Procestaal: Fins.
HvJ EU, 02-08-2021, nr. C-262/21 PPU
ECLI:EU:C:2021:640
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
02-08-2021
- Magistraten
J.-C. Bonichot, L. Bay Larsen, C. Toader, M. Safjan, N. Jääskinen
- Zaaknummer
C-262/21 PPU
- Conclusie
P. pikamäe
- Roepnaam
A
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2021:640, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 02‑08‑2021
ECLI:EU:C:2021:592, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie (Advocaat-Generaal), 14‑07‑2021
Uitspraak 02‑08‑2021
Inhoudsindicatie
‘ Prejudiciële verwijzing — Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht — Bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake ouderlijke verantwoordelijkheid — Verordening (EG) nr. 2201/2003 — Toepassingsgebied — Artikel 2, punt 11 — Begrip ‘ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren van het kind’ — Verdrag van 's‑Gravenhage van 25 oktober 1980 — Verzoek tot terugkeer van een jong kind over wie de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen — Derdelanders — Overdracht van het kind en zijn moeder aan de lidstaat die overeenkomstig verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublin III) verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming’
J.-C. Bonichot, L. Bay Larsen, C. Toader, M. Safjan, N. Jääskinen
Partij(en)
In zaak C-262/21 PPU,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de korkein oikeus (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Finland) bij beslissing van 23 april 2021, ingekomen bij het Hof op 23 april 2021, in de procedure
A
tegen
B,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: J.-C. Bonichot (rapporteur), kamerpresident, L. Bay Larsen, C. Toader, M. Safjan en N. Jääskinen, rechters,
advocaat-generaal: P. Pikamäe,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 28 juni 2021,
gelet op de opmerkingen van:
- —
A, vertegenwoordigd door J. Kuusivaara, asianajaja,
- —
B, vertegenwoordigd door E. Wehka-aho en A. Saarikoski, luvan saaneet oikeudenkäyntiavustajat,
- —
de Finse regering, vertegenwoordigd door H. Leppo als gemachtigde,
- —
de Zweedse regering, vertegenwoordigd door O. Simonsson, J. Lundberg, C. Meyer-Seitz, A. M. Runeskjöld, M. Salborn Hodgson, H. Shev, H. Eklinder en R. Shahsavan Eriksson als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Huttunen, W. Wils, en A. Azema als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 juli 2021,
het navolgende
Arrest
1
Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2, punt 11, en artikel 11, lid 4, van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 (PB 2003, L 338, blz. 1; hierna: ‘Brussel II bis-verordening’), artikel 13, eerste alinea, onder b), en artikel 20 van het op 25 oktober 1980 te 's‑Gravenhage gesloten Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van de internationale ontvoering van kinderen (hierna: ‘Verdrag van 's‑Gravenhage van 1980’), en artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen A en B, derdelanders, respectievelijk vader en moeder van een minderjarig kind, betreffende een door de vader op basis van het Verdrag van 's‑Gravenhage van 1980 ingediend verzoek tot terugkeer van het kind naar Zweden, na de overdracht van het kind en zijn moeder aan Finland ter uitvoering van een besluit op grond van verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB 2013, L 180, blz. 31; hierna: ‘Dublin III-verordening’).
Toepasselijke bepalingen
Internationaal recht
3
Artikel 1 van het Verdrag van 's‑Gravenhage van 1980 luidt:
‘Dit Verdrag heeft tot doel:
- a)
de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht of worden vastgehouden in een verdragsluitende staat;
- b)
het in een verdragsluitende staat bestaande recht betreffende het gezag en het omgangsrecht in de andere verdragsluitende staten daadwerkelijk te doen eerbiedigen.’
4
Artikel 13, eerste alinea, van dit verdrag bepaalt het volgende:
‘Niettegenstaande het bepaalde in het voorgaande artikel, is de rechterlijke of administratieve autoriteit van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon, de instelling of het lichaam dat zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat:
- a)
de persoon, de instelling [die] of het lichaam dat de zorg had voor de persoon van het kind, het recht betreffende het gezag niet daadwerkelijk uitoefende ten tijde van de overbrenging of het niet doen terugkeren, of naderhand in deze overbrenging of het niet doen terugkeren had toegestemd of berust, of dat
- b)
er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht.’
5
Artikel 20 van dit verdrag luidt:
‘De terugkeer van het kind overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 kan worden geweigerd, wanneer deze op grond van de fundamentele beginselen van de aangezochte staat betreffende de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden niet zou zijn toegestaan.’
Unierecht
Brussel II bis-verordening
6
De overwegingen 5, 17 en 33 van Brussel II bis-verordening luiden:
- ‘(5)
Teneinde de gelijke behandeling van alle kinderen te waarborgen is deze verordening van toepassing op alle beslissingen betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid, inclusief maatregelen ter bescherming van het kind, los van ieder verband met een procedure in huwelijkszaken.
[…]
- (17)
In geval van ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren van het kind dient de terugkeer van het kind onverwijld te worden verkregen en te dien einde dient het [Verdrag van 's‑Gravenhage van 1980] van toepassing te blijven, zoals aangevuld door de bepalingen van deze verordening, in het bijzonder artikel 11. […]
[…]
- (33)
Deze verordening erkent de grondrechten en is in overeenstemming met de beginselen, die zijn erkend bij het [Handvest]. In het bijzonder beoogt zij de grondrechten van het kind, zoals die in artikel 24 van het [Handvest], ten volle te eerbiedigen, […].’
7
Artikel 1 (‘Toepassingsgebied’) van deze verordening bepaalt in de leden 1 en 2 ervan het volgende:
- ‘1.
Deze verordening is, ongeacht de aard van het gerecht, van toepassing op burgerlijke zaken betreffende:
[…]
- b)
de toekenning, de uitoefening, de overdracht, de beperking of de beëindiging van de ouderlijke verantwoordelijkheid.
[…]
- 2.
De in lid 1, onder b), bedoelde zaken hebben met name betrekking op:
- a)
het gezagsrecht en het omgangsrecht;
- b)
voogdij, curatele en overeenkomstige rechtsinstituten;
- c)
de aanwijzing en de taken van enige persoon of enig lichaam, belast met de zorg voor de persoon of het vermogen van het kind, of die het kind vertegenwoordigt of bijstaat;
- d)
de plaatsing van het kind in een pleeggezin of in een inrichting;
- e)
de maatregelen ter bescherming van het kind die verband houden met het beheer of de instandhouding van dan wel de beschikking over het vermogen van het kind.’
8
Artikel 2 van deze verordening luidt:
‘In deze verordening wordt verstaan onder:
[…]
- 7.
‘ouderlijke verantwoordelijkheid’: alle rechten en verplichtingen die ingevolge een beslissing, van rechtswege of bij een rechtsgeldige overeenkomst aan een natuurlijke persoon of aan een rechtspersoon zijn toegekend met betrekking tot de persoon of het vermogen van een kind. De term omvat onder meer het gezagsrecht en het omgangsrecht;
[…]
- 11.
‘ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren van een kind’: het overbrengen of niet doen terugkeren van een kind:
- a)
wanneer dit geschiedt in strijd met het gezagsrecht dat ingevolge een beslissing, van rechtswege of bij een rechtsgeldige overeenkomst is toegekend overeenkomstig het recht van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of niet doen terugkeren, zijn gewone verblijfplaats had;
en
- b)
indien dit gezagsrecht op het tijdstip van overbrenging of niet doen terugkeren, alleen of gezamenlijk, daadwerkelijk werd uitgeoefend, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden. Het gezag wordt geacht gezamenlijk te worden uitgeoefend als een van de personen die, ingevolge een beslissing of van rechtswege, de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, de verblijfplaats van het kind niet kan bepalen zonder de instemming van een andere persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt.’
9
Artikel 11, leden 1 en 4, van deze verordening bepaalt het volgende:
- ‘1.
Wanneer een persoon, instelling of ander lichaam met gezagsrecht bij de bevoegde autoriteiten van een lidstaat een verzoek indient om op grond van het [Verdrag van 's‑Gravenhage van 1980] een beslissing te nemen teneinde de terugkeer te verkrijgen van een kind dat ongeoorloofd is overgebracht of vastgehouden in een andere lidstaat dan de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging of het niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had, zijn de leden 2 tot en met 8 van toepassing.
[…]
- 4.
Een gerecht kan de terugkeer van een kind niet op grond van artikel 13, onder b), van het [Verdrag van 's‑Gravenhage van 1980] weigeren, wanneer vaststaat dat er adequate voorzieningen zijn getroffen om de bescherming van het kind na de terugkeer te verzekeren.’
Dublin III-verordening
10
Artikel 6, lid 1, van de Dublin III-verordening luidt:
‘Bij alle procedures waarin deze verordening voorziet, stellen de lidstaten het belang van het kind voorop.’
11
Artikel 12, lid 3, van de Dublin III-verordening bepaalt het volgende:
‘Wanneer de verzoeker houder is van verscheidene geldige verblijfstitels of visa die door verschillende lidstaten zijn afgegeven, berust de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming achtereenvolgens bij:
- a)
de lidstaat die de verblijfstitel met het langste verblijfsrecht heeft afgegeven of, indien de geldigheidsduur niet verschilt, de lidstaat die de verblijfstitel heeft afgegeven waarvan de geldigheidsduur het laatst verstrijkt;
[…]’
12
Artikel 29, leden 1 en 3, van deze verordening luidt:
- ‘1.
De verzoeker of andere persoon als bedoeld in artikel 18, lid 1, onder c) of d), wordt overeenkomstig het nationale recht van de verzoekende lidstaat, na overleg tussen de betrokken lidstaten, overgedragen van de verzoekende lidstaat aan de verantwoordelijke lidstaat zodra dat praktisch mogelijk is, en uiterlijk binnen een termijn van zes maanden vanaf de aanvaarding van het verzoek van een andere lidstaat om de betrokkene over of terug te nemen of vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar wanneer dit overeenkomstig artikel 27, lid 3, opschortende werking heeft.
[…]
- 3.
Indien een persoon ten onrechte is overgedragen of indien een overdrachtsbesluit in beroep of na bezwaar wordt vernietigd nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, neemt de lidstaat die de overdracht heeft verricht, de betrokkene onmiddellijk terug.’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
13
In mei 2019 zijn A en B, derdelanders die tot dat tijdstip en sinds 2016 in Finland woonden, in Zweden gaan wonen. Uit hun verbintenis is op 5 september 2019 in Zweden een kind geboren. Het kind had zijn gewone verblijfplaats dus in Zweden en zijn beide ouders oefenden gezamenlijk het gezagsrecht uit.
14
De moeder had, op grond van de aan de vader als werknemer verleende verblijfsvergunning, een verblijfsvergunning als gezinslid verkregen voor Finland voor de periode van 28 december 2017 tot en met 27 december 2021, en een verblijfsvergunning als gezinslid voor Zweden voor de periode van 11 maart 2019 tot en met 16 september 2020.
15
Bij besluit van de bevoegde Zweedse autoriteiten van 11 november 2019 is het kind onder toezicht van de autoriteiten gesteld en samen met zijn moeder in een blijf-van-mijn-lijfhuis geplaatst tot hun overdracht aan Finland op 24 november 2020. Dit besluit is bevestigd bij vonnis van de bestuursrechter van 17 januari 2020 die verwees naar het geweld van de vader tegen de moeder, waarvan het kind getuige was geweest, het reële risico voor de ontwikkeling en de gezondheid van het kind en het risico dat het kind zonder instemming van de moeder door de vader naar het land van herkomst van de ouders zou worden meegenomen.
16
Volgens de aanvullende informatie die de Zweedse regering op verzoek van het Hof heeft verstrekt, kon de vader in het begin van de plaatsing in een blijf-van-mijn-lijfhuis alleen beschikken over foto's en video-opnamen van het kind. Vervolgens werden bezoeken geregeld in aanwezigheid van een maatschappelijk werker, maar deze bleven beperkt tot zeer korte contacten vanwege de jonge leeftijd van het kind en omdat de vader niet als een veilige persoon voor het kind werd beschouwd.
17
Op 21 november 2019 heeft de vader op grond van de familieband met het kind een verblijfsvergunning voor het kind in Zweden aangevraagd. Op 4 december 2019 heeft ook de moeder een verblijfsvergunning voor het kind in Zweden aangevraagd.
18
Op 7 augustus 2020 heeft de moeder voor haarzelf en het kind in Zweden een asielverzoek ingediend op grond dat zij het slachtoffer was van huiselijk geweld door de vader en ernstig werd bedreigd met eergerelateerd geweld door de familie van de vader indien zij naar haar land van oorsprong zou terugkeren.
19
Op 27 augustus 2020 heeft de Republiek Finland aangegeven op grond van artikel 12, lid 3, van de Dublin III-verordening verantwoordelijk te zijn voor de behandeling van het asielverzoek van de moeder en het kind op grond dat de geldigheidsduur van de door de Republiek Finland aan haar afgegeven verblijfstitel later verstrijkt (27 december 2021) dan de door het Koninkrijk Zweden afgegeven verblijfstitel (16 september 2020).
