPO in strijd is met de artikelen 16 en 17 van verordening nr. 1896/2006 doordat het vervroegd een rechtsmiddel openstelt, namelijk op een moment dat de termijn voor indiening van een verweerschrift tegen het Europees betalingsbevel nog niet is ingegaan.
25
In de tweede plaats moet de aangezochte rechter, indien de verweerder toevallig kennis krijgt van het bestaan van een Europees betalingsbevel tegen hem en beroep instelt krachtens § 1092a ZPO, de betrokken Europese betalingsbevelprocedure beëindigen in plaats van een nieuwe betekening te gelasten die de in de artikelen 16 en 17 van verordening nr. 1896/2006 genoemde rechtsgevolgen sorteert.
26
In de derde plaats kan het rechtsmiddel van § 1092a ZPO volgens de verwijzende rechter afdoen aan het nuttig effect van die verordening — die bedoeld is om de goede werking van de interne markt te verzekeren door de hinderpalen voor de goede werking van burgerrechtelijke procedures af te schaffen — aangezien de eiser liever geen gebruik zou willen maken van de Europese betalingsbevelprocedure gezien het risico dat een krachtens § 1092a ZPO ingesteld beroep een hinderpaal zal vormen voor het Europees betalingsbevel dat hij heeft verkregen.
27
In de vierde plaats is de verwijzende rechter van oordeel dat het uit het arrest van 2 maart 2017, Henderson (C-354/15, EU:C:2017:157), voortvloeiende beginsel — volgens hetwelk het niet verzenden van een in verordening nr. 1393/2007 opgenomen formulier niet tot gevolg heeft dat de gehele betekening nietig wordt, maar dat de aangezochte rechter het verzuim moet herstellen — ook moet gelden in het kader van de bij verordening nr. 1896/2006 ingevoerde Europese betalingsbevelprocedure (arrest van 6 september 2018, Catlin Europe, C-21/17, EU:C:2018:675).
28
In de vijfde en laatste plaats kan hiervoor ook steun gevonden worden in het feit dat verordening (EU) 2020/1784 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (de betekening en de kennisgeving van stukken) (PB 2020, L 405, blz. 40) thans in artikel 12, leden 5 en 6, voorziet in de mogelijkheid om een betekening te regulariseren wegens daarin vervatte onregelmatigheden, zonder dat die onregelmatigheden leiden tot de nietigheid van de gehele betekening.
29
Vervolgens stelt de verwijzende rechter zich vragen bij het feit dat de aangezochte rechter, wanneer hij een krachtens § 1092a ZPO ingesteld beroep toewijst terwijl hij het Europees betalingsbevel reeds uitvoerbaar heeft verklaard, volgens datzelfde § 1092a ook verplicht is de gedwongen tenuitvoerlegging van dat betalingsbevel niet-toelaatbaar te verklaren, met als gevolg dat de tenuitvoerlegging blijvend wordt verhinderd, terwijl, wanneer een uitvoerbaarverklaring eenvoudigweg ongeldig is, het niet ondenkbaar is dat het Europees betalingsbevel na een nieuwe, geldige betekening toch uitvoerbaar wordt.
30
Tot slot vraagt die rechter zich af of een verweerder rechtsgeldig verweer kan aantekenen tegen een bestaand betalingsbevel dat hem nog niet rechtsgeldig is betekend, aangezien het Hof in punt 49 van het arrest van 4 september 2014, eco cosmetics en Raiffeisenbank St. Georgen (C-119/13 en C-120/13, EU:C:2014:2144), heeft geoordeeld dat in dergelijke omstandigheden geen toepassing kan worden gemaakt van de verweerprocedure van de artikelen 16 en 17 van verordening nr. 1896/2006.
31
Voorts benadrukt de verwijzende rechter dat hij, mocht hij moeten overgaan tot een nieuwe betekening die aan de minimumnormen van die verordening voldoet, de verweerder zal waarschuwen om uit voorzorg opnieuw verweer aan te tekenen. De vraag of een verweerder zich effectief kan verdedigen tegen een Europees betalingsbevel zou evenwel niet mogen afhangen van een toevallige factor als de goede wil van de aangezochte rechter.
32
In die omstandigheden heeft het Amtsgericht Wedding de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Moeten verordening [nr. 1393/2007] en verordening [nr. 1896/2006] aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling op grond waarvan de rechter een Europees betalingsbevel nietig moet verklaren naar aanleiding van een ingesteld rechtsmiddel indien dat betalingsbevel niet of niet rechtsgeldig aan de verweerder is betekend of [te zijner] kennis is gebracht?
