Rechtbank Oost-Brabant 2 februari 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:307.
HR, 16-05-2025, nr. 24/01401
ECLI:NL:HR:2025:763
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
16-05-2025
- Zaaknummer
24/01401
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:763, Uitspraak, Hoge Raad, 16‑05‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1411
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2024:73
ECLI:NL:PHR:2024:1411, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 20‑12‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:763
Beroepschrift, Hoge Raad, 13‑06‑2024
- Vindplaatsen
JIN 2025/89 met annotatie van mr. P.J.B. van Deurzen, mr. S.A. ten Broecke
JOR 2025/204 met annotatie van mr. T.G. Wouda
NTHR 2025/36, p.191
NJ 2026/141 met annotatie van A.G. Castermans
Uitspraak 16‑05‑2025
Inhoudsindicatie
Verbintenissenrecht. Overeenkomstenrecht. Opzegging duurovereenkomst (pakketvervoer) op grond van opzeggingsbeding. Verlenging contractuele opzegtermijn op grond redelijkheid en billijkheid? Onderscheid aanvullende werking en beperkende werking, art. 6:248 BW; verandering van omstandigheden, art. 6:258 BW. (Schade)vergoeding op grond van redelijkheid en billijkheid of art. 6:74 BW.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/01401
Datum 16 mei 2025
ARREST
In de zaak van
DPD (NEDERLAND) B.V.,
gevestigd te Oirschot,
EISERES tot cassatie,
hierna: DPD,
advocaten: P.A. Fruytier en J.P. Jas,
tegen
1. GET MOVING B.V.,
gevestigd te Twello,
2. BOSCH TRANSPORT B.V.,
gevestigd te Elspeet,
VERWEERSTERS in cassatie,
hierna afzonderlijk: Get Moving en Bosch en gezamenlijk: Get Moving c.s.,
advocaat: L.V. van Gardingen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/01/361604 / HA ZA 20-524 van de rechtbank Oost-Brabant van 21 oktober 2020 en 2 februari 2022;
b. het arrest in de zaak 200.309.005/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 16 januari 2024.
DPD heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Get Moving c.s. hebben een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor Get Moving c.s. mede door Joy Hordijk en David Hakhoff.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.F. Assink strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaten van DPD hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
Deze zaak gaat om de opzegging van een duurovereenkomst.
2.2
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Get Moving en Bosch exploiteren ieder een transportbedrijf gericht op pakketbezorging aan huis. DPD voert een expeditiebedrijf.
(ii) Get Moving is in 2008 in opdracht van DPD pakketten gaan vervoeren. Bosch is vanaf 2011 pakketten voor DPD gaan vervoeren. In dat kader zijn tussen DPD en Get Moving c.s. diverse raamovereenkomsten gesloten.
(iii) De laatste overeenkomst tussen DPD en Bosch is op 19 december 2012 ondertekend en in werking getreden. De laatste overeenkomst tussen DPD en Get Moving is op 1 januari 2013 ondertekend en in werking getreden. Beide overeenkomsten “tot vervoer van pakketten” hebben dezelfde inhoud.
(iv) In de overeenkomsten is onder meer het volgende bepaald:
“Artikel 27 Inwerkingtreding en duur van de Overeenkomst
(...)
27.2.
De Overeenkomst wordt aangegaan voor de duur van één jaar en wordt daaropvolgend telkens stilzwijgend verlengd voor de duur van telkens één jaar.
27.3.
Zowel de Expediteur als de Ondernemer kan de Overeenkomst opzeggen. Opzegging dient schriftelijk te geschieden tegen het einde van de maand en met een opzegtermijn van één maand.”
(v) Op 28 november 2018 heeft DPD telefonisch aan Get Moving c.s. meegedeeld dat de overeenkomsten worden opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van één maand. Bij e-mailberichten en brieven van eind november 2018 heeft DPD de opzegging tegen 1 januari 2019 bevestigd.
(vi) Ondanks e-mailcorrespondentie waarin Get Moving c.s. aan DPD hebben verzocht het besluit tot opzegging te herzien, heeft DPD volhard bij dit besluit. Op 31 december 2018 heeft DPD aan Get Moving c.s. de laatste opdrachten verstrekt.
2.3
Get Moving c.s. vorderen in deze procedure – samengevat – schadevergoeding voor onder meer loonkosten en ontslagvergoedingen.
2.4
De rechtbank1.heeft de vorderingen afgewezen. Het hof2.heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en de zaak verwezen naar de schadestaatprocedure. Daaraan heeft het hof het volgende ten grondslag gelegd.
Vast staat dat tussen partijen meerdere jaren een contractuele relatie heeft bestaan op grond waarvan Get Moving c.s. in opdracht van DPD pakketten rondbrachten. Niet in geschil is dat de overeenkomsten telkens zijn voortgezet en dat de contractuele relatie tussen partijen per 1 januari 2019 is geëindigd door opzegging door DPD. Onder die omstandigheden ligt het in de rede de contractuele relatie tussen partijen aan te merken als duurovereenkomsten. Partijen hebben dat, gezien de wijze waarop zij uitvoering gaven aan de overeenkomsten, kennelijk ook zo bedoeld. (rov. 3.18)
In zijn arrest van 2 februari 2018 (ECLI:NL:HR:2018:141 (Goglio/SMQ Group)) heeft de Hoge Raad de regels inzake de al dan niet opzegbaarheid van duurovereenkomsten uiteengezet. Als een duurovereenkomst voorziet in een regeling van de opzegging, kunnen, indien de wet en hetgeen tussen partijen is overeengekomen daarvoor ruimte laten, de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval op grond van art. 6:248 lid 1 BW meebrengen dat aan de opzegging nadere eisen gesteld worden. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat de opzegging slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging bestaat, een bepaalde opzegtermijn in acht wordt genomen of de opzegging gepaard gaat met een aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding. Een beroep op een uit een overeenkomst voortvloeiende bevoegdheid om de overeenkomst op te zeggen kan op grond van art. 6:248 lid 2 BW onder omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. (rov. 3.20)
Voor de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid op de voet van art. 6:248 lid 1 BW is plaats indien een overeenkomst ter zake van een bepaald onderwerp, zoals in dit geval: de contractuele opzeggingsregeling, een leemte bevat. Of de overeenkomst een leemte bevat, moet worden bepaald door uitleg van de overeenkomst. (rov. 3.22)
Uit de in de overeenkomsten opgenomen opzeggingsregeling volgt niet onder welke omstandigheden de overeenkomsten opgezegd mogen worden. Aan de opzegging zijn geen eisen gesteld, anders dan dat opzegging schriftelijk moet geschieden en met inachtneming van een opzegtermijn van één maand. (rov. 3.23)
Gelet op de substantiële uitbreiding van de samenwerking sinds het begin ervan in 2008 respectievelijk 2011, had het op de weg van partijen gelegen om de overeenkomsten tegen het licht te houden en zo nodig aan te passen aan de veranderde omstandigheden. Aanpassing van de opzegregeling had in de rede gelegen en in zoverre is dus sprake van een leemte in de overeenkomsten. Niet gebleken is dat partijen de veranderde omstandigheden bewust niet hebben meegenomen. Het komt het hof voor dat partijen eenvoudigweg niet onder ogen hebben gezien dat de opzegregeling aanpassing behoefde vanwege de veranderde omstandigheden. Niet alleen Get Moving c.s. stellen zich op het standpunt dat opzegging met inachtneming van een termijn van één maand hun schade heeft berokkend. Ook DPD heeft verklaard dat de opzegging op korte termijn bij haar voor problemen zorgde, omdat zij gebruik heeft moeten maken van dure koeriersdiensten. Dat onderstreept het belang van een aan de sterk veranderde omstandigheden aangepaste uitleg van de overeenkomsten op het punt van de opzegregeling. De grondslag daarvoor is de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid. (rov. 3.25)
Tegen de achtergrond van de langdurige, sterk geïntensiveerde samenwerking tussen partijen, de wijze waarop partijen aan de samenwerking uitvoering gaven, de daardoor bij Get Moving c.s. ontstane redelijke verwachtingen en de afhankelijkheid van Get Moving c.s. van de met de opdrachten van DPD te realiseren omzet, is DPD door een opzegtermijn van één maand in acht te nemen onvoldoende tegemoetgekomen aan het gerechtvaardigde belang van Get Moving c.s. bij een opzegging tegen een langere termijn. (rov. 3.34)
Het belang van Get Moving c.s. bij opzegging tegen een langere termijn ligt daarin dat zij hun bedrijfsvoering, mede gelet op de afhankelijkheid van DPD, op een termijn van één maand niet of nauwelijks konden afstemmen op het op zo korte termijn niet voorziene wegvallen van DPD als opdrachtgever. (rov. 3.35)
DPD heeft te kennen gegeven dat haar belang om met inachtneming van een opzegtermijn van één maand de samenwerking te beëindigen was gelegen in het argument dat de kwaliteit van de uitvoering van de opdrachten door Get Moving c.s. na opzegging ‘niet zou verbeteren’. Een langere opzegtermijn zou dan ook nadelig voor DPD zijn geweest. (rov. 3.36)
Wat hiervan zij, dit belang van DPD weegt minder zwaar dan het aan de continuïteit van hun ondernemingen rakende belang van Get Moving c.s. bij een opzegging op een wat langere termijn dan één maand. (rov. 3.37)
Gelet op al het voorgaande is een opzegtermijn van drie maanden redelijk jegens Get Moving en een opzegtermijn van twee maanden jegens Bosch Transport. (rov. 3.38)
Het voorgaande betekent dat DPD toerekenbaar is tekortgeschoten jegens Get Moving c.s. door op te zeggen met inachtneming van een opzegtermijn van één maand. Get Moving c.s. kunnen aanspraak maken op vergoeding van de hieruit voor hen voortvloeiende schade (art. 6:74 BW). (rov. 3.39)
De gehanteerde opzegtermijn van één maand afgezet tegen het probleem voor Get Moving c.s. om op zo korte termijn hun bedrijfsvoering af te stemmen op het onvoorziene wegvallen van DPD als opdrachtgever, betekent dat de mogelijkheid dat Get Moving c.s. schade hebben geleden, aannemelijk is. (rov. 3.40)
Uitgangspunt van het schadevergoedingsrecht is dat de benadeelde zoveel mogelijk in de toestand moet worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd indien de schadeveroorzakende gebeurtenis zou zijn uitgebleven. (rov. 3.41)
Get Moving c.s. hebben hun vordering echter niet gebaseerd op de vereiste vermogensvergelijking, maar op een opsomming van kosten die volgens Get Moving c.s. voortvloeien uit de opzegging op een termijn van één maand. Daarmee beschikt het hof niet over voldoende gegevens om de schade te begroten die Get Moving c.s. hebben geleden als gevolg van de tekortkoming. Het hof zal partijen voor het begroten van de schade dan ook naar de schadestaatprocedure verwijzen. (rov. 3.42)
3. Beoordeling van het middel
3.1
Het middel klaagt in de kern dat het hof ten onrechte op grond van verandering van omstandigheden een leemte in de overeenkomst heeft aangenomen en deze met toepassing van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid heeft ingevuld, terwijl de overeenkomst een regeling bevat van de opzegging en van de daarvoor geldende termijn. Het hof had de regeling van de opzegging moeten toetsen aan de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid en daarbij het onaanvaardbaarheidscriterium moeten hanteren. In ieder geval is het oordeel van het hof onbegrijpelijk, aldus het middel.
