HR, 16-04-2024, nr. 23/04447 H
ECLI:NL:HR:2024:610
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
16-04-2024
- Zaaknummer
23/04447 H
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:610, Uitspraak, Hoge Raad, 16‑04‑2024; (Herziening)
Beroepschrift, Hoge Raad, 20‑11‑2023
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0079
Uitspraak 16‑04‑2024
Inhoudsindicatie
Herziening. In authentieke akte een valse opgave doen opnemen door als advocaat valselijk in akte op te nemen dat hij bepaaldelijk is gevolmachtigd, meermalen gepleegd (art. 227.1 Sr), medeplichtigheid aan heling (art. 416 Sr) en medeplichtigheid aan valsheid in geschrift (art. 225.1 Sr). Motiveringseis van art. 460.2 Sv. Aangevoerd wordt dat sprake is van gegevens a.b.i. art. 457.1.c Sv. Ex art. 460.2 Sv moet aanvraag gronden vermelden waarop deze berust. Aanvraag moet dus naar behoren gemotiveerd zijn. Alleen herzieningsaanvraag die aan deze motiveringseis voldoet, kan in behandeling worden genomen. Aanvraag die onvoldoende is gemotiveerd, is niet aanvraag als in wet bedoeld. Dit betekent dat indien aanvraag een beroep doet op met stukken onderbouwd gegeven a.b.i. art. 457.1.c Sv, (a) aanvraag een nauwkeurige omschrijving moet bevatten van dit gegeven (novum) en dat dus niet kan worden volstaan met verwijzing naar bijgevoegde stukken waaruit zo’n novum zou moeten blijken; (b) aanvraag de redenen moet vermelden waarom novum tot één van (in art. 457.1.c Sv) genoemde beslissingen zou hebben kunnen leiden; (c) aanvraag, indien deze ertoe strekt bewijsvoering aan te tasten, met voldoende precisie moet uiteenzetten (i) waarom bepaald onderdeel van bij aanvraag gevoegde stukken leidt tot ernstige twijfel aan juistheid van nauwkeurig aangeduid gedeelte van bewijsvoering, en (ii) waarom dat leidt tot ernstig vermoeden dat onderzoek van zaak, als dat gegeven toen bekend was geweest, zou hebben geleid tot vrijspraak. Alleen als aanvraag aan deze eisen voldoet, kan HR beoordelen of aanvraag gegrond is. Als aanvraag (zoals in dit geval) niet aan die eisen voldoet, kan HR de aanvraag niet in behandeling nemen. Aanvraag n-o. Vervolg op 5109 Herz. (niet gepubliceerd; eerdere herziening, aanvraag n-o) en HR:1991:AD1365 (strafzaak).
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/04447 H
Datum 16 april 2024
ARREST
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 3 januari 1990, nummer 20-000093-88, ingediend door N. Heijkant, advocaat in Dongen,
namens
[aanvrager],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1944,
hierna: de aanvrager.
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
Het hof heeft in hoger beroep – met vernietiging van een vonnis van de rechtbank Breda van 19 oktober 1987 – de aanvrager veroordeeld voor “in een authentieke akte een valse opgave doen opnemen aangaande een feit, van welks waarheid die akte moet doen blijken met het oogmerk om die akte te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware zijn opgave in overeenstemming met de waarheid, terwijl uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan, meermalen gepleegd”, “medeplichtigheid aan heling” en “medeplichtigheid aan valsheid in geschrift” tot een gevangenisstraf van een jaar.
2. De aanvraag tot herziening
De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvraag
3.1
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, volgens artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) alleen dienen een met stukken onderbouwd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat, als dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
3.2
Volgens artikel 460 lid 2 Sv moet de aanvraag de gronden vermelden waarop deze berust. De aanvraag moet dus naar behoren gemotiveerd zijn. Dat wordt bevestigd in de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 2008/09, 32 045, nr. 3, p. 32). Alleen een herzieningsaanvraag die aan deze motiveringseis voldoet, kan in behandeling worden genomen. Een aanvraag die onvoldoende is gemotiveerd, is niet een aanvraag als in de wet bedoeld.
3.3
Dit betekent dat, als een aanvraag een beroep doet op een met stukken onderbouwd gegeven als bedoeld in artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv,(a) de aanvraag een nauwkeurige omschrijving moet bevatten van dit gegeven (hierna: het novum) en dat dus bijvoorbeeld niet kan worden volstaan met een verwijzing naar bijgevoegde stukken waaruit zo’n novum zou moeten blijken;(b) de aanvraag de redenen moet vermelden waarom het novum tot één van de genoemde beslissingen zou hebben kunnen leiden;(c) de aanvraag, als deze ertoe strekt de bewijsvoering aan te tasten, met voldoende precisie moet uiteenzetten (i) waarom een bepaald onderdeel van de bij de aanvraag gevoegde stukken leidt tot ernstige twijfel aan de juistheid van een nauwkeurig aangeduid gedeelte van de bewijsvoering, en (ii) waarom dat leidt tot het ernstige vermoeden dat het onderzoek van de zaak, als dat gegeven toen bekend was geweest, zou hebben geleid tot een vrijspraak.Alleen als de aanvraag aan deze eisen voldoet, kan de Hoge Raad beoordelen of de aanvraag gegrond is.
3.4
Als de aanvraag – zoals in dit geval – aan die eisen niet voldoet, kan de Hoge Raad de aanvraag niet in behandeling nemen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 april 2024.
Beroepschrift 20‑11‑2023
Hoge Raad der Nederlanden
Geeft eerbiedig te kennen:
[aanvrager], wonende te [woonplaats], voor deze zaak woonplaats kiezende te Dongen aan de Gasthuisstraat 19, 5104 HP, ten kantore van de advocaat mr. N. Heijkant, die door hem bepaaldelijk is gevolmachtigd dit herzieningsverzoek te ondertekenen en in te dienen.
Verzoeker is bij onherroepelijke uitspraak door het Gerechtshof Den Bosch, uitgesproken op 3 januari 1990, rolnummer 20.000093.88, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van één jaar, ter zake van:
- II:
‘In een authentieke akte een valse opgave doen opnemen aangaande een feit van welke waarheid die akte moet blijken met het oogmerk om die akte te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware zijn opgave in overeenstemming met de waarheid, terwijl uit dat gebruik enig nadeel kon ontstaan, meermalen gepleegd’;
- III:
Medeplichtigheid aan: ‘Heling’;
- VI:
Medeplichtigheid aan:
‘Valsheid in geschrifte’;
Verzoeker legt hierbij voornoemd arrest en de dagvaarding van het Openbaar Ministerie over (PRODUCTIE 1).
Zowel het Openbaar Ministerie als verzoeker hebben beroep ingesteld van het vonnis van de Rechtbank Breda.
Gebleken is dat mr. L.C. van der Plas toen al was bevorderd tot raadsheer in het Gerechtshof Den Bosch.
Mr. L.C. van der Plas was de voorzitter van de Rechtbank Breda, die in eerste instantie de zaak van verzoeker heeft behandeld, en zowel het bevel tot huiszoeking als het vonnis heeft gewezen. Het is bekend dat verzoeker ten tijde van zijn inbewaringstelling voornoemde mr. L.C. van der Plas vrijwel steeds als voorzitter van een kamer heeft gehad. Mr. L.C. van der Plas was ten tijde van de behandeling van deze hoger beroepszaak werkzaam als raadsheer bij het Gerechtshof Den Bosch. Het gerechtshof heeft hiermee een van de uitgangspunten van de rechtspraak overtreden. Dit uitgangspunt is dat iedere schijn van partijdigheid of belangenverstrengeling voorkomen moet worden. Mr. L.C. van der Plas was op enige manier betrokken geweest bij rechtszaken die door het hof werden behandeld, en zo ook mr. A.H.Q. Goossens, als raadsheer in de zaak van verzoeker, terwijl mr. A.H.Q. Goossens een aantal jaren rechter in Breda was en verzoeker advocaat in het arrondissement Breda en verzoeker als advocaat mr. Goossens vaak heeft meegemaakt als rechter. Verzoeker betwist dat iedere schijn van partijdigheid of belangenverstrengeling is voorkomen, getuige ook het verzoek gedaan ter zitting van het Gerechtshof Den Bosch door de raadsman van verzoeker om de officier van Justitie mr. [betrokkene 1] als getuige te horen, die notabene op de zitting aanwezig was. Dit verzoek is door het hof afgewezen. Verzoeker legt een brief van mr. A.F.M. de Kok aan mr. L.C. van der Plas over (zie Productie 1).
Er is echter sprake van gegevens die bij het onderzoek ter terechtzitting bij de rechtbank en gerechtshof niet bekend waren en die op zichzelf of in verband met vroegere geleverde bewijzen met de onderhavige uitspraak niet bestaanbaar schijnen, zodanig dat het ernstige vermoeden ontstaat dat, indien deze gegevens bekend zouden zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot vrijspraak van verzoeker, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling, omdat in voormelde uitspraak bewezenverklaringen voor wat betreft de kantoor- en huiszoeking zijn uitgesproken die niet zijn overeen te brengen.
Ook hetgeen verzoeker in punt II, III en VI is tenlastegelegd zijn niet overeen te brengen met de uitgesproken bewezenverklaringen.
De rechtbank en het gerechtshof hebben geen rekening gehouden met de hierna te noemen gegevens en wettelijke bepalingen die betrekking hebben op kantoor- en huiszoeking bij een geheimhouder en die nagekomen moeten worden.
Indiening klaagschriften
Verzoeker werd in tenlastelegging II verweten dat hij een valse opgave heeft doen opnemen in een authentieke akte aangaande een feit van welke waarheid die akte moet doen blijken met het oogmerk om die akte te doen gebruiken als ware zijn opgave in overeenstemming met de waarheid, terwijl uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan, meermalen gepleegd.
Met de bewezenverklaring van voormeld strafbaar feit en de overwegingen op blz.13 t/m 18 van het arrest, is een bewezenverklaring uitgesproken die niet is overeen te brengen en berust op gegevens die de rechters niet bekend waren.
Indien deze gegevens bekend zouden zijn geweest, het onderzoek zou hebben geleid tot vrijspraak van verzoeker, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkheidverklaring van het Openbaar Ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling. Het betreft de volgende gegevens:
Verzoeker legt de strafdagvaarding van 1 juli 1987en het op 13 juli 1987 gewezen vonnis in de zaak van [naam 1] over (PRODUCTIE 2). Uit beide producties blijkt dat verzoeker op verzoek van [naam 1] en voor [naam 1] drie klaagschriften heeft ingediend. Zelfs de officier van justitie wist dat en heeft dat in de dagvaarding van verzoeker bewust weggelaten. Hieruit blijkt ook dat griffier H.M. Anemaat wel degelijk wist dat verzoeker namens [naam 1] de klaagschriften had ingediend. Het is dan ook onmogelijk dat de griffier in zijn verklaring, afgelegd op 20 december 1989, ineens niets meer wist (PRODUCTIE 3). In tenlastelegging II is bewust weggelaten dat verzoeker tezamen met [naam 1] voor griffier Anemaat is verschenen.
De strafdagvaarding van 1 juli 1987 van [naam 1] was noch bij de rechtbank, noch bij het gerechtshof bekend, echter wel bij de officier van justitie. De rechtbank en gerechtshof waren bekend met de intrekking van de klaagschriften (PRODUCTIE 4), doch lieten zulks niet blijken en in de uitspraken is niets omtrent deze intrekkingen overwogen. Het gerechtshof heeft de klaagschriften in het arrest opgenomen, (zie pag.13 t/m 16 van het arrest), terwijl deze klaagschriften reeds vóór 24 maart 1987 waren ingetrokken en de bij het gerechtshof afgelegde verklaringen van verzoeker en [naam 1] werden genegeerd.
Tegen het vonnis van [naam 1] van 13 juli 1987 is geen hoger beroep ingesteld c.q. is het hoger beroep ingetrokken.
In de akte inlevering van alle drie de klaagschriften (PRODUCTIE 5), opgemaakt door griffier Henricus Maria Anemaat, ontbreken een aantal vitale feiten, namelijk:
- 1.
dat verzoeker mevrouw [naam 1] kende en haar de weg heeft gewezen naar de griffie.
- 2.
dat mevrouw [naam 1] de drie klaagschriften wilde indienen, doch alleen de volmacht van [naam 3] bij zich had en niet van de twee anderen.
- 3.
dat de griffier tegen [naam 1] zei dat zij deze verzoekschriften ook door een advocaat kon laten indienen, waarna verzoeker op verzoek van [naam 1], en in aanwezigheid van [naam 1], deze klaagschriften heeft ingediend. Zie verklaring [naam 1], afgelegd op 20 december 1989 (zie PRODUCTIE 3).
- 4.
De griffier heeft eveneens nagelaten om in de akten op te nemen dat verzoeker in zijn hoedanigheid van advocaat deze klaagschriften op verzoek van [naam 1] had ingediend.
- 5.
De griffier heeft willens en wetens nagelaten op te nemen dat [naam 1] een volmacht van [naam 3] bij zich had en de andere twee volmachten wilde gaan halen, doch dat dit van de griffier niet hoefde. Zie klaagschriften en akten inlevering klaagschriften (zie PRODUCTIE 5). De griffier heeft in strijd met artikel 451 Strafvordering gehandeld. De griffier heeft kunnen constateren dat verzoeker in zijn hoedanigheid van advocaat tezamen met [naam 1] bij de griffie is verschenen. [naam 1] heeft aldaar verklaard dat zij drie klaagschriften bij zich had en alleen de machtiging van [naam 3] had meegenomen en dat de anderen machtigingen thuis lagen.
Verzoeker verwijst naar zijn verklaring afgelegd op 2 oktober 1989 (PRODUCTIE 6) en de verklaring van [naam 1], afgelegd op 20 december 1989 voor het gerechtshof te 's‑Hertogenbosch (zie PRODUCTIE 3).
Punt II van de tenlastelegging bevat geen correcte opgave van de feiten, hoewel die wel bekend waren bij de officier van justitie. In de tenlastelegging ontbreekt de tijd en de aanwezigheid van [naam 1] bij de inlevering van de klaagschriften en de machtiging van [naam 3] en dat verzoeker in zijn hoedanigheid van advocaat is verschenen en dat [naam 1] heeft aangeboden de ontbrekende volmachten te gaan halen om deze alsnog te overleggen. Volgens de griffier was dit niet nodig.
Uit de akte teruggave inbeslaggenomen goederen van verbalisant [verbalisant 2] d.d. 17 februari 1987, (PRODUCTIE 7), blijkt dat klagers en [naam 1] elkaar goed kenden. Nergens is de connexiteit van [naam 1] met [naam 2] en [naam 2] en [naam 3] onderzocht. Later is gebleken dat de auto's door de Ontvanger der belastingen in beslaggenomen zijn op 17 maart 1987 en op 8 mei 1987 door de Belastingdienst zijn verkocht (PRODUCTIE 8).
Voorts heeft de getuigenverklaring van [verbalisant 1] plaatsgevonden op 2 juli 1987 en die van [verbalisant 2] pas op 12 augustus 1987. Toen [verbalisant 2] werd gehoord op 12 augustus 1987 had hij zijn lesje (lees proces-verbaal van [verbalisant 1]) al vanbuiten geleerd) (zie PRODUCTIE 7). Wat is dit voor beleid van de rechter-commissaris?
Tenlastelegging II is op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen met de uitspraak niet bestaanbaar, zodanig dat het ernstige vermoeden ontstaat dat indien deze gegevens bekend zouden zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid, hetzij tot vrijspraak van verzoeker, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling (zie PRODUCTIES 3 en 5). Voor een veroordeling is noodzakelijk dat de tenlastelegging alle bestanddelen van het strafbare feit bevat. De officier van justitie heeft deze feiten opzettelijk in de tenlastelegging weggelaten. Zie hierboven punt 1 t/m 5.