- 2)
Ingeval de eerste prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord, moeten de bovengenoemde verordeningen dan aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling op grond waarvan de gedwongen tenuitvoerlegging van het Europees betalingsbevel niet-toelaatbaar moet worden verklaard wanneer het betalingsbevel niet of niet rechtsgeldig aan de verweerder is betekend of [te zijner] kennis is gebracht?
- 3)
Ingeval de eerste prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord, moet verordening nr. 1896/2006 dan aldus worden uitgelegd dat een verweerder die kennis draagt van de uitvaardiging van een Europees betalingsbevel, maar aan wie dit bevel nog niet of niet rechtsgeldig is betekend of ter kennis is gebracht, tegen dat bevel nog geen rechtsgeldig verweerschrift kan indienen?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
33
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de bepalingen van verordening nr. 1896/2006, gelezen in samenhang met die van verordening nr. 1393/2007, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling op grond waarvan de rechter bij wie een rechtsmiddel wordt ingesteld tegen een Europees betalingsbevel dat niet of niet volgens de minimumnormen van de artikelen 13 tot en met 15 van verordening nr. 1896/2006 aan de verweerder is betekend of te zijner kennis is gebracht, dit betalingsbevel nietig moet verklaren.
34
In de eerste plaats zij erop gewezen dat verordening nr. 1896/2006 volgens overweging 9 en artikel 1, lid 1, onder a), ervan, tot doel heeft de beslechting van een geschil in grensoverschrijdende zaken met betrekking tot niet-betwiste geldvorderingen te vereenvoudigen, te versnellen en goedkoper te maken door een Europese betalingsbevelprocedure in te voeren (arrest van 15 september 2022, Uniqa Versicherungen, C-18/21, EU:C:2022:682, punt 20).
35
Deze vereenvoudigde en eenvormige procedure is niet op tegenspraak. De verweerder is immers pas op de hoogte van de uitvaardiging van het Europees betalingsbevel op het ogenblik dat dit aan hem wordt betekend of te zijner kennis wordt gebracht. Zoals blijkt uit artikel 12, lid 3, van verordening nr. 1896/2006, wordt hij pas op dat ogenblik ervan in kennis gesteld dat hij ofwel het in het betalingsbevel vermelde bedrag aan de eiser kan betalen, ofwel verweer kan aantekenen bij het gerecht van oorsprong (zie in die zin arrest van 15 september 2022, Uniqa Versicherungen, C-18/21, EU:C:2022:682, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
36
Deze mogelijkheid om verweer aan te tekenen moet compenseren dat de verweerder volgens het door verordening nr. 1896/2006 ingevoerde stelsel niet deelneemt aan de Europese betalingsbevelprocedure, door hem de mogelijkheid te bieden de vordering te betwisten nadat het Europees betalingsbevel is uitgevaardigd (arresten van 22 oktober 2015, Thomas Cook Belgium, C-245/14, EU:C:2015:715, punt 28, en 15 september 2022, Uniqa Versicherungen, C-18/21, EU:C:2022:682, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
37
Wanneer verweer wordt aangetekend komt er een einde aan de Europese betalingsbevelprocedure en wordt automatisch overgeschakeld op een gewone procedure, hetzij de Europese procedure voor geringe vorderingen die wordt geregeld door verordening (EG) nr. 861/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen (PB 2007, L 199, blz. 1), hetzij om het even welke andere passende nationale civielrechtelijke procedure, tenzij de eiser uitdrukkelijk heeft verzocht om de procedure in geval van verzet te staken (zie in die zin arresten van 13 juni 2013, Goldbet Sportwetten, C-144/12, EU:C:2013:393, punt 31, en 15 september 2022, Uniqa Versicherungen, C-18/21, EU:C:2022:682, punt 23).
38
In de tweede plaats zij eraan herinnerd dat elk in verordening nr. 1896/2006 bedoeld bevel moet worden betekend of ter kennis moet worden gebracht op een manier die in overeenstemming is met de in de artikelen 13 tot en met 15 van deze verordening opgelegde minimumnormen. Indien deze minimumnormen niet worden nageleefd, wordt het evenwicht tussen de door deze verordening nagestreefde doeleinden, te weten enerzijds snelheid en efficiëntie garanderen en anderzijds de rechten van de verdediging eerbiedigen, verstoord (zie in die zin arrest van 4 september 2014, eco cosmetics en Raiffeisenbank St. Georgen, C-119/13 en C-120/13, EU:C:2014:2144, punt 37).