3.2
Bij de beoordeling van deze klachten dient tot uitgangspunt dat een duurovereenkomst die voorziet in een regeling van de opzegging in beginsel op grond van die regeling opzegbaar is. Indien de wet en hetgeen tussen partijen is overeengekomen daarvoor ruimte laten, kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval op grond van art. 6:248 lid 1 BW evenwel meebrengen dat aan de opzegging nadere eisen gesteld worden. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor de opzegging bestaat. Ook kunnen zij meebrengen dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen, of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding. Verder kan een beroep op een uit de wet of een overeenkomst voortvloeiende bevoegdheid de duurovereenkomst op te zeggen, op grond van art. 6:248 lid 2 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn.3.
3.3
Het hof heeft geoordeeld dat de overeengekomen opzegtermijn van één maand niet meer aansloot bij de in de loop der jaren steeds intensiever geworden samenwerking tussen partijen en in de door het hof genoemde omstandigheden onvoldoende recht deed aan de belangen van Get Moving c.s. Het heeft overwogen dat de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat DPD aan die belangen recht had moeten doen door Get Moving en Bosch een langere opzegtermijn van drie respectievelijk twee maanden te gunnen. Dat DPD de overeenkomsten heeft opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van één maand heeft het hof aangemerkt als een toerekenbare tekortkoming die Get Moving c.s. aanspraak geeft op vergoeding van de hieruit voor hen voortvloeiende schade.
3.4
Door aldus te oordelen, zonder te onderzoeken of het beroep van DPD op de contractuele opzegtermijn van één maand naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was, is het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel van het hof komt immers erop neer dat de contractuele opzegtermijn van één maand buiten toepassing blijft en op grond van gedurende de uitvoering van de overeenkomst gewijzigde omstandigheden wordt vervangen door een termijn van drie (DPD) of twee (Bosch) maanden. In het wettelijk stelsel van art. 6:248 BW en art. 6:258 BW kan een contractuele bepaling niet op grond van alleen de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid op deze manier worden ‘uitgeschakeld’. Daaraan doet niet af dat de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid kan meebrengen dat degene die gebruik wil maken van een contractuele opzegmogelijkheid onder omstandigheden gehouden kan zijn de wederpartij aan te bieden een (schade)vergoeding te betalen, en dat bij het bepalen van de omvang van deze (schade)vergoeding van belang kan zijn of de opzeggende partij aan de wederpartij een langere dan de contractuele opzegtermijn gunt of – bij beoordeling achteraf – heeft gegund. Op een dergelijke toepassing van de aanvullende werking berust het oordeel van het hof niet. Het verschil is erin gelegen dat als bij de bedoelde toepassing van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid op de contractueel bepaalde termijn wordt opgezegd zonder het aanbieden van een vergoeding, de hoogte van de dan alsnog te bepalen (schade)vergoeding afhangt van wat in de omstandigheden van het geval uit redelijkheid en billijkheid voortvloeit,4.en niet van de hypothetische gevalsvergelijking die het hof op grond van wanprestatie tot uitgangspunt heeft genomen. De hiervoor in 3.1 weergegeven klacht is derhalve gegrond.
3.5
De overige klachten van het middel kunnen onbehandeld blijven.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 16 januari 2024;
- verwijst het geding naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing;
- veroordeelt Get Moving c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van DPD begroot op € 991,07 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Get Moving c.s. deze niet binnen veertien dagen na heden hebben voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, C.E. du Perron, F.R. Salomons en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 16 mei 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 16‑05‑2025
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 16 januari 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:73.
HR 29 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1709 (Leen Bakker) onder verwijzing naar HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:141 (Goglio/SMQ Group), rov. 3.6.2-3.6.5.
HR 29 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1709 (Leen Bakker), rov. 3.3, 3.4 en 4.2.
Conclusie 20‑12‑2024
Inhoudsindicatie
Verbintenissenrecht. Opzegging van duurovereenkomsten. Aanvulling van leemte inzake contractuele opzegregeling, specifiek opzegtermijn, op basis van aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 1 BW). Toerekenbare tekortkoming door opzegging met te korte opzegtermijn. Verwijzing naar schadestaatprocedure.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/01401
Zitting 20 december 2024
CONCLUSIE
B.F. Assink
In de zaak
DPD (Nederland) B.V. (hierna: DPD),
tegen
1. Get Moving B.V. (hierna: Get Moving),
2. Bosch Transport B.V. (hierna: Bosch Transport, en samen met Get Moving: Get Moving c.s., in vrouwelijk enkelvoud).
Inleiding
DPD en Get Moving c.s. hebben raamovereenkomsten gesloten. Eind 2018 heeft DPD deze opgezegd, met inachtneming van de daarin genoemde opzegtermijn van één maand. In hoger beroep is DPD veroordeeld om aan Get Moving c.s. schadevergoeding te betalen (art. 6:74 BW), omdat DPD jegens Get Moving c.s. een langere opzegtermijn had moeten hanteren. Daarbij speelt de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in art. 6:248 lid 1 BW. Daartegen komt DPD in cassatie op, m.i. zonder succes.
1. Feiten
1.1
In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten, ontleend aan rov. 3.1-3.6 van het bestreden arrest (hierna: het arrest).1.
(i) Zowel Get Moving als Bosch Transport exploiteert een transportbedrijf gericht op pakketbezorging aan huis. DPD voert een expeditiebedrijf. Get Moving is in 2008 in opdracht van DPD pakketten gaan vervoeren. Bosch Transport is vanaf 2011 pakketten voor DPD gaan vervoeren. In dit kader zijn tussen DPD en Get Moving c.s. diverse raamovereenkomsten gesloten.
(ii) De laatste raamovereenkomst tussen DPD en Bosch Transport is op 19 december 2012 ondertekend en in werking getreden, die tussen DPD en Get Moving is op 1 januari 2013 ondertekend en in werking getreden. Deze raamovereenkomsten “tot vervoer van pakketten” (hierna: de Overeenkomsten) hebben dezelfde inhoud.
(iii) In de Overeenkomsten is onder meer het volgende bepaald:
“Artikel 27 Inwerkingtreding en duur van de Overeenkomst
(…)27.2. De Overeenkomst wordt aangegaan voor de duur van één jaar en wordt daaropvolgend telkens stilzwijgend verlengd voor de duur van telkens één jaar.
27.3.
Zowel de Expediteur als de Ondernemer kan de Overeenkomst opzeggen. Opzegging dient schriftelijk te geschieden tegen het einde van de maand en met een opzegtermijn van één maand.”
(iv) Op 28 november 2018 heeft DPD telefonisch aan Get Moving c.s. medegedeeld dat de Overeenkomsten worden opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van één maand. Bij e-mailberichten van 28 en 30 november 2018 (met bijgevoegde brieven van 29 november 2018) heeft DPD de opzegging tegen 1 januari 2019 bevestigd.
(v) Ondanks e-mailcorrespondentie, waarin Get Moving c.s. aan DPD heeft verzocht het besluit tot opzegging te herzien, heeft DPD volhard in dit besluit. Op 31 december 2018 heeft DPD aan Get Moving c.s. de laatste opdrachten verstrekt.2.
2. Procesverloop
In eerste aanleg
2.1
Bij dagvaarding van 30 april 2020 heeft Get Moving c.s. een procedure tegen DPD aanhangig gemaakt bij de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank). Get Moving c.s. vorderde, samengevat en voor zover in cassatie van belang, betaling van schadevergoeding door DPD uit hoofde van wanprestatie onder de Overeenkomsten.
2.2
Daarna heeft DPD een conclusie van antwoord genomen.
2.3
Op 20 december 2021 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Partijen hebben spreekaantekeningen doen overleggen.
2.4
Bij vonnis van 2 februari 2022 (hierna: het vonnis) heeft de rechtbank, samengevat, de vorderingen van Get Moving c.s. afgewezen.
In hoger beroep
2.5
Bij dagvaarding van 15 maart 2022 is Get Moving c.s. in hoger beroep gekomen van het vonnis bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: het hof).
2.6
Daarna: heeft Get Moving c.s. een memorie van grieven tevens houdende vermindering van eis genomen; heeft DPD een memorie van antwoord in principaal appel tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel genomen; en heeft Get Moving c.s. een memorie van antwoord in incidenteel appel genomen.
2.7
Op 15 november 2023 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.3.Partijen hebben spreekaantekeningen doen overleggen.
2.8
Op 16 januari 2024 heeft het hof het arrest uitgesproken. Daarbij heeft het hof, rechtdoende in principaal en incidenteel hoger beroep (rov. 4, dictum):
- het vonnis vernietigd en opnieuw rechtdoende, samengevat:
- DPD veroordeeld om aan Get Moving c.s. schadevergoeding te betalen;
- bepaald dat de schade in een art. 612 Rv-procedure zal worden opgemaakt en vereffend;
- DPD niet-ontvankelijk verklaard in het incidenteel hoger beroep;
- DPD veroordeeld in de proceskosten;
- het arrest uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
- het (in hoger beroep) meer of anders gevorderde, afgewezen.
2.9
Voor de daaraan ten grondslag liggende beoordeling door het hof verwijs ik naar het arrest, in het bijzonder rov. 3.14-3.52. Onderdeel daarvan zijn rov. 3.17 en 3.39:
“3.17. Primair stellen Get Moving c.s. zich op het standpunt dat aan de opzegging op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 1 BW) nadere eisen gesteld hadden moeten worden, in die zin dat aan de opzegging een langere opzeggingstermijn verbonden had moeten worden. De tekortkoming in de wijze van opzeggen vertaalt zich volgens Get Moving c.s. in de verplichting tot het voldoen van schadevergoeding door DPD. (…) (…) 3.39. Het voorgaande [kort gezegd: rov. 3.18-3.38, A-G] betekent dat DPD toerekenbaar is tekortgeschoten jegens Get Moving c.s. door conform de opzegregeling de overeenkomsten op te zeggen met inachtneming van een opzegtermijn van een maand. Op basis van deze toerekenbare tekortkoming kunnen Get Moving c.s. aanspraak maken op vergoeding van de hieruit voor hun voortvloeiende schade (artikel 6:74 BW).”4.
In cassatie
2.10
Bij procesinleiding van 10 april 2024 heeft DPD (tijdig) cassatieberoep ingesteld van het arrest. Vervolgens heeft Get Moving c.s. een verweerschrift ingediend, strekkende tot verwerping van het cassatieberoep. Partijen hebben daarna hun standpunten schriftelijk doen toelichten. DPD heeft nog gerepliceerd.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel van DPD bestaat uit een inleiding zonder klachten (onder I) en twee onderdelen met klachten (onder II). Het eerste onderdeel bevat twee subonderdelen (1.A-1.B) en is gericht tegen (delen van) rov. 3.22-3.38 van het arrest. Het tweede onderdeel bevat een voortbouwklacht (nr. 2.1) en is gericht tegen rov. 3.39-3.43, 3.45, 3.47-3.49 en 3.51.
Onderdeel 1 (“Verlenging overeengekomen opzegtermijn is niet mogelijk op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 1 BW)”)
3.2
De subonderdelen 1.A-1.B worden voorafgegaan door een inleiding zonder klachten (nr. 1.1). Deze inleiding bevat een samenvatting van rov. 3.22-3.38 van het arrest.
Subonderdeel 1.A (“Geen sprake van een leemte in de Overeenkomst ten aanzien van de opzegregeling”)
3.3
Subonderdeel 1.A bestaat uit nrs. 1.2-1.8 met klachten. Zij komen hierop neer.