Voorts is bij de behandeling van het klaagschrift van [naam 3] door de Rechtbank Breda gebleken dat [naam 1] bij deze behandeling heeft verklaard dat de in de klaagschriften genoemde auto's bij haar in beslag zijn genomen en dat zij daar verantwoordelijk voor is (PRODUCTIE 9). De rechtbank heeft evenwel bij de behandeling van het klaagschrift van [naam 3] en de twee andere klagers het gegeven gepasseerd dat de officier van justitie de gronden van zijn inbeslagname nergens heeft aangegeven waarop deze in beslagnames zijn gegrond. Verzoeker merkt op dat in geen enkele inbeslagname van de auto's de rechtsgrond is vermeld en in feite de klagers geen verweer hebben kunnen voeren en de inbeslagname van de auto's daardoor nergens op is gebaseerd. De griffier, de rechtbank en het gerechtshof hebben met de navolgende regelingen en/of wet geen rekening gehouden.
De officier van justitie, de rechtbank en het gerechtshof, hebben domweg het gegeven genegeerd dat degene die zich bij de RDW laat registreren als eigenaar van de auto wordt aangemerkt. Vanaf 2004 is degene die in het bezit is van kentekenbewijs deel III de eigenaar van het desbetreffende voertuig. Alle drie de klagers stonden bij de RDW als eigenaar geregistreerd (PRODUCTIE 10) en [naam 1] diende om die auto's terug te krijgen en op haar naam te laten zetten, het beslag dat op die auto's was gelegd te laten opheffen en dit beslag heeft kennelijk de ontvanger der belastingen gelegd, waardoor [naam 1] zich had moeten wenden tot de ontvanger der belastingen en aldaar bezwaarschriften moeten indienen en was de rechtbank niet bevoegd om over de klaagschriften te beslissen. Het voorgaande kan hierdoor voor verzoeker nimmer een strafbaar feit hebben opgeleverd, daargelaten dat verzoeker in zijn hoedanigheid van advocaat tezamen met [naam 1] de klaagschriften heeft ingediend en volgens de ontvanger der belastingen was [naam 1] de eigenaresse van de kwestieuze auto's en door toedoen van justitie waren de klaagschriften al ingetrokken op 19 maart 1987, dus vóórdat verzoeker in hechtenis werd genomen op 24 maart 1987.
Wel blijkt uit de navolgende feiten dat tussen [naam 1] en de klagers connexiteit bestaat, die nimmer is onderzocht, daargelaten dat [naam 1] als eigenaresse van de auto's het recht van revindicatie had.
Gebleken is dat verbalisant [verbalisant 2], die verzoeker in verzekering heeft gesteld, reeds op 17 februari 1987 de bij [naam 1] in beslag genomen goederen aan [naam 1] heeft teruggegeven (zie PRODUCTIE 7). Onder deze goederen bevonden zich:
- —
Een Kopie deel III van een Porsche FB-63-KP (in beslag)
- —
Sleutelbos met daaraan 4 sleutels van personenauto, merk Suzuki type SJ 4100, Kenteken [kenteken 1] (in beslag)
- —
Een groene kaart voor Suzuki [kenteken 1]
- —
Kenteken van personenauto, merk Mercedes 250, kenteken [kenteken 2] (in beslag) -Een strook van acceptgiro ten bedrage van ƒ 24,00 van Rijksdienst voor het Wegverkeer, afgestempeld te Breda d.d. 18 november 1986 voor Mercedes [kenteken 2]
- —
Acceptgiro ten bedrage van ƒ 3.894,27 gericht aan [naam 3], Singelstraat 24 St. Willebrord, te betalen aan A.C. Fraser & Co te Etten-Leur. Is verzekeringspremie.
- —
De namen van twee klagers en kladbriefje, kennelijk van de derde klager.
De namen en adressen van de klagers komen in dit proces-verbaal van teruggave goederen voor. Klagers stonden ook als eigenaren ingeschreven bij de RDW (zie PRODUCTIE 10).
Griffier Anemaat is op 20 december 1989 gehoord als getuige, doch heeft gesteld dat hij zich de gang van zaken, die hijzelf min of meer heeft gecreëerd, niet kan herinneren, maar heeft de verklaring van [naam 1], afgelegd voor het gerechtshof te 's‑Hertogenbosch, niet bestreden (zie PRODUCTIE 3).
Verzoeker merkt nog op dat de klagers de klaagschriften hebben ondertekend en niet verzoeker en dat hierdoor vaststaat dat zij wilden dat de klaagschriften werden ingediend. De officier van justitie was bekend met het feit dat verzoeker op verzoek van [naam 1] en in haar aanwezigheid, en in zijn hoedanigheid van advocaat deze klaagschriften heeft ingediend. De klaagschriften waren in het bezit van [naam 1].
Voorts betwist verzoeker dat hij in een authentieke akte een valse opgave heeft doen opnemen aangaande een feit van welks waarheid die akte moet doen blijken. Verzoeker heeft immers aan [naam 1] gevraagd of zij door alle drie de klagers gevolmachtigd was om de klaagschriften in te dienen. [naam 1] heeft bevestigd dat zij van alle drie de klagers een volmacht had (zie PRODUCTIE 3).
Uit de literatuur (art. 157 Brv) blijkt dat een valse opgave aangaande een feit welks waarheid de akte moet blijken een bestanddeel is dat duidelijk maakt dat niet elke valse opgave in een authentieke akte onder 227 Sr valt.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 23 december 1980 N.J. 1981, 484 geoordeeld dat dit vereiste dient te worden getoetst aan de bewijskracht van de authentieke akte in de wet geregeld.
Uit het proces-verbaal teruggave inbeslaggenomen goederen, afgegeven door verbalisant [verbalisant 2] op 17 februari 1987, blijkt dat er tussen de drie klagers en [naam 1] sprake is van connexiteit. Deze drie klagers stonden ook bij de RDW als eigenaren van de kwestieuze auto's ingeschreven (zie PRODUCTIE 10). Deze connexiteit is, gelet op het proces-verbaal teruggave goederen, nimmer onderzocht.
Volgens de literatuur houdt de inhoud van een authentieke akte enerzijds een verklaring van een instrumenterend ambtenaar in, en anderzijds een verklaring van partijen (hetgeen in casu in de akte ontbreekt). De verklaring van de ambtenaar ziet enkel op het feit dat partijen voor hem zijn verschenen, de datum waarop dat partijen verklaringen hebben afgelegd, en dat zij de akten hebben ondertekend. Het waarheidsgehalte van de verklaringen blijft echter buiten beschouwing. Alleen de verklaring van de ambtenaar levert dwingend bewijs op jegens derden.
In casu is wat door [naam 1] is verklaard niet in de akten opgenomen en heeft de ambtenaar verzoeker in zijn hoedanigheid van advocaat laten ondertekenen, hetgeen deze griffier ook zelf aan [naam 1] heeft aangegeven. De door de griffier opgemaakte akten van indiening klaagschriften zijn door de griffier bewust uit het dossier gehouden!
Uit de dagvaarding die [naam 1] van de officier van justitie heeft ontvangen, en de getuigenverklaring van [naam 1] bij het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch blijkt dat verzoeker op verzoek van [naam 1] en in aanwezigheid van [naam 1] de klaagschriften heeft ingediend. Treffend is dat de officier dit wel heeft opgenomen in de dagvaarding van [naam 1], doch niet in punt I en II van de dagvaarding van verzoeker. De griffier is als getuige gehoord en wist zich ineens niets meer te herinneren, hetgeen in strijd is met de waarheid. De raadslieden van eiser hadden het gerechtshof gevraagd om de officier van justitie, mr. [betrokkene 1], als getuige te horen. Het gerechtshof heeft dit zonder motivering geweigerd.
Verzoeker bestrijdt dat hij een valse opgave heeft doen opnemen in een akte, gelet op het feit dat de griffier bekend was met de feiten en ook het feit dat de klaagschriften met toestemming en medeweten van de klagers is opgesteld en door klagers zelf zijn ondertekend. De griffier heeft [naam 1] medegedeeld dat verzoeker, als zijnde advocaat, de klaagschriften kon indienen.
Het gerechtshof overweegt echter, dat uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat verzoeker niet alleen niet bepaaldelijk gevolmachtigd kon of mocht worden geacht, nu hijzelf tegenover verbalisanten verklaart:
‘Om die reden heb ik de drie klaagschriften ingediend zogenaamd namens de ondertekenaars, doch dat hij niet bepaaldelijk gevolmachtigd was door die ondertekenaars’.
Verzoeker bestrijdt hetgeen het gerechtshof op blz. 28, 29 en 30 van haar arrest heeft overwogen. Deze overwegingen zijn niet alleen onbegrijpelijk, aangezien de klagers niet hebben bestreden dat verzoeker gevolmachtigd was, doch het arrest is bovendien onvoldoende gemotiveerd, en verzoeker volgens de processen-verbaal van de zittingen van 2 oktober 1989 en 20 december 1989 voor het gerechtshof (zie PRODUCTIE 3 en 6), heeft verklaard dat de verklaringen zoals die door hem ten aanzien van het indienen van de klaagschriften bij de politie zijn afgelegd onjuist zijn. Verzoeker heeft ook ter terechtzitting van het gerechtshof verklaard, dat de verklaring zoals die ten overstaan van de verbalisanten is afgelegd, hem zo door de verbalisanten is gedicteerd! De verbalisanten hebben notabene zelf het klaagschrift van [naam 2] ingetrokken (zie PRODUCTIE 4). Zowel de rechtbank als het gerechtshof hebben genegeerd dat de klaagschriften waren ingetrokken en dat er al beslag op de auto's was gelegd door de Ontvanger van de belastingen en dat voor het terugvorderen een andere weg diende te worden bewandeld dan het indienen van klaagschriften. Het indienen van de namens [naam 1] en in aanwezigheid van [naam 1] ingediende klaagschriften kan dus nooit een strafbaar feit opgeleverd hebben. De rechtbank was, naar later is gebleken, niet bevoegd over deze klaagschriften te beslissen omdat de Ontvanger op 17 maart 1987 beslag had gelegd op de auto's en deze auto's heeft verkocht en het overgebleven bedrag aan [naam 1] heeft uitbetaald, waaruit nogmaals blijkt dat [naam 1] de eigenaar was en de klagers houders. Bovendien is verzoeker pas op 24 maart 1987 verzocht om zich bij het politiebureau te Dongen te melden, terwijl de klaagschriften, gelet op het beslag door de Ontvanger (zie PRODUCTIE 8), een feit is dat noch bij de rechtbank, noch bij het gerechtshof bekend was en bovendien toen al door de klagers waren ingetrokken en hierdoor geen enkele waarde meer hadden, en de rechtbank niet de aangewezen instantie was om daarover te oordelen. Deze feiten waren noch bij de rechtbank, noch bij het gerechtshof bekend, dan wel door beide instanties genegeerd.
Verzoeker heeft ter terechtzitting d.d. 2 oktober 1989 verklaard:
‘De mededeling van mevrouw [naam 1] aan mij dat zij door alle drie de klagers gevolmachtigd was om de klaagschriften in te dienen, was voor mij voldoende om daarop als bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd voor de indieners op te treden’.
Verzoeker verwijst nog naar het proces-verbaal van het onderzoek in de Raadkamer van de Rechtbank Breda, d.d. 2 maart 1987, waaruit zonder meer blijkt dat mevrouw [naam 1] namens de klagers volmacht had (zie PRODUCTIE 9). Mevrouw [naam 1] verklaarde: Dat de in de klaagschriften genoemde personenauto's bij haar in beslag zijn genomen en dat zij daar verantwoordelijk voor is en dat mevrouw [naam 3] haar geld heeft gegeven om de Mercedes, kenteken [kenteken 2], te kopen. Bovendien blijkt uit dit proces-verbaal dat zowel de officier van justitie als de griffier van de rechtbank ermee bekend waren dat verzoeker namens [naam 1] en in aanwezigheid van [naam 1] de klaagschriften had ingediend. Overigens heeft de rechtbank de oproepingen nietig verklaard. Toch werd verzoeker op 24 maart 1987 op het politiebureau te Dongen ontboden en maandenlang onder beperking vastgehouden. De auto's waren toen reeds inbeslaggenomen door de ontvanger der belastingen, waardoor de klaagschriften helemaal geen functie meer hadden en van een strafbaar feit geen sprake kon zijn en [naam 1] als eigenaresse van de auto's werd beschouwd en bovendien ook nog het recht van revindicatie (zie artikel 721 Rv) heeft gehad.
De politieambtenaren c.q. verbalisanten waren bekend met het feit dat verzoeker op verzoek van [naam 1] de klaagschriften had ingediend. De officier van justitie heeft bewust nagelaten dit feit in de tenlastelegging van verzoeker (punt II) op te nemen. Ook de Rechtbank Breda was ermee bekend. Zie dagvaarding d.d. 16 juni 1987 en uitspraak Rechtbank Breda van 13 juli 1987, (zie PRODUCTIE 2), beiden in de zaak [naam 1].
Overigens wordt in deze verwezen naar de conclusie van advocaat-generaal mr. Van Oosten. De advocaat-generaal concludeerde dat artikel 450 1e lid Sv niet de eis stelt dat de advocaat bepaaldelijk gevolmachtigd is. Er wordt slechts de eis gesteld dat de advocaat dat verklaart, hetgeen verzoeker gedaan heeft (zie akten griffier PRODUCTIE 5).
Subsidiair
Verzoeker legt een kopie van de brief van het kantoor van mr. De Kok, gericht en verzonden aan mr. Sloun over, waaruit blijkt dat mr. Sloun contact met dit kantoor heeft gezocht in verband met het indienen van de klaagschriften (PRODUCTIE 11).
Meer subsidiair
Verzoeker is van mening (naar later is gebleken) dat de Rechtbank Breda niet bevoegd was van de klaagschriften kennis te nemen. De ontvanger der belastingen heeft op 17 maart 1987 (zie PRODUCTIE 8) al beslag op de drie auto's gelegd, waardoor geen klaagschriften, doch bezwaarschriften bij de ontvanger der belastingen dienden te worden ingediend. De auto's zijn daarna door de Belastingdienst verkocht op 8 mei 1987en de Belastingdienst heeft aan [naam 1] als eigenaresse van de auto's, na verrekening met haar belastingschuld, het restantbedrag aan [naam 1] uitbetaald. De connexiteit tussen [naam 1], [naam 2], [naam 2] en [naam 3] is nimmer onderzocht.
Meer subsidiair
Verzoeker heeft de intrekkingsverzoeken door de advocaten en verbalisanten overgelegd (zie PRODUCTIE 4). De verbalisanten hadden een reden om de klaagschriften te laten intrekken door het kantoor van de wnd. deken. Hiermee staat vast dat er geen oogmerk was om de akten te gebruiken of te doen gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware zijn opgave in overeenstemming met de waarheid, terwijl uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan. De auto's waren immers al op 17 maart 1987 in beslag genomen door de Belastingdienst, doch dit feit is op 24 maart 1987 niet aan verzoeker bekend gemaakt. De verbalisanten hebben verzuimd hun verbaliseerplicht na te komen door de intrekking van de klaagschriften niet in een proces-verbaal op te nemen. Ten deze is sprake van vormverzuimen doordat de met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig of met grove veronachtzaming van de belangen van verzoeker aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan, zeker gelet op het feit dat de Ontvanger ook beslag op de auto's had gelegd. Artikel 359a Strafvordering is niet in acht genomen.