20
Bij besluit van 27 oktober 2020 hebben de Zweedse autoriteiten de aanvraag die de vader had ingediend voor een verblijfsvergunning voor het kind afgesloten, het asielverzoek van de moeder en het kind niet-ontvankelijk verklaard en de overdracht van de moeder en het kind naar Finland gelast. Uit dit besluit volgt dat het belang van het kind overeenkomstig artikel 6, lid 1, van de Dublin III-verordening is beoordeeld op het tijdstip van de vaststelling ervan. In dit verband werd vastgesteld dat de vader een bedreiging voor het kind vormde en dat, aangezien het kind geen contact met de vader had, een scheiding van de vader en het kind voor een bepaalde periode niet in strijd was met het belang van het kind. Aangezien de vader over een verblijfsvergunning in Finland beschikte, werd de overdracht van het kind aan Finland bovendien niet beschouwd als een belemmering voor de uitoefening van het omgangsrecht door de vader.
21
Op 24 november 2020 heeft de moeder vrijwillig gevolg gegeven aan het besluit van de Zweedse autoriteiten om haar en haar kind overeenkomstig artikel 29, lid 1, van de Dublin III-verordening over te dragen aan Finland.
22
Op 7 december 2020 heeft de vader beroep ingesteld tegen het besluit van de Zweedse autoriteiten om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning voor het kind af te sluiten en het kind over te dragen aan Finland.
23
Bij vonnis van 21 december 2020 heeft de Migrationsdomstol i Stockholm (bestuursrechter voor immigratiezaken Stockholm, Zweden) dit besluit nietig verklaard en de zaak terugverwezen naar de Zweedse immigratieautoriteit, omdat de vader van het kind tijdens de procedure niet was gehoord.
24
Bij besluit van 29 december 2020 heeft de Zweedse immigratieautoriteit, na het vertrek van het kind naar Finland, de bij haar aanhangige zaken afgesloten. Tegen dit besluit is op 19 januari 2021 door de vader beroep ingesteld bij de Migrationsdomstol i Stockholm. Dit beroep is bij vonnis van 6 april 2021 verworpen.
25
Op 5 januari 2021 heeft de vader bij de Zweedse immigratieautoriteit opnieuw voor het kind een verblijfsvergunning als gezinslid aangevraagd. Deze aanvraag wordt momenteel behandeld.
26
Op 11 januari 2021 heeft de moeder in Finland asiel aangevraagd voor haarzelf en voor het kind. Op 26 maart 2021 hebben de Finse autoriteiten de eerder aan de moeder in Finland verleende verblijfsvergunning, die in beginsel tot 27 december 2021 geldig was, ingetrokken. Het asielverzoek wordt momenteel behandeld.
27
Wat het gezagsrecht betreft, heeft de Västmanlands tingsrätt (rechter in eerste aanleg Västmanland, Zweden) in november 2020, dus kort voordat de moeder en het kind aan Finland werden overgedragen, het gezamenlijk gezag van de ouders over het kind gehandhaafd. De moeder van het kind heeft de bevoegdheid van deze Zweedse rechterlijke instantie betwist om kennis te nemen van het geschil na de overdracht van het kind aan Finland. Op 29 april 2021 heeft deze rechter de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken, het gezag over het kind uitsluitend aan de moeder toegekend en het verzoek betreffende het omgangsrecht van de vader van het kind afgewezen. Bij uitspraak van de Svea hovrätt (rechter in tweede aanleg Stockholm, Zweden) van 23 en 24 juni 2021 is het verzoek van de vader om toelating van een rechtsmiddel tegen de beslissing van de rechter van eerste aanleg afgewezen.
28
Op 21 december 2020 heeft de vader bij de Helsingin hovioikeus (rechter in tweede aanleg Helsinki, Finland) beroep ingesteld, waarbij hij deze rechter heeft verzocht de onmiddellijke terugkeer van het kind naar Zweden te gelasten. In een memorie van 26 januari 2021 die de Zweedse autoriteiten aan die rechterlijke instantie hebben overgelegd, herinneren deze eraan dat het kind en de moeder in Zweden niet over een geldige verblijfsvergunning beschikten en dat zij dus geen recht hadden om Zweden binnen te komen of er te verblijven.
29
Bij beslissing van 25 februari 2021 heeft de Helsingin hovioikeus het beroep verworpen, onder meer op grond dat er geen reden was om aan te nemen dat de moeder het kind op ongeoorloofde wijze uit zijn land van verblijf had weggevoerd. De vader heeft bij de verwijzende rechter hoger beroep ingesteld tot vernietiging van deze beslissing.
30
In deze omstandigheden heeft de korkein oikeus de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
- ‘1)
Moet artikel 2, punt 11, van [de Brussel II bis-verordening], dat betrekking heeft op de ongeoorloofde overbrenging van een kind, aldus worden uitgelegd dat een situatie als bedoeld in die bepaling zich voordoet wanneer een van de ouders, zonder instemming van de andere ouder, het kind vanuit de staat van zijn verblijfplaats overbrengt naar een andere lidstaat, en wel naar de lidstaat die verantwoordelijk is krachtens een overdrachtsbesluit dat door een autoriteit is vastgesteld op grond van [de Dublin III-verordening]?
- 2)
Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, moet artikel 2, punt 11, van de Brussel II bis-verordening, dat betrekking heeft op het ongeoorloofde niet doen terugkeren, dan aldus worden uitgelegd dat een situatie als bedoeld in die bepaling zich voordoet wanneer een rechterlijke instantie van de staat van de verblijfplaats van het kind het besluit van een autoriteit om de behandeling van het dossier over te dragen, nietig heeft verklaard, maar het kind waarvan de terugkeer wordt gelast niet meer over een geldige verblijfsvergunning in de staat van zijn verblijfplaats beschikt, noch het recht heeft om die staat binnen te komen of er te verblijven?
- 3)
Indien, gelet op het antwoord dat op de eerste of op de tweede vraag wordt gegeven, de Brussel II bis-verordening aldus moet worden uitgelegd dat er sprake is van een ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofd niet doen terugkeren van het kind, en het kind derhalve moet worden teruggestuurd naar de staat van zijn verblijfplaats, moet artikel 13, eerste alinea, onder b), van het [Verdrag van 's‑Gravenhage van 1980] dan aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een terugkeer van het kind op grond dat:
- i)
er een ernstig risico bestaat in de zin van deze bepaling dat indien een zuigeling waarvan de moeder persoonlijk de zorg op zich heeft genomen, alleen wordt teruggestuurd, hij door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar of op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht, of
- ii)
het kind in de staat van zijn verblijfplaats onder toezicht zou worden gesteld en — hetzij alleen, hetzij samen met zijn moeder — in een opvanghuis zou worden geplaatst, hetgeen erop zou wijzen dat er een ernstig risico bestaat in de zin van deze bepaling dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar of op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht, of
- iii)
het kind, zonder geldige verblijfsvergunning, in een ondragelijke toestand zou worden gebracht in de zin van deze bepaling?
- 4)
Indien, gelet op het antwoord op de derde vraag, de in artikel 13, eerste alinea, onder b), van het [Verdrag van 's‑Gravenhage van 1980] opgenomen weigeringsgronden aldus kunnen worden uitgelegd dat er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar of op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht, moet artikel 11, lid 4, van de Brussel II bis-verordening, gelezen in samenhang met het begrip ‘belangen van het kind’ in de zin van artikel 24 van het [Handvest] en deze verordening, dan aldus worden uitgelegd dat, in een situatie waarin noch het kind noch de moeder een geldige verblijfsvergunning heeft in de staat van de verblijfplaats van het kind en zij dus niet het recht hebben om dit land binnen te komen of er te verblijven, de staat van de verblijfplaats van het kind adequate voorzieningen moet treffen om ervoor te zorgen dat het kind en zijn moeder legaal in die lidstaat kunnen verblijven? Indien op de staat van de verblijfplaats van het kind een dergelijke verplichting rust, moet het beginsel van het wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten dan aldus worden uitgelegd dat de lidstaat die het kind overdraagt, op grond van dit beginsel ervan kan uitgaan dat de staat van de verblijfplaats van het kind zijn verplichtingen zal nakomen, of vereist het belang van het kind dat van de autoriteiten van de staat van de verblijfplaats nadere informatie wordt verkregen over de concrete maatregelen die voor de bescherming van het kind zijn genomen of zullen worden genomen, zodat de lidstaat die het kind overdraagt met name kan oordelen of deze maatregelen adequaat zijn ten aanzien van de belangen van het kind?
- 5)
Indien op de staat van de verblijfplaats van het kind niet de hierboven in de vierde prejudiciële vraag bedoelde verplichting rust om adequate maatregelen te nemen, moet artikel 20 van het [Verdrag van 's‑Gravenhage van 1980], gelezen in het licht van artikel 24 van het [Handvest], dan aldus worden uitgelegd dat het zich in de hierboven in de derde prejudiciële vraag, onder i) tot en met iii), bedoelde situaties verzet tegen de terugkeer van het kind op grond dat deze terugkeer strijdig zou kunnen worden geacht, in de zin van deze bepaling, met de fundamentele beginselen met betrekking tot de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden?’
Procedure bij het Hof
31
Op 21 mei 2021 heeft de verwijzende rechter in antwoord op een verzoek van het Hof om informatie onder meer verklaard dat het verzoek van de vader om een bevel tot terugkeer van het kind op grond van de Dublin III-verordening niet-ontvankelijk was verklaard.
32
In die omstandigheden heeft de verwijzende rechter de formulering van de tweede prejudiciële vraag als volgt gepreciseerd:
‘Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, moet artikel 2, punt 11, van de Brussel II bis-verordening, dat betrekking heeft op het ongeoorloofde niet doen terugkeren van een kind, dan aldus worden uitgelegd dat de situatie als bedoeld in die bepaling zich voordoet wanneer een rechterlijke instantie van de woonstaat van het kind het besluit van een autoriteit tot overdracht van de behandeling van de zaak, die is afgesloten nadat het kind en de moeder de staat van verblijf hebben verlaten, nietig heeft verklaard, maar het kind om wiens terugkeer wordt verzocht in de staat van verblijf niet meer over een geldige verblijfstitel beschikt en evenmin recht heeft op toegang tot of verblijf in die staat?’
33
De Zweedse regering heeft bij memorie van 31 mei 2021 geantwoord op de schriftelijke vragen van het Hof en de door het Hof gevraagde documenten overgelegd.
Prejudiciële spoedprocedure
34
De verwijzende rechter heeft verzocht de onderhavige prejudiciële verwijzing te behandelen volgens de spoedprocedure van artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
35
Tot staving van zijn verzoek beklemtoont hij dat de antwoorden van het Hof op de prejudiciële vragen beslissend zijn voor de uitkomst van de zaak, aangezien zij ertoe zullen leiden dat al dan niet de terugkeer van het kind naar Zweden zal worden gelast. De verwijzende rechter heeft onder andere overweging 17 van de Brussel II bis-verordening vermeld, waarin valt te lezen dat in geval van ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren van het kind de terugkeer van het kind onverwijld dient te worden verkregen, en heeft gepreciseerd dat, gelet op de leeftijd van het kind, de duur van zijn verblijf in Finland en het feit dat de duur van de procedure nadelig kan zijn voor de ontwikkeling van een relatie tussen de vader en zijn kind, de toepassing van de spoedprocedure hem absoluut noodzakelijk lijkt.
36
Dienaangaande zij er, in de eerste plaats, op gewezen dat de onderhavige prejudiciële verwijzing betrekking heeft op de uitlegging van de Brussel II bis-verordening, die is vastgesteld op grondslag van onder meer artikel 61, onder c), EG (thans artikel 67 VWEU), dat is opgenomen in titel V van het derde deel van het VWEU, betreffende de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht. Zij kan derhalve volgens de prejudiciële spoedprocedure worden behandeld.
37
In de tweede plaats is het in het hoofdgeding aan de orde zijnde beroep ingesteld door een vader die sedert verscheidene maanden van zijn nog geen twee jaar oude kind was gescheiden, teneinde de onmiddellijke terugkeer van dit kind naar Zweden te verkrijgen op grond van het Verdrag van 's‑Gravenhage van 1980.
38
In deze omstandigheden heeft de Eerste kamer van het Hof op 6 mei 2021, op voorstel van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, besloten het verzoek van de verwijzende rechter om de onderhavige prejudiciële verwijzing volgens de prejudiciële spoedprocedure te behandelen, in te willigen.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste en tweede vraag
39
Met zijn eerste en tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 2, punt 11, van de Brussel II bis-verordening aldus moet worden uitgelegd dat er sprake kan zijn van ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren in de zin van deze bepaling, wanneer een van de ouders ertoe wordt gebracht zijn kind, zonder instemming van de andere ouder, uit de staat waar het zijn gewone verblijfplaats heeft, mee te nemen naar een andere lidstaat ter uitvoering van een door de eerste lidstaat op grond van de Dublin III-verordening genomen overdrachtsbesluit, en vervolgens in de tweede lidstaat te verblijven nadat dit overdrachtsbesluit nietig is verklaard, zonder dat de autoriteiten van de eerste lidstaat evenwel hebben besloten de overgebrachte personen terug te nemen of hun verblijf toe te staan.