3.3.1
Van een leemte in een overeenkomst is (enkel) sprake als partijen ten aanzien van een bepaald onderwerp geen wilsovereenstemming hebben bereikt, zij een bepaald probleem onbewust ongeregeld hebben gelaten of een bepaling (ver)nietig(d) is, terwijl wet en gewoonte niet in een oplossing voorzien, maar een oplossing wél nodig is om een redelijke uitkomst te kunnen bereiken. Van een leemte is (dus) géén sprake als partijen, zoals hier ten aanzien van de opzegregeling (in het bijzonder: de opzegtermijn) in de Overeenkomsten, omtrent dat onderwerp een uitdrukkelijke regeling hebben getroffen. Oók niet als zich sinds de totstandkoming van die regeling veranderde omstandigheden hebben voorgedaan en/of partijen niet (om die reden) tot heronderhandeling van die regeling zijn overgegaan. Bij gebreke van een leemte komt de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid niet voor toepassing in aanmerking. Het hof miskent dat. Dit is klacht a (en bestrijkt nr. 1.2).
3.3.2
Althans: het hof miskent dat de uit het Goglio/SMQ Group-arrest5.voortvloeiende regel dat een in een duurovereenkomst opgenomen opzegregeling op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid met “nadere eisen” kan worden aangevuld, niet meebrengt dat een in een duurovereenkomst overeengekomen opzegtermijn met toepassing van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid kan worden verlengd respectievelijk dat een langere opzegtermijn mag worden aangenomen dan is overeengekomen. Dan wel ziet het hof eraan voorbij dat voor zodanige “nadere eisen” (enkel) ruimte is indien partijen die eisen (in het geheel) niet in de opzegregeling hebben opgenomen.6.Deze “nadere eisen” kunnen geen aanvulling betreffen van eisen die partijen wél reeds uitdrukkelijk in de opzegregeling hebben opgenomen,7.want er is dan geen sprake van een leemte (die met een nader vereiste kan worden ingevuld), maar van een wijziging van de door partijen getroffen regeling. Dit is klacht b (en bestrijkt nr. 1.3).
3.3.3
In ieder geval is het oordeel dat de Overeenkomsten ten aanzien van de opzegregeling (in het bijzonder: de opzegtermijn) een leemte bevatten onbegrijpelijk. In de Overeenkomsten is een opzegregeling opgenomen, met een opzegtermijn van één maand. Partijen hebben dus juist uitdrukkelijk voorzien in een opzegtermijn. Daartoe verhoudt zich niet op begrijpelijke wijze ’s hofs oordeel dat desondanks ten aanzien van de opzegregeling (in het bijzonder: de opzegtermijn) sprake is van een leemte in de Overeenkomsten, ten gevolge waarvan DPD op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid niet de overeengekomen opzegtermijn van één maand in acht moet nemen, maar een (verlengde) opzegtermijn van twee maanden jegens Bosch Transport en van drie maanden jegens Get Moving. Dit is klacht c (en bestrijkt nr. 1.4).
3.3.4 ’
’s Hofs oordeel is voorts onjuist, omdat de (enkele) omstandigheid dat aanpassing van de opzegregeling aan sinds het begin van de samenwerking veranderde omstandigheden in de rede had gelegen, dan wel dat met betrekking tot de opzegregeling een verplichting tot heronderhandeling bestaat, nog niet tot gevolg heeft dat een door partijen getroffen regeling op dat punt een leemte bevat. Of een partijregeling een leemte bevat, dient namelijk steeds door middel van uitleg van de desbetreffende regeling te worden vastgesteld. In ieder geval valt zonder (ontbrekende) motivering niet in te zien om welke redenen het uitblijven van enige aanpassing van de opzegregeling aan sinds het begin van de samenwerking veranderde omstandigheden, terwijl dat wél in de rede had gelegen, respectievelijk het uitblijven van enige heronderhandeling van de opzegregeling zou kunnen leiden tot, dan wel zou kunnen bijdragen aan, het oordeel dat de Overeenkomsten op het punt van de opzegregeling (in het bijzonder: de opzegtermijn) een leemte bevatten. Die omstandigheden brengen immers niet mee dat partijen géén opzegregeling zijn overeengekomen waarin een opzegtermijn van één maand is vervat. Dit is klacht d (en bestrijkt nr. 1.5).
3.3.5
Voor zover het hof oordeelt dat de Overeenkomsten ten aanzien van de opzegregeling (in het bijzonder: de opzegtermijn) een leemte bevatten, omdat DPD en Get Moving c.s. niet wegens veranderde omstandigheden tot heronderhandeling van de opzegregeling zijn overgegaan, is dat oordeel ook onjuist dan wel onvoldoende gemotiveerd. Want uit de wet vloeit geen verplichting tot heronderhandeling van een contractuele regeling voort ingeval van veranderde omstandigheden. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt ook niet in te zien op welke (andere) grondslag en/of om welke (andere) reden(en) DPD en Get Moving c.s. gehouden waren om gedurende de looptijd van de Overeenkomsten tot heronderhandeling van de opzegregeling of anderszins van de Overeenkomsten over te gaan.8.Dit is klacht e (en bestrijkt nr. 1.6).
3.3.6
Met het (kennelijke) oordeel dat de Overeenkomsten ten aanzien van de opzegregeling (in het bijzonder: de opzegtermijn) een leemte bevatten, omdat DPD en Get Moving c.s. niet wegens veranderde omstandigheden tot heronderhandeling van de opzegregeling zijn overgegaan, treedt het hof bovendien buiten de grenzen van de rechtsstrijd. Get Moving c.s. heeft immers niet gesteld dat partijen, al dan niet wegens veranderde omstandigheden, verplicht waren om tot heronderhandeling van de opzegregeling over te gaan en dat om die reden op dat punt sprake is van een leemte in de Overeenkomsten. Dit is klacht f (en bestrijkt nr. 1.7).
3.3.7 ’
’s Hofs oordeel is innerlijk tegenstrijdig en, aldus, onbegrijpelijk. Het hof komt in rov. 3.25 tot het oordeel dat de in de Overeenkomsten opgenomen opzegregeling een leemte bevat, terwijl het in rov. 3.38 oordeelt dat een “correctie” op de in de Overeenkomsten opgenomen opzegregeling gerechtvaardigd is. Uit “correctie” volgt dat het hof kennelijk oordeelt dat de opzegregeling niet hoeft te worden aangevuld, maar materieel moet worden gewijzigd c.q. gecorrigeerd. Dan is geen sprake van een leemte die aanleiding kan gegeven tot toepassing van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid. Dit is klacht g (en bestrijkt nr. 1.8).
Behandeling
3.4
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.5
Te beginnen met klacht a.
3.5.1
Deze strandt op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest, voor zover zij ervan uitgaat dat het hof de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in art. 6:248 lid 1 BW toepast zonder te hebben vastgesteld (op basis van uitleg van de Overeenkomsten) dat sprake is van een leemte in de Overeenkomsten. Uit rov. 3.22-3.25 blijkt al dat en waarom volgens het hof sprake is van zo’n leemte op het punt van de opzegregeling (in het bijzonder wat betreft de opzegtermijn). Daarbij betrekt het hof dus onder meer - zie rov. 3.22, het vertrekpunt - dat voor die aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid plaats is indien een overeenkomst ter zake van een bepaald onderwerp, zoals in dit geval de contractuele opzegregeling, een leemte bevat. En dat het antwoord op de vraag of de overeenkomst in kwestie een leemte bevat, zoals in dit geval dus inzake die opzegregeling, moet worden bepaald door uitleg van die overeenkomst.9.Waarna het hof overgaat tot toepassing hiervan op de Overeenkomsten, met inachtneming ook van het partijdebat.
3.5.2
Voor het overige loopt de klacht erop vast dat de daarin verdedigde opvatting, die het hof niet huldigt in het arrest, te categorisch is en reeds daarom geen steun vindt in het recht. Want anders dan de klacht in algemene zin veronderstelt,10.brengt het enkele feit dat partijen in (de tekst van) een overeenkomst omtrent een bepaald onderwerp “een uitdrukkelijke regeling” hebben getroffen níet mee dat zich ten aanzien van dit onderwerp ‘dus’ geen (voor aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in art. 6:248 lid 1 BW relevante) leemte in deze overeenkomst (dat wil zeggen: de rechtsverhouding) meer kan voordoen, ongeacht de verdere omstandigheden van het concrete geval. Het enkele feit dat in de Overeenkomsten een opzegregeling met een opzegtermijn van één maand is opgenomen, betekent derhalve níet dat zich in de desbetreffende rechtsverhoudingen ten aanzien van de in een concreet geval in acht te nemen opzegtermijn per definitie geen leemte meer kan voordoen (die zich, afhankelijk ook van de omstandigheden van het geval, laat aanvullen op basis van die aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid).
3.5.3
Zo kan van een dergelijke leemte ook sprake zijn bij gebleken onvolledigheid van wat contractueel is geregeld inzake opzegging, bijvoorbeeld doordat gedurende de looptijd van de Overeenkomsten de samenwerking tussen DPD en Get Moving c.s. in dat kader zich zodanig heeft ontwikkeld dat de daarin opgenomen opzegregeling (in het bijzonder wat betreft de opzegtermijn) niet meer aansluit op de actuele, inmiddels sterk gewijzigde situatie ten tijde van de opzegging door een partij, welke situatie partijen niet bewust ongeregeld hebben gelaten met de bedoeling dat er in dat opzicht geen leemte zal zijn.11.In zoverre voorzien de Overeenkomsten niet in een regeling voor die actuele, voorliggende situatie en doet zich daarin een leemte voor (die zich, afhankelijk ook van de omstandigheden van het geval, laat aanvullen op basis van die aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid). Het hof onderkent dit een en ander in het arrest.
3.5.4
Wordt die leemte aangevuld op basis van die aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid, met het oog op een goede werking van de rechtsverhouding tussen partijen en met inachtneming van de aard en inhoud van de Overeenkomsten en de omstandigheden van het geval, dan is dus ook geen sprake van een ‘wijziging’ van wat wel uitdrukkelijk is geregeld in de Overeenkomsten. Die aanvulling heeft immers geen betrekking op een situatie als bestreken door deze uitdrukkelijke regeling, maar biedt een voorziening voor die actuele, inmiddels sterk gewijzigde situatie waarop voornoemde regeling niet meer aansluit, welke situatie - laatstgenoemde dus - partijen niet bewust ongeregeld hebben gelaten met de bedoeling dat er in dat opzicht geen leemte zal zijn.12.,13.Het hof ziet ook hieraan niet voorbij.
3.6
Dan klacht b.
3.6.1
Deze strandt in het voetspoor van klacht a, die faalt. Zie onder 3.5.1-3.5.4 hiervoor.
3.6.2
Naar daaruit volgt, vloeit ook uit het Goglio/SMQ Group-arrest van de Hoge Raad niet een rechtsregel voort die het hof in het bestreden oordeel miskent. In het bijzonder betekent de verwijzing in dit arrest naar “nadere eisen”,14.anders dan de klacht wil, níet dat van dergelijke eisen geen sprake kan zijn met betrekking tot een punt waarop in een overeenkomst al een regeling is opgenomen, omdat inzake dit punt dan al, met die uitdrukkelijke regeling, een regeling is getroffen.15.Of anders gezegd: níet geldt dat van dergelijke eisen slechts sprake kan zijn bij extra eisen waaraan moet worden voldaan, dus bovenop de punten waarop partijen al regelingen hebben getroffen en die dan blijven staan.16.Zo’n restrictieve rechtsregel bestaat derhalve niet.17.
3.6.3
Daarmee ontvalt tevens de bodem aan het vervolg van de klacht, ook voor zover daarin nog wordt geredeneerd vanuit “een verplichting tot inachtneming van een langere opzegtermijn dan de opzegtermijn die partijen zijn overeengekomen“ als “een wijziging van de door partijen getroffen regeling”, niet zijnde “een leemte die met een nader vereiste kan worden ingevuld”. Dit ziet eraan voorbij dat van een (voor aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in art. 6:248 lid 1 BW relevante) leemte in een overeenkomst dus ook sprake kan zijn bij gebleken onvolledigheid van wat contractueel is geregeld inzake opzegging doordat die regeling de actuele, voorliggende situatie niet afdekt, welke situatie partijen niet bewust ongeregeld hebben gelaten met de bedoeling dat er in dat opzicht geen leemte zal zijn. En dat als die leemte wordt aangevuld op basis van die aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid, dus ook geen sprake is van een ‘wijziging’ van wat wel uitdrukkelijk is geregeld in die overeenkomst. Zie nader onder 3.5.2-3.5.4 hiervoor.