Het aan verzoeker onder II tenlastegelegde feit is in strijd met de waarheid (zie PRODUCTIE 2), (dagvaarding van 16 juni 1987 en vonnis van de Rechtbank Breda van 13 juli 1987 in de zaak [naam 1]) en alzo een bewezenverklaring die niet is overeen te brengen, zoals in artikel 457 Sv is opgenomen. Feit is dat [naam 1] ten onrechte is tenlastegelegd en veroordeeld dat zij door een samenweefsel van verdichtsels de Staat der Nederlanden en/althans de officier van justitie en/althans de Dienst der Domeinen en/althans het Korps Rijkspolitie en/althans de Raadkamer van de Rechtbank Breda, op valse gronden de klaagschriften heeft ingediend. De ontvanger der belastingen heeft [naam 1] als eigenaar van de auto's beschouwd en de connexitteit tussen [naam 1] en [naam 2], [naam 2] en [naam 3] niet onderzocht. Uit het proces-verbaal ‘Teruggave goederen’ (zie PRODUCTIE 7) blijkt zonder meer dat klagers een band hadden met [naam 1].
Gebleken is dat de auto's bij [naam 1] in beslag zijn genomen op 17 maart 1987 door de Belastingdienst. Verzoeker is dan ook op 24 maart 1987 ten onrechte aangehouden en in verzekering gesteld. [naam 1] werd als eigenaar beschouwd. De drie klagers stonden bij de RDW als eigenaar van deze auto's geregistreerd, doch volgens de ontvanger der belastingen was [naam 1] de eigenaar van deze auto's en had [naam 1] de auto's kunnen terugeisen bij wege van revindicatie. [naam 1] was alzo wel degelijk pro sé gemachtigd om die auto's terug te vorderen en de klagers waren daarmee bekend.
De Belastingdienst heeft deze auto's op 8 mei 1987 verkocht. Noch [naam 1], noch de klagers, noch verzoeker hebben in een authentieke akte opgave gedaan aangaande een feit van welks waarheid die akte moet doen blijken. Het is een feit dat die akten niet door de klagers, noch door [naam 1], noch door verzoeker zijn gebruikt en niet gebruikt konden worden, aangezien de rechtbank niet bevoegd was deze zaak te behandelen. Reeds op 17 maart 1987 waren de auto's al in beslag genomen waardoor geen enkel nadeel kon bestaan zoals artikel 225 en/of 227 sr bepaalt. De klaagschriften van [naam 2] en [naam 2] waren notabene ingetrokken en [naam 3] was niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek (zie dagvaarding [naam 1] PRODUCTIE 2). De kantoor- en huiszoeking heeft hierdoor dan ook onrechtmatig plaatsgevonden. Noch de rechtbank, noch het gerechtshof hebben met voormelde gegevens rekening gehouden.
De officier van justitie heeft op 26 maart 1987 aan de Rechtbank Breda op grond van artikel 113 van het Wetboek van Strafvordering gevorderd dat de rechter-commissaris huiszoeking ter inbeslagneming op de navolgende plaatsen zal doen, te weten:
- 1.
in de woning aan de [a-straat 01] en het daarachter gelegen losstaande kantoorpand [a-straat 01];
- 2.
in een woning aan de [b-straat 01] te [a-plaats], (waarvan verzoeker overigens noch huurder, noch gebruiker was) alsmede de zich bij dat pand/die panden bevindende aanhorigheden en/of de klaarblijkelijk aan verzoeker ter beschikking staande transportmiddelen.
Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan de rechter-commissaris tevens verlof zal verlenen, dat de huiszoeking zich zal uitstrekken tot brieven en andere geschriften, als bedoeld in artikel 113 van het Wetboek van Strafvordering.
De rechtbank heeft onder presidium van mr. L.C. van der Plas deze vorderingen toegestaan. Nergens uit het door de officier gevorderde blijkt welke brieven of geschriften het voorwerp van het door hem gepretendeerde voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend.
Nergens is gebleken dat de officier van justitie, noch de rechtbank rekening hebben gehouden met het in artikel 113 lid 2 Strafvordering vermelde artikel 98 lid 2. Artikel 98 lid 2 en artikel 99 Strafvordering zijn bij de kantoor- en huisdoorzoeking niet in acht genomen, zoals hierna zal blijken.
Verzoeker stelt op grond van het vorenstaande nog het navolgende.
Verzoeker werd op 24 maart 1987 om 13.00 uur door een zich noemende verbalisant [verbalisant 2] uitgenodigd om naar het politiebureau te Dongen te komen. Waarvoor werd toen niet medegedeeld.
Verzoeker kreeg op 24 maart 1987 in het politiebureau van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] te horen dat hij klaagschriften had ingediend bij de Rechtbank Breda voor drie personen, en wel op valse gronden, daargelaten dat de opdrachtgever om deze klaagschriften op te maken en in te dienen een zekere mevrouw [naam 1] was. Verzoeker heeft verklaard dat hij op verzoek van [naam 1] en klagers de klaagschriften heeft opgesteld en aan [naam 1] laten overhandigen.
Verzoeker kwam [naam 1] op 29 januari 1987 toevallig tegen bij de rechtbank en [naam 1] vroeg aan verzoeker of hij haar de weg wilde wijzen naar de strafgriffie. Bij de indiening is gebleken dat [naam 1] alleen in het bezit was van één volmacht, en wel van [naam 3]. [naam 1] heeft de griffier toen te kennen gegeven dat zij de andere twee volmachten zou gaan halen, doch de griffier heeft haar medegedeeld dat verzoeker, als advocaat, ook alle drie de klaagschriften kon indienen. Volgens verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] was verzoeker, noch [naam 1], gemachtigd om deze klaagschriften namens [naam 3], [naam 2] en [naam 2] in te dienen.
Toen verzoeker zijn verklaringen handhaafde werd hij in verzekering gesteld. De verbalisanten zeiden toen meteen al dat de inverzekeringstelling zeker drie maanden zou duren.
Uit het vorenstaande blijkt dat zowel deze verbalisanten als de rechtbank artikel 359a Strafvordering hebben geschonden, nu deze verbalisanten en twee advocaten de klaagschriften al op 19 maart 1987 hadden ingetrokken (zie Productie 4). Deze verbalisanten wisten dat [naam 1] de eigenaresse van de auto's was (zie Productie 7).
De door de rechtbank verleende toestemming tot kantoor- en huiszoeking is, gelet op het bovenstaande, in strijd met artikel 113 lid 2 Strafvordering en artikel 98 Strafvordering verleend en alzo nietig.
Zoals reeds gesteld waren de klaagschriften op 19 maart 1987 ingetrokken en was [naam 1] de eigenaressen van deze auto's, en zowel de officier van justitie als de Rechtbank Breda hadden kennis kunnen nemen van de RDW-bescheiden, het proces-verbaal van 17 februari 1987 van ‘Teruggave goederen’ aan [naam 1] van verbalisant [verbalisant 2], de dagvaarding van [naam 1] op 16 juni 1987 en het vonnis gewezen door de Rechtbank Breda op 13 juli 1987 (zie Productie 2).
Kantoor- en huiszoeking
De overwegingen in het arrest van het gerechtshof met betrekking tot de huiszoeking (blz. 25 en 26) zijn in strijd met het proces-verbaal van kantoor- en huiszoeking en artikel 98 Strafvordering.
De hierna vermelde nieuwe feiten en omstandigheden die bij het onderzoek ter terechtzittingen van de rechtbank en het gerechtshof niet zijn gebleken, zijn op zichzelf of in verband met de destijds geleverde bewijzen, onverenigbaar met voormelde uitspraak.
Het gerechtshof was bekend met het feit dat de klaagschriften waren ingetrokken. De kwestieuze auto's waren op 17 maart 1987 al in beslaggenomen door de ontvanger van de Belastingdienst (zie PRODUCTIE 8), waardoor er toen geen gronden voor de kantoor- en huiszoeking voorhanden waren.
Uit het door de Rechtbank Breda aan de officier van justitie verleend verlof tot huiszoeking en het proces-verbaal van huiszoeking (PRODUCTIE 12), is gebleken dat de huiszoeking in de woning van verzoeker is geschied zonder dat verzoeker en mr. Smits daarbij aanwezig waren. Verzoeker mocht toen helemaal niet in zijn woning komen! Voorts is door de Rechtbank Breda geen verlof verleend tot huiszoeking in de kluis van verzoeker, die overigens leeg was!.
Vaststaat dat de processen-verbaal van kantoor- en huiszoeking niet correct zijn (zie PRODUCTIE 12). In de processen-verbaal is opgenomen dat de kantoor- en huiszoeking tegelijkertijd was aangevangen om 12.35 uur in beide gebouwen. De vraag is dan ook wie waren er bij huiszoeking in de woning aanwezig.
Verzoeker en mr. Smits in elk geval niet. Datzelfde proces-verbaal van kantoor- en huiszoeking vermeldt dat verzoeker het kantoorpand om 12.53 uur betrad.
Verzoeker betrad het kantoorpand toen de kantoordoorzoeking al begonnen was. Verzoeker legt de getuigenverklaring van [betrokkene 2] over waaruit dat blijkt (PRODUCTIE 13). Zie ook proces-verbaal van huiszoeking (zie PRODUCTIE 12)
Ook is gebleken dat er tal van dossiers zijn meegenomen zonder dat verzoeker en/of mr. Smits inzage hadden in deze dossiers. Zie o.a. Bijlage proces-verbaal kantoordoorzoeking (PRODUCTIE14). Ten deze is artikel 370 lid 2 Sr geschonden.
Treffend is dat deze zelfde rechters die het verlof tot kantoor- huiszoeking hadden verleend, ook de rechters waren bij de raadkamerzittingen en diezelfde rechters beslisten over de schorsing en/of verlenging van de gevangenhouding van verzoeker en deze rechters ook de strafzaak (hoofdzaak) behandelden.
Bij de kantoor- en huiszoeking is gebleken dat de politieambtenaren en verbalisant [verbalisant 1] gericht zochten naar het dossier [naam 4] en stukken en bescheiden die op dit dossier betrekking hadden. Het was verbalisant [verbalisant 1] en andere politieambtenaren die bij de kantoor- en huiszoeking betrokken waren bekend dat verzoeker de raadsman van zowel [naam 4] als [naam 1] was geweest. Beide verbalisanten, [verbalisant 1] en [verbalisant 2], waren betrokken bij de strafzaak [naam 4] en de strafzaak [naam 1].
Toen de gearchiveerde dossiers van [naam 4] werden ontdekt heeft verzoeker zich beroepen op zijn beroepsgeheim en deze dossiers werden voorgelegd aan de door de rechtbank benoemde beoordelaar, wnd. deken mr. Smits. Mr. Smits heeft dit dossier zeer vluchtig ingezien, en zei slechts dat dit dossier processen-verbaal als inhoud had, terwijl de inhoud van dit dossier niet alleen uit processen-verbaal bestond. Toen deed verzoeker een beroep op zijn beroepsgeheim, omdat de inhoud van het dossier verzoeker wel bekend was. De rechter-commissaris mr. L.W. van de Merbel, en niet mr. M. de Boer, heeft toen de griffier laten opnemen dat het dossier [naam 4] onder verzegeling aan mr. Smits werd afgegeven (zie PRODUCTIE 14).
Mr. Smits heeft zich van deze verzegeling niets aangetrokken, ondanks het uitdrukkelijk protest van verzoeker, waardoor er zonder meer sprake is van een onrechtmatige daad en het alsdan verkregen ‘bewijs’ onrechtmatig is. Zowel de rechtbank als het gerechtshof hebben dit feit c.q. deze constatering genegeerd.
In het proces-verbaal van kantoor-huiszoeking is niet opgenomen dat wnd. deken mr. L.J.D. Smits degene was die besliste of de stukken, waaronder ook het dossier [naam 4], en alle andere dossiers onder het beroepsgeheim van verzoeker vielen, nadat verzoeker zich steeds op zijn beroepsgeheim beriep. Zie artikel 98 Sv.:
‘Alleen de geheimhouder beslist over hetgeen onder zijn beroepsgeheim valt’.
Mr. Smits kende de zaken niet eens en voorsortering had niet plaatsgevonden. Vaststaat dat de beslissing van de rechter-commissaris niet is opgevolgd, aangezien de politieambtenaren tezamen met verbalisant [verbalisant 1] zich meester hebben gemaakt van stukken die op het bureau van verzoeker lagen en/of zich in het kantoor bevonden en zo ook de dossiers van [naam 4] en andere dossiers (zie PRODUCTIE 14). Nergens is tijdens de huiszoeking gebleken welke brieven of geschriften voorwerp van het strafbare feit hebben uitgemaakt of bij het begaan daarvan zouden zijn gebruikt. Nergens is gebleken dat er gronden waren voor huiszoeking, aangezien reeds vaststond dat mevrouw [naam 1] bij de indiening van de klaagschriften tezamen met verzoeker voor de griffier is verschenen. De griffier heeft als getuige verklaard dat hij zich niets meer kon herinneren. Verzoeker heeft zich voor wat betreft het dossier [naam 4] steeds beroepen op zijn beroepsgeheim. De rechter-commissaris heeft artikel 98 Strafvordering in zijn totaliteit gepasseerd, en daarmee verzoeker het recht ontnomen om op grond van artikel 552 a Strafvordering een klaagschrift bij de rechtbank in te dienen. Een beschikking als bedoeld in artikel 98 eerste lid Strafvordering is nimmer gegeven. Er zijn nadien klachten hiertegen ingediend bij het gerechtshof en procureur-generaal (PRODUCTIE 15), doch een behandeling van de klachten heeft nimmer plaatsgevonden. Treffend was alleen een brief van de procureur-generaal dat de klacht tegen de verkeerde personen was gericht. Zie ook in verband hiermee proces-verbaal van het hof van 19 september 1988 (zie PRODUCTIE 15). Artikel 113 (oud) bepaalt:
- 1.
‘De huiszoeking strekt zich behalve in het geval van artikel 111, tweede lid, niet uit tot brieven of andere geschriften die niet tot het voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend, tenzij krachtens uitdrukkelijk verlof der rechtbank’
(Sr.371 lid 2). Verzoeker moest op 24 maart 1987 op het politiebureau komen voor wat betreft de klaagschriften, echter, de zaak [naam 4] speelde vanaf het begin de grootste rol.
- 2.
Artikel 98, tweede lid is van toepassing (Sv. 107; Sr. 370), hetgeen de bevoegdheid van mr. Smits om over het beroepsgeheim van verzoeker over de dossiers en andere stukken van verzoeker te beslissen uitsluit. Uit voornoemde punten blijkt dat de kantoor- en huiszoeking op valse gronden is geschied en dus in strijd met artikel 98 Strafvordering.
Voorts is het verlof tot huiszoeking van de Rechtbank Breda niet voldoende om andere brieven en geschriften te onderzoeken, dan die welke het voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan ervan hebben gediend. In het bevel ontbreekt de beschrijving van de geschriften, boeken of andere papieren die in beslag moeten worden genomen en/of waarop de kantoor- en huiszoeking betrekking zou moeten hebben (zie PRODUCTIE 14). Het verleende verlof is dan ook in strijd met art. 98, 112 en 113 oud Sv.
De kantoor- en huiszoeking op 26 maart 1987 vond gelijktijdig plaats in het kantoor en de daarvan vrijstaande woning van verzoeker. De rechter-commissaris was tijdens het onderzoek in het vrijstaande kantoorpand aanwezig. Verzoeker mocht tijdens de huiszoeking niet in zijn woning komen. Wel hebben de politieambtenaren bescheiden meegenomen zonder dat verzoeker en mr. Smits hiervan afwisten Ook in de woning van verzoeker, waar verzoeker en mr. Smits, (die niet eens bevoegd was), niet eens geweest zijn, en waar ook een aantal dossiers van cliënten lagen, zijn niet gespecificeerde dossiers, losse bescheiden en privéstukken meegenomen.