39
In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat de termijn om een verweerschrift in te dienen geen aanvang neemt wanneer het bevel niet overeenkomstig die minimumnormen is betekend of ter kennis is gebracht, zodat de geldigheid van de procedures die van het verstrijken van die termijn afhangen, zoals de in artikel 18 van verordening nr. 1896/2006 bedoelde uitvoerbaarverklaring, ter discussie komt te staan, ook al zijn die procedures reeds gestart (zie in die zin arrest van 4 september 2014, eco cosmetics en Raiffeisenbank St. Georgen, C-119/13 en C-120/13, EU:C:2014:2144, punt 43).
40
In de derde plaats volgt uit artikel 1, lid 1, onder b), van verordening nr. 1896/2006, gelezen in het licht van overweging 9 ervan, dat in deze verordening ‘minimumnormen’ zijn neergelegd om het vrije verkeer van Europese betalingsbevelen te garanderen. Deze verordening roept aldus een eenvormig inningsinstrument in het leven dat schuldeisers en schuldenaren in de gehele Europese Unie gelijke voorwaarden waarborgt, maar bepaalt ook dat het nationale procesrecht van de lidstaten van toepassing is op alle procedurekwesties die niet uitdrukkelijk door deze verordening zijn geregeld (zie in die zin arresten van 13 juni 2013, Goldbet Sportwetten, C-144/12, EU:C:2013:393, punt 28, en 15 september 2022, Uniqa Versicherungen, C-18/21, EU:C:2022:682, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
41
Aangezien verordening nr. 1896/2006 niet bepaalt welke rechtsmiddelen de verweerder kan aanwenden wanneer pas ná de uitvoerbaarverklaring van een Europees betalingsbevel blijkt dat dit bevel niet overeenkomstig de minimumnormen van de artikelen 13 tot en met 15 van deze verordening is betekend of ter kennis is gebracht, worden deze procedurekwesties overeenkomstig artikel 26 van deze verordening door het nationale recht geregeld (zie in die zin arrest van 4 september 2014, eco cosmetics en Raiffeisenbank St. Georgen, C-119/13 en C-120/13, EU:C:2014:2144, punten 46 en 47).
42
In de vierde plaats moet volgens de rechtspraak van het Hof over de niet door verordening nr. 1896/2006 geregelde kwesties op het gebied van betekening of kennisgeving van een Europees betalingsbevel in voorkomend geval worden beslist overeenkomstig verordening nr. 1393/2007, aangezien artikel 27 van verordening nr. 1896/2006 bepaalt dat deze verordening de toepassing van verordening nr. 1348/2000 onverlet laat, en laatstgenoemde verordening is ingetrokken bij en vervangen door verordening nr. 1393/2007, waarvan artikel 25, lid 2, bepaalt dat elke verwijzing naar verordening nr. 1348/2000 moet worden gelezen als een verwijzing naar verordening nr. 1393/2007 (zie in die zin arrest van 6 september 2018, Catlin Europe, C-21/17, EU:C:2018:675, punten 39 en 40).
43
Dienaangaande zij eraan herinnerd dat verordening nr. 1393/2007 in artikel 8, lid 1, voorziet in de mogelijkheid voor de geadresseerde van het te betekenen of ter kennis te brengen stuk, om de inontvangstneming ervan te weigeren op de grond dat het betrokken stuk niet is gesteld in of niet vergezeld gaat van een vertaling in een taal die hij geacht wordt te begrijpen (arrest van 2 maart 2017, Henderson, C-354/15, EU:C:2017:157, punt 49).
44
Er dient namelijk niet alleen op te worden toegezien dat degene voor wie een stuk bestemd is, dat stuk daadwerkelijk ontvangt, maar ook dat hij in staat wordt gesteld de betekenis en reikwijdte van de in het buitenland tegen hem ingestelde vordering te vernemen en effectief en volledig te begrijpen, zodat hij zijn verweer behoorlijk kan voorbereiden en in de lidstaat van herkomst zijn rechten daadwerkelijk kan doen gelden (arrest van 6 september 2018, Catlin Europe, C-21/17, EU:C:2018:675, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
45
Wil het in artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1393/2007 genoemde recht de ermee beoogde effecten daadwerkelijk sorteren, dan is het noodzakelijk dat degene voor wie het stuk is bestemd, door middel van het in bijlage II bij deze verordening opgenomen modelformulier naar behoren op de hoogte wordt gebracht van het feit dat hij dat recht heeft (zie in die zin arrest van 2 maart 2017, Henderson, C-354/15, EU:C:2017:157, punten 53 en 54).