3.7
Dan klacht c.
3.7.1
Ook deze mist doel.
3.7.2
Voor zover de klacht voortbouwt op klachten a-b (specifiek de daarin gepropageerde (onjuiste) rechtsopvatting),18.die falen, deelt zij in het lot daarvan. Zie onder 3.5-3.6.3 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.
3.7.3
Ook voor het overige mislukt de klacht. Zij gaat niet in op wat het hof ter zake doet in het arrest.19.En wat het hof ter zake doet in het arrest is geenszins onbegrijpelijk.
3.7.4
Als gezegd: uit rov. 3.22-3.25 blijkt al dat en waarom volgens het hof sprake is van een leemte in de Overeenkomsten op het punt van de opzegregeling (in het bijzonder wat betreft de opzegtermijn). Wat het hof daarbij tot vertrekpunt neemt in rov. 3.22 zette ik ook uiteen onder 3.5.1 hiervoor. Uit rov. 3.23-3.25 volgt dat het hof die leemte aanneemt mede tegen de achtergrond van de in rov. 3.24 bedoelde substantiële uitbreiding van de samenwerking tussen DPD en Get Moving c.s. sinds het begin van de samenwerking in 2008 (DPD en Get Moving) respectievelijk 2011 (DPD en Bosch Transport).20.Kort en goed: gedurende de looptijd van de Overeenkomsten heeft de samenwerking tussen DPD en Get Moving c.s. in dat kader zich zodanig ontwikkeld dat de daarin opgenomen opzegregeling (in het bijzonder wat betreft de opzegtermijn) niet meer aansluit op de actuele, inmiddels sterk gewijzigde situatie ten tijde van de onderhavige opzegging door DPD eind 2018, welke situatie partijen niet bewust ongeregeld hebben gelaten met de bedoeling dat er in dat opzicht geen leemte zal zijn. In zoverre voorzien de Overeenkomsten niet in een regeling voor die actuele, voorliggende situatie en doet zich daarin een leemte voor (die zich, afhankelijk ook van de omstandigheden van het geval, laat aanvullen op basis van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in art. 6:248 lid 1 BW), aldus het hof. Zie ook onder 3.5.2-3.5.4 hiervoor.
3.7.5
Daarbij betrekt het hof, blijkens rov. 3.25 en kort gezegd, dat het op de weg van partijen had gelegen om de Overeenkomsten tegen het licht te houden en zo nodig aan te passen aan die sinds het begin van de samenwerking sterk veranderde omstandigheden. Alsmede dat aanpassing van de in rov. 3.23 samengevatte opzegregeling in de Overeenkomsten (met een opzegtermijn van één maand) aan die veranderde omstandigheden daarom in de rede had gelegen, en in zoverre dus sprake is van een leemte in de Overeenkomsten.21.Dit met de aantekening dat niet is gebleken dat partijen die veranderde omstandigheden bewust niet hebben meegenomen in de Overeenkomsten, dat - zo komt het het hof voor - partijen eenvoudigweg niet onder ogen hebben gezien dat die opzegregeling aanpassing behoefde vanwege die veranderde omstandigheden. In rov. 3.25 benadrukt het hof ook nog eens dat die opzegregeling niet meer aansloot op de actuele, inmiddels sterk gewijzigde situatie ten tijde van de onderhavige opzegging, door erop te wijzen dat zowel Get Moving c.s. als DPD heeft gesteld dat die opzegging met inachtneming van één maand haar schade heeft berokkend/voor problemen stelde.
3.7.6
Gegeven dit een en ander is ’s hofs oordeel dat en waarom sprake is van een leemte in de Overeenkomsten op het punt van de opzegregeling (in het bijzonder wat betreft de opzegtermijn) niet onbegrijpelijk. Dit wordt naar de aard nog niet anders door de enkele stelling in de klacht dat DPD en Get Moving c.s. in de Overeenkomsten een opzegregeling met een opzegtermijn van één maand hebben opgenomen, welke omstandigheid het hof dus ook betrekt in rov. 3.22-3.25. Overigens meen ik dat dit - sterk feitelijke - oordeel blijk geeft van een passende terughoudendheid bij het hof en ook verder niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
3.7.7
Blijkens rov. 3.38 is het hof van oordeel dat voornoemde leemte in de Overeenkomsten aldus aangevuld dient te worden op basis van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in art. 6:248 lid 1 BW, dat een opzegtermijn van drie maanden redelijk is jegens Get Moving en een opzegtermijn van twee maanden redelijk is jegens Bosch Transport; DPD had bij de onderhavige opzegging dus een langere opzegtermijn in acht moeten nemen (die drie respectievelijk twee maanden) dan zij deed (één maand). Het hof geeft dit oordeel onder het gesternte van het slot van rov. 3.25, gevolgd door rov. 3.26-3.37. Daarin gaat het hof in op de relevante feiten en omstandigheden22.en de betrokken belangen, wat insluit dat het hof ook let op de aard en inhoud van de Overeenkomsten.
3.7.8
Gegeven dit een en ander is voornoemde oordeel van het hof in rov. 3.38 evenmin onbegrijpelijk te noemen. Ook dit wordt naar de aard nog niet anders door de enkele stelling in de klacht dat DPD en Get Moving c.s. in de Overeenkomsten een opzegregeling met een opzegtermijn van één maand hebben opgenomen, welke omstandigheid het hof dus ook betrekt in rov. 3.25-3.38. Overigens meen ik dat ook dit - sterk feitelijke - oordeel blijk geeft van een passende terughoudendheid bij het hof en ook verder niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
3.8
Dan klacht d.
3.8.1
Voor zover deze voortbouwt op klachten a-b (specifiek de daarin gepropageerde (onjuiste) rechtsopvatting),23.die falen, deelt zij in het lot daarvan. Zie onder 3.5-3.6.3 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.
3.8.2
Ook voor het overige mislukt de klacht.
3.8.3
Voor zover deze het hof een onjuiste rechtsopvatting tracht aan te wrijven, strandt zij reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. Anders dan de klacht hier veronderstelt, gaat het hof in het arrest wél ervan uit dat het antwoord op de vraag of de Overeenkomsten (specifiek: de opzegregeling) een leemte bevatten, moet worden vastgesteld door uitleg daarvan. Het hof stelt dit zelfs voorop in rov. 3.22, en geeft daaraan vervolgens uitvoering. Zie onder 3.5.1 hiervoor. Dit is hier al fataal voor de klacht.
3.8.4
In dit verband wijs ik ten overvloede nog op het volgende.
3.8.5
Nergens in het arrest oordeelt het hof dat inzake de opzegregeling in de Overeenkomsten “een verplichting tot heronderhandeling bestaat” voor partijen. Het oordeelt wel in rov. 3.25, maar dit is iets anders, dat het op de weg van partijen had gelegen om de Overeenkomsten tegen het licht te houden en zo nodig aan te passen aan de sinds het begin van de samenwerking sterk veranderde omstandigheden (zie rov. 3.24). Alsmede dat aanpassing van de in rov. 3.23 samengevatte opzegregeling in de Overeenkomsten (met een opzegtermijn van één maand) aan die veranderde omstandigheden daarom in de rede had gelegen, en in zoverre dus sprake is van een leemte in de Overeenkomsten. Waarbij het hof nog het een en ander aantekent en benadrukt. Zie nader onder 3.7.4-3.7.5 hiervoor.
3.8.6
Evenmin is het zo dat het hof in het arrest tot het oordeel komt dat de Overeenkomsten (specifiek: de opzegregeling) een leemte bevatten op basis van “de (enkele) omstandigheid dat aanpassing van de opzegregeling aan sinds het begin van de samenwerking veranderde omstandigheden in de rede had gelegen”. Zoals reeds blijkt uit rov. 3.22-3.25 is ’s hofs basis voor dat oordeel bepaald breder. Zie wederom onder 3.7.4-3.7.5 hiervoor.
3.8.7
Succes blijft eveneens uit voor zover de klacht nog aanvoert dat ’s hofs oordeel ontoereikend is gemotiveerd. Op basis van wat het hof uiteenzet in rov. 3.22-3.25 valt prima in te zien waarom de Overeenkomsten op het punt van de opzegregeling (in het bijzonder wat betreft de opzegtermijn) een leemte bevatten. Zie onder 3.7.4-3.7.6 hiervoor. Dit wordt niet anders door hetgeen de klacht hier aanvoert, in essentie dat de door het hof betrokken omstandigheden onverlet laten dat in de Overeenkomsten een opzegregeling met een opzegtermijn van één maand is opgenomen. Dit laatste onderkent het hof (ook) in rov. 3.22-3.25, maar vormt begrijpelijkerwijs geen obstakel voor diens vaststelling van voornoemde leemte. Daartoe komt het hof immers op grond van het oordeel dat gedurende de looptijd van de Overeenkomsten de samenwerking tussen DPD en Get Moving c.s. in dat kader zich zodanig heeft ontwikkeld dat de daarin opgenomen opzegregeling (in het bijzonder wat betreft de opzegtermijn) niet meer aansluit op de actuele, inmiddels sterk gewijzigde situatie ten tijde van de onderhavige opzegging door DPD eind 2018, welke situatie partijen niet bewust ongeregeld hebben gelaten met de bedoeling dat er in dat opzicht geen leemte zal zijn. In zoverre voorzien de Overeenkomsten niet in een regeling voor die actuele, voorliggende situatie en doet zich daarin een leemte voor (die zich, afhankelijk ook van de omstandigheden van het geval, laat aanvullen op basis van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in art. 6:248 lid 1 BW), aldus het hof. Zie onder 3.7.4-3.7.5 hiervoor.
3.8.8
Overigens geldt hier eveneens dat voor zover de klacht redeneert vanuit een door het hof aangenomen verplichting van partijen tot heronderhandeling, zij strandt op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. Zie onder 3.8.5 hiervoor.
3.9
Dan klacht e.
3.9.1
Deze strandt reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. Want zij veronderstelt, ten onrechte, dat het hof daarin een verplichting van partijen tot heronderhandeling aanneemt.24.Zie onder 3.8.5 en 3.8.8 hiervoor. Dit is al fataal voor de klacht.
3.9.2
Overigens oordeelt het hof in het arrest evenmin, anders dan de klacht tot vertrekpunt neemt, dat de Overeenkomsten ten aanzien van de opzegregeling (in het bijzonder wat betreft de opzegtermijn) een leemte bevatten “omdat DPD en Get Moving c.s. niet wegens veranderende omstandigheden tot heronderhandeling van de opzegregeling zijn overgegaan.” Wat het hof ter zake wel doet, zette ik uiteen onder 3.7.4-3.7.5 hiervoor.
3.10
Dan klacht f.
3.10.1
Deze strandt in het voetspoor van klacht e, die faalt.25.Zie onder 3.9-3.9.2 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.
3.11
Tot slot klacht g.