Tijdens de kantoor- en huiszoeking zijn, naar later is gebleken, bescheiden en correspondentie uit dossiers en complete cliëntendossiers van verzoeker inbeslaggenomen. Gelet op het feit dat de klaagschriften reeds waren ingetrokken (zelfs door de verbalisanten), en volgens de toen bestaande wet werd degene die bij de RDW als eigenaar stond ingeschreven ook als eigenaar beschouwd, en [naam 1] die de eigenaresse van deze auto's was, deze auto's alleen terug kon vorderen door middel van klaagschriften en waarvoor zij reeds de volmachten van klagers in haar bezit had. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte een bevel tot kantoor-huiszoeking aan de officier van justitie verleend en verzoeker ten onrechte op het politiebureau te Dongen ontboden. Gelet op het voorgaande waren er geen redenen voor kantoor- huiszoeking. Achteraf is gebleken dat de kantoor- huiszoeking een ‘fishing expedition’ was en onrechtmatig, zonder inachtneming van artikel 98 Sv en met voorbedachte rade en er alleen op gericht om het dossier [naam 4] in bezit te krijgen.
Bezien dient te worden in hoeverre schending van artikel 98 Sv heeft plaatsgevonden, immers, noch de rechtbank, noch het gerechtshof hebben zich uitgelaten over de wel of niet juiste toepassing van artikel 98 Sv.
Allereerst dient opgemerkt te worden dat de kantoor- en huiszoeking volgens het door de griffier en de rechter-commissaris opgesteld proces-verbaal van kantoor- c.q. huiszoeking, al was aangevangen vóórdat verzoeker ter plaatse was gearriveerd. Ook moet opgemerkt worden dat verzoeker bij de huiszoeking in het geheel niet aanwezig is geweest. De door de rechter-commissaris mr. M. de Boer en wnd. deken van de Orde van Advocaten mr. Smits op 9 januari 1989 afgelegde verklaringen, zijn in strijd met de kenbron, zijnde het proces-verbaal van huiszoeking. Uit het proces-verbaal van huiszoeking blijkt dat verzoeker omstreeks 12.53 uur arriveerde.
Bovendien blijkt uit de aangehechte lijst onvoldoende het karakter van inbeslaggenomen voorwerpen. Meermalen wordt slechts vermeld: ‘bescheiden’ en ‘diverse bescheiden’ e.d. zonder dat de aard daarvan nader wordt aangeduid. Uit de aan het proces-verbaal aangehechte lijst zou blijken dat het dossier [naam 4] zou zijn afgegeven aan de advocaat Smits, en wel ter verzegeling. Verzoeker heeft zich ten aanzien van dit dossier zeer uitdrukkelijk beroepen op zijn plicht tot geheimhouding (zie PRODUCTIE 14).
Uit de op 19 september 1988 (zie PRODUCTIE 15) en 9 januari 1989 (PRODUCTIE 16) gehouden getuigenverhoren is echter gebleken dat het dossier [naam 4] niet is verzegeld en direct in handen van de rechercheurs is gesteld, ondanks het uitdrukkelijk beroep van verzoeker op zijn geheimhoudingsplicht is het dossier [naam 4] in beslagenomen. Er waren twee dossiers van [naam 4], welke in feite beiden waren gearchiveerd en waarvan er maar één is teruggegeven (inbeslagnamenummer 1.P.7.3-14-9 t/m 179) (zie PRODUCTIE 14).
Het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch overweegt in zijn arrest dat verzoeker toestemming heeft gegeven voor de huiszoeking en baseert dit op de door de rechter-commissaris afgelegde verklaring d.d. 9 januari 1989. Het gerechtshof miskent het feit dat uit het proces-verbaal van kantoor-huiszoeking, in deze de kenbron, staat opgenomen dat de officier van justitie de vraag heeft gesteld en niet de rechter-commissaris (zie PRODUCTIE 12). Bovendien blijkt uit voornoemd proces-verbaal niet dat de vraag, indien al gesteld, quod non, door de rechter-commissaris als leider van het onderzoek is gesteld. In het proces-verbaal d.d. 9 januari 1989 is niet opgenomen dat rechter-commissaris mr. M. de Boer heeft verklaard dat hij de inhoud van artikel 98 niet kende (PRODUCTIE 16)! De getuige [betrokkene 2] heeft dat op 2 oktober 1989 (zie PRODUCTIE 6) nog bevestigd. Overigens is degene die als rechter-commissaris over het dossier [naam 4] heeft beslist mr. L.W. van de Merbel geweest, die mr. M. de Boer opvolgde.
Mr. LW. van de Merbel is echter nimmer als getuige gehoord. De raadsheer Klaufus die ook raadsheer bijzitter was bij het verhoor van rechter-commissaris mr. M. de Boer d.d. 9 januari 1989, is er ambtshalve mee bekend dat rechter-commissaris mr. M. de Boer zulks heeft verklaard. Het is in strijd met artikel 98 Sv en er is sprake van een onjuiste interpretatie van dit artikel, nu deze in de verklaring van de rechter-commissaris niet is opgenomen. Voorts blijkt uit de kenbron ook dat de officier van justitie degene was die heeft gevraagd of verzoeker bezwaar tegen de huiszoeking had.
Het is onbegrijpelijk en een bewezenverklaring in strijd met artikel 98 Sv die in het arrest van het gerechtshof besloten ligt in het vermeende feit dat verzoeker geen bezwaar zou hebben gemaakt tegen de huiszoeking en dat de kantoor- huiszoeking zich heeft mogen uitstrekken tot andere brieven of geschriften.
Uit het proces-verbaal van huiszoeking en in beslagneming ter zake het safeloket wordt alleen gerept dat de sleutel van dit safeloket door de echtgenote van verzoeker vrijwillig werd afgestaan door haar. Nergens blijkt dat aan verzoeker toestemming is gevraagd en dat verzoeker toestemming heeft verleend om het op zijn naam staande safeloket te onderzoeken.
De huiszoeking van 26 maart 1987 heeft niet plaatsgevonden met inachtneming van het beroepsgeheim van verzoeker. Dit heeft in het bijzonder te gelden ten aanzien van het dossier [naam 4], waarbij verzoeker uitdrukkelijk een beroep deed op zijn geheimhoudingsplicht. Ten aanzien van dit dossier blijkt een en ander zondermeer uit de afgelegde verklaringen. De gehele huiszoeking is echter met betrekking tot het beroepsgeheim dermate onzorgvuldig verlopen dat vaststaat dat ook ten aanzien van andere stukken en dossiers het beroepsgeheim is geschonden.
Uit het arrest van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch blijkt dat, omdat de waarnemend deken bij de huiszoeking aanwezig was, deze huiszoeking rechtmatig zou zijn geschied. Deze overweging vindt geen steun in de wet. Bovendien staat vast dat mr. Smits, wnd. deken, degene was die bepaalde of de inhoud van stukken en dossiers onder het beroepsgeheim van verzoeker vielen. Mr. Smits verklaarde:
‘Ik heb met betrekking tot dit stuk beslist dat het onder zijn, [aanvrager] 's, beroepsgeheim viel.’
Vide in verband met de verklaring van mr. Smits blz. 5 van de uitspraak van de Hoge Raad van 1 mei 1990 nr. 86.915.
Voorts wordt verwezen naar de verklaring van verbalisant [verbalisant 1]: (proces-verbaal terechtzitting gerechtshof van 19 september 1988) ‘Als mr. [aanvrager] zich beriep op zijn verschoningsrecht bij het inzien van bepaalde stukken, dan werden die stukken eerst voorgelegd aan de waarnemend deken van de Orde van Advocaten.’ (zie PRODUCTIE 15) Zie ook verklaring van mr. L.J.D. Smits, afgelegd ter terechtzitting gerechtshof op 9 januari 1989 in de zaak [naam 5] (zie PRODUCTIE 16).
Niet de rechter-commissaris, noch de wnd. deken, noch de aanwezige verbalisanten, hebben tijdens de huiszoeking het laatste woord over de vraag of een stuk onder het beroepsgeheim valt. Immers, zo moge blijken uit de overwegingen van het Gerechtshof Amsterdam (HR 14 oktober 1986 N.J. 87 nr. 490), is het de raadsman, zelfs indien hij verdachte is die uitmaakt of een stuk onder zijn beroepsgeheim valt. De advocaat-generaal mr. Meijers achtte deze overweging juist.
Deze schending van het beroepsgeheim is dan ook onrechtmatig. Op 20 juni 1988 oordeelde de Hoge Raad dat een huiszoeking ten kantore van een advocaat slechts gericht kan zijn op stukken waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat zij niet onder het verschoningsrecht vallen (N.J. 89, mr. 213). Voorts stelde de Hoge Raad dat de huiszoeking op een dusdanige wijze dient plaats te vinden dat de kans dat vertrouwelijke gegevens ter kennis van derden zouden komen zo gering mogelijk is.
In casu is dat zeker niet het geval geweest. Zonder toestemming van de betrokkene worden stukken die onder diens beroepsgeheim vallen niet in beslag genomen, aldus art. 98 Sv.
Verzoeker heeft, zo blijkt uit de verklaring van de rechter-commissaris verscheidene malen een beroep gedaan op zijn geheimhoudingsplicht. Ten aanzien van het dossier [naam 4] is zulks zelfs door meerdere aanwezigen bevestigd, en nergens in het arrest van het gerechtshof is gebleken dat het hof een oordeel heeft gegeven over de wijze van toepassing van het beroepsgeheim van verzoeker.
Volgens het proces-verbaal van kantoor- en huiszoeking diende het dossier [naam 4] op bevel van rechter-commissaris Van de Merbel ter verzegeling aan de wnd. deken mr. Smits te worden afgegeven. De wnd. deken heeft, ondanks het feit dat verzoeker wederom een beroep op zijn beroepsgeheim deed, dit dossier aan verbalisant [verbalisant 1] afgegeven. De functie van de wnd. deken had niet meer dan toezichthoudend mogen zijn. De beoordeling omtrent het beroepsgeheim tijdens de huiszoeking ligt bij betrokken raadsman en niemand anders. Alleen op die wijze kan recht worden gedaan aan het beschermde belang van artikel 98 Sv. Of de betrokkene tevoren toestemming tot huiszoeking heeft gegeven doet daaraan niets af, immers art. 98 spreekt van het in beslagnemen van stukken en niet van de huiszoeking zelve. In casu blijkt bovendien niet dat de rechter-commissaris aan verzoeker heeft gevraagd of hij bezwaar heeft tegen de huiszoeking, en nergens blijkt dat de rechter-commissaris zich terdege heeft vergewist of verzoeker toestemming heeft verleend tot huiszoeking. Vaststaat in ieder geval dat verzoeker geen afstand heeft gedaan van zijn geheimhoudingsplicht.
Mrs. J. Nieuwenhuis en R.J.F. Thiersen (‘Het recht tot geheimhouding’ in De Derde Rechtsgang nader bekeken, opstellen aangeboden aan mr. C. Bronkhorst; mei 1989), stellen dan ook:
‘Het zou met eerbiediging van de met het verschoningsrecht te waarborgen belangen niet verenigbaar zijn die beslissing in volle omvang bij de betrokken justitiële functionaris te leggen. In het besef dat een scherpe omlijning onbereikbaar is, zal naar onze opvatting maatstaf dienen te zijn:
Zolang de desbetreffende functionaris aan redelijke twijfel onderhevig acht of de advocaat naar waarheid verklaart dat de bescheiden het object van het hem toekomen verschoningsrecht zijn, zal hij de verklaring als juist hebben te aanvaarden.’
(blz. 251).
Prof. mr. A.L. Melai acht de toetsingsbevoegdheid van de betreffende justitiële ambtenaar eveneens marginaal (commentaar op artikel 98 Sv aantekening 5).
Uit het verkregen verlof en proces-verbaal van huiszoeking blijkt evenmin welke geschriften voorwerpen van het strafbare feit deel uitmaken en tot het begaan daarvan hebben gediend.
Stukken, met betrekking waartoe de advocaat een beroep doet op zijn verschoningsrecht, kunnen niet zonder meer in beslag worden genomen enkel vanwege het strafvorderlijk belang. Immers, zo overwoog de Hoge Raad, advocaten behoren tot de beperkte groep van personen:
‘Wier maatschappelijke functie meebrengt dat te hunnen aanzien het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat eenieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het besprokene om bijstand en advies tot hen moet kunnen wenden’.
(N.J. 86, 813).
Kortom, de huiszoeking, dan wel de inbeslagname is verricht in strijd met de zorgvuldigheid die, gelet op art. 98 Sv en de strekking daarvan, in acht genomen had moeten worden.
Verzoeker is van mening dat het proces-verbaal van kantoor- en huiszoeking, en het vonnis en arrest, vitale hiaten bevatten en nimmer is onderzocht. Deze kantoor- en huiszoeking is op de zittingen van de rechtbank en het gerechtshof geen onderwerp van onderzoek geweest.
- 1.
Verzoeker is in tegenstelling tot hetgeen de getuige [verbalisant 1] heeft verklaard, niet door de rechter-commissaris gevraagd of hij toestemming geeft voor de kantoor- en huiszoeking, doch door de officier van justitie, die daartoe niet bevoegd was.
- 2.
Bij de huiszoeking was verzoeker, noch de wnd. deken mr. Smits aanwezig.
- 3.
Verzoeker heeft veel later het kantoorpand betreden en toen was de kantoordoorzoeking al in volle gang (zie proces-verbaal huiszoeking en vervolgblad 1, Productie 12). Zie ook verklaring van [betrokkene 2] (zie PRODUCTIE 13).
- 4.
Verzoeker betwist dat hij alle documenten uit het dossier [naam 4] ter beschikking van het onderzoek heeft gesteld behoudens één blad papier dat aan weerszijden was beschreven. Verzoeker heeft voor wat betreft het dossier [naam 4] zich beroepen op zijn beroepsgeheim, doch werd gedwongen dit hele dossier aan mr. Smits af te geven ter verzegeling, zoals uit de bijlage die bij het proces-verbaal van huiszoeking behoort blijkt (zie PRODUCTIE 14). Het dossier [naam 4] is absoluut niet ter beschikking van het onderzoek gesteld. [naam 4] was immers een cliënt (geweest) van verzoeker.
- 5.
Mevrouw [aanvrager] was niet de bevoegde persoon om toestemming voor de huiszoeking in de woning te geven. Bovendien werd haar voorgehouden dat zij daartoe verplicht was.
- 6.
Nergens uit het proces-verbaal van huiszoeking blijkt dat verzoeker voor het meenemen van de op de lijst vermelde stukken en dossiers toestemming heeft gegeven en het in beslagnemen van deze dossiers is ook niet opgenomen in het proces-verbaal van kantoor- en huiszoeking (zie PRODUCTIE 14). De kantoor- en huiszoeking had bij Justitie een andere bedoeling dan het zoeken naar klaagschriften. De kantoor- en huiszoeking is een omstandigheid, c.q. bewezenverklaring die niet overeen te brengen is met artikelen 111, 112 en 113 Sv.
Het proces-verbaal van kantoor- en huiszoeking is op voornoemde punten in strijd met de waarheid opgemaakt en alzo nietig. De officier van justitie heeft niet conform het door de rechtbank verleend verlof gehandeld, hoewel dit verlof van de rechtbank al nietig en/of in strijd met de wet was. De klaagschriften waren reeds vóór 24 maart 1987 ingetrokken. Mevrouw [naam 1] had de machtiging van de klagers om de klaagschriften in te dienen. De ontvanger der belastingen had toen al beslag gelegd op de kwestieuze auto's en daarna de auto's verkocht op 8 mei 1987 en het pro resto bedrag aan [naam 1] uitbetaald. Volgens de dagvaarding van [naam 1] van 1 juli 1987 en het vonnis van de rechtbank in de zaak [naam 1] van 13 juli 1987 heeft verzoeker de klaagschriften op verzoek van [naam 1] ingediend. Ook griffier Anemaat van de rechtbank wist heel goed dat [naam 1] en verzoeker samen voor hem ter griffie zijn verschenen op 29 januari 1987. Zowel de officier van justitie, de griffier en de verbalisanten waren met deze gang van zaken bekend. Griffier Anemaat heeft ten onrechte verklaard dat hij zich niet meer kon herinneren hoe een en ander zich heeft afgespeeld bij het indienen van de klaagschriften door verzoeker tezamen met [naam 1], terwijl de officier dit wel wist. Griffier Anemaat is tekortgeschoten in de nakoming van artikel 451 Strafvordering. De officier van justitie heeft in de dagvaarding van [naam 1] wel opgenomen dat verzoeker op verzoek van [naam 1] de klaagschriften heeft ingediend (zie PRODUCTIE 2).
