Het cassatieverzoekschrift is op 30 oktober 2012 ingekomen (per fax) ter griffie van de Hoge Raad.
HR, 27-09-2013, nr. 12/05056
ECLI:NL:HR:2013:787
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
27-09-2013
- Zaaknummer
12/05056
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:787, Uitspraak, Hoge Raad, 27‑09‑2013; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:112, Gevolgd
In cassatie op: ECLI:NL:GHSGR:2012:BX6305, Bekrachtiging/bevestiging
ECLI:NL:PHR:2013:112, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 12‑07‑2013
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:787, Gevolgd
- Vindplaatsen
Uitspraak 27‑09‑2013
Partij(en)
27 september 2013
Eerste Kamer
nr. 12/05056
EV/AS
Eerste Kamer
Beschikking
in de zaak van:
[de man],wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. M. de Boorder,
t e g e n
[de vrouw],wonende te [woonplaats], Suriname,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaken 388641/FA RK 11-1680 en 407218/FA RK 11-8909 van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 februari 2012;
b. de beschikking in de zaken 200.104.277/01 en 200.104.278/01 van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 8 augustus 2012.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van de man heeft bij brief van 16 juli 2013 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren C.A. Streefkerk, als voorzitter, G. Snijders en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president F.B. Bakels op 27 september 2013.
Conclusie 12‑07‑2013
Zaaknr. 12/05056
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Zitting: 12 juli 2013 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
[de man]
(de man)
tegen
[de vrouw]
(de vrouw)
Deze zaak, die betrekking heeft op een geschil tussen scheidende echtgenoten over de hoofdverblijfplaats van de kinderen, leent zich voor een verkorte conclusie.
1. Het tijdig1.tegen de beschikking van 8 augustus 2012 van het gerechtshof te ’s‑Gravenhage ingestelde cassatieberoep bevat de klacht dat het hof acht heeft geslagen op een brief van de vrouw, die niet door tussenkomst van een procesadvocaat aan het hof is toegezonden en die het hof ook niet aan de procesadvocaat van de man heeft doorgestuurd, alsmede de klacht dat het hof de inhoud van die brief aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd zonder de man in staat te stellen om van de inhoud daarvan kennis te nemen of daarop te reageren. Het hof heeft daarmee het beginsel van hoor en wederhoor niet in acht genomen, aldus het cassatiemiddel.
2. In eerste aanleg heeft de rechtbank ’s‑Gravenhage in haar beschikking van 20 februari 2012 – voor zover thans relevant – als volgt geoordeeld2.:
“De rechtbank overweegt dat vast staat dat partijen in 2008 als gezin zijn verhuisd naar Suriname en dat de minderjarigen samen met de vrouw daar nog steeds verblijven. Wellicht was het in eerste instantie de bedoeling van partijen dat de verhuizing een tijdelijk karakter had, maar de minderjarigen verblijven nu al ruim drie jaar in Suriname. Een verblijf van dergelijk lange duur, waarbij de minderjarigen bovendien verblijven bij een ouder die kennelijk niet de intentie heeft naar Nederland terug te keren, kan niet meer worden aangemerkt als tijdelijk. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige[n; toev. W-vG] thans in Suriname is gelegen.
Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen buiten Nederland, in Suriname, is gelegen, is de EG-Verordening nr. 2201/2003 van 27 november 2003 (Brussel IIbis) niet van toepassing. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 12 Brussel IIbis dat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter uitdrukkelijk dan wel op enige andere ondubbelzinnige wijze door de beide echtgenoten is aanvaard.
Het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 19 oktober 1996, Trb, 1997, 299 is niet van toepassing nu het verzoek voor 1 mei 2011 (de inwerkingtreding van dit verdrag in Nederland) is ingediend. Ook het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 5 oktober 1961, Trb. 1968, 101, is niet van toepassing, aangezien de minderjarigen niet verblijven bij een bij dit verdrag aangesloten staat.