3.11.1
Ook deze loopt vast, want de daarin veronderstelde innerlijke tegenstrijdigheid (en daarmee onbegrijpelijkheid) van ’s hofs oordeel doet zich in werkelijkheid niet voor. Anders dan de klacht wil, daarbij redenerend vanuit een “kennelijk” andersluidend oordeel van het hof (in termen van materiële wijziging van de in de Overeenkomsten opgenomen opzegregeling),26.doelt het hof in rov. 3.38 van het arrest met “correctie” uiteraard op aanvulling van de in de Overeenkomsten opgenomen opzegregeling vanwege de vastgestelde leemte dienaangaande, en wel op basis van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in art. 6:248 lid 1 BW.27.Het betreft dus geen correctie van de desbetreffende rechtsverhoudingen, maar een aanvulling in dat kader. De aanloop naar rov. 3.38, in het bijzonder vanaf rov. 3.22 (waaronder dus rov. 3.25), staat helemaal in de sleutel van zo’n aanvulling - gelijk rov. 3.38. Bovendien moet rov. 3.22-3.38 worden gelezen tegen de achtergrond van rov. 3.20-3.21, waarin het hof ingaat op het juridische kader van opzegging van duurovereenkomsten (specifiek art. 6:248 lid 1-2 BW) en overweegt dat in zoverre de redelijkheid en billijkheid, dus ook de aanvullende werking daarvan als bedoeld in art. 6:248 lid 1 BW, fungeert als correctiemechanisme op het beginsel van contractsvrijheid (wat daar ook van zij). Daarop sluit ook rov. 3.38 dus mooi aan. Kortom, ook deze klacht mist feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest.
Subonderdeel 1.B (“Hof had moeten toetsen aan de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid”)
3.12
Subonderdeel 1.B bestaat uit nrs. 1.9-1.10 met klachten. Zij komen hierop neer.
3.12.1
Het hof miskent voorts dat een overeengekomen contractuele regeling, die op grond van het aan het contractenrecht ten grondslag liggende uitgangspunt van “pacta sunt servanda” in beginsel dient te worden nagekomen, in een concrete situatie (enkel) terzijde kan worden gesteld op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 2 BW), maar niét op basis van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 1 BW). Dat geldt in ieder geval voor opzegregelingen en/of -termijnen. De beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid kan meebrengen dat een door partijen getroffen regeling niet van toepassing is, voor zover die toepassing in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Dat geldt in gelijke zin indien partijen in een duurovereenkomst een opzegregeling zijn overeengekomen. Toepassing van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid kan dat rechtsgevolg dus niet bewerkstelligen. Dit is klacht a (en bestrijkt nr. 1.9).
3.12.2
In ieder geval is ’s hofs oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Het hof onderzoekt immers niet (kenbaar) of het beroep van DPD op de opzegregeling op basis van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid van art. 6:248 lid 2 BW in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dit terwijl het hof, in het bijzonder in rov. 3.22, 3.25 en de tussenkopjes boven rov. 3.22 en 3.26, juist aanknoopt bij de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid van art. 6:248 lid 1 BW. Het hof toetst zelfs nergens aan de onaanvaardbaarheidsmaatstaf, terwijl dat wél is vereist. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt dan ook niet in te zien dat en om welke reden(en) de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid volgens het hof tot gevolg zou hebben dat DPD zich niet kan beroepen op de met Get Moving c.s. overeengekomen opzegtermijn van één maand. Dit is klacht b (en bestrijkt nr. 1.10).
Behandeling
3.13
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.14
Te beginnen met klacht a.
3.14.1
Anders dan deze tot vertrekpunt neemt,28.miskent het hof in het arrest niet dat een tussen partijen overeengekomen contractuele (opzeg)regeling in een concrete situatie (enkel) terzijde kan worden gesteld op grond van art. 6:248 lid 2 BW, niet ook van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in art. 6:248 lid 1 BW. Het hof oordeelt nergens dat een in de Overeenkomsten opgenomen regeling, in het bijzonder de opzegregeling, tussen DPD en Get Moving c.s. als gevolg van de Overeenkomsten op zich ook integraal geldt voor een opzegging daarvan als de onderhavige (door DPD eind 2018), maar in de gegeven omstandigheden niet integraal van toepassing is op die opzegging.
3.14.2
Het hof gaat juist ervan uit dat gedurende de looptijd van de Overeenkomsten de samenwerking tussen DPD en Get Moving c.s. in dat kader zich zodanig heeft ontwikkeld dat voornoemde opzegregeling (in het bijzonder wat betreft de opzegtermijn) niet meer aansluit op de actuele, inmiddels sterk gewijzigde situatie ten tijde van de onderhavige opzegging, welke situatie partijen niet bewust ongeregeld hebben gelaten met de bedoeling dat er in dat opzicht geen leemte zal zijn. In zoverre voorzien de Overeenkomsten niet in een regeling voor die actuele, voorliggende situatie en doet zich daarin een leemte voor (die zich, afhankelijk ook van de omstandigheden van het geval, laat aanvullen op basis van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in art. 6:248 lid 1 BW), aldus het hof. Zie onder 3.7.4-3.7.5 en 3.8.7 hiervoor.29.
3.14.3
Nu het hof in het arrest dus niet redeneert vanuit enige terzijdestelling van een in de Overeenkomsten opgenomen (opzeg)regeling waarop art. 6:248 lid 2 BW betrekking heeft, is er evenmin sprake van dat het hof daarin ten onrechte overgaat tot zo’n terzijdestelling op de voet van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in art. 6:248 lid 1 BW. Kortom, de klacht mist feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest.
3.15
Tot slot klacht b.
3.15.1
Ook deze strandt reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. Want zij veronderstelt, ten onrechte, dat het hof van oordeel is dat de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in art. 6:248 lid 2 BW tot gevolg heeft dat DPD zich niet kan beroepen op de in de Overeenkomsten opgenomen opzegregeling (specifiek de daarin genoemde opzegtermijn van één maand), evenwel zonder daarbij (kenbaar) te toetsen aan de onaanvaardbaarheidsmaatstaf in deze bepaling.
3.15.2 ’
’s Hofs oordeel in rov. 3.22-3.38 staat in een andere sleutel dan die beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Namelijk die van een leemte in de Overeenkomsten op het punt van de opzegregeling, en aanvulling daarvan op basis van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in art. 6:248 lid 1 BW. Zie mede onder 3.14.1-3.14.3 hiervoor. Gegeven dat oordeel was er voor het hof trouwens ook geen reden nog te bezien of die beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid tot gevolg heeft dat DPD zich niet kan beroepen op de in de Overeenkomsten opgenomen opzegregeling.30.
3.16
Daarmee is gegeven dat onderdeel 1 faalt.
Onderdeel 2 (“Voortbouwklacht”)
3.17
Dit onderdeel bevat enkel een voortbouwklacht,31.erop neerkomende dat het slagen van (één van) de klachten uit onderdeel 1 ook het oordeel van het hof in rov. 3.39-3.43, 3.45, 3.47-3.49 en 3.51 van het arrest aantast.
Behandeling
3.18
Het onderdeel bouwt voort op en deelt daarom in het lot van onderdeel 1, dat faalt. Zie, concluderend, onder 3.16 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.
3.19
Daarmee is gegeven dat ook onderdeel 2 faalt.
Slotsom
3.20
Het cassatiemiddel van DPD is derhalve vergeefs voorgesteld.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 20‑12‑2024
Zie Hof ’s-Hertogenbosch 16 januari 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:73.
In rov. 3.7-3.8 van het arrest wordt nog erop gewezen, samengevat, dat vervolgens Get Moving c.s. DPD heeft gedagvaard in kort geding. En dat bij vonnis in kort geding van 28 februari 2019 de vorderingen zijn afgewezen.
Zoals daaruit ook blijkt (p. 2), heeft DPD tijdens de mondelinge behandeling het incidenteel hoger beroep ingetrokken.
Blijkens rov. 3.18 plaatst het hof de Overeenkomsten in de sleutel van duurovereenkomsten.
Gedoeld wordt op HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:141, NJ 2018/98.
Zoals een verplichting tot het doen van een aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding indien die verplichting (in het geheel) niet is overeengekomen.
Zoals een verplichting tot inachtneming van een langere opzegtermijn dan de opzegtermijn die partijen zijn overeengekomen.
DPD en Get Moving c.s. hebben een zodanige verplichting niet in de Overeenkomsten opgenomen en zijn deze ook niet anderszins overeengekomen, terwijl het hof niet expliciteert uit hoofde waarvan wél een verplichting tot heronderhandeling zou gelden.
M.i. doelt het hof daarmee op bekende rechtspraak inzake de Haviltex-maatstaf, zoals (uiteraard) HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, NJ 1981/635, rov. 2 en HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3749, NJ 2014/415, rov. 3.4.2. Zie bijv. ook A-G Wissink (ECLI:NL:PHR:2010:BN7886) voor 19 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN7886, NJ 2010/623, onder 3.7-3.10. Dit hoefde het hof niet te expliciteren.
Zie ook de schriftelijke toelichting zijdens DPD, nr. 13.
Relevante rechtspraak laat die ruimte. Zie bijv. HR 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1134, NJ 2016/450, rov. 4.4.2 en HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:141, NJ 2018/98, rov. 3.6.3. Zie verder bijv. NJ-annotator J.B.M. Vranken in nrs. 4-5, 11 onder HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3749, NJ 2014/415; H.N. Schelhaas, Redelijkheid en billijkheid, Deventer: Wolters Kluwer 2017, nr. 24; A-G Wissink (ECLI:NL:PHR:2018:1182) voor HR 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2300, JOR 2019/90, onder 5.4.1-5.4.2; M.M. van Rossum, ‘Onvoorziene omstandigheden en redelijkheid en billijkheid’, TvHB 2019/5, p. 352; H.N. Schelhaas & W.L. Valk, Uitleg van rechtshandelingen, Deventer: Wolters Kluwer 2022, par. 5.4.2; Asser/C.H. Sieburgh, Algemeen overeenkomstenrecht (6-III), Deventer: Wolters Kluwer 2022, nrs. 366, 379-380, 403; A-G Drijber (ECLI:NL:PHR:2022:259) voor HR 16 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1234, RvdW 2022/832, onder 4.37; en W.L. Valk & J.J. Valk, T&C BW, Deventer: Wolters Kluwer 2024 (actueel t/m 1 september 2024), art. 6:248 BW, aant. 2 onder a, 5.
Daarop stuit ook al af de opmerking in de schriftelijke toelichting zijdens DPD, nr. 12 dat of zo’n uitdrukkelijke regeling “in een concrete situatie moet worden gewijzigd, moet worden beoordeeld aan de hand van het (andersoortige) leerstuk van onvoorziene omstandigheden (artikel 6:258 lid 1 BW).”
Overigens: zo’n aanvulling van een leemte op voornoemde basis is derhalve een inherent contextafhankelijke aangelegenheid. Daarmee strookt bijv. niet dat op voorhand langs die weg in een concreet geval enkel een langere opzegtermijn zou kunnen gelden dan is opgenomen in de overeenkomst in kwestie, nimmer een kortere.
Zie HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:141, NJ 2018/98, rov. 3.6.3: “Ook als de wet of een duurovereenkomst wel voorziet in een regeling van de opzegging, kunnen, indien de wet en hetgeen tussen partijen is overeengekomen daarvoor ruimte laten, de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval op grond van art. 6:248 lid 1 BW meebrengen dat aan de opzegging nadere eisen gesteld worden.”
Zie ook de schriftelijke toelichting zijdens DPD, nr. 14.
Zie ook de schriftelijke toelichting zijdens DPD, nrs. 18, 21.