III. Medeplichtigheid aan heling
Verzoeker bestrijdt op grond van de arresten in de zaken van [betrokkene 2] en [naam 5], hetgeen het gerechtshof in zijn arrest van 3 januari 1990 op blz. 18 t/m 21 heeft overwogen. Deze arresten van [naam 5] en [betrokkene 2], gewezen door het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch en de Hoge Raad, zijn nimmer in de strafzaak van verzoeker overgelegd.
Verzoeker is in het arrest van het gerechtshof veroordeeld ter zake ‘Medeplichtigheid aan heling’. Zowel de rechtbank als het gerechtshof hebben een bewezenverklaring uitgesproken die niet overeen te brengen is en berust op gegevens die niet bekend waren. Indien deze gegevens bekend zouden zijn geweest, het onderzoek zou hebben geleid tot vrijspraak van verzoeker, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkheid van het O.M., hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
In het bijzonder zijn artikel 48 en 416 Sr en artikel 98, 359 en 415 Sv geschonden, doordien het bewezen verklaarde, in het bijzonder medeplichtigheid aan heling niet bewezen is en zelfs niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
De bewezenverklaring in voormelde uitspraak is onverenigbaar met de aan verzoeker tenlastegelegde medeplichtigheid aan heling.
Uit de bijlage van het proces-verbaal van huiszoeking blijkt dat verzoeker zich uitdrukkelijk heeft beroepen op zijn beroepsgeheim voor wat betreft het dossier [naam 4] (zie Bijlage kantoordoorzoeking PRODUCTIE 14). Het dossier [naam 4] was notabene gearchiveerd. Het proces-verbaal van huiszoeking is dan ook (o.a.) voor wat betreft het dossier [naam 4] onjuist Verzoeker heeft dit dossier aan wnd. deken mr. Smits ter hand moeten stellen. Mr. Smits heeft, ondanks het feit dat de rechter-commissaris mr. L.W. van de Merbel heeft bevolen dat verzoeker dit dossier aan mr. Smits ter verzegeling moest afgegeven, deze beslissing genegeerd en mr. Smits heeft dit hele dossier alsnog zonder meer in handen van de verbalisanten gegeven. Volgens mr. L.W. van de Merbel moest het dossier [naam 4] verzegeld worden. Ter terechtzitting van 20 december 1989 (zie PRODUCTIE 3) heeft verzoeker met betrekking tot de onder III en VI van de tenlastegelegde feiten, zich beroepen op zijn beroepsgeheim. Het gerechtshof heeft op dit beroep geen uitspraak gedaan. Het door verzoeker gedane beroep op zijn beroepsgeheim is gewoonweg genegeerd. Het arrest is ten deze niet gemotiveerd. Uit het proces-verbaal van 20 december 1989 van het gerechtshof blijkt dat de voorzitter van het college, mr. [voorzitter], verzoeker dwong zich over de feiten die onder zijn beroepsgeheim vielen uit te laten (zie blz. 6 proces-verbaal). Verder blijkt ook dat verzoeker heeft ontkend dat hij [naam 4] het geschrift betreffende de Rolexhorloges heeft laten ondertekenen. Uit het arrest blijkt dat het hof tegen beter weten in heeft overwogen dat de verbalisanten van verzoeker ‘gehoord’ zouden hebben dat verzoeker het geschrift door [naam 4] heeft laten ondertekenen. Verzoeker heeft altijd ten stelligste ontkend dat hij het geschrift, of welk geschrift dan ook door [naam 4] heeft laten ondertekenen. Wederhoor heeft in dit geval zeker niet plaatsgevonden. Uit het horen van de getuige [betrokkene 3] (oud-adjudant van de Rijkspolitie) blijkt dat verbalisant [verbalisant 2] verzoeker ‘wel zou krijgen en te grazen zou nemen’. [betrokkene 3] verklaarde ook dat hij zeer sterk bevriend was met verbalisant [verbalisant 2]. Verzoeker was de advocaat van de echtgenote van [verbalisant 2] die daardoor al vooringenomen en rancuneus was ten opzichte van verzoeker (PRODUCTIE 17). Zie ook verhoor van mevrouw L.P.M. Jacobs d.d. 24 augustus 1987 en brief van mr. A.F.M. de Kok aan Dr. [districtspsychiater], districtspsychiater d.d. 25 augustus 1987, waaruit blijkt dat mr. A.F.M. de Kok niet alleen de rol van mevrouw L.P.M. Jacobs in de zaak van verzoeker toelicht, doch ook die van verbalisant [verbalisant 2], met betrekking tot zijn ex-echtgenote en de onrust die het ‘functioneren’ van deze raadsman van zijn ex-echtgenote bij [verbalisant 2] veroorzaakt. Verbalisant [verbalisant 2] was niet tevreden met de uitspraak van het gerechtshof voor wat betreft de kinderalimentatie. Hij was des duivels en zou wraak nemen op verzoeker (zie PRODUCTIE 17).
Ter terechtzitting van de getuigenverhoren die plaatsvonden op 27 augustus 1987 en 28 augustus 1987 is de tenlastelegging gewijzigd. Verzoeker werd tenlastegelegd uitlokking c.q. medeplichtigheid tot heling. De gewijzigde tenlastelegging gaat er vanuit dat verzoeker aan [naam 5] heeft medegedeeld dat hij het geld kon betalen aan [naam 6] en/of [betrokkene 2].
De officier van justitie verwijt verzoeker telkens in tenlastelegging III dat hij steeds tezamen met ([naam 6]) of meer anderen ([betrokkene 2], [naam 5]) strafbare feiten zou hebben gepleegd, waardoor mededaderschap zou mogen worden aangenomen, als hieronder aangegeven, te weten:
‘Dat [betrokkene 2] in de periode van juni 1986 tot en met december 1986 in Nederland opzettelijk een geldbedrag, zijnde (een deel van) de koopsom van door [naam 5] (van [naam 4]) gekochte en aldus door verkoop van een middel als bedoeld in artikel 1 lid 1 sub 2 van de Opiumwet, vermeld op de bij deze wet behorende lijst I, verkregen uit winstbejag heeft vervoerd tot welk feit hij, verdachte, in de periode juni 1986 tot en met december 1986 in de gemeente Dongen als medeplichtige opzettelijk inlichtingen heeft verschaft, hebbende hij daar toen immers: [naam 5] op zijn kantoor ontvangen in aanwezigheid van die [betrokkene 2]; en
- —
aan die [naam 5] alstoen medegedeeld of beaamd dat hij de advocaat van [naam 4] was; en
- —
aan die [naam 5] medegedeeld of beaamd dat het geld dat die [naam 5] aan die [naam 4] verschuldigd was (op grond van een transactie betreffende verdovende middelen) aan die [betrokkene 2] betaald kon worden, waarop of waarna die [naam 5] geld aan die [betrokkene 2] heeft overhandigd.’
Verzoeker is echter van oordeel dat, gelet op de wet, in het bijzonder de artikelen 47 en 48 Sr, slechts tot mededaderschap mag worden geconcludeerd indien de samenwerking van de daders zo volledig is, dat de handelingen van anderen niet het karakter van hulpverlening dragen. Bovendien dient er bij alle betrokkenen sprake te zijn van een gemeenschappelijke opzet tot het plegen van het strafbare feit.
Behalve naar de tekst der wet, kan in dit verband verwezen worden naar: HR29-06-1936 NJ 1936 1047 en HR 09-0.2 1914, 648.
De Hoge Raad heeft ten aanzien van de gemeenschappelijke opzet nog bepaald dat er sprake moet zijn van een gezamenlijk voornemen tot het plegen van het strafbare feit, ergo is vereist dat de mededader van meet af aan bij de beraming van het strafbare feit betrokken moet zijn. In dit verband zie:
HR19.02.1946 NJ 1946. 169
HR16.04. 1946 NJ 1946.328
HR09.03. 1982 NJ1982. 573
HR504 1986 NJ 1986. 740
Waar bij punt III van de tenlastegelegde strafbare feiten sprake is van een ‘deelnemingsvorm’ dient vooraf te worden beoordeeld of verzoeker aan de voorwaarde voor strafbare deelneming voldoet, en zal in het bijzonder de betrokkenheid bij het delict in de overweging moeten worden betrokken.
Om tot strafbare deelneming te concluderen, moest verzoeker:
- —
Bij het gehele delict betrokken zijn geweest;
- —
Deelgenomen hebben aan de beraming van het strafbare feit;
- —
Door het strafbare feit voordeel genoten hebben.
Verzoeker voldoet aan geen enkele voorwaarde voor strafbare deelneming.
Hoewel door de Hoge Raad een fijnere nuancering van de deelneming wordt gegeven in de jurisprudentie dan de grove welke door verzoeker in het voorgaande wordt beschreven, lijkt het verzoeker voldoende om via de aangegeven ‘grove’ criteria in deze strafzaak te kunnen vaststellen dat er geen sprake is van strafbare deelneming of strafbaar mededaderschap.
Bij de beoordeling van het mededaderschap zal verzoeker, die in deze strafzaak heeft opgemerkt dat het O.M. geen getuigen heeft opgeroepen, worden uitgegaan van de verklaringen, zoals deze ter terechtzitting van 28 augustus 1987 door [betrokkene 2] en bij het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch op 2 oktober 1989, en van [naam 5] ter terechtzitting van de rechtbank van 27 augustus 1987 en op 2 oktober 1989 voor het gerechtshof 's‑Hertogenbosch hebben afgelegd. Zie verhoren [betrokkene 2] en [naam 5] rechtbank (PRODUCTIE 18) en hof d.d. 2 oktober 1989 (zie PRODUCTIE 6).
Uit het proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 2] bij de rechtbank op 28 augustus 1987, blijkt dat hij in mei 1986 samen met [naam 4] een handel in goud en edelstenen zou beginnen en met betrekking tot het geld dat hij van [naam 5] heeft ontvangen heeft verklaard:
- —
dat zijn verklaring bij de politie dat [aanvrager] hem gezegd zou hebben dat hij — [aanvrager] — van [naam 5] ƒ30.000,00 zou hebben ontvangen, onjuist is;
- —
dat hij een deel van het ontvangen geld naar Antwerpen bij [betrokkene 4] heeft gebracht;
- —
dat dat geld afkomstig was van het van [naam 5] ontvangen geld;
- —
dat hij die ƒ33.700,00 niet van [aanvrager] had gekregen en dat zijn verklaring tegenover de politie dat hij van Almere via Dongen naar Antwerpen is gereden niet juist is;
- —
dat hij namelijk van Almere rechtstreeks naar Antwerpen is gereden;
- —
dat hij bij [naam 5] thuis geld heeft gekregen en dat [naam 5] dat geld daar uit een kast pakte;
- —
dat hij van dat geld ƒ33.700,00 aan [naam 7] heeft gegeven en wel diezelfde dag nog;
- —
dat hij nooit aan [aanvrager] geld heeft overgedragen in de zaak waar het nu om gaat;
- —
dat hij nooit voor of namens [aanvrager] bij [naam 5] geld heeft opgehaald.
Uit het proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 2] bij het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch van 2 oktober 1989, blijkt dat [betrokkene 2] volledig volhardt bij de inhoud van zijn verklaring die hij op 28 augustus 1987 als getuige heeft afgelegd bij de Rechtbank Breda (zie PRODUCTIE 18).
[betrokkene 2] heeft de vragen van het gerechtshof met betrekking tot het geld dat hij van [naam 5] heeft ontvangen beantwoord als volgt:
- —
[naam 4] had mij na zijn aanhouding gezegd, dat hij nog een vordering had op een viswinkel in Almere ter zake een hypotheekschuld. [naam 4] vroeg mij die vordering, zijnde een bedrag van ƒ160.000,- te innen voor hem;
- —
[naam 4] heeft aan [aanvrager] gevraagd om werkzaamheden voor hem te verrichten. [aanvrager] had naar mijn mening geen inzicht in wat ik deed voor [naam 4]. Het is mij ook niet bekend welke invloed [aanvrager] op [naam 4] had;
- —
Ik wist niet waar [naam 5] woonde en daarom had ik aan [naam 6] gevraagd met mij mee te gaan;
- —
[naam 5] heb ik toen gevraagd om de schuld die hij aan [naam 4] had te betalen;
- —
Omdat [naam 5] niet geloofde wat ik zei, heb ik hem toen gezegd: Ga maar naar mijn advocaat, die heet [aanvrager] en die is ook de adviseur van [naam 4]. Hij kan bevestigen wat ik gezegd heb;
- —
[naam 5] is daarop alleen naar [aanvrager] in Dongen gegaan. Ik ben daar zelf later ook naar toegegaan;
- —
Het was min of meer toevallig dat [naam 5] en ik gelijktijdig op het kantoor van [aanvrager] in Dongen waren;
- —
[aanvrager] heeft toen tegen [naam 5] verteld dat hij de belangen van [naam 4] behartigde.
Ik zei hem toen wie ik was en dat is door [aanvrager] bevestigd. Ik ben daarop later weer naar Almere gegaan. En ik heb toen een deel van het geld gekregen van [naam 5]. Hoeveel dat precies was weet ik nu niet meer;
- —
Volgens mij wist [aanvrager] niet wat ik van [naam 5] aan geld moest beuren van [naam 4];
- —
Ik ben bij [aanvrager] nooit met het geld dat ik van [naam 5] ontvangen had op zijn kantoor geweest.
Op 4 augustus 1987 heeft [naam 5] (proces-verbaal nr. 3/v10/17) een verklaring afgelegd. Hij verklaarde namelijk dat hij nimmer met verzoeker heeft gesproken over de betaling van gelden in verband met de verdovende middelenhandel.
De getuige [naam 5] heeft ter terechtzitting bij de Rechtbank Breda op 27 augustus 1987 verklaard:
- —
dat hij de verdachte [aanvrager] eenmaal of tweemaal, maar beslist niet meer heeft ontmoet;
- —
dat hij op de vraag of hij [aanvrager] ooit geld heeft overhandigd of op andere wijze ter beschikking heeft gesteld, niet antwoordt;
- —
dat hij alsnog op die vraag wil antwoorden en dat zijn antwoord luidt dat hij nooit aan [aanvrager] geld heeft overhandigd of ter beschikking heeft gesteld;
- —
dat hij heeft verklaard dat hij éénmaal geld heeft gegeven aan [naam 6] in een motel te Breda en éénmaal aan [aanvrager] ƒ25.000,00 in diens kantoor;
- —
dat hij dat weliswaar heeft verklaard, maar dat dat niet de waarheid is;
- —
dat hij niet antwoordt op de vraag wat daarvan niet juist is;
- —
dat hij nogmaals verklaart nooit enig bedrag aan geld aan [aanvrager] betaald te hebben.
De getuige verklaart voorts:
Dat hij ook nooit per bank of giro aan [aanvrager] geld heeft overgemaakt.
De getuige verklaart:
- —
dat hij niet heeft gezien wie in het kantoor van [aanvrager] geld heeft overhandigd gekregen;
De getuige heeft bij de rechtbank ook verklaard dat zij (bedoeld worden [naam 6] en [betrokkene 2]) hem hebben uitgelegd hoe hij bij die advocaat moest komen;
- —
dat [aanvrager] hem heeft gezegd dat hij inderdaad de advocaat van [naam 4] was en dat hij, omdat [betrokkene 2] daar ook in dat kantoor was toen, begreep dat hij aan [betrokkene 2] kon betalen;
- —
dat [aanvrager] hem niet gezegd heeft dat hij aan [betrokkene 2] kon betalen;
- —
de getuige heeft op deze zitting nogmaals verklaard, dat [aanvrager] hem toen op dat kantoor niet gezegd heeft dat het goed zat en dat hij aan [betrokkene 2] kon betalen;
Uit het proces-verbaal van verhoor van [naam 5] bij het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch op 2 oktober 1989 blijkt dat [naam 5] heeft verklaard dat hij volhardt bij de inhoud van zijn verklaring die hij als getuige ter terechtzitting van de Rechtbank Breda op 27 augustus 1987 heeft afgelegd (zie PRODUCTIE 18).
