Pagina 195, verklaring dochter cliënt: “(…) dat zij er ook nu niet gaat slapen om voor de vogels te zorgen”.
HR, 06-02-2024, nr. 22/00363
ECLI:NL:HR:2024:167
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
06-02-2024
- Zaaknummer
22/00363
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:167, Uitspraak, Hoge Raad, 06‑02‑2024; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2022:3905
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:1085
ECLI:NL:PHR:2023:1085, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 12‑12‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:167
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0022
Uitspraak 06‑02‑2024
Inhoudsindicatie
Eenvoudig witwassen van geldbedrag (art. 420bis.1 Sr). Vrijspraak in eerste aanleg. Is in huis van verdachte en bij zijn fouillering aangetroffen geldbedrag afkomstig uit enig misdrijf? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2018:2352 m.b.t. bewijs bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf” in witwasbepalingen. Hof heeft vastgesteld dat bij doorzoeking van huis van verdachte en bij zijn fouillering een aanzienlijke hoeveelheid contant geld is aangetroffen. Verdediging heeft aangevoerd dat dat geld afkomstig was van onder meer a) zus van verdachte voor als zij zou komen te overlijden, b) inkomsten uit verkoop van Surinaamse zangvogels, en c) vader van verdachte die als hindoepriester collectegeld beheerde. Hof heeft aan de hand van uitkomst van eenvoudige kasopstelling geoordeeld dat verdachte € 7.139,02 meer heeft uitgegeven of in zijn bezit gehad dan waar hij op een legale manier over had kunnen beschikken. Hof heeft verder overwogen dat verklaring van verdachte over contante ontvangsten van geldbedragen van zijn zus een niet verifieerbare verklaring is. Hof heeft echter in het midden gelaten of verklaring van verdachte over inkomsten uit verkoop van Surinaamse zangvogels en over beheer van collectegeld concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. In aanmerking genomen wat hiervoor is vooropgesteld, is bewezenverklaring daarom niet toereikend gemotiveerd. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing. CAG (strekking): algehele vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/00363
Datum 6 februari 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 20 januari 2022, nummer 23-001030-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft F.P. Slewe, advocaat te Schiphol, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt in het licht van een gevoerd verweer over de bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde (eenvoudig) witwassen, voor zover het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte een geldbedrag van € 7.139,02 voorhanden heeft gehad dat afkomstig was uit enig eigen misdrijf.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezenverklaard dat:
“hij op 29 december 2020 te Amsterdam, een contant geldbedrag van € 7.139,02 voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist, dat dit voorwerp geheel - onmiddellijk - afkomstig was uit enig eigen misdrijf.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen die zijn weergegeven in de conclusie van de plaatsvervangend advocaat-generaal onder 2.3.
2.2.3
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 januari 2022 heeft de raadsvrouw van de verdachte het woord gevoerd overeenkomstig de pleitnota die aan het proces-verbaal is gehecht. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“37. Daarnaast verkoopt (verkocht) cliënt soms Surinaamse zangvogels. Client hield altijd veel van dit soort vogels, 'broedde' ze ook zelf, en verkocht er ieder jaar wel een aantal. Per vogel kreeg hij – afhankelijk van hoe mooi de vogel kon zingen – zo'n € 400,- tot € 1000,-. Dat cliënt deze vogels houdt, vindt steun in het dossier. Dat dergelijke prijzen zeer gangbaar zijn voor het verkopen van Surinaamse zangvogels blijkt ook uit een eenvoudige zoekslag op internet.
(...)
44. Verder heeft cliënt duidelijk toegelicht waarom hij het geld contant in zijn woning bewaarde. Hij mocht namelijk vanwege het ontvangen van zijn uitkering niet meer van € 11.000,00 op zijn rekening hebben. Om die reden nam hij telkens geld van zijn rekening op en bewaarde dat contant in huis.
45. De grote hoeveelheid muntgeld (en de stortingen daarvan) heeft hij toegelicht naar aanleiding van het feit dat zijn vader tot 2019 als hindoepriester werkzaam is geweest en collectegeld kreeg. Daarnaast heeft hij verklaard dat hij twee gokkasten in zijn café had staan waarin ook ongeveer € 2000,- aan muntgeld zat.
46. De officier van justitie heeft naar aanleiding van het hoger beroep de vader van cliënt laten horen door de politie. De verdediging stelt zich op het standpunt dat die verklaring niet betrouwbaar is. De vader van cliënt vertoont namelijk een dementieel beeld. Ik overleg u een verklaring van de huisarts (...).