Zie bijv. ook A-G Wissink (ECLI:NL:PHR:2018:1182) voor HR 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2300, JOR 2019/90, onder 5.4.1-5.4.2, waaronder: “Voor de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid op de voet van art. 6:248 lid 1 BW is, kort gezegd, plaats indien een overeenkomst ter zake van een bepaalde onderwerp (zoals de opzegging) een leemte bevat [hier verwijst A-G Wissink naar bijv. HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3749, NJ 2014/415, rov. 3.4.2, A-G]. Of de overeenkomst een leemte bevat, moet worden bepaald door uitleg ervan. Denkbaar is dat de overeenkomst weliswaar een bepaalde situatie regelt, maar dat niet volledig doet en dat daarom in zoverre een leemte bestaat. Dit is de situatie waarop rov. 3.6.3 van het arrest Goglio/SMQ doelt [zie HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:141, NJ 2018/98, rov. 3.6.3, geciteerd in noot 14 hiervoor, A-G]. Dan is er ruimte voor de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid.” Bij dit e.e.a. past niet zo’n restrictieve rechtsregel als voorgestaan in de klacht.
Zie ook de schriftelijke toelichting zijdens DPD, nr. 22: “Middelonderdeel 1.4 klaagt, in het verlengde van middelonderdelen 1.2 en 1.3”, etc.
Dit gebeurt evenmin in de toelichting op de klacht, in de schriftelijke toelichting zijdens DPD, nrs. 22-24.
Rov. 3.24 luidt: “Vast staat dat de omvang van de samenwerking tussen partijen in de loop der lijd is uitgebreid. Get Moving c.s. hebben onweersproken gesteld dat zij aanvankelijk vier touren (postcodegebieden waarin pakketten worden bezorgd) voor DPD reden, dat zij eind 2012 achttien touren voor DPD reden, dat zij medio 2016 vierenveertig touren (met ongeveer 55 chauffeurs en 48 bestelbussen) voor DPD reden en dat zij aan het eind van de samenwerking dertig touren (met ongeveer 44 chauffeurs en 33 bestelbussen) voor DPD reden.” In rov. 3.27 duidt het hof die substantiële uitbreiding als de samenwerking tussen partijen die in de loop der jaren sterk is geïntensiveerd. In rov. 3.26 herhaalt het hof dat de samenwerking tussen DPD en Get Moving elf jaar heeft geduurd, en die tussen DPD en Bosch Transport acht jaar. Met die samenwerking houdt ook verband rov. 3.28-3.29 waarin het hof, kort gezegd, wijst op de omzetafhankelijkheid bij Get Moving c.s. van opdrachten van DPD en wetenschap ter zake bij DPD.
Rov. 3.23 luidt: “Uit de in de overeenkomsten opgenomen opzeggingsregeling volgt niet onder welke omstandigheden de overeenkomsten opgezegd mogen worden. Aan de opzegging zijn geen eisen gesteld, anders dan dat opzegging schriftelijk moet geschieden en met inachtneming van een opzegtermijn van een maand.”
Het hof wijst, kort gezegd: in rov. 3.26 (onder a) op de duur van de contractuele relatie; in rov. 3.27 (onder b) op de samenwerking tussen partijen die in de loop der jaren sterk is geïntensiveerd; in rov. 3.28-3.29 (onder c) op de omzetafhankelijkheid bij Get Moving c.s. van opdrachten van DPD en wetenschap ter zake bij DPD; en in rov. 3.30-3.33 (onder d) op de voorzienbaarheid voor Get Moving c.s. van de onderhavige opzegging door DPD.
Zie ook de schriftelijke toelichting zijdens DPD, nr. 25 onder b: “Daarnaast bestaat geen verplichting tot heronderhandeling van een contractuele regeling in het geval van veranderde omstandigheden. Het hof maakt niet inzichtelijk op welke grondslag het een zodanige verplichting baseert”, etc.
Zoals nog eens wordt onderstreept door de schriftelijke toelichting zijdens DPD, nr. 25 onder c: “(…) Het was het hof niet toegestaan om dat oordeel te geven, nu Get Moving c.s. zich niet op enige heronderhandelingsverplichting heeft beroepen”, etc.
Zie ook de schriftelijke toelichting zijdens DPD, nr. 27 over een “door het hof noodzakelijke geachte correctie van de opzegregeling”, wat zou impliceren “dat er wel een toepasselijke regeling is, maar dat deze materieel dient te worden aangepast”, zodat van een leemte dan “geen sprake [is].”
In rov. 3.38 rept het hof ook van een in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigde “correctie op” de in de Overeenkomsten opgenomen opzegregeling. Aldus dat in het onderhavige geval, waar het gaat over de opzegging van de Overeenkomsten door DPD eind 2018, een andere opzegtermijn moet worden gehanteerd dan de opzegtermijn van één maand als genoemd in de Overeenkomsten (die niet meer aansluit op de actuele, inmiddels sterk gewijzigde situatie ten tijde van die opzegging door DPD, welke situatie partijen niet bewust ongeregeld hebben gelaten met de bedoeling dat er in dat opzicht geen leemte zal zijn). Jegens Get Moving acht het hof een opzegtermijn van drie maanden redelijk, jegens Bosch Transport een opzegtermijn van twee maanden.
Zie ook de schriftelijke toelichting zijdens DPD, nrs. 28-41.
Dat dit oordeel van het hof niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting volgt al uit 3.5-3.11.1 hiervoor. Daaruit blijkt ook dat en waarom de motiveringsklachten in subonderdeel 1.A eveneens falen.
Ten overvloede nog dit. A-G Van Peursem (ECLI:NL:PHR:2022:679) voor HR 11 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1610, RvdW 2022/1057, onder 3.24 wijst erop dat toepassing van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid van art. 6:248 lid 1 BW slechts aan de orde kan zijn indien de overeenkomst een leemte bevat. Dat een leemte “ook [kan] ontstaan” doordat toepassing van een contractuele bepaling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is als bedoeld in art. 6:248 lid 2 BW. En dat die aanvullende en beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid dán met elkaar kunnen samengaan. Zo’n samengaan is dus mogelijk, maar niet vereist. Van een dergelijke leemte (en aanvulling daarvan op basis van die aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid) kan ook sprake zijn zonder dat art. 6:248 lid 2 BW in het spel is. Zie bijv. ook R.P.J.L. Tjittes, ‘De aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid bij commerciële contracten’, in: Middelen voor Meijer, Den Haag: BJu 2013, p. 391-392; H.N. Schelhaas, Redelijkheid en billijkheid, Deventer: Wolters Kluwer 2017, nr. 24; A-G Wissink (ECLI:NL:PHR:2018:1182) voor HR 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2300, JOR 2019/90, onder 5.4.1-5.4.2; Asser/C.H. Sieburgh, Algemeen overeenkomstenrecht (6-III), Deventer: Wolters Kluwer 2022, nrs. 403, 407; en A-G Drijber (ECLI:NL:PHR:2022:259) voor HR 16 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1234, RvdW 2022/832, onder 4.37.
Aldus ook de schriftelijke toelichting zijdens DPD, nr. 42.
Beroepschrift 13‑06‑2024
PROCESINLEIDING VORDERINGSPROCEDURE BIJ DE HOGE RAAD
Eiseres,
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DPD (NEDERLAND) B.V., statutair gevestigd te Oirschot, in deze cassatieprocedure vertegenwoordigd door en woonplaats kiezende ten kantore van de advocaat bij de Hoge Raad mr. P.A. Fruytier (BarentsKrans Coöperatief U.A.), kantoorhoudende te (2514 EA) Den Haag aan het Lange Voorhout 3, die door haar is aangewezen om haar in deze cassatieprocedure te vertegenwoordigen en als zodanig deze procesinleiding ondertekent en indient, hierna: DPD,
stelt cassatieberoep in tegen het op 16 januari 2024 door het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch, Team Handelsrecht, onder zaaknummer 200.309.005/01 gewezen arrest (het arrest).
Verweersters zijn:
- 1.
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid GET MOVING B.V., statutair gevestigd te Apeldoorn; en
- 2.
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BOSCH TRANSPORT B.V., statutair gevestigd te Elspeet;
alle in deze zaak in de vorige instantie laatstelijk woonplaats gekozen hebbende ten kantore van de hen laatstelijk vertegenwoordigende advocaat mr. C.C. Hofman (ITL Attorneys Netherlands), kantoorhoudende te (2023 GD) Haarlem aan het Sint Jorisveld 10, hierna afzonderlijk Get Moving respectievelijk Bosch Transport en gezamenlijk (in enkelvoud): Get Moving c.s.
Verweersters kunnen in deze cassatieprocedure ten laatste verschijnen op donderdag 13 juni 2024.
De enkelvoudige civiele kamer van de Hoge Raad behandelt de zaken, vermeld op het in artikel 15 van het Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken, op de vrijdagen die worden genoemd in hoofdstuk 1 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden om 10:00 uur. De behandeling vindt plaats in het gebouw van de Hoge Raad aan het Korte Voorhout 8 te Den Haag.
DPD voert tegen het aangevallen arrest aan het navolgende
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen, doordat het hof heeft overwogen en beslist als is vervat in het ten deze bestreden arrest, zulks ten onrechte om één of meer van de navolgende, mede in onderlinge samenhang te lezen redenen:
I. Inleiding
1
Get Moving en Bosch Transport exploiteren een transportbedrijf dat is gericht op pakketbezorging aan huis.1. DPD, dat een expeditiebedrijf voert, maakte voor het vervoer van pakketten onder meer gebruik van de diensten van Get Moving (sinds 2008) en Bosch Transport (sinds 2011).2. In dat verband hebben DPD en Get Moving c.s. diverse (raam)overeenkomsten ‘tot vervoer van pakketten’ gesloten.3. De meest recente overeenkomsten dateren van 19 december 2012 (Bosch Transport) en 1 januari 2013 (Get Moving) en hebben dezelfde inhoud (gezamenlijk: de Overeenkomst). 4.
2
In de Overeenkomst is de volgende opzegregeling opgenomen:
‘27.3
Zowel de Expediteur als de Ondernemer kan de Overeenkomst opzeggen. Opzegging dient schriftelijk te geschieden tegen het einde van de maand en met een opzegtermijn van één maand.’5.
3
Eind november 2018 heeft DPD de Overeenkomst telefonisch, per e-mail én per brief opgezegd. Daarbij heeft DPD een opzegtermijn van één maand in acht genomen, ten gevolge waarvan de Overeenkomst per 1 januari 2019 zou eindigen.6. Get Moving c.s. kon zich hierin niet vinden en heeft DPD verzocht om het besluit tot opzegging te herzien. DPD heeft desondanks in haar opzegging volhard. Op 31 december 2018 heeft DPD aan Get Moving c.s. de laatste opdrachten verstrekt.7.
4
Hierop heeft Get Moving c.s. DPD in kort geding gedagvaard. In die procedure heeft Get Moving c.s. (i) primair gevorderd de opzegging ongedaan te maken en DPD te veroordelen om de Overeenkomst na te komen, (ii) subsidiair gevorderd aan de opzegging een langere opzegtermijn te verbinden en (iii) meer subsidiair gevorderd DPD te veroordelen tot betaling van schadevergoeding.8. Aan deze vorderingen heeft Get Moving c.s. steeds de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 1 en lid 2 BW) ten grondslag gelegd. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van Get Moving c.s. vervolgens afgewezen.9.
5
In de onderhavige procedure vordert Get Moving c.s. (enkel nog) een bedrag van ruim EUR 450.000,- aan schadevergoeding van DPD, te vermeerderen met wettelijke rente. De schadeposten betreffen, onder meer, gemaakte loonkosten, betaalde ontslagvergoedingen en kosten die zijn gemaakt in het kader van de beëindiging van de huur van bestelbussen.10. De rechtbank heeft de vorderingen van Get Moving c.s. volledig afgewezen.11.
