HR, 17-09-2010, nr. 09/02578
ECLI:NL:HR:2010:BM8912
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
17-09-2010
- Zaaknummer
09/02578
- Conclusie
Mr. L. Strikwerda
- LJN
BM8912
- Roepnaam
Van Schijndel/Topman
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2010:BM8912, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 17‑09‑2010; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BM8912
ECLI:NL:PHR:2010:BM8912, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 18‑06‑2010
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BM8912
- Wetingang
art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
- Vindplaatsen
Uitspraak 17‑09‑2010
Inhoudsindicatie
Verbintenissenrecht. Uitvoering leaseovereenkomst; tekortkoming in de nakoming? (81 RO)
17 september 2010
Eerste Kamer
09/02578
RM/IS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiseres],
gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. J. de Visser,
t e g e n
[Verweerster],
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en [verweerster].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 197320 HA ZA 05-1364 van de rechtbank te Utrecht van 28 september 2005 en 30 november 2005;
b. het vonnis in de zaak 445329-CU-05-13401 JH van de kantonrechter te Utrecht van 28 juni 2006;
c. het arrest in de zaak 106.005.741/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 17 maart 2009.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding en het herstelexploot zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Tegen [verweerster] is verstek verleend.
De zaak is voor [eiseres] toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.
De advocaat van [eiseres] heeft bij brief van 22 juni 2010 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, F.B. Bakels en W.D.H Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 17 september 2010.
Conclusie 18‑06‑2010
Mr. L. Strikwerda
Partij(en)
conclusie inzake
[Eiseres]
tegen
[Verweerster]
Edelhoogachtbaar College,
1.
Het tijdig door eiseres tot cassatie, hierna: [eiseres], ingestelde cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 17 maart 2009. Bij dit arrest heeft het hof op het principaal hoger beroep van [eiseres] het vonnis van de rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Utrecht, van 28 juni 2006, voor zover daarbij de vordering in conventie van [eiseres] tegen thans verweerster in cassatie, hierna: [verweerster], werd afgewezen, bekrachtigd, en op het incidenteel beroep van [verweerster] dat vonnis, voor zover daarbij de vordering in reconventie van [verweerster] tegen [eiseres] werd afgewezen, (deels) vernietigd en, opnieuw recht doende, deze vordering alsnog gedeeltelijk toegewezen.
2.
Het cassatieberoep berust op een uit drie onderdelen opgebouwd middel. [Verweerster] is in cassatie niet verschenen. Tegen haar is verstek verleend.
3.
De in het middel aangevoerde klachten kunnen naar mijn oordeel niet tot cassatie leiden en nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtsontwikkeling of de rechtseenheid, zodat het cassatieberoep zich leent voor verwerping met toepassing van art. 81 RO. De zaak komt daarom in aanmerking voor een verkorte conclusie.
4.
Onderdeel I van het middel berust op de stelling dat de tussen partijen gesloten overeenkomst nooit enige rechtsgeldigheid heeft gekend, nu geen der partijen de overeenkomst heeft nageleefd en klaagt dat het hof, door ervan uit te gaan dat met de uitvoering van de overeenkomst een begin is gemaakt, een onjuiste rechtsopvatting heeft gehuldigd.
5.
Het onderdeel faalt. Nog daargelaten dat het standpunt dat tussen partijen geen rechtsgeldige overeenkomst is totstandgekomen, niet te rijmen valt met de grondslag waarop [eiseres] haar vordering in conventie heeft gebaseerd, berust het onderdeel op de onjuiste rechtsopvatting dat eerst sprake is van een rechtsgeldige overeenkomst, indien door de contractspartijen (of door één van hen) aan de daaruit voortspruitende verbintenissen gevolg is gegeven.
6.
Onderdeel II van het middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat slechts [eiseres] de overeenkomst diende na te komen, en dat [verweerster] van haar kant haar contractuele verplichtingen niet behoefde na te komen.
7.
Het onderdeel kan geen doel treffen, omdat het feitelijke grondslag mist. Het hof heeft niet geoordeeld dat [verweerster] haar uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen niet diende na te komen, doch heeft geoordeeld dat onvoldoende is gesteld om een toerekenbare tekortkoming van [verweerster] in de nakoming van die verplichtingen te kunnen aannemen. Het hof heeft immers geoordeeld dat [eiseres] weliswaar heeft gesteld dat [verweerster] met betrekking tot de leaseovereenkomst tekort is geschoten in de nakoming van de uit die overeenkomst voor [verweerster] voortvloeiende verplichtingen, maar dat [eiseres] dit op geen enkele wijze heeft onderbouwd (r.o. 4.5).
8.
Onderdeel III van het middel bestrijdt als onjuist het oordeel van het hof dat de leaseovereenkomst thans nog existeert (r.o. 4.10). Het onderdeel stelt dat uit de leaseovereenkomst volgt dat deze op 31 juli 2005 is geëxpireerd.
9.
Ook dit onderdeel is tevergeefs voorgesteld. Het oordeel van het hof is feitelijke van aard en kan in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Bovendien berust het onderdeel op een ontoelaatbaar feitelijk novum in cassatie, aangezien uit de gedingstukken niet blijkt (het middel noemt ook geen vindplaatsen) dat [eiseres] ter afwering van de door [verweerster] ingestelde reconventionele vordering heeft gesteld dat de leaseovereenkomst ingevolge een desbetreffende bepaling in de overeenkomst reeds op 31 juli 2005 is geëindigd.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,