46
Het Hof heeft hieruit afgeleid dat de met de betekening of kennisgeving belaste instantie verplicht is om — in alle omstandigheden en zonder dat zij ter zake over enige beoordelingsmarge beschikt — aan degene voor wie een stuk bestemd is, mee te delen dat hij het recht heeft te weigeren dat stuk in ontvangst te nemen, waarbij zij stelselmatig gebruik dient te maken van genoemd modelformulier (zie in die zin arrest van 6 september 2018, Catlin Europe, C-21/17, EU:C:2018:675, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
47
Wanneer een stuk zonder dit modelformulier wordt betekend aan of ter kennis wordt gebracht van de geadresseerde, moet dit verzuim worden hersteld door de aangezochte instantie, door de geadresseerde onverwijld mee te delen dat hij het recht heeft de inontvangstneming ervan te weigeren en hem het desbetreffende modelformulier toe te zenden (zie in die zin arrest van 6 september 2018, Catlin Europe, C-21/17, EU:C:2018:675, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
48
Het Hof heeft geoordeeld dat het verzuim om het in bijlage II bij verordening nr. 1393/2007 opgenomen modelformulier bij het stuk te voegen, niet kan leiden tot nietigheid van het te betekenen of ter kennis te brengen stuk, noch tot nietigheid van de betekenings- of kennisgevingsprocedure, aangezien een dergelijk gevolg onverenigbaar zou zijn met de doelstelling van deze verordening, namelijk te voorzien in een rechtstreekse, snelle en doeltreffende wijze van verzending tussen de lidstaten van stukken in burgerlijke en in handelszaken (arrest van 6 september 2018, Catlin Europe, C-21/17, EU:C:2018:675, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49
Derhalve kan een nationale regeling niet zonder schending van verordening nr. 1393/2007 bepalen dat het ontbreken van dat modelformulier moet worden bestraft met nietigheid (zie in die zin arrest van 2 maart 2017, Henderson, C-354/15, EU:C:2017:157, punt 62).
50
De vragen van de verwijzende rechter dienen tegen deze achtergrond te worden beantwoord.
51
In casu blijkt uit de vaststellingen van die rechter dat de betekening door de ontvangende instantie kennelijk niet voldoet aan de minimumnormen van de artikelen 13 tot en met 15 van verordening nr. 1896/2006, aangezien verweerster in het hoofdgeding pas op het moment van de tenuitvoerlegging van het betrokken Europees betalingsbevel kennis heeft gekregen van het bestaan van dit bevel.
52
In dit verband volgt uit de in de punten 39 en 41 van dit arrest aangehaalde rechtspraak dat de uitvoerbaarverklaring van een dergelijk Europees betalingsbevel ongeldig moet worden geacht, en dat het nationale recht regelt welke rechtsmiddelen een verweerder eventueel heeft wanneer pas ná de uitvoerbaarverklaring blijkt dat het bevel niet of niet in overeenstemming met de minimumnormen van de artikelen 13 tot en met 15 van verordening nr. 1896/2006 is betekend of ter kennis is gebracht.
53
In casu voorziet het Duitse recht in § 1092a ZPO in een rechtsmiddel, in het kader waarvan de aangezochte rechter een dergelijk Europees betalingsbevel nietig moet verklaren.
54
Wanneer een Europees betalingsbevel niet of niet in overeenstemming met de minimumnormen van de artikelen 13 tot en met 15 van verordening nr. 1896/2006 is betekend aan of ter kennis is gebracht van de verweerder, ontvangt deze laatste niet de noodzakelijke formulieren — met name het betrokken Europees betalingsbevel en het formulier waarin hij wordt geïnformeerd over zijn recht om daartegen verweer aan te tekenen — en wordt hij dus niet op regelmatige wijze op de hoogte gesteld van het bestaan en de grondslag van het tegen hem uitgevaardigde Europese betalingsbevel (zie in die zin arrest van 4 september 2014, eco cosmetics en Raiffeisenbank St. Georgen, C-119/13 en C-120/13, EU:C:2014:2144, punt 41).
55
Hieruit volgt dat de situatie waarin een Europees betalingsbevel niet of niet volgens de minimumnormen van de artikelen 13 tot en met 15 van verordening nr. 1896/2006 is betekend of ter kennis is gebracht, moet worden onderscheiden van de situatie waarin de geadresseerde van het te betekenen of ter kennis te brengen stuk niet in het bezit wordt gesteld van het in bijlage II bij verordening nr. 1393/2007 opgenomen modelformulier waarin hem wordt meegedeeld dat hij het recht heeft om de inontvangstneming van dat stuk te weigeren indien het niet is opgesteld of vergezeld gaat van een vertaling in een taal die hij geacht wordt te begrijpen.