40
Wat in de eerste plaats de materiële werkingssfeer van de Brussel II bis-verordening betreft, volgt uit artikel 1, lid 1, onder b), van deze verordening dat zij van toepassing is, ongeacht de aard van het gerecht, op burgerlijke zaken betreffende onder andere de toekenning, de uitoefening, de overdracht, de beperking of de beëindiging van de ouderlijke verantwoordelijkheid. In dit verband moet het begrip ‘burgerlijke zaken’ niet restrictief worden opgevat, maar als een autonoom begrip van het Unierecht, dat in overeenstemming met de in overweging 5 ervan genoemde doelstelling meer bepaald van toepassing is op alle verzoeken, maatregelen of beslissingen inzake ‘ouderlijke verantwoordelijkheid’ in de zin van deze verordening (arrest van 21 oktober 2015, Gogova, C-215/15, EU:C:2015:710, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
41
In dit verband wordt het begrip ‘ouderlijke verantwoordelijkheid’ in artikel 2, punt 7, van de Brussel II bis-verordening ruim gedefinieerd als alle rechten en verplichtingen die ingevolge een beslissing, van rechtswege of bij een rechtsgeldige overeenkomst, aan een natuurlijke persoon of aan een rechtspersoon zijn toegekend met betrekking tot de persoon of het vermogen van een kind. Ofschoon voorts artikel 1, lid 2, van deze verordening een opsomming bevat van gebieden die uit hoofde van de ‘ouderlijke verantwoordelijkheid’ onder deze verordening vallen, is deze opsomming, zoals blijkt uit het gebruik van de uitdrukking ‘met name’, niet uitputtend, maar uitsluitend indicatief (arrest van 21 oktober 2015, Gogova, C-215/15, EU:C:2015:710, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
42
Om vast te stellen of een verzoek binnen de werkingssfeer van de Brussel II bis-verordening valt, moet het voorwerp ervan als aanknopingspunt worden genomen (arrest van 21 oktober 2015, Gogova, C-215/15, EU:C:2015:710, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
43
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de vader van het kind de verwijzende rechter heeft verzocht om onmiddellijke terugkeer van het kind naar Zweden op grond van het Verdrag van 's‑Gravenhage van 1980. Aangezien het voorwerp van een verzoek als dat in het hoofdgeding de ouderlijke verantwoordelijkheid betreft, is de Brussel II bis-verordening dus van toepassing.
44
Wat in de tweede plaats de kwalificatie van ‘ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren van het kind’ betreft, volgt uit de bewoordingen op zich van artikel 2, punt 11, van de Brussel II bis-verordening dat hiervan sprake is wanneer dit geschiedt in strijd met het gezagsrecht dat ingevolge een beslissing van rechtswege of bij een rechtsgeldige overeenkomst is toegekend overeenkomstig het recht van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had, en indien dit gezagsrecht op het tijdstip van overbrenging of niet doen terugkeren, alleen of gezamenlijk, daadwerkelijk werd uitgeoefend, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden.
45
Zoals de advocaat-generaal in punt 34 van zijn conclusie heeft opgemerkt, blijkt uit deze bepaling duidelijk dat voor de kwalificatie van ‘ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren van het kind’, aan twee voorwaarden moet zijn voldaan, namelijk, ten eerste, een overbrenging in strijd met een gezagsrecht dat is toegekend krachtens het recht van de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats had, hetgeen vereist dat de gewone verblijfplaats van het kind voorafgaand aan de overbrenging is vastgesteld (zie in die zin arrest van 8 juni 2017, OL, C-111/17 PPU, EU:C:2017:436, punt 53), en, ten tweede, een gezagsrecht dat daadwerkelijk is uitgeoefend of zou zijn uitgeoefend indien de ongeoorloofde overbrenging of het niet doen terugkeren niet had plaatsgevonden.
46
Daarvoor is ook steun te vinden in de doelstelling van de Brussel II bis-verordening. Hoewel deze verordening blijkens de considerans ervan tot doel heeft een op het beginsel van wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen gebaseerde justitiële ruimte tot stand te brengen middels het opstellen van regels voor de bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid, terwijl het Verdrag van 's‑Gravenhage van 1980 volgens artikel 1, onder a), ervan tot doel heeft de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht of worden vastgehouden in een verdragsluitende staat, bestaat er immers niettemin een nauw verband tussen deze twee instrumenten die in wezen als gemeenschappelijk doel hebben ontvoeringen van kinderen tussen lidstaten tegen te gaan en in geval van ontvoering de onmiddellijke terugkeer van het kind naar de lidstaat van zijn gewone verblijfplaats te bewerkstelligen (arrest van 19 september 2018, C. E. en N.E., C-325/18 PPU en C-375/18 PPU, EU:C:2018:739, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
47
De terugkeerprocedure als voorzien in het Verdrag van 's‑Gravenhage van 1980 en de Brussel II bis-verordening heeft tot doel ervoor te zorgen dat geen van beide ouders zijn positie op het punt van het gezag over het kind kan versterken door zich middels een ongeoorloofde handelwijze te onttrekken aan de bevoegdheid van de gerechten die overeenkomstig de regels in die verordening in beginsel zijn aangewezen om zich over de ouderlijke verantwoordelijkheid voor het kind uit te spreken (zie in die zin arresten van 23 december 2009, Detiček, C-403/09 PPU, EU:C:2009:810, punt 49; 9 oktober 2014, C, C-376/14 PPU, EU:C:2014:2268, punt 67, en 8 juni 2017, OL, C-111/17 PPU, EU:C:2017:436, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
48
Het feit dat een ouder die het gezagsrecht over zijn kind heeft, met dat kind naar een andere lidstaat reist dan die waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft teneinde te voldoen aan een krachtens de Dublin III-verordening door de bevoegde nationale autoriteiten met betrekking tot zowel die ouder als zijn kind genomen overdrachtsbesluit, is echter geen ongeoorloofde handelwijze, in de zin van de in het vorige punt genoemde rechtspraak, die kan worden aangemerkt als een ongeoorloofde overbrenging in de zin van artikel 2, punt 11, van de Brussel II bis-verordening, zonder dat eerst hoeft te worden nagegaan of is voldaan aan de in punt 45 van het onderhavige arrest genoemde voorwaarden, en met name aan de voorwaarde van overbrenging in strijd met een daadwerkelijk uitgeoefend gezagsrecht.
49
De naleving van een overdrachtsbesluit dat bindend was voor de ouder en het betrokken kind, aangezien het op het tijdstip van de overdracht uitvoerbaar was en op dat tijdstip niet was opgeschort of nietig verklaard, moet immers worden beschouwd als louter een rechtsgevolg van dat besluit dat niet aan die ouder kan worden toegerekend.
50
Evenmin kan ervan worden uitgegaan dat het voortgezette verblijf op het grondgebied van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, een ongeoorloofde handelwijze vormt, zelfs na de nietigverklaring van het overdrachtsbesluit, wanneer jegens de betrokken ouder en het betrokken kind na de datum van overdracht door de autoriteiten van de overdragende lidstaat geen terugnamebesluit is genomen op grond van artikel 29, lid 3, van de Dublin III-verordening, en wanneer zij in deze laatste lidstaat niet mogen verblijven.
51
In een dergelijke situatie lijkt de niet-terugkeer van het kind namelijk louter het gevolg te zijn van zijn administratieve situatie, zoals die is bepaald door uitvoerbare beslissingen van de lidstaat waar het zijn gewone verblijfplaats had.
52
Ten slotte moet hieraan worden toegevoegd dat een uitlegging volgens welke een persoon die om internationale bescherming verzoekt, zoals de moeder in het hoofdgeding, geen gevolg zou moeten geven aan een overdrachtsbesluit omdat zijn gedrag op grond van de Brussel II bis-verordening als ongeoorloofd zou kunnen worden beschouwd, afbreuk zou doen aan het rechtszekerheidsbeginsel en aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de Dublin III-verordening.
53
Bijgevolg dient op de eerste en de tweede prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 2, punt 11, van de Brussel II bis-verordening aldus moet worden uitgelegd dat er geen sprake kan zijn van ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren in de zin van die bepaling in de situatie waarin een van de ouders ertoe wordt gebracht zijn kind, zonder instemming van de andere ouder, uit de staat waar het zijn gewone verblijfplaats heeft mee te nemen naar een andere lidstaat ter uitvoering van een overdrachtsbesluit dat door de eerste lidstaat is vastgesteld op grond van de Dublin III-verordening, en vervolgens in de tweede lidstaat te blijven nadat dit overdrachtsbesluit nietig is verklaard zonder dat de autoriteiten van de eerste lidstaat evenwel hebben besloten de overgebrachte personen terug te nemen of hun verblijf toe te staan.
Derde en vierde vraag
54
Gelet op het antwoord op de eerste twee vragen, behoeven de derde tot en met de vijfde vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
55
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
Artikel 2, punt 11, van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000, moet aldus worden uitgelegd dat er geen sprake kan zijn van ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren in de zin van die bepaling in de situatie waarin een van de ouders ertoe wordt gebracht zijn kind, zonder instemming van de andere ouder, uit de staat waar het zijn gewone verblijfplaats heeft mee te nemen naar een andere lidstaat ter uitvoering van een overdrachtsbesluit dat door de eerste lidstaat is vastgesteld op grond van verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend, en vervolgens in de tweede lidstaat te blijven nadat dit overdrachtsbesluit nietig is verklaard zonder dat de autoriteiten van de eerste lidstaat evenwel hebben besloten de overgebrachte personen terug te nemen of hun verblijf toe te staan.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 02‑08‑2021
Conclusie 14‑07‑2021
Inhoudsindicatie
‘ Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken — Bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid — Verordening (EG) nr. 2201/2003 — Materiële werkingssfeer — Begrip ‘burgerlijke zaken’ — Verzoek om internationale bescherming van een ouder namens een minderjarig kind — Verordening (EU) nr. 604/2013 — Besluit tot overdracht van een minderjarig kind aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek — Verzoek tot terugkeer — Ongeoorloofd overbrengen of niet doen terugkeren van een kind — Artikel 2, punt 11 — Kwalificatie — Haags Verdrag van 1980 — Gewone verblijfplaats — Onrechtmatige handeling’
P. pikamäe
Partij(en)
Zaak C-262/21 PPU1.
A
tegen
B
[verzoek van de Korkein oikeus (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Finland) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
Kan een besluit tot overdracht van een minderjarig kind, dat is genomen overeenkomstig verordening (EU) nr. 604/20132. en voortvloeit uit een verzoek om internationale bescherming dat door een van de ouders namens hem is ingediend, zonder instemming van de andere ouder, binnen de materiële werkingssfeer van verordening (EG) nr. 2201/20033. vallen en zo ja, kan dit tot gevolg hebben dat sprake is van internationale ontvoering van dit kind?
2.
Dit is een van de vragen die deze zaak bijzonder maakt, omdat een verband wordt gelegd tussen twee juridische instrumenten van het Unierecht die qua voorwerp en doelstellingen ogenschijnlijk zeer verschillend zijn, en waarover het Hof zich voor het eerst moet uitspreken.
II. Toepasselijke bepalingen
A. Haags Verdrag van 25 oktober 1980
3.
Artikel 3 van het Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen, gesloten te 's‑Gravenhage op 25 oktober 1980 (hierna: ‘Haags Verdrag van 1980’), bepaalt:
‘Het overbrengen of het niet doen terugkeren van een kind wordt als ongeoorloofd beschouwd, wanneer:
- a)
dit geschiedt in strijd met een gezagsrecht, dat is toegekend aan een persoon, een instelling of enig ander lichaam, alleen of gezamenlijk, ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had; en
- b)
dit recht alleen of gezamenlijk daadwerkelijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of het niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend, indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden.
Het onder a) bedoelde gezagsrecht kan in het bijzonder voortvloeien uit een toekenning van rechtswege, een rechterlijke of administratieve beslissing of een overeenkomst die geldig is ingevolge het recht van die staat.’
4.
Artikel 12 van dit verdrag bepaalt het navolgende:
‘Wanneer een kind ongeoorloofd is overgebracht of wordt vastgehouden in de zin van artikel 3 en er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren en het tijdstip van de indiening van het verzoek bij de rechterlijke of administratieve autoriteit van de verdragsluitende staat waar het kind zich bevindt, gelast de betrokken autoriteit de onmiddellijke terugkeer van het kind.
De rechterlijke of administratieve autoriteit gelast, zelfs in het geval dat het verzoek tot haar wordt gericht nadat de in het vorige lid bedoelde termijn van één jaar is verstreken, eveneens de terugkeer van het kind, tenzij wordt aangetoond dat het kind inmiddels is geworteld in zijn nieuwe omgeving.
Wanneer de rechterlijke of administratieve autoriteit van de aangezochte staat redenen heeft om aan te nemen dat het kind naar een andere staat is meegenomen, kan zij de procedure schorsen of het verzoek tot terugkeer van het kind afwijzen.’
5.
Artikel 13 van dit verdrag luidt als volgt:
‘Niettegenstaande het bepaalde in het voorgaande artikel, is de rechterlijke of administratieve autoriteit van de aangezochte staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon, de instelling of het lichaam dat zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat:
- a)
de persoon, de instelling of het lichaam dat de zorg had voor de persoon van het kind, het recht betreffende het gezag niet daadwerkelijk uitoefende ten tijde van de overbrenging of het niet doen terugkeren, of naderhand in deze overbrenging of het niet doen terugkeren had toegestemd of berust; of dat
- b)
er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht.