[naam 5] heeft eveneens verklaard dat hem toen (op dat kantoor van verzoeker) werd verteld dat verzoeker de zaken behartigde van [naam 4] en dat hij ([naam 5]) nog een schuld aan [naam 4] had te voldoen. Toen [naam 5] zag dat een en ander betrouwbaar overkwam op hem, zei hij:
‘Oké ik zal wel betalen’.
[naam 5] heeft daarop een gedeelte van het geld aan [betrokkene 2] gegeven en ook nog een gedeelte aan [naam 6] betaald. [naam 5] weet echter niet meer wanneer dit precies is gebeurd. [naam 5] kan zich niet meer herinneren of hij verzoeker enig bedrag dat bestemd was voor [naam 4] heeft betaald. [naam 5] heeft verklaard dat er met betrekking tot deze door hem verrichte betalingen géén kwitanties zijn, omdat dat in dergelijke gevallen ook niet gebeurt. Het is volgens [naam 5] een kwestie van vertrouwen.
[naam 5] heeft ook verklaard dat verzoeker hem nooit heeft gevraagd om aan [betrokkene 2] te betalen.
[naam 5] besluit zijn verklaring met het navolgende:
‘Hetgeen ik met betrekking tot deze zaak bij de politie heb verklaard is wel zo door mij gezegd, maar is niet waar. Ik heb dat zo allemaal maar gezegd om van die verhoren af te zijn. Het is echt erg geweest, zoals ik door de politie ben behandeld. Als ik niets wilde zeggen vonden zij het wel goed, maar dan begonnen zij steeds over mijn familie die er zo werd bijgehaald. Ook werden mij de met de hand geschreven verklaringen van [aanvrager] getoond tijdens mijn verhoren.’
[naam 6] is nimmer als getuige verhoord in deze zaak.
Uit de verklaringen van zowel de getuige [betrokkene 2] als die van [naam 5] blijkt dat verzoeker niet wist wat [betrokkene 2] van [naam 5] aan geld moest ontvangen voor [naam 4] en dat [naam 5] niet eens wist hoe hij bij de advocaat moest komen.
[naam 5] is, zoals uit boven vermelde verklaringen blijkt, op instigatie van [naam 6] en [betrokkene 2] naar het kantoor van verzoeker gegaan om aan [betrokkene 2] en [naam 6] te betalen, omdat hij zelf de bevestiging wilde krijgen om deze twee personen te betalen en reeds van deze personen had vernomen dat verzoeker de advocaat van [naam 4] was. [betrokkene 2] en [naam 6] hadden reeds aan [naam 5] medegedeeld dat verzoeker de advocaat van [naam 4] was, waardoor verzoeker zelf niet hoefde te beamen dat hij de advocaat van [naam 4] was, daargelaten dat na de aanhouding van [naam 4] ook nog door kranten was gepubliceerd wie zijn advocaat was.
Uit de verklaringen van [betrokkene 2] en [naam 5] blijkt dat verzoeker aan [naam 5] is voorgesteld door [betrokkene 2] en nergens uit de verklaringen blijkt dat verzoeker medegedeeld heeft of beaamd heeft dat [naam 5] gelden aan [naam 4] was verschuldigd en dat hij, [naam 5] (zie verklaring d.d. 27 augustus 1987 PRODUCTIE 18) nooit enig bedrag aan verzoeker heeft betaald, noch per bank, nog per giro, en dat verzoeker nimmer aan [naam 5] heeft gezegd dat hij aan [betrokkene 2] kon betalen.
Verzoeker heeft, zoals uit de getuigenverklaringen blijkt, [naam 5] zelf nimmer uitgenodigd om naar zijn kantoor te komen. [naam 5] kwam uit eigen beweging naar het kantoor van verzoeker.
[naam 5] heeft verklaard dat na de aanhouding van [naam 4] hij twee mannen op bezoek kreeg (zie verklaring [naam 5] proces-verbaal terechtzitting 2 oktober 1989) (zie PRODUCTIE 6). Deze twee personen waren [betrokkene 2] en [naam 6], die kwamen geld halen dat bestemd was voor [naam 4]. Deze twee mannen hebben bij dat bezoek reeds aan [naam 5] doen weten dat verzoeker de vertrouwensman van [naam 4] was.
[naam 5] en ook [betrokkene 2] hebben verklaard dat ten kantore van verzoeker geen betalingen hebben plaatsgevonden. [naam 5] wilde door zijn komst naar het kantoor van verzoeker zelf constateren of een en ander betrouwbaar was, doch deze vraag heeft hij niet aan verzoeker gesteld, zodat verzoeker niets hoefde te beamen.
[naam 5] heeft ook verklaard dat verzoeker hem nooit gevraagd heeft om aan [betrokkene 2] te betalen.
Verzoeker heeft [naam 5] geen inlichtingen verschaft. [naam 5] wist dat [naam 4] gedetineerd was en [betrokkene 2] en [naam 6] wisten dat [naam 5] aan [naam 4] gelden moest betalen en verzoeker is door [betrokkene 2] en [naam 6] als vertrouwensman van [naam 4] in beeld gekomen.
Uit de verklaringen van [naam 5] en [betrokkene 2] afgelegd op 2 oktober 1989 en 20 december 1989 ter terechtzitting van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch, blijkt dat er van heling geen sprake kan zijn (zie PRODUCTIES 6 en 3). Verzoeker heeft [naam 5] niet gevraagd aan [betrokkene 2] te betalen, noch heeft verzoeker [betrokkene 2] verzocht om [naam 5] te bezoeken om gelden op te halen. Het gerechtshof heeft de verklaringen van zowel de getuige [betrokkene 2] als [naam 5] gepasseerd.
Heling eist opzet.
Verzoeker heeft geen geldbedrag vervoerd, verworven of voorhanden gehad en heeft ook geen zakelijk recht ten aanzien van een goed gevestigd of overgedragen. Verzoeker heeft uit winstbejag ook geen geldbedrag vervoerd of doen vervoeren.
Uit de dagvaarding van [naam 5] en het arrest gewezen op 23 januari 1989 door het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch in de zaak [naam 5], blijkt dat [naam 5] niet is veroordeeld ter zake heling, waardoor verzoeker nimmer wegens medeplichtigheid aan heling kon worden veroordeeld, nu van deze heling niets is gebleken. Zie uitspraak hof [naam 5] (PRODUCTIE 19).
Uit het vonnis van de Rechtbank Breda en het arrest van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch van 7 april 1988 inzake [betrokkene 2], blijkt dat [betrokkene 2] is veroordeeld wegens het feit dat hij in de periode van juni 1986 tot en met december 1986 in Nederland een geldbedrag, zijnde de koopsom van de door [naam 5] van [naam 4] gekochte amfetamine, uit winstbejag heeft vervoerd (zie overweging gerechtshof) en dat genoegzaam vaststaat dat verzoeker niets heeft vervoerd en/of heeft verkocht of doen vervoeren (PRODUCTIE 20).
Artikel 416 Sr eist opzet. Deze opzet moet zijn gericht op het vervoeren of op het behalen van winst van door misdrijf verkregen goederen.
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 20 december 1989 blijkt dat de procureur-generaal voeging van het proces-verbaal ter terechtzitting van het gerechtshof van 9 januari 1989 inzake [naam 5] heeft gevorderd en het gerechtshof heeft ondanks bezwaren van de raadslieden de voeging van stukken toegelaten. Hoor en wederhoor hebben ondanks protest van de raadslieden niet plaatsgevonden. Ook het beroep van verzoeker op zijn beroepsgeheim is gepasseerd. De inhoud van de stukken die op de terechtzitting van 20 december 1989 door de procureur-generaal zijn toegevoegd aan de stukken van verzoeker, met goedkeuring van het gerechtshof, zijn door het gerechtshof ter zitting nimmer besproken en/of voorgelezen, noch is medegedeeld wat voor stukken dat waren.
Uit het proces-verbaal c.q. uitspraak van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch inzake [naam 5] (zie PRODUCTIE 19), blijkt dat [naam 5] c.q. de raadsman van [naam 5] een beroep heeft gedaan op de onrechtmatige in beslagneming van het dossier [naam 4] gedurende de huiszoeking bij verzoeker in Dongen. Verzoeker heeft een kopie van het proces-verbaal van huiszoeking met bijlage overgelegd (zie PRODUCTIES 12 en 14). Uit de bijlage blijkt dat het dossier [naam 4] onder dwang is afgegeven aan de advocaat (wnd. deken) Smits onder verzegeling. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 januari 1989 blijkt dat [naam 5] bij monde van zijn raadsman heeft doen betogen dat hij onrechtmatig is aangehouden omdat er geen redelijk vermoeden van schuld aan enig door hem gepleegd strafbaar feit was, doch dat deze verdenking tegen hem pas ontstaan is als gevolg van de onrechtmatige in beslagneming van het dossier [naam 4] gedurende de huiszoeking bij [naam 4]s raadsman mr. [aanvrager] te [a-plaats].
Het Gerechtshof heeft in de zaak [naam 5] op grond van dit betoog getuigen doen horen, waaronder de waarnemend deken mr. L.J.D. Smits van de Orde van Advocaten in het Arrondissement Breda, die als getuige is gehoord en uit dit verhoor bleek dat hij besliste dat het dossier [naam 4] onder verzegeling werd afgegeven. Ook heeft mr. Smits in zijn verklaring het feit dat verzoeker met betrekking tot het dossier [naam 4] een beroep deed op zijn beroepsgeheim, gepasseerd. Mr. Smits heeft in zijn verklaring een aantal zaken weggelaten. Verzoeker heeft in zijn getuigenverklaring van 19 september 1988 (zie PRODUCTIE 15) bij het hof verklaard dat hij een klacht heeft ingediend wegens het niet vervolgen van mr. [betrokkene 1] en de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1]. Mr. Smits heeft weggelaten dat het dossier [naam 4] wel degelijk aan hem, mr. Smits, ter verzegeling moest worden afgegeven en ook is afgegeven (zie proces-verbaal), doch daarna rechtstreeks in handen van de politie is gesteld. Deze onrechtmatige daad is niet in het proces-verbaal opgenomen, ondanks uitdrukkelijk protest van verzoeker. Zie verklaring mr. Smits van 9 januari 1989 en proces-verbaal van 19 september 1988 in de zaak van [naam 5] (zie PRODUCTIES 16 en 15). Deze verklaring was voor de zaak van verzoeker van zeer grote betekenis (zie verklaring), aangezien de getuige mr. Smits heeft verklaard dat verzoeker dat dossier niet wilde afgeven. Dit dossier moest echter op bevel van de rechter-commissaris aan mr. Smits onder verzegeling door verzoeker worden afgestaan. Ten deze is in strijd met artikel 98 Sv gehandeld, nu verzegeling niet heeft plaatsgevonden. De politie heeft misbruik gemaakt van dit dossier en ook daardoor is de huiszoeking onrechtmatig. Mr. Smits erkent in zijn verklaring dat hij besliste wat onder verzoekers beroepsgeheim viel omdat hij bij verschil van mening mogelijk een beslissende rol had. Treffend is dat ook verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard dat mr. Smits besliste bij het inzien van bepaalde stukken. Mr. Smits verklaarde ook:
‘Ik zou ter plekke geschillen beslechten.’
Mr. Smits had beter moeten weten wat het beroepsgeheim inhoudt.
Verzoeker heeft zich op de terechtzitting van 20 december 1989 met betrekking tot de in de punten III en VI aan hem tenlastegelegde feiten beroepen op zijn beroepsgeheim als advocaat, doch de totstandkoming van het proces-verbaal van huiszoeking met bijlage is niet ter sprake gekomen. In feite zijn de processen, zowel bij de rechtbank als het gerechtshof in strijd met artikel 98 gevoerd. Immers, degene die moest beslissen of een zaak onder zijn beroepsgeheim viel alleen de advocaat zelve is. De vraag wie over het beroepsgeheim besliste is door de rechtbank, noch het gerechtshof aan verzoeker gesteld.
Verzoeker heeft zich met betrekking tot de kantoordoorzoeking en in het bijzonder het dossier [naam 4], waarin zich stukken van [naam 4], [naam 5] en [betrokkene 2] bevonden en die door de verbalisanten zijn uitgebuit bij verhoor van deze personen als verdachten, beroepen op zijn beroepsgeheim. Dit beroep op zijn beroepsgeheim is niet gehonoreerd en het gerechtshof heeft zich in niet correcte overwegingen uitgelaten over deze huiszoeking en wist dat de getuigenverklaring van mr. Smits zeker ter sprake diende te komen omdat artikel 98 Sv niet is toegepast. Niet mr. Smits, doch verzoeker als advocaat diende te beslissen welke geschriften onder zijn beroepsgeheim vielen. Ten deze is dan ook geen sprake van een fair trial omdat de rechtbank en het gerechtshof het beroep van verzoeker op zijn beroepsgeheim hebben gepasseerd en genegeerd (zie artikel 359 en 359a Sv).
De rechtbank en in het bijzonder het gerechtshof hebben de bijlage, die onderdeel van de huis- en kantoordoorzoeking is, gepasseerd (ondanks voeging van stukken uit de zaak van [naam 5] door de procureur-generaal), en deze huis- en kantoordoorzoeking is nimmer behandeld en er mede hierdoor zeker sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs. De uitspraken van de rechtbank en het gerechtshof zijn in strijd met de door de getuigen afgelegde verklaringen en de plaatsgevonden huis-kantoordoorzoeking in combinatie met de beslissingen van de waarnemend deken, in het bijzonder over het dossier [naam 4]. Overigens zijn vele dossiers, welke niet als zodanig waren aangegeven, en stukken uit dossiers van cliënten van verzoeker meegenomen buiten wetenschap van verzoeker (zie PRODUCTIE 14 ).
Het moest het gerechtshof zonder meer duidelijk zijn geweest dat de stukken die de procureur-generaal ter terechtzitting van 20 december 1989 heeft doen toevoegen, verzoeker en zijn raadslieden onbekend zijn gebleven, omdat de inhoud van deze stukken niet bekend zijn gemaakt, noch is medegedeeld waarop deze stukken betrekking hebben, maar wel zijn gebruikt door het gerechtshof om verzoeker te veroordelen, en wel zonder hoor en wederhoor. Verzoeker mocht zelf niet beslissen wat onder zijn beroepsgeheim viel, maar mr. Smits, die geen stukken heeft gelezen. Artikel 98 Sv is helemaal niet toegepast en de huiszoeking is nietig c.q. het beroepsgeheim van verzoeker is door toedoen van de rechter-commissaris en de verbalisanten ernstig geschonden en hierdoor zijn deze functionarissen medeplichtig aan schending van de artikelen 272 Sr en 98 Sv en artikel 370 lid 2 Sr en deswege strafbaar.
Degene die beslist of een geschrift onder zijn geheimhoudingsplicht valt is de geheimhouder zelf!
Uit de verhoren die hebben plaatsgevonden bij de gehouden terechtzittingen zowel in Breda als in 's‑Hertogenbosch, is gebleken dat de getuigen hun bij de politie afgelegde verklaringen hebben ingetrokken en hebben aangegeven waarom, en wel omdat zij onder druk gezet waren, onder meer door het tonen van geschriften en het vertellen van onwaarheden door de verbalisanten. Uit zowel het vonnis van de Rechtbank Breda als het arrest van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch blijkt, dat deze verklaringen op de terechtzittingen zijn gepasseerd, en de motivering voor passering hiervan blijkt nergens, waardoor ook hier blijkt dat er van een fair trial geen sprake is.