6
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vervolgens vernietigd en DPD veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan Get Moving c.s., nader op te maken bij staat.12. In dit verband heeft het hof geoordeeld dat de samenwerking tussen DPD en Get Moving c.s. in de loop der tijd substantieel is uitgebreid, ten gevolge waarvan partijen de in de Overeenkomst opgenomen opzegregeling tegen het licht hadden moeten houden en, zo nodig, daarop hadden moeten aanpassen. In zoverre is volgens het hof sprake van een leemte in de Overeenkomst (rov. 3.22 t/m 3.25). Gelet op (i) de duur van de relatie tussen DPD en Get Moving c.s., (ii) de intensivering van de samenwerking, (iii) de afhankelijkheid van Get Moving c.s. van DPD, (iv) de onvoorzienbaarheid van de opzegging van de Overeenkomst door DPD voor Get Moving c.s. én (v) de belangen van partijen (rov. 3.26 t/m 3.37), is het hof van oordeel dat DPD een langere opzegtermijn — van twee maanden jegens Bosch Transport en van drie maanden jegens Get Moving — in acht had moeten nemen dan de opzegtermijn van één maand die uit de opzegregeling voortvloeit (rov. 3.38). Het hof baseert dit oordeel op de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid.
7
Deze oordeelsvorming bestrijdt DPD in cassatie. Daartoe voert zij in middelonderdelen 1.2 t/m 1.8 allereerst aan dat de Overeenkomst, anders dan het hof heeft geoordeeld, ten aanzien van de opzegregeling (en in het bijzonder: de opzegtermijn) überhaupt geen leemte bevat. DPD en Get Moving c.s. zijn daarin immers een opzegregeling overeengekomen, waarvan onderdeel uitmaakt dat een opzegtermijn van één maand in acht moet worden genomen. Partijen hebben daarmee uitdrukkelijk voorzien in een opzegtermijn. DPD en Get Moving c.s. zijn ook niet overeengekomen dat de opzegregeling door partijen aan al dan niet veranderende omstandigheden zou moeten worden aangepast, zodat de opzegregeling ook niet om die reden een leemte kan bevatten. Bij gebreke van een leemte valt er niets aan te vullen. De aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid komt dan ook niet voor toepassing in aanmerking. In een situatie als de onderhavige zou toepassing van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid immers tot gevolg hebben dat (materieel) wordt afgeweken van de opzegtermijn die partijen zijn overeengekomen. Dat kon het hof niet doen op basis van dit leerstuk.
8
In het verlengde daarvan klaagt DPD in middelonderdelen 1.9 en 1.10 dat het hof niet de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 1 BW) had moeten toepassen, maar had moeten onderzoeken of de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW) voor toepassing in aanmerking kwam. Dát leerstuk — en niet de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid — biedt immers een grondslag om in een concrete situatie in te grijpen in een overeengekomen contractuele regeling. Slechts indien toepassing van de opzegregeling, waartoe de opzegtermijn van één maand behoort, in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, bestaat een grondslag om de regeling (deels) buiten toepassing te laten. Het hof heeft evenwel nagelaten om deze onaanvaardbaarheidstoets uit te voeren. De verschillende (sub)onderdelen lichten deze aspecten nader uit.
II. Klachten
1. Verlenging overeengekomen opzegtermijn is niet mogelijk op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 1 BW)
1.1.
Het hof oordeelt in rov. 3.22 t/m 3.38 samengevat dat de in de Overeenkomst opgenomen opzegregeling een leemte bevat, ten gevolge waarvan de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 1 BW) meebrengt dat DPD jegens Get Moving c.s. een langere opzegtermijn in acht had moeten nemen dan partijen initieel waren overeengekomen. Daaraan legt het hof in essentie, met gebruikmaking van verschillende tussenkopjes, de volgende feiten en omstandigheden ten grondslag:
‘Artikel 6:248 lid 1 BW — ruimte
- (i)
Voor de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid op de voet van artikel 6:248 lid 1 BW is plaats indien een overeenkomst ter zake van een bepaald onderwerp, zoals in dit geval: de contractuele opzegregeling, een leemte bevat. Of de overeenkomst een leemte bevat, moet worden bepaald door uitleg van de overeenkomst (rov. 3.22);
- (ii)
Uit de in de Overeenkomst opgenomen opzegregeling volgt niet onder welke omstandigheden de Overeenkomst opgezegd mag worden. Aan de opzegging zijn geen eisen gesteld, anders dan dat opzegging schriftelijk moet geschieden en met inachtneming van een opzegtermijn van een maand (rov. 3.23);
- (iii)
Vast staat dat de omvang van de samenwerking tussen partijen in de loop der tijd is uitgebreid. Get Moving c.s. heeft onweersproken gesteld dat zij aanvankelijk vier touren (postcodegebieden waarin pakketten worden bezorgd) voor DPD reed, dat zij eind 2012 achttien touren voor DPD reed, dat zij medio 2016 vierenveertig touren (met ongeveer 55 chauffeurs en 48 bestelbussen) voor DPD reed en dat zij aan het eind van de samenwerking dertig touren (met ongeveer 44 chauffeurs en 33 bestelbussen) voor DPD reed (rov. 3.24);
- (iv)
Gelet op deze substantiële uitbreiding van de samenwerking sinds het begin van de samenwerking in 2008 respectievelijk 2011, had het naar het oordeel van het hof op de weg van partijen gelegen om de Overeenkomst tegen het licht te houden en zo nodig aan te passen aan de veranderde omstandigheden. Aanpassing van de opzegregeling aan de zich sinds het begin van de samenwerking veranderde omstandigheden had daarom in de rede gelegen en in zoverre is dus sprake van een leemte in de Overeenkomst (rov. 3.25);
- (v)
Niet gebleken is dat partijen de veranderde omstandigheden bewust niet hebben meegenomen in de Overeenkomst. Het komt het hof voor dat partijen eenvoudigweg niet onder ogen hebben gezien dat de opzegregeling aanpassing behoefde vanwege de veranderde omstandigheden. Niet alleen Get Moving c.s. stelt zich op het standpunt dat — zeker gezien de intensivering van de samenwerking — opzegging met inachtneming van een termijn van één maand haar schade heeft berokkend. Ook DPD heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling verklaard dat de opzegging bij haar voor problemen zorgde, omdat DPD niet alle touren op een dergelijke korte termijn bij een ander transportbedrijf kon onderbrengen en zij gebruik heeft moeten maken van (dure) koeriersdiensten (rov. 3.25);
- (vi)
Dat onderstreept het belang van een aan de intussen sterk veranderde omstandigheden aangepaste uitleg van de Overeenkomst op het punt van de opzegregeling. De grondslag daarvoor vindt het hof in de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (rov. 3.25);
Artikel 6:248 lid 1 BW — feiten en omstandigheden
- (vii)
Daarvoor zijn de volgende feiten en omstandigheden redengevend:
- a.
de duur van de relatie tussen DPD en Get Moving c.s., nu de samenwerking tussen DPD en Get Moving elf jaar heeft geduurd en de samenwerking tussen DPD en Bosch Transport acht jaar heeft geduurd (rov. 3.26);
- b.
de intensivering van de samenwerking tussen DPD en Get Moving c.s., nu het aantal door Get Moving c.s. voor DPD te rijden touren gedurende de samenwerking is toegenomen (rov. 3.27);
- c.
de zekere mate van afhankelijkheid van Get Moving c.s. van DPD voor een gedeelte van haar omzet (rov. 3.28 en 3.29);
- d.
de onvoorzienbaarheid van de opzegging van de Overeenkomst door DPD voor Get Moving c.s., op welke opzegging Get Moving c.s., gelet op het contact tussen partijen, niet zonder meer bedacht hoefde te zijn (rov. 3.30 t/m 3.33); en
- e.
de belangen van partijen, bestaande uit het gerechtvaardigde belang van Get Moving c.s. bij een opzegging tegen een langere termijn dan één maand, welk belang zwaarder weegt dan het belang van DPD met betrekking tot de kwaliteit van de uitvoering van de opdrachten door Get Moving c.s. (rov. 3.34 t/m 3.37);
- (viii)
Op grond van de hiervoor onder a t/m d genoemde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, brengt de redelijkheid en billijkheid met zich dat DPD bij de opzegging een langere termijn in acht had moeten nemen. Dat geldt ook als opzegtermijnen — zoals DPD betoogt — naar hun aard niet bedoeld zijn om te voorkomen dat de opgezegde partij nadeel ondervindt als gevolg van de opzegging. In zoverre is een correctie op de in de Overeenkomst opgenomen opzegregeling gerechtvaardigd. Het hof acht, gelet op al het voorgaande (en met name de duur van de samenwerking tussen partijen en de door Get Moving c.s. zelf geschetste afhankelijkheid) een opzegtermijn van drie maanden redelijk jegens Get Moving en een opzegtermijn van twee maanden jegens Bosch Transport (rov. 3.38).’
A. Geen sprake van een leemte in de Overeenkomst ten aanzien van de opzegregeling
1.2.
's Hofs oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Van een leemte in een overeenkomst is (enkel) sprake indien partijen ten aanzien van een bepaald onderwerp geen wilsovereenstemming hebben bereikt, zij een bepaald probleem onbewust ongeregeld hebben gelaten of een bepaling (ver)nietig(d) is, terwijl wet en gewoonte niet in een oplossing voorzien, maar een oplossing wél benodigd is om een redelijke uitkomst te kunnen bereiken.13. Van een leemte is (dus) geen sprake wanneer partijen omtrent dat onderwerp een uitdrukkelijke regeling hebben getroffen, óók niet als zich sinds de totstandkoming van die regeling veranderde omstandigheden hebben voorgedaan en/of partijen niet (om die reden) tot heronderhandeling van die regeling zijn overgegaan. In dit geval zijn partijen in de Overeenkomst een opzegtermijn van één maand overeengekomen, zodat de Overeenkomst ten aanzien van de opzegregeling (en in het bijzonder: de opzegtermijn) geen leemte bevat. Bij gebreke van een leemte komt de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid niet voor toepassing in aanmerking.14. Het hof heeft dat miskend.
1.3.
Althans miskent het hof dat de uit het Goglio/SMQ Group-arrest voortvloeiende regel dat een in een duurovereenkomst opgenomen opzegregeling op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid met ‘nadere eisen’ kan worden aangevuld niet meebrengt dat een in een duurovereenkomst overeengekomen opzegtermijn met toepassing van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid kan worden verlengd respectievelijk een langere opzegtermijn mag worden aangenomen dan is overeengekomen.15. Dan wel ziet het hof eraan voorbij dat voor zodanige ‘nadere eisen’ (enkel) ruimte is indien partijen die eisen (in het geheel) niet in de opzegregeling hebben opgenomen, zoals een verplichting tot het doen van een aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding indien de verplichting tot het doen van een aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding (in het geheel) niet is overeengekomen. Deze ‘nadere eisen’ kunnen geen aanvulling betreffen van eisen die partijen wél reeds uitdrukkelijk in de opzegregeling hebben opgenomen, zoals een verplichting tot inachtneming van een langere opzegtermijn dan de opzegtermijn die partijen zijn overeengekomen. Er is dan immers geen sprake van een leemte die met een nader vereiste kan worden ingevuld, maar van een wijziging van de door partijen getroffen regeling.
1.4.
In ieder geval is het oordeel van het hof dat de Overeenkomst ten aanzien van de opzegregeling (en in het bijzonder: de opzegtermijn) een leemte bevat onbegrijpelijk. DPD en Get Moving c.s. hebben in de Overeenkomst een opzegregeling opgenomen waarvan onderdeel uitmaakt dat een opzegtermijn van één maand in acht moet worden genomen. Partijen hebben dus juist uitdrukkelijk voorzien in een opzegtermijn. Daartoe verhoudt zich niet op begrijpelijke wijze 's hofs oordeel dat desondanks ten aanzien van de opzegregeling (en in het bijzonder: de opzegtermijn) sprake is van een leemte in de Overeenkomst, ten gevolge waarvan DPD op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid niet de overeengekomen opzegtermijn van één maand in acht moet nemen, maar een (verlengde) opzegtermijn van twee maanden jegens Bosch Transport en een (verlengde) opzegtermijn van drie maanden jegens Get Moving.