De rechterlijke of administratieve autoriteit kan eveneens weigeren de terugkeer van het kind te gelasten, indien zij vaststelt dat het kind zich verzet tegen zijn terugkeer en een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt, die rechtvaardigt dat met zijn mening rekening wordt gehouden.
Bij het beoordelen van de in dit artikel bedoelde omstandigheden, houden de rechterlijke of administratieve autoriteiten rekening met de gegevens omtrent de maatschappelijke omstandigheden van het kind, die zijn verstrekt door de centrale autoriteit of enige andere bevoegde autoriteit van de staat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft.’
B. Unierecht
1. Verordening nr. 2201/2003
6.
In overweging 5 van verordening nr. 2201/2003 staat te lezen:
‘Teneinde de gelijke behandeling van alle kinderen te waarborgen is deze verordening van toepassing op alle beslissingen betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid, inclusief maatregelen ter bescherming van het kind, los van ieder verband met een procedure in huwelijkszaken.’
7.
Overweging 10 van verordening nr. 2201/2003 bepaalt:
‘Het is niet de bedoeling dat deze verordening toepasselijk is op aangelegenheden zoals sociale zekerheid, publiekrechtelijke maatregelen van algemene aard inzake onderwijs en gezondheid, noch op beslissingen inzake het asielrecht en immigratie […]’
8.
Overweging 17 van verordening nr. 2201/2003 luidt als volgt:
‘In geval van ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren van het kind dient de terugkeer van het kind onverwijld te worden verkregen en te dien einde dient het Verdrag van 's‑Gravenhage van 25 oktober 1980 van toepassing te blijven, zoals aangevuld door de bepalingen van deze verordening, in het bijzonder artikel 11. De gerechten van de lidstaat waarnaar het kind ongeoorloofd is overgebracht of waar het ongeoorloofd wordt vastgehouden, dienen in staat te zijn zich in welbepaalde, naar behoren gemotiveerde gevallen tegen de terugkeer van het kind te verzetten. Een dergelijke beslissing moet evenwel kunnen worden vervangen door een latere beslissing van het gerecht van de lidstaat waar het kind vóór de ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had. Brengt deze laatste beslissing de terugkeer van het kind met zich, dan dient de terugkeer plaats te vinden zonder dat enigerlei bijzondere procedure vereist is voor de erkenning en tenuitvoerlegging van die beslissing in de lidstaat waar het ontvoerde kind zich bevindt.’
9.
Artikel 1 van verordening nr. 2201/2003, met het opschrift ‘Toepassingsgebied’, luidt als volgt:
- ‘1.
Deze verordening is, ongeacht de aard van het gerecht, van toepassing op burgerlijke zaken betreffende:
[…]
- b)
de toekenning, de uitoefening, de overdracht, de beperking of de beëindiging van de ouderlijke verantwoordelijkheid.
- 2.
De in lid 1, onder b), bedoelde zaken hebben met name betrekking op:
- a)
het gezagsrecht en het omgangsrecht;
[…]’
10.
Artikel 2 van deze verordening, met het opschrift ‘Definities’, bepaalt:
‘In deze verordening wordt verstaan onder:
[…]
- 7.
‘ouderlijke verantwoordelijkheid’: alle rechten en verplichtingen die ingevolge een beslissing, van rechtswege of bij een rechtsgeldige overeenkomst aan een natuurlijke persoon of aan een rechtspersoon zijn toegekend met betrekking tot de persoon of het vermogen van een kind. De term omvat onder meer het gezagsrecht en het omgangsrecht;
[…]
- 9.
‘gezagsrecht’: de rechten en verplichtingen die betrekking hebben op de zorg voor de persoon van een kind, in het bijzonder het recht de verblijfplaats van het kind te bepalen;
[…]
- 11.
‘ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren van een kind’: het overbrengen of niet doen terugkeren van een kind:
- a)
wanneer dit geschiedt in strijd met het gezagsrecht dat ingevolge een beslissing, van rechtswege of bij een rechtsgeldige overeenkomst is toegekend overeenkomstig het recht van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of niet doen terugkeren, zijn gewone verblijfplaats had;
en
- b)
indien dit gezagsrecht op het tijdstip van overbrenging of niet doen terugkeren, alleen of gezamenlijk, daadwerkelijk werd uitgeoefend, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden. Het gezag wordt geacht gezamenlijk te worden uitgeoefend als een van de personen die, ingevolge een beslissing of van rechtswege, de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, de verblijfplaats van het kind niet kan bepalen zonder de instemming van een andere persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt.’
11.
Artikel 11 van die verordening bepaalt:
- ‘1.
Wanneer een persoon, instelling of ander lichaam met gezagsrecht bij de bevoegde autoriteiten van een lidstaat een verzoek indient om op grond van het Verdrag van 's‑Gravenhage van 25 oktober 1980 […] een beslissing te nemen teneinde de terugkeer te verkrijgen van een kind dat ongeoorloofd is overgebracht of vastgehouden in een andere lidstaat dan de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging of het niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had, zijn de leden 2 tot en met 8 van toepassing.
[…]
- 4.
Een gerecht kan de terugkeer van een kind niet op grond van artikel 13, onder b), van het Verdrag van 's‑Gravenhage van 1980 weigeren, wanneer vaststaat dat er adequate voorzieningen zijn getroffen om de bescherming van het kind na de terugkeer te verzekeren.’
2. Verordening nr. 604/2013
12.
Artikel 12 van verordening nr. 604/2013 bepaalt:
- ‘1.
Wanneer de verzoeker houder is van een geldige verblijfstitel, is de lidstaat die deze titel heeft afgegeven, verantwoordelijk voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming.
[…]
- 3.
Wanneer de verzoeker houder is van verscheidene geldige verblijfstitels of visa die door verschillende lidstaten zijn afgegeven, berust de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming achtereenvolgens bij:
- a)
de lidstaat die de verblijfstitel met het langste verblijfsrecht heeft afgegeven of, indien de geldigheidsduur niet verschilt, de lidstaat die de verblijfstitel heeft afgegeven waarvan de geldigheidsduur het laatst verstrijkt;
- b)
de lidstaat die het visum heeft afgegeven waarvan de geldigheidsduur het laatst verstrijkt, indien het om gelijksoortige visa gaat;
- c)
wanneer de visa van verschillende aard zijn, de lidstaat die het visum met de langste geldigheidsduur heeft afgegeven of, indien de visa dezelfde geldigheidsduur hebben, de lidstaat die het visum heeft afgegeven waarvan de geldigheidsduur het laatst verstrijkt.
[…]’
13.
In artikel 29, lid 1, van deze verordening wordt bepaald:
‘De verzoeker of andere persoon als bedoeld in artikel 18, lid 1, onder c) of d), wordt overeenkomstig het nationale recht van de verzoekende lidstaat, na overleg tussen de betrokken lidstaten, overgedragen van de verzoekende lidstaat aan de verantwoordelijke lidstaat zodra dat praktisch mogelijk is, en uiterlijk binnen een termijn van zes maanden vanaf de aanvaarding van het verzoek van een andere lidstaat om de betrokkene over of terug te nemen of vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar wanneer dit overeenkomstig artikel 27, lid 3, opschortende werking heeft.
Als overdrachten aan de verantwoordelijke lidstaat plaatsvinden in de vorm van een gecontroleerd vertrek of onder geleide, dragen de lidstaten er zorg voor dat dit op humane wijze gebeurt, met volledige eerbiediging van de grondrechten en de menselijke waardigheid.
De verzoekende lidstaat verstrekt de verzoeker zo nodig een doorlaatbewijs. De Commissie stelt uitvoeringshandelingen betreffende het model van dit doorlaatbewijs vast. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 44, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
De verantwoordelijke lidstaat laat de verzoekende lidstaat weten dat de betrokkene is aangekomen of dat hij zich niet binnen de gestelde termijn heeft gemeld.’
C. Fins recht
14.
De terugkeer van een kind wordt geregeld in de laki lapsen huollosta ja tapaamisoikeudesta 361/1983 (wet betreffende het gezagsrecht en het omgangsrecht met betrekking tot kinderen), zoals gewijzigd bij wet 186/1994. De bepalingen van deze wet komen overeen met die van het Haags Verdrag van 1980.
III. Aan het geding ten grondslag liggende feiten, hoofdgeding en prejudiciële vragen
15.
Uit de verwijzingsbeslissing alsmede uit de antwoorden op de verzoeken om documenten en informatie van het Hof blijkt dat het in het hoofdgeding gaat om een geschil tussen twee Iraanse onderdanen, ouders van een kind van 20 maanden.
16.
In 2016 zijn de vader en de moeder in Finland gaan wonen. In dit land had de moeder een verblijfsvergunning in het kader van gezinshereniging (de vader beschikte over een verblijfsvergunning als werknemer) voor een periode van vier jaar vanaf 28 december 2017. In mei 2019 zijn de ouders verhuisd naar Zweden, waar de moeder een verblijfsvergunning verkreeg in het kader van gezinshereniging voor de periode van 11 maart 2019 tot en met 16 september 2020. Op 5 september 2019 is daar een gemeenschappelijk kind geboren, waarover de ouders gezamenlijk het gezagsrecht hebben.
17.
Bij besluit van 11 november 2019 hebben de Zweedse autoriteiten de moeder en het kind, nadat de moeder slachtoffer was geworden van huiselijk geweld, in een opvanghuis geplaatst. Dit besluit is bevestigd bij vonnis van 17 januari 2020. Op 21 november 2019 heeft de vader voor het kind een verblijfsvergunning in Zweden aangevraagd op grond van zijn familieband met het kind. Op 4 december 2019 heeft ook de moeder voor het kind een verblijfsvergunning in Zweden aangevraagd. Op 7 augustus 2020 heeft de moeder voor haar en het kind een verzoek om internationale bescherming ingediend bij de bevoegde Zweedse autoriteiten op grond dat zij het slachtoffer was van huiselijk geweld door de vader en, in geval van terugkeer naar Iran, werd bedreigd met eergerelateerd geweld door de familie van de vader. Op 27 augustus 2020 heeft de Republiek Finland het Koninkrijk Zweden te kennen gegeven op grond van artikel 12, lid 3, van verordening nr. 604/2013 verantwoordelijk te zijn voor de behandeling van dit verzoek.
18.
Op 27 oktober 2020 heeft de Zweedse immigratieautoriteit het asielverzoek van de moeder en het kind niet-ontvankelijk verklaard, de aanvraag van de vader voor een verblijfsvergunning voor het kind op grond van hun familieband als afgedaan beschouwd en besloten om de moeder en het kind naar Finland over te brengen op grond van verordening nr. 604/2013. Op 24 november 2020 heeft deze overdracht plaatsgevonden overeenkomstig artikel 29 van die verordening, waardoor het besluit tot ondertoezichtstelling en tot plaatsing van het kind in het opvanghuis werd opgeheven. Op 11 januari 2021 heeft de moeder in Finland voor haar en het kind een asielverzoek ingediend, dat nog steeds in behandeling is.
19.
De vader heeft op 7 december 2020 beroep ingesteld tegen het besluit van 27 oktober 2020 van de Zweedse immigratieautoriteit om zijn verzoek om een verblijfsvergunning als afgedaan te beschouwen en het kind naar Finland over te brengen. Bij vonnis van 21 december 2020 heeft een Zweedse rechter dat besluit nietig verklaard omdat de vader niet was gehoord, en de zaak naar deze autoriteit terugverwezen. Na het dossier opnieuw te hebben onderzocht heeft deze laatste op 29 december 2020 besloten de zaken betreffende het kind als afgedaan te beschouwen, aangezien het kind het grondgebied had verlaten. Bij vonnis van 6 april 2021 heeft een Zweedse rechter uitspraak gedaan op het door de vader op 19 januari 2021 ingestelde beroep tegen het besluit van 29 december 2020. De Zweedse rechter heeft de verzoeken van de vader, met name dat betreffende de terugkeer van het kind naar Zweden op grond van verordening nr. 604/2013, afgewezen. Volgens de informatie van de Zweedse immigratieautoriteit beschikt het kind momenteel niet over een verblijfsvergunning in Zweden, zodat het dit land niet mag binnenkomen.
20.
Daarnaast heeft een Zweeds gerecht in november 2020 bij beschikking in kort geding het gezamenlijke gezagsrecht van de ouders voorlopig gehandhaafd. Bij vonnis van 29 april 2021 heeft dit gerecht de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken, het exclusieve gezag over het kind per direct aan de moeder toegewezen, het verzoek van de vader om een omgangsregeling afgewezen en aangegeven dat de hiervoor genoemde beschikking in kort geding komt te vervallen.
21.