Uit de verklaring van rechter-commissaris mr. M. de Boer, afgelegd in de zaak [naam 5], blijkt dat hij en verbalisant [verbalisant 1] hebben verklaard dat verzoeker nooit heeft gezegd dat hij afstand deed van zijn geheimhoudingsplicht (zie PRODUCTIE 16).
Ondanks dat het dossier [naam 4], dat notabene al gearchiveerd was, onder druk en ter verzegeling is afgegeven, is dit dossier misbruikt. Het proces-verbaal opgemaakt op 26 maart 1987 heeft deze verzegeling buiten beschouwing gelaten. Ook op het passeren van het beroepsgeheim rust een sanctie.
Subsidiair
Het dossier [naam 4] is onder druk afgegeven aan mr. Smits, wnd. Deken, en door mr. Smits zonder meer aan de politieambtenaren officier van justitie mr. [betrokkene 1] en verbalisant [verbalisant 1] afgegeven. Mr. Smits was evenwel niet bevoegd om over het beroepsgeheim van verzoeker te beslissen ingevolge artikel 98 Sv.
Overigens blijkt uit de handelwijze van de politieambtenaren mr. [betrokkene 1] en verbalisant [verbalisant 1], dat er sprake is van valse gronden, c.q. geen gronden voor de kantoor- en huiszoeking. Het onrechtmatig meenemen van het dossier [naam 4] diende als grondslag om verzoeker te kunnen dagvaarden, alsmede [betrokkene 2] en [naam 5].
Het dossier [naam 4] is gebruikt om de lacune voor het verlof tot kantoor- en huiszoeking aan te vullen.
Verzoeker en [betrokkene 2] hebben nadien klachten ingediend tegen degene die zich op het dossier [naam 4] hebben geworpen, doch de procureur-generaal was van mening dat deze klachten tegen de verkeerde personen waren gericht, dan wel dat deze klachten helemaal niet werden behandeld (zie PRODUCTIE 15).
Meer subsidiair
[naam 5] is niet tezamen met verzoeker voor heling en/of medeplichtigheid aan heling veroordeeld (zie PRODUCTIE 19)!
[naam 5] en [betrokkene 2] hebben in eerste instantie verklaringen bij de politie afgelegd, die zij bij de getuigenverhoren voor de rechtbank en gerechtshof hebben ingetrokken, en hebben aangegeven waarom zij deze verklaringen hebben afgelegd.
Het gerechtshof maakt dan ook ten onrechte gebruik van een verklaring van 25 maart 1987 die is herzien, dan wel nergens op berust en ook nog eens afkomstig is van de verbalisanten zelf. [betrokkene 2] en [naam 5] hebben al hun eerdere verklaringen ingetrokken door te stellen dat zij niet op waarheid berusten. Het gerechtshof heeft deze oude verklaringen evenwel als bewijsmiddel gebezigd, doch in het arrest niet gemotiveerd.
Het medeplichtig zijn, dit geldt vanzelfsprekend tevens voor uitlokking, eist een bepaalbaar actief optreden. Zie NLR-aantekening 10 op artikel 48 Sr:
‘De uitdrukkingen behulpzaam zijn en verschaffen wijzen beiden op actief optreden.’
Verzoeker ontkent dat hij noch [naam 6], noch [betrokkene 2] heeft kunnen uitlokken tot het begunstigingsdelict. De eerste twee genoemde handelingen, het ontvangen van de drie heren op kantoor, alsmede het mededelen dat hij de advocaat van [naam 4] is, kunnen noch uitlokking, noch medeplichtigheid opleveren. Verzoeker wist niet eens wat de bedoeling van het gesprek op zijn kantoor was.
‘Met Simons in diens onderschrift kan worden gesteld dat de medeplichtige evenals de uitlokker opzet moet hebben op alle bestanddelen, ook op de geobjectiveerde elementen. Hij moet hulp hebben willen verlenen aan het misdrijf.’
Gelet op het bovenstaande, is van een fair trial geen sprake.
Meer subsidiair
Verzoeker verwijst naar de overgelegde conclusie van de advocaat-generaal mr. Leijten, genomen op 5 september 1989 in de zaak [betrokkene 2] (PRODUCTIE 21). Deze conclusie is met betrekking tot de uitspraak van verzoeker van belang, en wel met betrekking tot de feiten die in punt III van de dagvaarding ten laste zijn gelegd aan verzoeker.
Het grootste deel van voornoemde feiten uit punt III van de dagvaarding van verzoeker zijn in punt 8 van de dagvaarding van [betrokkene 2] aangetroffen en het merendeel van de feiten die in punt III aan verzoeker zijn tenlastegelegd, zijn dezelfde feiten die aan [betrokkene 2] in punt 8 van zijn dagvaarding zijn tenlastegelegd (zie PRODUCTIE 20).
De advocaat-generaal stelt in zijn conclusie met betrekking tot punt 8 (primair) in de zaak [betrokkene 2]:
‘Dat in de periode van juni 1986 tot en met december 1986 in Nederland opzettelijk een geldbedrag zijnde een deel van de koopsom van door [naam 5] (voor [naam 4]) gekochte amfetamine en aldus door verkoop van een middel als bedoeld in artikel 1 lid 1, sub d van de Opiumwet vermeld op de bij deze wet behorende lijst, uit winstbejag heeft vervoerd’.
(Later is ingevoegd: ‘Verkregen’).
Verzoeker betwist dan ook dat hij op grond van het bovenstaande ook medeplichtig zou zijn aan heling.
Vervolgens heeft in deze conclusie van de advocaat-generaal in de zaak [betrokkene 2] nog de volgende verwijzing plaats:
‘Uit winstbejag heeft vervoerd’
en:
‘Het wordt verkregen’.
De Hoge Raad is echter van oordeel dat het geldbedrag de koopsom is van de door [naam 4] aan [naam 5] verkochte amfetamine betreft en dat brengt noodzakelijkerwijs mee dat dit geldbedrag als afkomstig uit even bedoelde transactie, moet worden beschouwd als door voornoemde [naam 4] door misdrijf verkregen voorwerp als bedoeld in artikel 416 lid 1 Sr, zodat het door verdachte tegen vergoeding vervoeren van vorenbedoeld geldbedrag als vervoeren van zodanig door misdrijf verkregen voorwerp is aan te merken. Zie arrest Hoge Raad [betrokkene 2] (PRODUCTIE 22).
VI: Medeplichtigheid aan valsheid in geschrifte
Ten onrechte heeft het gerechtshof overwogen en als bewezen verklaard, de verklaringen van [naam 4] en stukken uit dossiers die onder het beroepsgeheim van verzoeker vielen.
Verzoeker is in het kwestieuze arrest veroordeeld voor ‘Medeplichtigheid aan valsheid in geschrifte’.
Zowel de rechtbank als het gerechtshof hebben hierdoor een bewezenverklaring uitgesproken die niet overeen te brengen is en op gegevens berust die niet bekend waren. Indien de betreffende gegevens bekend zouden zijn geweest, het onderzoek zou hebben geleid tot vrijspraak van verzoeker, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkheid van het O.M., hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
Ter terechtzitting van 20 december 1989 heeft verzoeker met betrekking tot de onder III en VI tenlastegelegde feiten, wederom een beroep gedaan op zijn beroepsgeheim. Het gerechtshof heeft dit beroep domweg genegeerd (zie PRODUCTIE 3).
Het gerechtshof overweegt in haar arrest dat de tenlastegelegde feiten bewezen zijn op grond van verklaringen van [naam 4], geproduceerde stukken uit het dossier [naam 4], een verklaring van 1 mei 1987 van [betrokkene 2], (die hij reeds op 2 juli 1987, 27 augustus 1987, en wederom op 2 oktober 1989 en 20 december 1989 heeft ingetrokken) en een verklaring van 22 april 1987 waarin een gesprek tussen verzoeker en zijn cliënt wordt weergegeven en waaruit niet blijkt dat verzoeker de door zijn cliënt aan hem opgegeven beschrijving van de Rolexhorloges aan [betrokkene 2] heeft doorgegeven. Een overweging waaruit zou moeten blijken waarop en waarom deze verklaringen zijn gebezigd, terwijl deze verklaringen zijn achterhaald, heeft het gerechtshof niet gegeven. Het arrest is ten deze dan ook niet met redenen omkleed, althans ten deze is sprake van een bewezenverklaring die niet overeen te brengen is. Bovendien heeft verzoeker in zijn verklaring van 22 april 1987, die slechts gedeeltelijk in het arrest is opgenomen, uitdrukkelijk ontkend dat hij een geschrift aan [naam 4] ter ondertekening heeft gegeven (PRODUCTIE 23). Het arrest van het gerechtshof berust dan ook op bewezenverklaringen die niet zijn overeen te brengen met betrekking tot het beroepsgeheim. Ook is verzoeker op 23 juni 1987 in het huis van bewaring te Roermond over deze Rolexhorloges gehoord (PRODUCTIE 24).
Het arrest van het gerechtshof is ten deze dan ook vaag en onbegrijpelijk.
Feit is dat verzoeker het geschrift niet heeft opgesteld en zoals ook door het Gerechtelijk Laboratorium te Rijswijs is vastgesteld, is dit document (optieovereenkomst) niet met behulp van een machine van verzoeker of van een machine van het kantoor van verzoeker geproduceerd. Het kantongerecht heeft geweigerd het tussenvonnis af te geven. Verzoeker heeft geen bemoeienis met dit geschrift gehad en verzoeker heeft [betrokkene 2] geen beschrijving van deze Rolexhorloges gegeven. Zie proces-verbaal van 23 juni 1987, afgelegd in het huis van bewaring te Roermond en de brief van [naam 8] aan haar vader (zie PRODUCTIE 24).
[betrokkene 2] heeft als getuige op 20 december 1989 verklaard dat hij [naam 4] heeft bezocht in het huis van bewaring nadat de beperkingen van [naam 4] waren opgeheven (zie PRODUCTIE 3), en met hem over allerlei dingen gesproken, die hij, [betrokkene 2], voor hem regelde gedurende de tijd dat hij vastzat. Het betrof onder meer de verkoop van meubelen en de Rolexhorloges.
Feit is dat [naam 8] de beschrijving van de Rolexhorloges aan haar vader had gevraagd en niet door tussenkomst van verzoeker. Zie proces-verbaal van 17 mei 1987 (PRODUCTIE 25). Verzoeker was vanaf 13 juni 1986 geen advocaat meer van [naam 4], doch mr. P.H. Doedens, die de zaak van [naam 4] toen had overgenomen.
Verzoeker is op 22 april 1987 in het politiebureau te Oudenbosch door de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] over deze drie horloges gehoord. Uit dit proces-verbaal blijkt dat verzoeker dit geschrift niet aan [naam 4] ter ondertekening heeft voorgelegd (zie PRODUCTIES 23 en 24).
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 20 december 1989 blijkt dat verzoeker als verdachte is gehoord en heeft verklaard: ‘De gegevens van de Rolexhorloges heeft [naam 4] mij wel verstrekt, doch dat was ergens anders voor nodig (voor het faillissement [naam 4]). Ik heb [naam 4] het betreffende stuk niet laten ondertekenen. Zie bewijs dat [betrokkene 2] [naam 4] heeft bezocht op 2 september 1986 en de door [betrokkene 2] getypte beschrijving van de Rolexhorloges én de verklaring van [betrokkene 2], afgelegd bij een notaris ((PRODUCTIE 26).
[naam 4] heeft in 1986 uit zichzelf aan verzoeker als raadsman slechts een globale beschrijving van deze horloges gegeven en deze beschrijving is op verzoek van [naam 4] opgeborgen in het reeds gearchiveerde dossier [naam 4] (zie PRODUCTIE 15). Door verzoeker is van deze beschrijving nooit gebruik gemaakt. Deze alleen door [naam 4] ondertekende verklaring kon niet gebruikt worden als klaagschrift en het was ook niet de bedoeling dat deze verklaring door [naam 4] en/of [betrokkene 2] zou worden benut, aangezien dit geschrift reeds lang was gearchiveerd en geen enkele functie had.
[betrokkene 2] heeft als getuige verklaard dat hij zelf een geschrift had opgesteld en door een derde laten typen en bij zijn bezoek aan [naam 4] dit geschrift heeft meegenomen (zie PRODUCTIES 3, 6 en 26).
Verzoeker merkt op dat in het vonnis van de Rechtbank Breda en in het arrest van het gerechtshof, zonder bewijs en bekend met de verklaringen van verzoeker en van [betrokkene 2], is opgenomen dat de verbalisanten van verzoeker hebben gehoord dat hij het geschrift, opgemaakt door [betrokkene 2], ter ondertekening aan [naam 4] zou hebben voorgelegd, enkel en alleen om verzoeker met onwaarheden te bezwaren en gebleken is dat de rechters en raadsheren, ondanks de afgelegde verklaringen, deze verbalisanten geloofden zonder ook maar een begin van bewijs. Deze uitlatingen, indien gepleegd zoals de verbalisanten beweren en door zowel de Rechtbank Breda als het Gerechtshof Den Bosch, zoals in respectievelijk vonnis en arrest zonder meer is aangenomen, impliceert dat er sprake is van vormverzuimen in de zin van artikel 359a Wetboek van strafvordering, en alzo bewezenverklaringen zijn die niet overeen te brengen zijn. Indien hetgeen de verbalisanten stellen, en door verzoeker wordt ontkend, dat zij gehoord hebben dat verzoeker het geschrift, opgemaakt door [betrokkene 2] inzake de Rolexen, ter ondertekening aan [naam 4] zou hebben voorgelegd, hebben deze verbalisanten gehandeld in strijd met de verbaliseerplicht, nu deze uitlatingen niet terug te vinden zijn in geen enkel proces-verbaal omtrent deze Rolexen. Deze ernstige vormverzuimen kunnen niet meer worden hersteld. Door het voorgaande is met grove veronachtzaming van de belangen van verzoeker inbreuk gemaakt op zijn recht op een eerlijk proces en andere fundamentele rechten, zowel door de rechtbank als door het gerechtshof.
De verbalisanten en het O.M. hebben met deze uitlatingen de rechtbank en het gerechtshof in strijd met de waarheid voorgelicht. Ook hier heeft geen wederhoor plaatsgevonden, terwijl er twee processen-verbaal opgemaakt zijn, en wel op 22 april 1987 te Oudenbosch en op 23 juni 1987 te Roermond, waaruit zondermeer blijkt dat verzoeker uitdrukkelijk heeft ontkend dat hij het bewuste geschrift ter ondertekening aan [naam 4] heeft aangeboden. Bovendien hebben de verbalisanten dit geschrift uit het gearchiveerde dossier van [naam 4] gehaald, waarvoor geen toestemming is gegeven en dit dossier is aan mr. Smits overhandigd ter verzegeling (zie PRODUCTIE 16). De verklaringen van deze verbalisanten zijn dan ook aperte leugens! Hieruit blijkt dat de rechters en raadsheren vooringenomen waren. Er kan dan ook van een fair trial geen sprake zijn en het arrest daardoor op valse gronden berust en is dus sprake van een bewezenverklaring die niet is overeen te brengen. Het was verzoeker en de verbalisanten bekend dat [naam 4] in staat van faillissement verkeerde. Deze twee verbalisanten hebben verzoeker vanaf 24 maart tot en met april 1987 bijna dagelijks, en vaak tot 's‑avonds laat verhoord en gedurende deze maanden heeft verzoeker moeten ervaren dat deze verbalisanten het woord ‘objectief’ en ‘onbevooroordeeld’ niet kenden (PRODUCTIE 27).