47. De vader van cliënt was tot 2019 hindoepriester. Sinds de afgelopen jaren vertoont de vader van cliënt veel trekken van vergeetachtigheid en dementie. De bevraging van vader over de concrete invulling van zijn werk als hindoepriester en hoe daar met het collectegeld werd omgesprongen, kan dan ook wat betreft de verdediging niet meewegen voor het onaannemelijk maken van die verklaring van cliënt. Client blijft bij het standpunt dat hij wel degelijk het muntgeld van de collecte voor zijn vader inwisselde.
48. Ongeveer een bedrag van € 10.000,- aan contant geld was bedoeld voor het betalen van de begrafenis van de in mei 2021 overleden zus van cliënt. De zus van cliënt, [betrokkene 1], was vanaf jonge leeftijd ernstige hartpatiënt en kon om die reden geen uitvaartverzekering afsluiten. Uiteindelijk is in de familie besloten dat cliënt ervoor zorg zou dragen dat de uitvaart geregeld zou worden. Zijn zus gaf hem daarvoor sinds 2017 (tot aan zijn aanhouding in 2020) jaarlijks een contant bedrag van € 2000,- tot € 3000,-. Uiteindelijk heeft cliënt van haar ongeveer € 10.000,- in contanten ontvangen. Op het moment van zijn aanhouding leefde zijn zus nog en was het contante geld nog in zijn bezit. Dit geld is onderdeel van het door justitie inbeslaggenomen geld.”
2.2.4
Het hof heeft het verweer als volgt samengevat en verworpen:
“De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het witwassen van de tenlastegelegde geldbedragen bewezen kan worden verklaard. Het inbeslaggenomen contante geld is afkomstig van de drugshandel waaraan de verdachte zich schuldig maakte. De verdachte heeft weliswaar verschillende alternatieve verklaringen afgelegd over de herkomst van het geld, maar dat was steeds op een zodanig laat tijdstip, tot aan de zitting in hoger beroep, dat deze niet meer onderzocht, geverifieerd of gefalsifieerd konden worden. Deze verklaringen zijn voorts niet bevestigd door stukken of getuigenverklaringen.
De raadsvrouw heeft het bepleit de verdachte vrij te spreken van het onder 3 tenlastegelegde. Op de bankrekening van de verdachte zijn geen vreemde dingen te zien. Wat betreft de contante geldbedragen die in de woning zijn aangetroffen heeft de verdachte vanaf het begin een duidelijke verklaring afgelegd; het geld is in de loop der jaren gespaard. De verdachte heeft 26 jaar lang een normale baan gehad, hij heeft een uitkering en toeslagen ontvangen, hij verkoopt soms Surinaamse zangvogels die hij zelf ‘broedt’ en hij heeft geld overgehouden aan de verkoop van zijn horecaonderneming in 2014. Het muntgeld is afkomstig van zijn vader die als hindoepriester collectegeld beheerde. Voorts heeft de verdachte uitgelegd waarom hij een dergelijk geldbedrag contant bewaarde; hij mocht namelijk vanwege het ontvangen van een uitkering niet meer dan € 11.000 op zijn bankrekening hebben. Tenslotte heeft de verdachte in hoger beroep nog verklaard dat hij elk jaar geld ontving van zijn (inmiddels overleden) zus voor haar begrafenis, dit betrof in totaal ongeveer € 10.000 contant. In 2016 zou hij eenmalig een groot bedrag hebben ontvangen aan (achterstallige) kindertoeslag.
Het hof overweegt als volgt. Bij de doorzoeking van het huis van de verdachte zijn contanten aangetroffen tot een totaal van € 38.846,64 en in de fouillering van de verdachte is € 1.626,65 aangetroffen. Het gaat in deze zaak om de vraag of kan worden bewezen dat dit geld, dat de verdachte voorhanden heeft gehad, van misdrijf afkomstig is. Het hof merkt hierbij op dat het niet vereist is dat wordt vastgesteld dat het geld afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is vereist dat vaststaat dat het geld afkomstig is uit enig misdrijf. Om dit te beoordelen hanteert het hof het volgende toetsingskader.