Op grond dat het overbrengen of het niet doen terugkeren van het kind ongeoorloofd was, heeft de vader op 21 december 2020 bij de hovioikeus (rechter in tweede aanleg Helsinki, Finland) een vordering ingesteld tot onmiddellijke terugkeer van het kind naar Zweden. Bij beslissing van 25 februari 2021 heeft de hovioikeus deze vordering afgewezen. De vader heeft tegen deze beslissing cassatieberoep ingesteld bij de Korkein oikeus (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Finland). Tijdens de behandeling van dit beroep heeft deze rechter op 23 april 2021 de behandeling geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Moet artikel 2, punt 11, van verordening [nr. 2201/2003], dat betrekking heeft op de ongeoorloofde overbrenging van een kind, aldus worden uitgelegd dat zich een situatie als bedoeld in die bepaling voordoet wanneer een van de ouders, zonder toestemming van de andere ouder, het kind vanuit de staat van zijn verblijfplaats overbrengt naar een andere lidstaat, en wel naar de lidstaat die verantwoordelijk is krachtens een overdrachtsbesluit dat door een autoriteit is vastgesteld op grond van verordening [nr. 604/2013]?
- 2)
Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, moet artikel 2, punt 11, van verordening [nr. 2201/2003], over het ongeoorloofd niet doen terugkeren van een kind, dan aldus worden uitgelegd dat een situatie waarin een rechterlijke instantie van de staat van de verblijfplaats van het kind het besluit van een autoriteit om de behandeling van het dossier over te dragen, nietig heeft verklaard — welk dossier na het vertrek van het kind en de moeder uit de staat van hun verblijfplaats als afgedaan werd beschouwd —, maar waarin het kind waarvan de terugkeer wordt gelast niet meer over een geldige verblijfsvergunning in de staat van zijn verblijfplaats beschikt, noch het recht heeft om die staat binnen te komen of er te verblijven, aan die kwalificatie beantwoordt?4.
- 3)
Indien, gelet op het antwoord dat op de eerste of op de tweede vraag wordt gegeven, verordening [nr. 2201/2003] aldus moet worden uitgelegd dat er sprake is van een ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofd niet doen terugkeren van het kind, en dat het kind derhalve moet worden teruggestuurd naar de staat van zijn gewone verblijfplaats, moet artikel 13, eerste alinea, onder b), van het Haags Verdrag van 1980 dan aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een terugkeer van het kind op grond dat:
- a)
er een ernstig risico bestaat in de zin van deze bepaling dat indien een zuigeling waarvan de moeder persoonlijk de zorg op zich heeft genomen, alleen wordt teruggestuurd, hij door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar of op enige andere wijze in een onduldbare situatie wordt gebracht, of
- b)
het kind in de staat van zijn gewone verblijfplaats — hetzij alleen, hetzij samen met zijn moeder — in een opvanghuis zou worden geplaatst, hetgeen erop zou wijzen dat er een ernstig risico bestaat in de zin van deze bepaling dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar of op enige andere wijze in een onduldbare situatie wordt gebracht, of
- c)
het kind, zonder geldige verblijfsvergunning, in een onduldbare situatie zou worden gebracht in de zin van deze bepaling?
- 4)
Indien, gelet op het antwoord op de derde vraag, de in artikel 13, eerste alinea, onder b), van het Haags Verdrag van 1980 opgenomen weigeringsgronden aldus kunnen worden uitgelegd dat er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar of op enige andere wijze in een ondragelijke situatie wordt gebracht, vereist artikel 11, lid 4, van verordening [nr. 2201/2003], gelezen in samenhang met het begrip ‘belangen van het kind’ in de zin van artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie [hierna: ‘Handvest’], dan dat, in een situatie waarin noch het kind noch de moeder een geldige verblijfsvergunning heeft in de staat van de verblijfplaats van het kind, de staat van de verblijfplaats van het kind adequate voorzieningen moet treffen om ervoor te zorgen dat het kind en zijn moeder legaal in die lidstaat kunnen verblijven?
Indien op de staat van de verblijfplaats van het kind een dergelijke verplichting rust, moet het beginsel van het wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten dan aldus worden uitgelegd dat de lidstaat die het kind overdraagt, ervan kan uitgaan dat de staat van de verblijfplaats van het kind zijn verplichtingen zal nakomen, of vereist het belang van het kind dat van de autoriteiten van de staat van de gewone verblijfplaats nadere informatie wordt verkregen over de concrete maatregelen die voor de bescherming van het kind zijn genomen of zullen worden genomen, zodat de lidstaat die het kind overdraagt met name kan oordelen of deze maatregelen adequaat zijn ten aanzien van de belangen van het kind?
- 5)
Indien op de staat van de gewone verblijfplaats van het kind niet de hierboven in de vierde prejudiciële vraag bedoelde verplichting rust om adequate maatregelen te nemen, moet artikel 20 van het Haags Verdrag van 1980, gelezen in het licht van artikel 24 van het Handvest, dan aldus worden uitgelegd dat die bepalingen zich, in de hierboven in de derde prejudiciële vraag, onder a) tot en met c), bedoelde situaties, tegen de terugkeer van het kind verzetten op grond dat deze terugkeer strijdig zou kunnen worden geacht, in de zin van deze bepaling, met de fundamentele beginselen met betrekking tot de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden?’
IV. Procedure bij het Hof
22.
De verwijzende rechter heeft verzocht de prejudiciële verwijzing te behandelen volgens de spoedprocedure van artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. De Eerste kamer van het Hof heeft op 12 mei 2021, op voorstel van de rechter-rapporteur en na de advocaat-generaal te hebben gehoord, besloten om dit verzoek in te willigen.
23.
Op 21 mei 2021 heeft de verwijzende rechter geantwoord op het informele verzoek om informatie van het Hof. In haar verklaring van 31 mei 2021 heeft de Zweedse regering geantwoord op de schriftelijke vragen van het Hof en de door hem opgevraagde documenten overgelegd.
24.
De verwerende partij in het hoofdgeding, de Finse regering en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Diezelfde partijen alsmede verzoeker in het hoofdgeding zijn gehoord op de pleitzitting van 28 juni 2021.
V. Analyse
A. Eerste en tweede vraag
1. Inleidende opmerkingen
25.
In de eerste plaats blijkt uit de formulering van de eerste twee prejudiciële vragen dat de verwijzende rechter in wezen wenst te vernemen wat voor gevolgen een op grond van verordening nr. 604/2013 genomen besluit tot overdracht van een kind en zijn moeder heeft voor de kwalificatie als ‘ongeoorloofd overbrengen of niet doen terugkeren’, in de zin van artikel 2, punt 11, van verordening nr. 2201/2003. Aangezien deze twee vragen een gemeenschappelijk onderwerp hebben, zal ik ze gezamenlijk onderzoeken.
26.
In de tweede plaats is de verwijzende rechter er bij het stellen van die vragen betreffende de uitlegging van artikel 2, punt 11, van verordening nr. 2201/2003 van uitgegaan dat deze bepaling van toepassing is in het hoofdgeding, hetgeen wordt betwist door verweerster in het hoofdgeding, ondersteund door de Commissie. Aangezien de toepasselijkheid van de bepalingen van verordening nr. 2201/2003 een twistpunt vormt en ter terechtzitting voor het Hof is besproken, dient te worden nagegaan of een situatie zoals die welke is omschreven in de verwijzingsbeslissing binnen de werkingssfeer van deze verordening valt.5. Wanneer dit het geval is, moet worden onderzocht welke criteria van belang zijn voor de kwalificatie als ‘ongeoorloofd overbrengen of niet doen terugkeren’.
2. Toepasselijkheid van verordening nr. 2201/2003
27.
Verweerster in het hoofdgeding, ondersteund door de Commissie, voert ten eerste aan dat de toepassing van verordening nr. 604/2013 deel uitmaakt van de uitoefening van overheidsbevoegdheden door de lidstaten, hetgeen niets te maken heeft met de burgerrechtelijke aangelegenheden waarop verordening nr. 2201/2003 ziet, en ten tweede dat beslissingen inzake asiel- en immigratierecht uitdrukkelijk zijn uitgesloten van de werkingssfeer van verordening nr. 2201/2003.
28.
Ik kan mij moeilijk vinden in een dergelijke analyse. Opgemerkt moet worden dat verordening nr. 2201/2003, volgens artikel 1, lid 1, onder b), ervan, inderdaad van toepassing is op burgerlijke zaken betreffende de toekenning, de uitoefening, de overdracht, de beperking of de beëindiging van de ouderlijke verantwoordelijkheid. In dit verband heeft het Hof echter herhaaldelijk geoordeeld dat het begrip ‘burgerlijke zaken’ niet restrictief moet worden opgevat, maar als een autonoom begrip van het Unierecht, dat met name betrekking heeft op alle verzoeken, maatregelen of beslissingen inzake ‘ouderlijke verantwoordelijkheid’, waaronder, in het licht van overweging 5 van verordening nr. 2201/2003, die inzake de bescherming van het kind.6. In overeenstemming met deze ruime benadering strekt het begrip ‘burgerlijke zaken’ zich volgens het Hof ook uit tot beschermingsmaatregelen die, zelfs naar het recht van de lidstaten, onder het publiekrecht vallen.7. Een dergelijke opvatting van ‘burgerlijke zaken’ houdt derhalve in dat wordt nagegaan of een maatregel, los van de kwalificatie ervan, naar zijn aard bijdraagt tot de bescherming van het kind.
29.
Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat, in de bijzondere omstandigheden van dit geval, de overdracht van het kind die heeft plaatsgevonden overeenkomstig verordening nr. 604/2013, binnen de werkingssfeer van verordening nr. 2201/2003 valt. Het overdrachtsbesluit moet immers niet op zichzelf worden beschouwd, maar in het kader van de hele procedure waarvan het deel uitmaakt. Hieruit volgt dat de overdracht niet los kan worden gezien van het verzoek om internationale bescherming waarvan deze overdracht het rechtstreekse gevolg is. In het onderhavige geval heeft het verzoek om internationale bescherming tot doel8. het kind een duurzame status van bescherming te bieden tegen een gevaar waaraan het mogelijk wordt blootgesteld. Bijgevolg vormt dit verzoek wel degelijk een maatregel ter bescherming van het kind, zodat het onder ‘burgerlijke zaken’ in de zin van artikel 1 van verordening nr. 2201/2003 valt.
30.
Aan deze conclusie wordt volgens mij niet afgedaan door overweging 10 van verordening nr. 2201/2003, op grond waarvan het ‘niet de bedoeling [is]’ dat deze verordening toepasselijk is ‘op beslissingen inzake het asielrecht en immigratie’. Uit de in deze tekst gebruikte woorden ‘is niet de bedoeling’9. leid ik af dat de Uniewetgever niet van plan was om alle beslissingen inzake het asielrecht systematisch uit te sluiten van de ‘burgerlijke zaken’. Een dergelijke analyse is bovendien in overeenstemming met de ruime benadering van het Hof, volgens welke, in het licht van overweging 5 van deze verordening, onder ‘burgerlijke zaken’ ook publiekrechtelijke maatregelen ter bescherming van het kind vallen.
31.
Afgezien van de bewoordingen van overweging 10, die in elk geval geen bindende kracht heeft10., blijkt uit de bepalingen van verordening nr. 2201/2003 niet dat beslissingen inzake het asielrecht principieel zijn uitgesloten van de werkingssfeer van deze verordening. Ter ondersteuning van deze analyse wijs ik erop dat deze beslissingen niet zijn vermeld in artikel 1, lid 3, van deze verordening, dat een limitatieve opsomming geeft van de zaken waarop deze verordening niet van toepassing is.11. Bovendien kan geen argument worden ontleend aan het feit dat artikel 1, lid 2, van verordening nr. 2201/2003 beslissingen inzake het asielrecht niet noemt als burgerlijke zaak. Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, impliceert het gebruik van de uitdrukking ‘met name’ in artikel 1, lid 2, van verordening nr. 2201/2003 immers dat de opsomming in deze bepaling niet-limitatief is.12.
32.
Gelet op het voorgaande ben ik van mening, anders dan de Commissie en de verwerende partij in het hoofdgeding, dat beslissingen inzake het asielrecht binnen de werkingssfeer van verordening nr. 2201/2003 vallen voor zover ze, zoals in het onderhavige geval, het karakter hebben van een maatregel ter bescherming van het kind.
3. Kwalificatie als‘ongeoorloofd overbrengen of niet doen terugkeren’
33.
Overeenkomstig de hiervoor omschreven logica moet elk van de criteria op grond waarvan het overbrengen of het niet doen terugkeren van een kind als ‘ongeoorloofd’ kan worden gekwalificeerd, worden onderzocht en moet in het licht van de omstandigheden van dit geval worden nagegaan of aan die voorwaarden is voldaan.
34.
In dit verband zijn het ongeoorloofd overbrengen en het ongeoorloofd niet doen terugkeren, als bedoeld in artikel 2, punt 11 van verordening nr. 2201/2003, waarvan de bewoordingen bijna dezelfde zijn als in artikel 3 van het Haags Verdrag van 1980, in een en dezelfde definitie opgenomen. Uitgaande van die definitie heeft het Hof aangegeven dat ongeoorloofd overbrengen of niet doen terugkeren in de zin van artikel 2, punt 11, van die verordening, veronderstelt dat het kind onmiddellijk voorafgaand aan zijn overbrenging of niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats in de lidstaat van oorsprong had, en het gevolg is van de schending van het gezagsrecht dat krachtens het recht van die lidstaat is toegekend.13. Hieruit volgt dat de kwalificatie van ‘ongeoorloofd overbrengen of niet doen terugkeren’ hoofdzakelijk berust op de twee cumulatieve begrippen ‘gewone verblijfplaats van het kind’ en ‘schending van het gezagsrecht’. Om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te kunnen geven, moeten beide begrippen derhalve achtereenvolgens worden onderzocht.
a) Gewone verblijfplaats van het kind
35.