Verzoeker merkt op dat de verbalisanten bekend waren met het feit dat [naam 4] in staat van faillissement verkeerde en dat [naam 4] heeft verklaard dat die horloges niet zijn eigendom waren. [naam 4] heeft de namen van de eigenaren genoemd (PRODUCTIE 28).
De rechters in eerste aanleg en de raadsheren die het hoger beroep van verzoeker hebben behandeld, hebben hierdoor vormenverzuimen in de zin van artikel 359a Wetboek van strafvordering gepleegd en zijn alzo bewezenverklaringen die niet overeen te brengen zijn.
Verzoeker wordt in punt VI van de tenlastelegging ten laste gelegd dat hij de valsheid in geschrifte gepleegd door [naam 4], zou hebben uitgelokt, dan wel daartoe medeplichtig zou zijn geweest.
Een hetzelfde feitensubstraat wordt in deze tenlastelegging in vier subsidiair tenlasteleggingen verwerkt. Verzoeker zou een (conceptverklaring) van [betrokkene 2] omtrent drie Rolexhorloges aan [naam 4] hebben voorgelegd, hetgeen absoluut niet juist is, mede gelet op de verklaring van [betrokkene 2] van 20 december 1989 (zie PRODUCTIE 3).
[naam 4] heeft nimmer verklaard dat verzoeker hem een geschrift ter ondertekening heeft voorgelegd. [betrokkene 2] is nota bene veroordeeld omdat hij tezamen met Buntincx in België een optieovereenkomst heeft ondertekend (PRODUCTIE 29) waardoor verzoeker niet medeplichtig kan zijn.
Voorts is het dossier [naam 4] aan de wnd. deken mr. Smits ter verzegeling gegeven, zoals door rechter-commissaris mr. L.W. van de Merbel bevolen, doch deze wnd. deken was eerstens niet bevoegd om over het beroepsgeheim van verzoeker te beslissen, (zie artikel 98 Sv), en heeft zich niet behoorlijk gekweten van zijn door de rechtbank opgelegde taak, waardoor de politieambtenaren, waaronder verbalisant [verbalisant 1] zich op dit dossier hebben ‘geworpen’.
Het oogmerk zoals bedoeld in artikel 225 Sr waartoe deze overeenkomst had moeten dienen, is nimmer vast komen te staan. Het geschrift, noch de andere stukken in het dossier [naam 4], zijn gebruikt en bevonden zich enkel ter bewaring in het afgelegde dossier dat verzegeld had moeten worden. Er is door [betrokkene 2] en/of [naam 4] nimmer een verzoekschrift om teruggave van deze horloges ingediend. [naam 4] is op 18 januari 1985 in staat van faillissement verklaard (PRODUCTIE 30). [naam 4] heeft ook verklaard dat de horloges niet zijn eigendom waren en had ook opgegeven wie de eigenaren waren, doch deze personen zijn nooit gehoord. Daargelaten dat de Rolexen bij de strafgriffie waren gedeponeerd door verbalisant [verbalisant 2] (zie PRODUCTIE 30) en aldaar geen functie hadden en in het bezit van het O.M waren, waardoor er zelfs nooit verzoekschriften ingediend hadden kunnen worden.
De Rolexen waren in beslag genomen door Justitie op 13 juni 1986. Zie verklaring [naam 4] en proces-verbaal verbalisant [verbalisant 2] (zie PRODUCTIE 30). Feit is dat, gelet op de wet, uit het gebruik ervan geen ‘enig nadeel kon ontstaan.’ Zowel [betrokkene 2] als [naam 4] waren met het vorenstaande bekend. [naam 4] was in staat van faillissement verklaard op 18 januari 1985 en [betrokkene 2] is tezamen met Buntincx veroordeeld.
In punt VI van de tenlastelegging wordt ook het begrip ‘uitlokking' gehanteerd. Verzoeker ontkent [naam 4] te hebben uitgelokt. Uit de verklaring van 22 april 1987 van verzoeker (zie PRODUCTIE 23), blijkt dat [naam 4] aan verzoeker vroeg hoe het met de constructie stond voor het terugkrijgen van de Rolexhorloges, waardoor bij [naam 4] reeds toen de wil bestond om valsheid in geschrifte te plegen. Verzoeker zelve had hier niets mee te maken en wilde er ook niets mee te maken hebben, daargelaten dat het dossier al lang was gearchiveerd.
Verzoeker zou volgens de officier van justitie medeplichtig zijn geweest aan valsheid in geschrifte. De medeplichtigheid zou hebben bestaan uit het ter hand stellen (ter ondertekening van een optieovereenkomst), dan wel het aan [betrokkene 2] verschaffen van de nodige gegevens om een optieovereenkomst op te stellen. Beide verdachtmakingen zijn geheel ongegrond. Verzoeker heeft [naam 4] nimmer een optieovereenkomst laten ondertekenen en verzoeker heeft [betrokkene 2] nimmer de nodige gegevens voor een optieovereenkomst verstrekt. Deze globale omschrijving is door verzoeker nimmer, in welke vorm of omstandigheid dan ook, gebruikt. De door [betrokkene 2] gemaakte optieovereenkomst die alleen door [naam 4] was ondertekend lag in het gearchiveerde dossier van [naam 4] dat verzegeld had moeten worden, en zoals meermalen gesteld, is dit dossier zonder toestemming van verzoeker meegenomen door [verbalisant 1], notabene bij de kantoordoorzoeking. Bovendien is er nimmer, door wie dan ook, een klaagschrift tot teruggave van deze horloges ingediend.
Voorts is er een verklaring van [betrokkene 2] dat hij voornoemd stuk papier nimmer van verzoeker heeft ontvangen en dat hijzelf met zijn eigen geschrift [naam 4] in het huis van bewaring heeft bezocht. [betrokkene 2] heeft [naam 4] daadwerkelijk op 2 september 1986 bezocht (zie PRODUCTIE 26). [betrokkene 2] is op of omstreeks april 1987 in verzekering gesteld en heeft zeker geen klaagschrift ingediend of kunnen indienen. De Rolexen zijn al op 13 juni 1986 (volgens [naam 4]) of volgens verbalisant [verbalisant 3] op 19 mei 1987 in beslag genomen (zie PRODUCTIE 30).
Tijdens de huiszoeking is het gearchiveerde dossier [naam 4] meegenomen, waarin een stuk papier lag ter bewaring in het dossier, waarop [naam 4] een globale omschrijving van de horloges heeft gegeven. Verzoeker heeft niets met dit papier gedaan en/of willen doen. Het papier was bestemd voor het gearchiveerde dossier en is daarin ook gebleven en nimmer door wie dan ook gebruikt.
Voorts is er een verklaring van [betrokkene 2] dat hij voornoemd stuk papier nimmer van verzoeker heeft ontvangen en dat hij zelf met zijn eigen verklaring [naam 4] in het huis van bewaring heeft bezocht (zie PRODUCTIE 26).
Verzoeker heeft steeds categorisch ontkend dat hij het geschrift van [betrokkene 2] en [betrokkene 4] heeft voorgelegd aan [naam 4], hetgeen ook uit zijn verklaringen van 22 april 1987 en 23 juni 1987 blijkt. Verzoeker heeft noch [naam 4], noch [betrokkene 2] of wie dan ook gegevens verstrekt voor het opmaken van een optieovereenkomst. [betrokkene 2] heeft verzoeker, zoals reeds gesteld, alleen verzocht ook dit stuk in het gearchiveerde dossier van [naam 4] te bewaren.
Alle typemachines van verzoeker zijn door Justitie inbeslaggenomen en door het Forensisch Instituut onderzocht, waarbij schade aan de machines is veroorzaakt. Uit het onderzoek van het Forensisch Instituut is gebleken dat deze machines niet voor het maken van de optieovereenkomsten zijn gebruikt. De typemachines zijn echter wel beschadigd aan verzoeker teruggegeven. De Staat (Ministerie van Justitie) heeft in eerste instantie geweigerd deze schade te vergoeden, waardoor verzoeker wel gedwongen was door middel van een procedure tegen De Staat (Ministerie van Justitie) deze schade vergoed te krijgen, zoals blijkt uit het vonnis van de kantonrechter te Den Haag (PRODUCTIE 31). Het tussenvonnis en voorstukken zijn volgens het Nationaal Archief niet meer beschikbaar.
De rechtbank en het gerechtshof waren ermee bekend dat [naam 4] in staat van faillissement was verklaard (zie PRODUCTIE 30). Bij vonnis van 9 maart 1987 werd bepaald dat de Rolexen afgegeven moesten worden aan de curator in het faillissement. [naam 4] heeft tevergeefs hoger beroep tegen dit vonnis ingesteld, hetgeen niet alleen bekend moest zijn bij de rechtbank en het gerechtshof, doch ook zeker bij de officier van justitie, aangezien in afwachting van de beslissing van de officier van justitie deze horloges gedeponeerd werden bij het Arrondissementsparket van de Rechtbank Breda (zie PRODUCTIE 30), en alzo onder de hoede van de officier van justitie vielen. De inbeslagname van de horloges vond volgens [naam 4] op 13 juni 1986 plaats.
Gelet op het voorgaande, kan er van ‘medeplichtigheid aan valsheid in geschrifte’ geen sprake zijn. Bovendien was door verzoeker zelve geen toestemming verleend om, conform artikel 98 Sv, het dossier [naam 4], dat toen al was gearchiveerd, door Justitie mee te nemen. Mr Smits was niet bevoegd om over het beroepsgeheim van verzoeker te beslissen ingevolge artikel 98 Sv.
Verzoeker heeft [betrokkene 2] geen optieovereenkomst ter hand gesteld, noch [betrokkene 2] de nodige gegevens verstrekt om een optieovereenkomst op te stellen. Verzoeker heeft nimmer gegevens over Rolexhorloges aan [betrokkene 2] verstrekt, hetgeen ook door [betrokkene 2] als getuige is bevestigd, noch is ooit door [betrokkene 2] of wie dan ook een verzoekschrift tot teruggave van de Rolexen bij de rechtbank ingediend.
Verzoeker heeft ook aan [naam 8] geen gegevens van de Rolexhorloges gevraagd, noch een geschrift verstrekt.
Subsidiair
[betrokkene 2] is bij arrest van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch op 7 april 1988 (zie PRODUCTIE 20) veroordeeld tot medeplegen van valsheid in geschrifte in de periode juni/juli 1986 in België, tezamen en in vereniging met een ander ([betrokkene 4]) een optieovereenkomst zijnde een geschrift om tot bewijs van enig feit te dienen valselijk heeft opgemaakt (zie PRODUCTIES 20 en 26). [betrokkene 2] is veroordeeld tezamen met [betrokkene 4] omdat hij een optieovereenkomst heeft laten ondertekenen door [naam 4]. Verzoeker heeft [naam 4] geen enkel ongetekend concept van welk geschrift dan ook tijdens diens detentie ter ondertekening voorgelegd of ter hand gesteld. Verzoeker kan dan ook nimmer hiervoor medeplichtig zijn, noch schuldig zijn aan uitlokking.
Meer subsidiair
Vaststaat het volgende:
- 1.
Tijdens de kantoor- en huiszoeking is uit het gearchiveerde dossier [naam 4] (welk dossier later in zijn geheel is meegenomen) een stuk papier gehaald, waarop [naam 4] aan zijn raadsman ter bewaring een globale omschrijving van de horloges gaf.
- 2.
[betrokkene 2] heeft voor de rechtbank en het gerechtshof verklaard dat hij voornoemd stuk papier nimmer van verzoeker heeft ontvangen en dat hij zelf met zijn eigen geschrift [naam 4] in het huis van bewaring heeft bezocht. [betrokkene 2] heeft [naam 4] daadwerkelijk op 2 september 1986 bezocht (zie PRODUCTIE 26). [betrokkene 2] is op of omstreeks april 1987 in verzekering gesteld en heeft geen klaagschrift ingediend of kunnen indienen. Bij vonnis van 9 maart 1987 moesten de in beslaggenomen Rolexhorloges gedeponeerd worden bij het arrondissementsparket van de Rechtbank Breda. Zie verklaring van verbalisant [verbalisant 3] d.d. 19 mei 1987 (zie PRODUCTIE 29). Verzoeker was al op 24 maart 1987 in verzekering gesteld. Volgens [naam 4] echter zijn de Rolexen op 13 juni 1986 in beslag genomen. [naam 4] heeft ook verklaard dat de Rolexhorloges niet van hem waren. Zie proces-verbaal verhoor [naam 4] d.d. 20 mei 1987 (zie PRODUCTIE 28).
- 3.
[naam 4] heeft verklaard dat verzoeker hem nimmer een geschrift over Rolexen heeft laten ondertekenen.
- 4.
Verzoeker wijst erop dat hij tweemaal heeft verklaard aan [verbalisant 2] en [verbalisant 1] dat hij nimmer aan [naam 4] een overeenkomst met betrekking tot de Rolexen heeft voorgelegd. De verklaringen van [verbalisant 2] en [verbalisant 1] dat verzoeker aan hen zou hebben medegedeeld dat hij aan [naam 4] dat geschrift ter ondertekening zou hebben voorgelegd is dan ook een aperte leugen. Deze aperte leugen is notabene door de rechtbank en het gerechtshof domweg overgenomen, waardoor het vonnis en arrest op valse gronden zijn gewezen, althans deze aperte leugen als bewezenverklaring is uitgesproken, terwijl, gelet op de overgelegde producties en gegevens, deze verklaringen van [verbalisant 2] en [verbalisant 1] niet zijn overeen te brengen.
- 5.
Het gerechtshof miskent bovendien de door [betrokkene 2] ter terechtzitting van 20 december 1989 afgelegde verklaring (zie PRODUCTIE 3), waaruit blijkt dat [betrokkene 2] deze overeenkomst ter ondertekening heeft aangeboden aan [naam 4]. In het arrest van het gerechtshof wordt nergens over deze verklaring gerept, laat staan dat er wordt gemotiveerd waarom deze verklaring is gepasseerd. [betrokkene 2] verklaarde op 20 december 1989:
‘Ik kreeg van [naam 4] de instructie om dat papier te doen voegen in zijn dossier, dat zich bij zijn advocaat mr. [aanvrager] bevond. Daar is het stuk ook nadien boven water gekomen’.
Gezien het vorenstaande, alsmede artikel 48 Sr, kan er van uitlokking en medeplichtigheid door verzoeker tot de door [naam 4] gepleegde valsheid in geschrifte geen sprake zijn.
Verzoeker heeft zich, zoals uit de bijlage van het proces-verbaal van kantoor-huiszoeking blijkt, beroepen op zijn beroepsgeheim, doch hiermee is door geen enkele rechtsinstantie rekening gehouden. Artikel 98 Sv en artikel 1 lid 1 Sr. is door alle rechtsinstanties domweg genegeerd.
Uit de hierbij overgelegde stukken van de procureur-generaal mr. Fokkens blijkt dat er sprake is van een enkel nieuw feit, dit feit werd echter niet genoemd, terwijl ook volgens de ECRM verzoeker in zijn klachten de nationale rechtsmiddelen niet volledig had benut (PRODUCTIE 32).
Resumerend stelt verzoeker zich op het standpunt, dat de inhoud van zijn rekest, tezamen met de inhoud van de processen-verbaal, arresten en producties genoemd in dit herzieningsverzoek, en in die arresten vervatte beslissingen, telkens omstandigheden zijn als bedoeld in artikel 457 lid 1 sub a en c, Wetboek van Strafvordering.
Redenen waarom:
Verzoeker zich wendt tot uw Edelhoogachtbaar College, met het eerbiedig verzoek de aanvrage tot herziening van het arrest van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch van 3 januari 1990, parketnummer 25949-87, gegrond te verklaren en/of zodanige beslissing te nemen als uw College zal vermenen te behoren
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door: mr. N Heijkant, kantoorhoudend te Dongen, die bij deze verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gemachtigd door verzoeker.
Dongen, 20-11-2023
mr. N. Heijkant