Uit het voorgaande volgt dat de rechtsmacht van de rechtbank moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 4 Rv. Hierin is bepaald dat, indien de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot de echtscheiding, hij ook rechtsmacht heeft ter zake van de daarmee verband houdende nevenvoorzieningen, met dien verstande dat hij zich met betrekking tot verzoeken tot regeling van het gezag en het omgangsrecht (waaronder het huidige verzoek valt) onbevoegd verklaart, indien hij zich, wegens de geringe verbondenheid met de Nederlandse rechtssfeer, niet in staat acht het belang van het kind naar behoren te beoordelen. Nu de minderjarigen al ruim drie jaar in Suriname verblijven, acht de rechtbank zich niet in staat acht het belang van de minderjarigen naar behoren te beoordelen, gelet op de geringe verbondenheid van dit verzoek met de rechtssfeer van Nederland. De rechtbank verklaart zich derhalve onbevoegd van voornoemd verzoek kennis te nemen.”
3. Kern van de beslissing van de rechtbank is dat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Suriname is zodat de rechtsmacht van de rechtbank moet worden beoordeeld aan de hand van art. 4 Rv. De rechtbank verklaart zich vervolgens op de voet van art. 4 lid 3 onder b Rv. als Nederlandse rechter onbevoegd om van het verzoek van de man tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige kinderen bij hem kennis te nemen, omdat daarvoor, nu de kinderen al ruim drie jaar in Suriname verblijven, te geringe verbondenheid met de Nederlandse rechtssfeer is.
Het hof verenigt zich in de eerste volzin van rechtsoverweging 3 met dat oordeel en de gronden waarop dat berust en overweegt vervolgens in de tweede volzin – voor zover thans relevant – aldus:
“(…) Weliswaar benadrukt de man dat de vrouw de afspraak, dat het gehele gezin na een proefperiode in Suriname weer terug zou keren naar Nederland, niet is nagekomen, maar daargelaten de inhoud van de afspraken die tussen partijen gemaakt zijn, verblijven de vrouw en de kinderen feitelijk sinds 2008 onafgebroken in Suriname, terwijl de vrouw geen voornemen heeft naar Nederland terug te keren, zodat de rechtbank zich naar het oordeel van het hof terecht onbevoegd heeft verklaard van het verzoek omtrent de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen kennis te nemen. (…)”
4. Het middel richt zich met de hiervoor onder 1 genoemde klachten uitsluitend tegen de tussen komma’s geplaatste zinsnede “terwijl de vrouw geen voornemen heeft naar Nederland terug te keren” in de hiervoor geciteerde overweging van het hof.
5. Het middel kan niet tot cassatie leiden.
Nog daargelaten dat de rechtbank, zoals uit het hiervoor weergegeven citaat blijkt, al heeft geoordeeld dat “de minderjarigen (…) verblijven bij een ouder die kennelijk niet de intentie heeft naar Nederland terug te keren”3., waarmee het hof zijn opmerking dat de vrouw geen voornemen heeft naar Nederland terug te keren derhalve niet louter uit de door de vrouw aan het hof toegezonden brief heeft behoeven te hebben afgeleid, is hetgeen het hof in de bestreden zinsnede heeft overwogen, niet dragend voor het oordeel van het hof. De zinsnede kan immers worden weggelaten – of er kan, zoals de rechtbank heeft gedaan, het woordje bovendien aan worden toegevoegd – waarna als zelfstandig dragende grond overblijft dat de vrouw en de kinderen feitelijk sinds 2008 onafgebroken in Suriname verblijven, zodat de rechtbank zich naar het oordeel van het hof terecht onbevoegd heeft verklaard van het verzoek omtrent de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen kennis te nemen. Deze grond wordt in cassatie niet bestreden.
6. Onder deze omstandigheden bestaat er geen aanleiding om ambtshalve het proces-verbaal van de mondelinge behandeling ter zitting van het hof op te vragen teneinde vast te stellen wat de feitelijke gang van zaken tijdens die mondelinge behandeling is geweest, en of de brief inhoudelijk – de man heeft gesteld dat het hof tijdens de mondelinge behandeling melding heeft gemaakt van de ontvangst van de brief van de vrouw4.– aan de orde is geweest.
7. Nu in deze zaak geen rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling behoeven te worden beantwoord, kan het cassatieberoep m.i. worden verworpen met gebruikmaking van art. 81 RO.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nedrlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 12‑07‑2013
Zie de beschikking van de rechtbank ’s‑Gravenhage van 20 februari 2012, p. 3, tweede tot en met vijfde alinea.
Zie de beschikking van de rechtbank ’s‑Gravenhage van 20 februari 2012, p. 3, tweede alinea. In de procedure in hoger beroep zijn geen grieven gericht tegen dit oordeel van de rechtbank.
Zie het cassatieverzoekschrift onder 2.