Het begrip ‘gewone verblijfplaats’ vervult een dubbele rol in verordening nr. 2201/2003. Ten eerste vormt het overeenkomstig artikel 2, punt 11, en artikel 11 van die verordening een kernelement van de kwalificatie van ‘ongeoorloofd overbrengen of niet doen terugkeren’ en van het daarmee samenhangende mechanisme inzake de terugkeer van het kind. Ten tweede vormt dit begrip, in het kader van de artikelen 8 tot en met 10 van die verordening, een algemeen criterium voor de rechterlijke bevoegdheid.14. Gelet daarop heeft het Hof geoordeeld dat, aangezien het begrip ‘gewone verblijfplaats’ een eenvormige betekenis dient te hebben binnen verordening nr. 2201/2003, de uitlegging die in het kader van de artikelen 8 en 10 van die verordening aan dit begrip is gegeven, kan worden getransponeerd naar artikel 2, punt 11, en artikel 11 van diezelfde verordening.15.
36.
Opgemerkt moet worden dat verordening nr. 2201/2003 geen definitie van het begrip ‘gewone verblijfplaats’ bevat, ook al betekent het gebruik van het adjectief ‘gewone’ dat de verblijfplaats van het kind een zekere bestendigheid of regelmatigheid moet hebben16., en evenmin uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst. Het Hof heeft hieruit afgeleid dat het begrip ‘gewone verblijfplaats’ autonoom moet worden uitgelegd, waarbij rekening moet worden gehouden met de context van de bepalingen van verordening nr. 2201/2003 en het daarmee nagestreefde doel, hetgeen volgens overweging 12 van deze verordening inhoudt dat die bepalingen zodanig moeten zijn opgezet dat zij in het belang van het kind zijn en met name beantwoorden aan het criterium van de nauwe verbondenheid.17.
37.
Op grond hiervan heeft het Hof beslist dat de gewone verblijfplaats van een kind in de zin van verordening nr. 2201/2003 overeenkomt met de plaats waar, in het licht van de omstandigheden die eigen zijn aan elke zaak, zich het centrum van zijn leven bevindt.18. In het kader van deze praktische benadering moet derhalve naast de fysieke aanwezigheid van het kind op het grondgebied van de lidstaat, rekening worden gehouden met factoren die aantonen dat deze aanwezigheid niet tijdelijk of toevallig is en dat de verblijfplaats van het kind een zekere integratie in een stabiele sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt.19. Hiertoe moet in elk afzonderlijk geval rekening worden gehouden met een reeks van onderling overeenstemmende aanwijzingen zoals de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf van het kind op het grondgebied van de verschillende betrokken lidstaten, de plaats waar en de omstandigheden waaronder het kind naar school gaat en de familiale en sociale banden van het kind in die lidstaten.20.
38.
Wanneer het een jong kind betreft, zoals in het onderhavige geval, heeft het Hof voorts geoordeeld dat de beoordeling van de integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving niet los kan worden gezien van de omstandigheden van het verblijf van de mensen van wie het kind afhankelijk is.21. De omgeving waarin een jong kind zich ontwikkeld is immers in wezen een familiale omgeving en daarvoor geldt dat de referentiepersoon of -personen bij wie het kind woont, die daadwerkelijk gezag over hem uitoefenen en voor hem zorgen, bepalend is of zijn22. — in de regel zijn ouders. Wanneer een dergelijk kind in het dagelijks leven bij zijn ouders woont, moet derhalve bij de vaststelling van zijn gewone verblijfplaats worden uitgegaan van de plaats waar zijn ouders zich stabiel ophouden en in een sociale en familiale omgeving zijn geïntegreerd.23. Deze plaats kan worden vastgesteld aan de hand van een niet-uitputtende lijst van feitelijke factoren, waaronder de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf van de ouders in de betrokken lidstaat of lidstaten, hun talenkennis, hun geografische en familiale herkomst en de familiale en sociale banden die zij daar hebben. Deze objectieve aanwijzingen kunnen in voorkomend geval worden aangevuld door rekening te houden met de bedoeling van de ouders die het gezagsrecht hebben om zich met het kind op een bepaalde plaats te vestigen wanneer daarin de daadwerkelijke integratie van de ouders, en dus van het kind, in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking komt.24.
39.
Zoals advocaat-generaal Saugmandsgaard Øe heeft opgemerkt in de zaak UD, heeft het Hof een zogenoemde ‘hybride’ benadering ontwikkeld waarbij de gewone verblijfplaats van het kind wordt bepaald op basis van zowel objectieve factoren die het verblijf van een kind kenmerken, als omstandigheden van het verblijf van de ouders en hun bedoelingen met betrekking tot de woonplaats van het kind.25. Het staat aan de verwijzende rechter om op grond van deze elementen na te gaan of het kind zijn gewone verblijfplaats in Zweden had onmiddellijk voorafgaand aan het beweerde ongeoorloofde overbrengen of niet doen terugkeren, rekening houdend met alle feitelijke omstandigheden die eigen zijn aan deze zaak.
40.
Om de verwijzende rechter nuttige gegevens te verstrekken, merk ik niettemin op dat, wat de kwalificatie van ‘ongeoorloofd overbrengen’ betreft, het kind evenals de moeder op 24 november 2020 naar Finland zijn overgebracht. Vóór deze overbrenging woonde het kind sinds zijn geboorte op 5 september 2019 in Zweden, terwijl zijn ouders, die het gezagsrecht uitoefenden, in dit land woonden sinds mei 2019 en aldaar beschikten over een verblijfsvergunning. Hieruit blijkt dat, behoudens aanvullende gegevens waarover de verwijzende rechter beschikt, het lijkt vast te staan dat de gewone verblijfplaats van het kind, vóór de overbrenging, in Zweden was.
41.
Vanuit het oogpunt van de kwalificatie van ‘niet doen terugkeren’ lijkt het mij echter geenszins vanzelfsprekend dat het kind, in het licht van voornoemde criteria, zijn gewone verblijfplaats in Zweden had behouden direct voorafgaand aan het beweerde niet doen terugkeren. Zoals ik reeds heb aangegeven, is de gewone verblijfplaats van een jong kind nauw verbonden met die van de referentiepersonen bij wie het woont, die daadwerkelijk gezag over hem uitoefenen en voor hem zorgen. Uit de aan het Hof verstrekte gegevens blijkt echter dat het kind, als gevolg van de besluiten die de Zweedse autoriteiten hebben genomen naar aanleiding van het gedrag van de vader, nauwelijks contact meer met hem heeft en bij zijn moeder woont. Ik merk voorts op dat de overbrenging van het kind naar Finland, op grond van een overdrachtsbesluit dat onmiddellijk uitvoerbaar was, voortkomt uit het verzoek om internationale bescherming dat door de moeder is gedaan namens het kind en dat het sinds zijn overdracht in dit land woont26. samen met zijn moeder en geen recht heeft om Zweden binnen te komen of daar te verblijven. Het lijkt mij dat dergelijke factoren, waaruit blijkt dat het kind sterke banden met Finland heeft gekregen, nuttig kunnen zijn voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats van het kind en doorslaggevend zijn voor de conclusie dat geen sprake is van ongeoorloofd vasthouden.
b) Schending van het gezagsrecht
42.
Uit artikel 2, punt 11, van verordening nr. 2201/2003 volgt dat het overbrengen of niet doen terugkeren van het kind ongeoorloofd is wanneer dit afbreuk doet aan de daadwerkelijke uitoefening van een gezagsrecht dat is toegekend overeenkomstig het recht van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor zijn overbrengen of niet doen terugkeren, woonde. Met andere woorden, om te kunnen vaststellen of het overbrengen of vasthouden van een kind ongeoorloofd is in de zin van verordening nr. 2201/2003 moet noodzakelijkerwijs sprake zijn van een gezagsrecht dat is toegekend krachtens het toepasselijke nationale recht in strijd waarmee dit overbrengen of vasthouden is geschied.
43.
In het onderhavige geval wenst de verwijzende rechter te vernemen of de overbrenging van het kind, die heeft plaatsgevonden in het kader van een overdracht naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, en zijn vasthouding in dit land moeten worden beschouwd als een schending van het gezagsrecht. Om een nuttig antwoord aan de verwijzende rechter te kunnen geven, is het niet alleen nodig om de contouren van het begrip ‘gezagsrecht’ vast te leggen, maar vooral ook om het concept ‘schending’ van dit recht nader te definiëren. Met betrekking tot dit laatste punt wijs ik er bij voorbaat op dat de omstandigheid dat de overbrenging van het kind voortvloeit uit de toepassing van verordening nr. 604/2013 volgens mij aantoont dat de schending van het gezagsrecht noodzakelijkerwijs veronderstelt dat sprake is van een onrechtmatige handeling die is toe te rekenen aan degene die het kind ongeoorloofd heeft meegenomen of vasthoudt.
1) Daadwerkelijke uitoefening van het gezagsrecht
44.
Op basis van de definitie in artikel 2, punt 9, van verordening nr. 2201/2003 heeft het Hof geoordeeld dat het begrip ‘gezagsrecht’ een autonoom begrip is dat uniform moet worden uitgelegd, en dat voor de toepassing van die verordening het gezagsrecht in elk geval het recht voor de houder ervan omvat om de verblijfplaats van het kind te bepalen.27. Hoewel het begrip ‘gezagsrecht’ wordt gedefinieerd door het Unierecht, verwijst artikel 2, punt 11, van verordening nr. 2201/2003 voor de aanwijzing van de houder van dit recht naar het recht van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor zijn overbrengen of niet doen terugkeren, zijn gewone verblijfplaats had. Op grond van de bewoordingen van dit artikel hangt het al dan niet ongeoorloofd zijn van het overbrengen of vasthouden van een kind immers af van ‘het gezagsrecht dat ingevolge een beslissing, van rechtswege of bij een rechtsgeldige overeenkomst is toegekend overeenkomstig het recht van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of niet doen terugkeren, zijn gewone verblijfplaats had’. Bijgevolg valt de toekenning van het gezagsrecht aan beide ouders dan wel aan een van hen uitsluitend onder het recht van de lidstaat van oorsprong.
45.
Hieruit volgt dat het aan de verwijzende rechter staat om vast te stellen of de vader over een gezagsrecht beschikte op grond waarvan hij het recht had om de verblijfplaats van het kind te bepalen, dat was toegekend door de lidstaat waar die laatste onmiddellijk voor zijn overbrenging of niet doen terugkeren, zijn gewone verblijfplaats had. Dienaangaande wijs ik erop dat, volgens de gegevens waarover het Hof beschikt, de vader en de moeder gezamenlijk het gezagsrecht uitoefenden tot aan het vonnis van 29 april 2021, waarbij een Zweeds gerecht het kind met onmiddellijke ingang onder het exclusieve gezag van de moeder heeft geplaatst.28.
46.
Naast dit eerste juridische criterium betreffende het bestaan van het gezagsrecht, bestaat er een tweede dat meer feitelijk is. Volgens artikel 2, punt 11, onder b), van verordening nr. 2201/2003 is het overbrengen of niet doen terugkeren slechts ongeoorloofd indien het gezagsrecht ‘op het tijdstip van overbrenging of niet doen terugkeren, alleen of gezamenlijk, daadwerkelijk werd uitgeoefend, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden’. Deze aanvullende voorwaarde is logisch aangezien door de kwalificatie van ‘ongeoorloofd overbrengen of niet doen terugkeren’ het in verordening nr. 2201/2003 neergelegde mechanisme van onverwijlde terugkeer van het kind in werking treedt. In een situatie waarin het gezagsrecht alleen nog in theorie bestaat, met geen of heel weinig concrete aanwijzingen daarvoor, is de uitvoering van een procedure tot onverwijlde terugkeer echter niet in overeenstemming met de doelstelling van deze verordening om de fundamentele belangen van het kind te beschermen.
47.
Het Hof is bij mijn weten nog niet in de gelegenheid geweest om de exacte betekenis te bepalen van het criterium inzake de daadwerkelijke uitoefening van het gezagsrecht. In zijn conclusie in de zaak UD heeft advocaat-generaal Saugmandsgaard Øe echter een voorstel voor een definitie van dit begrip gedaan door op te merken ‘dat de ouder die niet daadwerkelijk gezag over het kind uitoefent (ook al draagt diegene de ouderlijke verantwoordelijkheid voor het kind), slechts deel uitmaakt van de familiale omgeving van het kind indien het nog steeds regelmatig omgang met die ouder heeft’.29. Voorts wijs ik erop dat dit begrip ‘daadwerkelijke uitoefening van het gezagsrecht’ ook staat in het Haags Verdrag van 1980 waarvan artikel 3 het ongeoorloofd overbrengen of niet doen terugkeren in bijna dezelfde bewoordingen definieert als die welke in artikel 2, punt 11, van verordening nr. 2201/2003 worden gebruikt. Uit het toelichtend rapport bij dit verdrag blijkt echter dat het daadwerkelijke karakter van het gezagsrecht, dat moet worden onderzocht in het licht van de omstandigheden die eigen zijn aan elke zaak, ruim moet worden opgevat30. en dat daaronder ook situaties vallen waarin een persoon met gezagsrecht de zorg heeft voor de persoon van het kind, ook al wonen zij — feitelijk maar om legitieme redenen — niet samen.31.