1.5.
's Hofs oordeel is voorts onjuist, omdat de (enkele) omstandigheid dat aanpassing van de opzegregeling aan sinds het begin van de samenwerking veranderde omstandigheden in de rede had gelegen, dan wel dat met betrekking tot de opzegregeling een verplichting tot heronderhandeling bestaat, nog niet tot gevolg heeft dat een door partijen getroffen regeling op dat punt een leemte bevat. Of een partijregeling een leemte bevat, dient namelijk steeds door middel van uitleg van de betreffende regeling te worden vastgesteld.16. In ieder geval valt, zonder (ontbrekende) motivering, niet in te zien om welke redenen het uitblijven van enige aanpassing van de opzegregeling aan sinds het begin van de samenwerking veranderde omstandigheden, terwijl dat wél in de rede had gelegen, respectievelijk het uitblijven van enige heronderhandeling van de opzegregeling zou kunnen leiden tot, dan wel zou kunnen bijdragen aan, het oordeel dat de Overeenkomst op het punt van de opzegregeling (en in het bijzonder: de opzegtermijn) een leemte bevat. Die omstandigheden brengen immers niet mee dat partijen géén opzegregeling zijn overeengekomen waarin een opzegtermijn van één maand is vervat.
1.6.
Voor zover het hof heeft geoordeeld dat de Overeenkomst ten aanzien van de opzegregeling (en in het bijzonder: de opzegtermijn) een leemte bevat omdat DPD en Get Moving c.s. niet wegens veranderde omstandigheden tot heronderhandeling van de opzegregeling zijn overgegaan, is dat oordeel evenzeer onjuist, dan wel onvoldoende gemotiveerd. Uit de wet vloeit immers geen verplichting tot heronderhandeling van een contractuele regeling voort in het geval van veranderde omstandigheden. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt ook niet in te zien op welke (andere) grondslag en/of om welke (andere) reden(en) DPD en Get Moving c.s. gehouden waren om gedurende de looptijd van de Overeenkomst tot heronderhandeling van de opzegregeling of anderszins van de Overeenkomst over te gaan. DPD en Get Moving c.s. hebben een zodanige verplichting niet in de Overeenkomst opgenomen en zijn deze ook niet anderszins overeengekomen, terwijl het hof niet expliciteert uit hoofde waarvan wél een verplichting tot heronderhandeling zou voortvloeien.
1.7.
Met zijn (kennelijke) oordeel dat de Overeenkomst ten aanzien van de opzegregeling (en in het bijzonder: de opzegtermijn) een leemte bevat omdat DPD en Get Moving c.s. niet wegens veranderde omstandigheden tot heronderhandeling van de opzegregeling zijn overgegaan, is het hof bovendien buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden. Get Moving c.s. heeft immers niet gesteld dat partijen, al dan niet wegens veranderde omstandigheden, verplicht waren om tot heronderhandeling van de opzegregeling over te gaan en om die reden op dat punt sprake is van een leemte in de Overeenkomst.17.
1.8.
Het oordeel van het hof is, ten slotte, innerlijk tegenstrijdig en, aldus, onbegrijpelijk. Waar het hof in rov. 3.25 tot het oordeel komt dat de in de Overeenkomst opgenomen opzegregeling een leemte bevat, oordeelt het hof in rov. 3.38 dat een correctie op de in de Overeenkomst opgenomen opzegregeling gerechtvaardigd is. Uit het gebruik van het woord ‘correctie’ volgt dat het hof kennelijk van oordeel is dat de opzegregeling niet hoeft te worden aangevuld, maar materieel moet worden gewijzigd c.q. gecorrigeerd. Van een leemte die aanleiding kan gegeven tot toepassing van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid is dan geen sprake. Deze overwegingen verhouden zich daarmee op onbegrijpelijke wijze tot elkaar.
B. Hof had moeten toetsen aan de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid
1.9.
Het hof miskent voorts dat een overeengekomen contractuele regeling, die op grond van het aan het contractenrecht ten grondslag liggende uitgangspunt van ‘pacta sunt servanda’ in beginsel dient te worden nagekomen,18. in een concrete situatie (enkel) terzijde kan worden gesteld op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW), maar niét op basis van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 1 BW). Dat geldt in ieder geval voor opzegregelingen en/of opzegtermijnen. De beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid kan meebrengen dat een door partijen getroffen regeling niet van toepassing is, voor zover die toepassing in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Dat geldt in gelijke zin indien partijen in een duurovereenkomst een opzegregeling zijn overeengekomen.19. Toepassing van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid kan dat rechtsgevolg dus niet bewerkstelligen.
1.10.
In ieder geval is 's hofs oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Het hof onderzoekt immers niet (kenbaar) of het beroep van DPD op de opzegregeling op basis van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid van artikel 6:248 lid 2 BW in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, terwijl het hof, in het bijzonder in rov. 3.22, rov. 3.25 (‘De grondslag daarvoor vindt het hof in de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid’) en de tussenkopjes boven rov. 3.22 (‘artikel 6:248 lid 1 BW — ruimte’) en rov. 3.26 (‘artikel 6:248 lid 1 BW — feiten en omstandigheden’) juist aanknoopt bij de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid van artikel 6:248 lid 1 BW. Het hof toetst zelfs nergens aan de onaanvaardbaarheidsmaatstaf, terwijl dat wél is vereist.20. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt dan ook niet in te zien dat en om welke reden(en) de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid volgens het hof tot gevolg zou hebben dat DPD zich niet kan beroepen op de met Get Moving c.s. overeengekomen opzegtermijn van één maand.
2. Voortbouwklacht
2.1.
Het slagen van (één van) de klachten uit middelonderdeel 1 tast ook het oordeel van het hof in rov. 3.39 (tekortkoming), rov. 3.40 t/m 3.43 en 3.45 (schade; schadestaatprocedure) en rov. 3.47 t/m 3.49 en 3.51 (proceskostenveroordeling) aan. Deze oordelen kunnen om die reden niet in stand blijven.
Op grond van dit middel
vordert DPD dat de Hoge Raad het aangevallen arrest zal vernietigen, met zodanige verdere beslissing als de Hoge Raad juist zal achten; kosten rechtens. DPD vordert voorts dat de toe te wijzen proceskostenvergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente daarover, te rekenen vanaf veertien dagen na de datum van het arrest van de Hoge Raad.
Bijlagen:
- —
het arrest van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch van 16 januari 2024 waartegen beroep in cassatie wordt ingesteld;
- —
de vonnissen in eerste aanleg van de Rechtbank Oost-Brabant van 21 oktober 2020 en 2 februari 2022; en
- —
de aanbiedingsbrief.
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 13‑06‑2024
Hof, rov. 3.1.
Hof, rov. 3.1 en 3.2.
Hof, rov. 3.3.
Hof, rov. 3.3. Zie ook Producties 4 en 5 bij Dagvaarding Get Moving c.s. d.d. 13 april 2020.
Hof, rov. 3.4.
Hof, rov. 3.5.
Hof, rov. 3.6.
Hof, rov. 3.7.
Hof, rov. 3.8. Zie ook Productie 1 bij Dagvaarding Get Moving c.s. d.d. 13 april 2020.
Hof, rov. 3.9 t/m 3.11 en 3.14.
Hof, rov. 3.13. Zie ook Rechtbank Oost-Brabant 2 februari 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:307.
Hof, rov. 3.45 t/m 3.52 en 4.
Asser/Sieburgh 6-III 2022/403; H.N. Schelhaas, Redelijkheid en billijkheid, Deventer: Wolters Kluwer 2017, onder 24; A. van der Kruk & M.E.A. Möhring, GS Verbintenissenrecht, art. 6:2 BW, aant. 2.1.3. Zie ook Concl. A-G Wissink vóór HR 14 juni 2019, RvdW 2019, 714, onder 3.4.2.
HR 2 februari 2018, NJ 2018, 98 (Goglio/SMQ Group). Zie ook Asser/Houben 7-X 2019/117; Asser/Sieburgh 6-III 2022/403; H.N. Schelhaas, Redelijkheid en billijkheid, Deventer: Wolters Kluwer 2017, onder 24; R.P.J.L Tjittes, ‘De aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid bij commerciële contracten’, in: P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt e.a., Middelen voor Meijer, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2013, p. 391; Noot G.J.M. Verburg bij HR 2 februari 2018, JOR 2018/140 (Goglio/SMQ Group), onder 6; W.L. Valk & J.J. Valk, T&C BW, commentaar op art. 6:248 BW, aant. 5. Vgl. Concl. A-G Wissink vóór HR 14 december 2018, RvdW 2019, 49, onder 5.14.4.
HR 2 februari 2018, NJ 2018, 98 (Goglio/SMQ Group).
HR 14 juni 2013, NJ 2014, 415 (Aegon/Koersplandewegkwijt); HR 19 november 2010, NJ 2010, 623 (Skare Meat/Flexmen); HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635 (Haviltex).
Get Moving c.s. heeft weliswaar gesteld dat partijen gedurende de looptijd van de Overeenkomst geen heronderhandelingen hebben gevoerd over de opzegregeling en de opzegtermijn, terwijl de samenwerking ondertussen was geïntensiveerd, maar Get Moving c.s. heeft niet aangevoerd dat partijen (daardoor) verplicht waren om tot heronderhandeling van de opzegregeling en de opzegtermijn over te gaan: zie Memorie van grieven Get Moving c.s. d.d. 20 juni 2022, onder 8.27 en 8.28; Dagvaarding Get Moving d.d. 13 april 2020, onder 4.2.8.
Artikel 3:296 lid 1 BW. Zie bijvoorbeeld Asser/Sieburgh 6-III 2022/41 en 43; H.N. Schelhaas, ‘Pacta sunt servanda bij commerciële contracten. Over redelijkheid & billijkheid en objectieve uitleg bij handelscontracten’, NTBR 2008/21, p. 153; M.R. Mok, Pacta sunt servanda; ja toch?, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1997.
Zie ook Hof Amsterdam 31 april 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2056 (het cassatieberoep daartegen is verworpen: HR 2 februari 2018, NJ 2018, 98 (Goglio/SMQ Group)). Zie verder in het kader van duurovereenkomsten Rechtbank Rotterdam 22 september 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:8894; Hof 's‑Hertogenbosch 19 mei 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1583; Rechtbank Amsterdam 21 augustus 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:6154. Zie verder R.P.J.L. Tjittes, Commercieel contractenrecht, Den Haag: Boom juridisch 2022, p. 479 en 480; Jac. Hijma, Rechtshandeling en Overeenkomst (SBR 3), Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 329; J.M. Heikens, ‘Opzegging van huurovereenkomsten voor (on)bepaalde tijd (met en) zonder contractuele of wettelijke beëindigingsregeling ex artikelen 6:248 BW en 7:228 BW’, WR 2021/18, p. 74; A. van der Kruk & M.E.A. Möhring, GS Verbintenissenrecht, art. 6:248 BW, aant. 5.8.1; Noot G.J.M. Verburg bij HR 2 februari 2018, JOR 2018/140 (Goglio/SMQ Group), onder 6; F.M. van Cassel-Van Zeeland, ‘Grenzen van redelijkheid en billijkheid bij duurovereenkomsten’, Bb 2018/41.
Zie bijvoorbeeld HR 6 april 2012, NJ 2012, 234 (De IJpelaar); HR 21 januari 2011, NJ 2011, 176 (Achmea/ABN AMRO). Vgl. ook HR 28 september 2012, NJ 2012, 555 (Van Heumen/Sappi Nijmegen).