56
Hoewel volgens de in de punten 47 en 48 van dit arrest aangehaalde rechtspraak het ontbreken van dit modelformulier onverwijld door de aangezochte instantie moet worden geregulariseerd en niet kan worden bestraft met nietigheid omdat anders afbreuk zou worden gedaan aan het met verordening nr. 1393/2007 nagestreefde doel, moet worden geconstateerd dat deze rechtspraak niet van toepassing is wanneer de nationale rechter een niet of niet volgens de minimumnormen van de artikelen 13 tot en met 15 van verordening nr. 1896/2006 betekend of ter kennis gebracht Europees betalingsbevel nietig verklaart, aangezien een dergelijke nietigverklaring zich verdraagt met de doelstellingen van laatstgenoemde verordening.
57
Zodra de schuldvordering die aan de basis ligt van een Europees betalingsbevel wordt betwist, wat duidelijk het geval is wanneer een verweerder een rechtsmiddel instelt tegen de tenuitvoerlegging van een Europees betalingsbevel waarvan de betekening of kennisgeving onregelmatig is, is de specifieke procedure van verordening nr. 1896/2006 namelijk niet langer van toepassing, aangezien, zoals uit artikel 1, lid 1, onder a), ervan blijkt, de met deze verordening nagestreefde doelstellingen van vereenvoudiging, versnelling en kostenverlaging slechts relevant zijn voor zover de vordering onbetwist blijft (zie in die zin arresten van 4 september 2014, eco cosmetics en Raiffeisenbank St. Georgen, C-119/13 en C-120/13, EU:C:2014:2144, punt 39, en 13 juni 2013, Goldbet Sportwetten, C-144/12, EU:C:2013:393, punt 42).
58
In deze context is het irrelevant dat de verweerder toevallig of bij de tenuitvoerlegging van het betalingsbevel kennis krijgt van het bestaan van een Europese betalingsbevelprocedure waarvan de betekening of kennisgeving gebreken vertoont, en is ook het tijdstip waarop hij de onderliggende schuldvordering betwist irrelevant, aangezien dit beroep noodzakelijkerwijs, zoals uit de in punt 39 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak blijkt, wordt ingesteld vóórdat de in artikel 16, lid 2, van verordening nr. 1896/2006 bedoelde termijn voor indiening van een verweerschrift ingaat.
59
Bovendien kan uit het evenwicht tussen de met verordening nr. 1896/2006 nagestreefde doelstellingen, te weten snelheid en doelmatigheid enerzijds en eerbiediging van de rechten van de verdediging anderzijds, worden afgeleid dat het aan de eiser staat om de eventuele risico's te dragen wanneer er geen betekening of kennisgeving plaatsvindt of één die niet aan de minimumnormen van de artikelen 13 tot en met 15 van die verordening voldoet.
60
Zoals namelijk blijkt uit artikel 1, lid 2, van verordening nr. 1896/2006, waarin staat te lezen dat de Europese betalingsbevelprocedure ‘geenszins [belet] dat een eiser een vordering […] geldend maakt met behulp van een andere procedure waarin het recht van een lidstaat of het gemeenschapsrecht voorziet’, is het Europees betalingsbevel een facultatieve procedure die niet in de plaats komt van andere bestaande procedures.
61
Bovendien verzet in beginsel geen enkele bepaling van verordening nr. 1896/2006 zich ertegen dat wanneer een verzoek om een Europees betalingsbevel wordt afgewezen, de schuldeiser zijn vordering geldend maakt in een nieuwe Europese betalingsbevelprocedure.
62
Gelet op een en ander dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat de bepalingen van verordening nr. 1896/2006, gelezen in samenhang met die van verordening nr. 1393/2007, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale wettelijke regeling op grond waarvan de rechter bij wie een rechtsmiddel wordt ingesteld tegen een Europees betalingsbevel dat niet of niet volgens de minimumnormen van de artikelen 13 tot en met 15 van verordening nr. 1896/2006 aan de verweerder is betekend of te zijner kennis is gebracht, dit betalingsbevel nietig moet verklaren.
Tweede en derde vraag
63
Gelet op het antwoord op de eerste vraag, hoeven de tweede en de derde vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
64
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:
De bepalingen van verordening (EG) nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure, gelezen in samenhang met die van verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken,
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij zich niet verzetten tegen een nationale wettelijke regeling op grond waarvan de rechter bij wie een rechtsmiddel wordt ingesteld tegen een Europees betalingsbevel dat niet of niet volgens de minimumnormen van de artikelen 13 tot en met 15 van verordening nr. 1896/2006 aan de verweerder is betekend of te zijner kennis is gebracht, dit betalingsbevel nietig moet verklaren.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 05‑12‑2024