48.
Uit deze elementen leid ik af dat een ouder daadwerkelijk het gezagsrecht uitoefent wanneer hij de zorg heeft voor de persoon van het kind en regelmatig omgang met hem heeft. De contouren van dit criterium moeten niettemin voorzichtig en zorgvuldig worden onderzocht en toegepast, zodat wordt voorkomen dat daar misbruik van wordt gemaakt om het overbrengen of vasthouden van een kind te rechtvaardigen, omdat anders wordt voorbijgegaan aan het doel van verordening nr. 2201/2003, namelijk de bescherming van het belang van het kind. In het kader van zijn beoordeling moet de verwijzende rechter rekening houden met het feit dat het kind slechts twee maanden na zijn geboorte onder toezicht is gesteld en, samen met zijn moeder, in een opvanghuis is geplaatst vanwege het gewelddadige gedrag van de vader en dat deze, volgens de Zweedse autoriteiten, sinds deze gebeurtenis slechts sporadisch contact heeft gehad met het kind.
2) Onrechtmatige handeling die is toe te rekenen aan de moeder van het kind
49.
Om deze laatste voorwaarde te verduidelijken moet worden verwezen naar de betekenis van het begrip ‘ongeoorloofde overbrenging’ in het Haags Verdrag van 1980 en in verordening nr. 2201/2003. Wat dit verdrag betreft, wijs ik erop, net als de Commissie, dat volgens punt 11 van het toelichtend rapport bij het Haags Verdrag van 1980 ‘de bedoelde situaties ontstaan doordat macht wordt gebruikt om op internationaal niveau kunstmatige bevoegdheidsverbanden tot stand te brengen, teneinde het gezag over het kind te verkrijgen’. Deze overweging wordt nader uitgelegd in de punten 12 tot en met 15 van dit toelichtend rapport waaruit in wezen blijkt dat de ongeoorloofde overbrenging, die tot gevolg heeft dat het kind uit de familiale en sociale omgeving wordt gehaald waarin zijn leven zich heeft afgespeeld, tot doel heeft om van de autoriteiten van het land waar het kind naartoe is gebracht, het gezagsrecht over hem te verkrijgen. Met andere woorden, door te proberen om min of meer kunstmatige bevoegdheidsverbanden tot stand te brengen, wil de pleger of aanstichter van de ongeoorloofde overbrenging dat zijn onrechtmatige handeling juridisch wordt bekrachtigd.
50.
Een vergelijkbare opvatting over het ongeoorloofd overbrengen of niet doen terugkeren blijkt ook uit het onderzoek van de arresten van het Hof die betrekking hebben op de uitlegging van verordening nr. 2201/2003. Zo heeft het Hof opgemerkt dat ‘een kind dat ongeoorloofd wordt overgebracht ten gevolge van een eenzijdige beslissing van een van zijn ouders, meestal de mogelijkheid [wordt] ontnomen om regelmatig persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten met de andere ouder te onderhouden’.32. In het verlengde van deze redenering heeft het Hof verklaard dat de bepalingen van verordening nr. 2201/2003, waaronder met name die betreffende de onmiddellijke terugkeer van het kind, tot doel hebben om ervoor te zorgen dat ‘geen van beide ouders zijn positie op het punt van het gezag over het kind kan versterken door zich op feitelijke wijze te onttrekken aan de bevoegdheid van de gerechten die overeenkomstig de regels in die verordening in beginsel zijn aangewezen om zich over de ouderlijke verantwoordelijkheid voor het kind uit te spreken’.33.
51.
Uit deze uiteenzettingen blijkt dat de schending van het gezagsrecht, waartoe het ongeoorloofd overbrengen of niet doen terugkeren leidt, in het Haags Verdrag van 1980 en in verordening nr. 2201/2003 op dezelfde manier wordt opgevat. In de zin van deze twee teksten bestaat de schending van het gezagsrecht hoofdzakelijk in een ongeoorloofde gedraging op grond waarvan de ouder die verantwoordelijk is voor het overbrengen of vasthouden van het kind de regels inzake de internationale rechterlijke bevoegdheid kan omzeilen. Uit al het voorgaande leid ik af dat de kwalificatie van ‘ongeoorloofd overbrengen of niet doen terugkeren’ niet afhangt, anders dan de Finse regering beweert, van de enkele — zuiver materiële, objectieve — vaststelling dat het kind is overgebracht of wordt vastgehouden buiten zijn gewone verblijfplaats zonder de toestemming van de houder of medehouder van het gezagsrecht. Ook is vereist dat de inbreuk op het gezagsrecht van die laatste voortkomt uit een onrechtmatige handeling die is toe te rekenen aan de ouder die verantwoordelijk is voor het overbrengen of vasthouden van het kind en tot doel heeft om die ouder, in strijd met het belang van het kind, een praktisch of juridisch voordeel te verschaffen ten nadele van de andere ouder.
52.
Wat dit geval bijzonder maakt is de omstandigheid dat de overbrenging van het kind heeft plaatsgevonden in het kader van een krachtens verordening nr. 604/2013 genomen besluit tot overdracht van de betrokkene en zijn moeder naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van de door haar ingediende verzoeken om internationale bescherming. In dit verband moet erop worden gewezen dat op grond van artikel 7, lid 1, van richtlijn 2013/32/EU34. elke handelingsbekwame meerderjarige het recht heeft een eigen verzoek om internationale bescherming te doen. Met betrekking tot minderjarigen bepaalt artikel 7, lid 3, van richtlijn 2013/32 dat zij het recht hebben om zelf een verzoek om internationale bescherming in te dienen in de lidstaten die minderjarigen daartoe handelingsbekwaamheid verlenen en dat zij, in alle lidstaten die gebonden zijn aan deze richtlijn, het recht hebben om via een volwassen vertegenwoordiger, zoals een ouder of een ander volwassen familielid, een verzoek om internationale bescherming in te dienen. Uit deze bepalingen volgt dat de Unieregeling zich er niet tegen verzet dat verschillende gezinsleden elk een verzoek om internationale bescherming indienen noch dat een van hen zijn verzoek tevens namens een minderjarig gezinslid indient.35.
53.
Overeenkomstig artikel 20 van verordening nr. 604/2013 begint de procedure waarbij wordt bepaald welke lidstaat verantwoordelijk is, zodra dit verzoek wordt ingediend. Volgens lid 3 van dit artikel is de situatie van de minderjarige die de verzoeker vergezelt en onder de definitie van gezinslid valt, onlosmakelijk verbonden met de situatie van diens gezinslid en valt die situatie onder de verantwoordelijkheid van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van dat gezinslid, ook al is de minderjarige zelf geen individuele verzoeker, mits dit in het belang van de minderjarige is. Het Hof heeft geoordeeld dat deze laatste bepaling, behoudens bewijs van het tegendeel, het vermoeden creëert dat het in het belang van het kind is om bij de behandeling van zijn situatie tot uitgangspunt te nemen dat deze onlosmakelijk verbonden is met die van zijn ouders36.
54.
De bevoegde nationale autoriteit waarbij een dergelijk verzoek om internationale bescherming wordt ingediend, wordt niet verzocht om de verantwoordelijkheid voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming op te dragen aan een lidstaat die wordt aangewezen naargelang het de verzoeker het beste schikt, maar om de door de Uniewetgever in hoofdstuk III van verordening nr. 604/2013 vastgestelde verantwoordelijkheidscriteria toe te passen om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van dat verzoek, rekening houdend met het belang van het kind.37. Op grond van die criteria kan de lidstaat waarbij het verzoek om internationale bescherming is gedaan, bij een andere lidstaat een verzoek tot overname of terugname van de verzoeker indienen onder de voorwaarden van de artikelen 21, 23 en 24 van verordening nr. 604/2013. Indien de aangezochte staat, na de in de artikelen 22 en 25 van die verordening bedoelde naspeuringen, van mening is dat hij verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, wordt overeenkomstig artikel 26 van die verordening jegens de verzoeker een besluit genomen tot overdracht naar die staat.
55.
Dit besluit is, behoudens de instelling van een rechtsmiddel krachtens artikel 27 van verordening nr. 604/2013, bindend voor de verzoeker, die, onder de voorwaarden van artikel 28, tweede alinea, van die verordening, in bewaring kan worden gehouden wanneer er een significant risico op onderduiken bestaat om zo de overdrachtsprocedure veilig te stellen. Op grond van artikel 29 van diezelfde verordening moet de overdracht worden uitgevoerd zodra dat praktisch mogelijk is, en uiterlijk binnen een termijn van zes maanden vanaf de aanvaarding van de overname door de aangezochte lidstaat.
56.
Uit deze analyse volgt dat de toepassing van de objectieve criteria voor de aanwijzing van de verantwoordelijke staat zoals bepaald in verordening nr. 604/2013 voor de verzoeker die niet verblijft in de lidstaat die verantwoordelijk is voor het verzoek om internationale bescherming, betekent dat een overdrachtsprocedure in gang wordt gezet die bindend voor hem is. In die omstandigheden kan de overdracht van een kind op grond van artikel 29 van verordening nr. 604/2013 die volgt op het verzoek om internationale bescherming dat voor hem is ingediend door een van de ouders die het gezagsrecht heeft, op wie het overdrachtsbesluit ook betrekking heeft, op zichzelf geen schending van dit recht vormen in de zin van artikel 2, punt 11, van verordening nr. 2201/2003. In een dergelijk geval is de overbrenging van het kind immers niet het gevolg van een onrechtmatige handeling die is toe te rekenen aan die ouder, maar van de uitvoering van een afzonderlijke regeling waarvan de toepassing verplicht is voor zowel de lidstaten als de verzoekers om internationale bescherming.
57.
Dit is echter anders wanneer een ouder, onder het mom van een verzoek om internationale bescherming voor het kind en zichzelf, in werkelijkheid de bedoeling heeft om door onrechtmatig handelen de in verordening nr. 2201/2003 neergelegde regels inzake rechterlijke bevoegdheid te omzeilen.38. Hoewel de beoordeling of al dan niet sprake is van misbruik hoe dan ook onder de bevoegdheid valt van de nationale rechter die alle bijzondere omstandigheden van het geval moet onderzoeken, lijkt het mij, gezien de door de verwijzende rechter en de partijen verstrekte informatie, dat een dergelijk ongeoorloofd gedrag niet is aangetoond.39.
58.
De verwijzingsbeslissing bevat immers geen enkel feitelijk element waaruit blijkt dat de moeder misbruik heeft gemaakt van de asielprocedure om de regels inzake rechterlijke bevoegdheid van verordening nr. 2201/2003 te omzeilen.40. Benadrukt moet worden dat de moeder, na reeds op 4 december 2019 in Zweden een verblijfsvergunning voor het kind te hebben aangevraagd, op 7 augustus 2020 heeft verzocht om de toekenning door ditzelfde land van een status van internationale bescherming voor haarzelf en haar kind. Het feit dat de moeder de vader van het kind niet heeft geïnformeerd over het bij de Zweedse autoriteiten ingediende verzoek om internationale bescherming en over de uitkomsten daarvan vormt op zich geen bewijs dat zij een frauduleuze bedoeling had, waarbij bovendien moet worden opgemerkt dat dit gedrag kan voortkomen uit angst aangezien zij in het verleden slachtoffer is geweest van huiselijk geweld. Zoals de verwijzende rechter opmerkt, heeft de moeder nog op 2 september 2020 bij een Zweeds gerecht een verzoek om het exclusieve gezag ingediend, op welke datum de immigratieautoriteit haar al had medegedeeld dat de Republiek Finland verantwoordelijk was voor haar verzoek om internationale bescherming en dat van het kind. Bovendien, zelfs indien de moeder vrijwillig naar Finland is gegaan, blijft het feit dat deze overbrenging heeft plaatsgevonden op grond van een bindend overdrachtsbesluit waartegen niet kan worden ingebracht dat zij verplicht was om gebruik te maken van de mogelijkheid om een rechtsmiddel aan te wenden41. en al helemaal niet dat zij zich daaraan kon onttrekken.
59.
Overeenkomstig dit overdrachtsbesluit hebben de moeder en het kind vervolgens zonder onderbreking in Finland gewoond, de lidstaat waar de verzoeken om internationale bescherming moeten worden behandeld, welke procedure thans aanhangig is en waarbij een gesprek met de moeder en het kind heeft plaatsgevonden op 27 mei 2021. Vastgesteld moet worden dat aangezien in Zweden geen verzoek is ingediend of besluit is genomen tot terugname van de moeder en het kind, de juridische status van betrokkenen nog steeds is die van verzoekers om internationale bescherming die in Finland wonen, de verantwoordelijke staat voor de behandeling van hun verzoek. Bij vonnis van 6 april 2021, dat volgens verweerster in het hoofdgeding definitief is geworden op 12 mei 2021, heeft een Zweedse bestuursrechter de vordering van de vader van het kind strekkende tot diens terugkeer op grond van verordening nr. 604/2013, afgewezen. Tot slot moet worden opgemerkt dat noch de moeder noch het kind op dit moment beschikken over een verblijfsvergunning in Zweden en dat een in familiezaken bevoegde rechter van die lidstaat het exclusieve gezag over het kind heeft toegekend aan de moeder en het verzoek van de vader om een omgangsregeling heeft afgewezen.
60.
Ik ben van mening dat deze omstandigheden van dien aard zijn dat geen sprake is van schending van het gezagsrecht en dus evenmin van de kwalificatie van ‘ongeoorloofd overbrengen of niet doen terugkeren’.
B. Derde, vierde en vijfde vraag
61.
Tot slot merk ik op dat de derde, de vierde en de vijfde prejudiciële vraag betrekking hebben op de voorwaarden waaronder een rechter bij wie een verzoek om terugkeer aanhangig is, dit kan afwijzen op grond van artikel 13, eerste alinea, onder b) van het Haags Verdrag van 1980 en artikel 11, lid 4, van verordening nr. 2201/2003, teneinde de bescherming van het kind te waarborgen.
62.
Uit de formulering zelf van het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat die vragen een aanvullend karakter hebben. Ze zijn slechts relevant wanneer op basis van het antwoord op de eerste twee vragen kan worden geoordeeld dat de omstandigheden in het hoofdgeding vallen onder de kwalificatie van ‘ongeoorloofd overbrengen of niet doen terugkeren’ van het kind in de zin van artikel 2, punt 11, van die verordening. Zoals ik in deze conclusie heb uiteengezet, op een manier die volgens mij geen ruimte laat voor twijfel, kan deze kwalificatie echter niet worden aanvaard. Bijgevolg hoeft niet te worden geantwoord op de derde, de vierde en de vijfde prejudiciële vraag. Voorts merk ik op dat aangezien is bevestigd dat er een — door verweerster in het hoofdgeding ter terechtzitting genoemde — rechterlijke uitspraak bestaat, waarbij het beroep van de vader tegen het vonnis van 29 april 2021 is verworpen en aan de moeder het exclusieve gezag over het gemeenschappelijke kind is toegekend, de discussie bij de verwijzende rechter over de terugkeer van dit kind naar Zweden kan worden afgesloten.
VI. Conclusie
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van de Korkein oikeus als volgt te beantwoorden:
‘Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 moet aldus worden uitgelegd dat de situatie, zoals die in het hoofdgeding, waarin een kind en zijn moeder zijn overgebracht naar en worden vastgehouden in een lidstaat ter uitvoering van een door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong genomen overdrachtsbesluit overeenkomstig verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend, niet kan worden beschouwd als een ongeoorloofd overbrengen of niet doen terugkeren in de zin van artikel 2, punt 11, van verordening nr. 2201/2003, behalve wanneer vaststaat dat de moeder, onder het mom van een voor het kind ingediend verzoek om internationale bescherming, onrechtmatig heeft gehandeld teneinde de regels inzake rechterlijke bevoegdheid van verordening nr. 2201/2003 te omzeilen, hetgeen aan de verwijzende rechter staat om na te gaan in het licht van alle bijzondere omstandigheden van het onderhavige geval.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 14‑07‑2021
Oorspronkelijke taal: Frans.
Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB 2013, L 180, blz. 31).
Verordening van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 (PB 2003, L 338, blz. 1).
Overgenomen is hier de formulering van de tweede prejudiciële vraag zoals die door de verwijzende rechter is gebruikt in zijn antwoord van 21 mei 2021 op het informele verzoek om informatie van het Hof.
Zie in die zin arresten van 18 december 2014, McCarthy e.a. (C-202/13, EU:C:2014:2450, punt 30); 25 juli 2018, Alheto (C-585/16, EU:C:2018:584, punt 67), en 12 maart 2020, VW (Recht op toegang tot een advocaat bij niet-verschijning) (C-659/18, EU:C:2020:201, punten 22 en 23).
Zie in die zin arresten van 27 november 2007, C (C-435/06, EU:C:2007:714, punten 46–51); 21 oktober 2015, Gogova (C-215/15, EU:C:2015:710, punt 26), en 19 september 2018, C.E. en N.E. (C-325/18 PPU en C-375/18 PPU, EU:C:2018:739, punt 55).
Zie in die zin arresten van 27 november 2007, C (C-435/06, EU:C:2007:714, punten 34, 50 en 51); 2 april 2009, A (C-523/07, EU:C:2009:225, punt 24, 27–29), en 26 april 2012, Health Service Executive (C-92/12 PPU, EU:C:2012:255, punten 60 en 61).
In het arrest van 21 oktober 2015, Gogova (C-215/15, EU:C:2015:710, punt 28), heeft het Hof geoordeeld dat, om vast te stellen of een verzoek binnen de werkingssfeer van verordening nr. 2201/2003 valt, het voorwerp ervan als aanknopingspunt moet worden genomen. Ik merk op dat in het onderhavige geval de bewoordingen van het betrokken verzoek al bijna voldoende aanknopingspunten bieden.
Welke formulering moet worden onderscheiden van het meer dwingende ‘is niet van toepassing’.
Arrest van 25 november 2020, Istituto nazionale della previdenza sociale (Gezinsbijslag voor langdurig ingezeten onderdanen) (C-303/19, EU:C:2020:958, punt 26).
Arrest van 13 oktober 2016, Mikołajczyk (C-294/15, EU:C:2016:772, punt 29). Ik breng voorts in herinnering dat, wat betreft de bewoordingen van overweging 10 van verordening nr. 2201/2003, de considerans van een Uniehandeling geen bindende kracht heeft en niet kan worden aangevoerd om van de bepalingen van die handeling af te wijken of om ze uit te leggen in een zin die kennelijk in strijd is met hun bewoordingen [arrest van 25 november 2020, Istituto nazionale della previdenza sociale (Gezinsbijslag voor langdurig ingezeten onderdanen) (C-303/19, EU:C:2020:958, punt 26)].
Zie in die zin arrest van 27 november 2007, C (C-435/06, EU:C:2007:714, punt 30).
Arrest van 9 oktober 2014, C (C-376/14 PPU, EU:C:2014:2268, punt 47).
Voor meer informatie over dit onderscheid, zie conclusie van advocaat-generaal Wahl in de zaak OL (C-111/17 PPU, EU:C:2017:375, punten 44–51).
Zie arresten van 9 oktober 2014, C (C-376/14 PPU, EU:C:2014:2268, punt 54), en 8 juni 2017, OL (C-111/17 PPU, EU:C:2017:436, punt 41).
Zie arresten van 22 december 2010, Mercredi (C-497/10 PPU, EU:C:2010:829, punt 44), en 17 oktober 2018, UD (C-393/18 PPU, EU:C:2018:835, punt 45).
Zie arresten van 2 april 2009, A (C-523/07, EU:C:2009:225, punten 34 en 35); 22 december 2010, Mercredi (C-497/10 PPU, EU:C:2010:829, punten 44–46; 9 oktober 2014, C (C-376/14 PPU, EU:C:2014:2268, punt 50); 8 juni 2017, OL (C-111/17 PPU, EU:C:2017:436, punt 40); 28 juni 2018, HR (C-512/17, EU:C:2018:513, punt 40), en 17 oktober 2018, UD (C-393/18 PPU, EU:C:2018:835, punt 45).
Zie arrest van 28 juni 2018, HR (C-512/17, EU:C:2018:513, punten 41 en 42).
Zie in die zin arresten van 2 april 2009, A (C-523/07, EU:C:2009:225, punten 37 en 38); 22 december 2010, Mercredi (C-497/10 PPU, EU:C:2010:829, punten 44, 47–49); 9 oktober 2014, C (C-376/14 PPU, EU:C:2014:2268, punt 51); 8 juni 2017, OL (C-111/17 PPU, EU:C:2017:436, punten 42 en 43), en 28 juni 2018, HR (C-512/17, EU:C:2018:513, punt 41).
Zie in die zin arresten van 2 april 2009, A (C-523/07, EU:C:2009:225, punt 39), en 28 juni 2018, HR (C-512/17, EU:C:2018:513, punt 43)
Zie arrest van 22 december 2010, Mercredi (C-497/10 PPU, EU:C:2010:829, punten 53–55).
Zie arrest van 8 juni 2017, OL (C-111/17 PPU, EU:C:2017:436, punt 45).
Zie arrest van 28 juni 2018, HR (C-512/17, EU:C:2018:513, punt 45).
Zie arresten van 2 april 2009, A (C-523/07, EU:C:2009:225, punt 40), en 8 juni 2017, OL (C-111/17 PPU, EU:C:2017:436, punten 46 en 47).
Zie conclusie van advocaat-generaal Saugmandsgaard Øe in de zaak UD (C-393/18 PPU, EU:C:2018:749, punt 52).
Volgens de moeder van het kind gaat het overdag naar een Finse crèche en praat het al Fins voor zover een kind van die leeftijd dat al kan. In het arrest van 9 oktober 2014, C (C-376/14 PPU, EU:C:2014:2268, punt 56), heeft het Hof aangegeven dat de noodzaak van bescherming van het belang van het kind met zich meebrengt dat rekening wordt gehouden met feitelijke factoren die een zekere integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving sinds zijn overbrenging kunnen aantonen.
Zie in die zin arrest van 5 oktober 2010, McB. (C-400/10 PPU, EU:C:2010:582, punt 41).
De beëindiging van het gezamenlijke gezag per 29 april 2021 heeft tot gevolg dat de kwalificatie als ‘ongeoorloofd niet doen terugkeren’ in elk geval alleen kan gelden voor de periode van 24 november 2020 tot 29 april 2021.
Zie conclusie van advocaat-generaal Saugmandsgaard Øe in de zaak UD (C-393/18 PPU, EU:C:2018:749, punt 94).
Uit een analyse van de beslissingen uit de database Incadat (overzicht van de rechtspraak van de rechterlijke instanties van de verdragsluitende staten bij het Haags Verdrag van 1980) blijkt dat deze ruime betekenis van het begrip ‘daadwerkelijke uitoefening van het gezagsrecht’ door de rechterlijke instanties van de lidstaten wordt toegepast.
Toelichtend rapport bij het Haags Verdrag van 1980, Perez-Vera, E., punten 72, 73 en 115 (https://assets.hcch.net/docs/a5fb103c-2ceb-4d17-87e3-a7528a0d368c.pdf).
Zie arresten van 23 december 2009, Detiček (C-403/09 PPU, EU:C:2009:810, punt 56), en 1 juli 2010, Povse (C-211/10 PPU, EU:C:2010:400, punt 64).
Zie arrest van 8 juni 2017, OL (C-111/17 PPU, EU:C:2017:436, punt 63). Zie in diezelfde zin arresten van 23 december 2009, Detiček (C-403/09 PPU, EU:C:2009:810, punt 57), en 9 oktober 2014, C (C-376/14 PPU, EU:C:2014:2268, punt 67). In de arresten van 1 juli 2010, Povse (C-211/10 PPU, EU:C:2010:400, punt 43), en 24 maart 2021, SS (C-603/20 PPU, EU:C:2021:231, punt 45), gebruikt het Hof de, meer expliciete en betekenisvolle, algemene term ‘ontvoering’ die ook wordt gebruikt in de aanhef van het Haags Verdrag van 1980.
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PB 2013, L 180, blz. 60).
Zie arrest van 4 oktober 2018, Ahmedbekova (C-652/16, EU:C:2018:801, punten 53–55).
Zie in die zin arrest van 23 januari 2019, M.A. e.a. (C-661/17, EU:C:2019:53, punten 87–90).
Zie in die zin arrest van 7 juni 2016, Ghezelbash (C-63/15, EU:C:2016:409, punt 54).
In het arrest van 18 december 2014, McCarthy e.a. (C-202/13, EU:C:2014:2450, punt 54), heeft het Hof gepreciseerd dat om te bewijzen dat het om misbruik gaat, in elk geval dient te worden nagegaan of de betrokkene de bedoeling had om een door de Unieregeling toegekend voordeel te verkrijgen door kunstmatig de voorwaarden te creëren waaronder het recht op dat voordeel ontstaat.
Bovendien lijkt het mij dat de objectieve moeilijkheid wat betreft kennis en begrip van het in verordening nr. 604/2013 neergelegde complexe mechanisme om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, alsmede de onzekerheid wat betreft de uitkomst van een dergelijke procedure, bijdragen tot de vaststelling dat een strategie die gericht is op misbruik van de bepalingen van deze verordening om op internationaal niveau kunstmatige bevoegdheidsverbanden tot stand te brengen, weinig kans van slagen heeft.
Zie in die zin arrest van 8 juni 2017, OL (C-111/17 PPU, EU:C:2017:436, punt 64).
In het arrest van 7 juni 2016, Ghezelbash (C-63/15, EU:C:2016:409, punt 54), heeft het Hof voorts aangegeven dat het aanwenden van een rechtsmiddel uit hoofde van verordening nr. 604/2013 niet kan worden gelijkgesteld met ‘forum shopping’, dat het Dublinsysteem beoogt te voorkomen.