Indien op basis van de feiten en omstandigheden een vermoeden van witwassen kan worden vastgesteld, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geldbedrag. Deze verklaring moet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen het geldbedrag en een bepaald misdrijf, dan nog kan bewezen worden dat het geldbedrag ‘uit enig misdrijf afkomstig is. Dit is mogelijk als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is.
Naar het oordeel van het hof levert het voorhanden hebben van een aanzienlijke hoeveelheid contant geld, terwijl de verdachte leeft van een uitkering en verschillende toeslagen, en hij verdacht en veroordeeld wordt van en voor handel in verdovende middelen, een vermoeden van witwassen op. Van de verdachte mag dan ook worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van dit geldbedrag. Voor de beoordeling van die verklaring, waaraan niet de eis mag worden gesteld dat de verdachte zijn onschuld bewijst, is mede van belang het moment waarop en de omstandigheden waaronder deze door de verdachte wordt gegeven.
Bij de politie heeft de verdachte verklaard dat hij een uitkering en verschillende toeslagen ontving en dat hij daarvan geld had gespaard. Verder heeft verdachte verklaard dat het geld deels afkomstig was van de verkoop van zijn café in 2014. Hij zou voor die verkoop € 15.000 hebben ontvangen plus € 2.000 aan muntgeld afkomstig uit de in dat café staande gokkasten.
Om te onderzoeken of de verklaring van de verdachte aannemelijk is, bevat het dossier een proces-verbaal waarin een verbalisant een eenvoudige kasopstelling heeft opgemaakt. Hierbij is rekening gehouden met de hierboven weergegeven verklaring van verdachte, zijn geldstortingen en -opnames en met het bij hem aangetroffen geld. Uit deze eenvoudige kasopstelling volgt dat de verdachte € 7.139,02 meer heeft uitgegeven of in zijn bezit heeft gehad dan waar hij op een legale manier over had kunnen beschikken.
In hoger beroep heeft de verdachte voorts voor het eerst verklaard dat zijn (inmiddels overleden) zus een hartafwijking had, daardoor geen uitvaartverzekering kon afsluiten en de verdachte daarom vanaf 2016 ieder jaar € 2.000 in contanten heeft gegeven voor als zij zou komen te overlijden. De zus van verdachte is in mei 2021 overleden en de verdachte had aldus in totaal ongeveer € 10.000 van zijn zus ontvangen welk bedrag hij naar eigen zeggen bewaarde in de zak van een broek die in een koffer lag.
Ten aanzien van deze verklaring overweegt het hof dat dit – mede gelet op het moment waarop die is gegeven – een niet verifieerbare verklaring betreft. Uit de e-mail van zijn broer en zus, die de verdachte ter ondersteuning van deze verklaring in hoger beroep heeft overgelegd, volgt enkel dat de inmiddels overleden zus in de loop der jaren geld opzij heeft gelegd voor een eventuele uitvaart en dat zij met de verdachte heeft besproken dat hij (onder andere) de financiële afhandeling van de uitvaart op zich zou nemen. Gelet op deze algemene verklaring, ziet het hof hierin geen verificatie of ondersteuning van de verklaring van de verdachte dat het (in een broekzak in een koffer) aangetroffen geld een legale herkomst had.
Gelet op de eenvoudige kasopstelling concludeert het hof dat het niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag van € 7.139,02 uit enig eigen misdrijf afkomstig is. Het hof vindt dan ook bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan eenvoudig witwassen, door een bedrag van € 7.139,02 voorhanden te hebben.”
2.3
Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf” als bedoeld in artikel 420bis e.v. van het Wetboek van Strafrecht kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.Als de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.Als de verdachte zo’n verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.Als zo’n verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen over het bewijs. (Vgl. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352.)
2.4
Het hof heeft vastgesteld dat bij de doorzoeking van het huis van de verdachte en bij zijn fouillering een aanzienlijke hoeveelheid contant geld is aangetroffen. De verdediging heeft aangevoerd dat dat geld afkomstig was van onder meer a) de zus van de verdachte voor als zij zou komen te overlijden, b) inkomsten uit de verkoop van Surinaamse zangvogels, en c) de vader van de verdachte die als hindoepriester collectegeld beheerde. Het hof heeft aan de hand van de uitkomst van een eenvoudige kasopstelling geoordeeld dat de verdachte € 7.139,02 meer heeft uitgegeven of in zijn bezit gehad dan waar hij op een legale manier over had kunnen beschikken. Het hof heeft verder overwogen dat de verklaring van de verdachte over de contante ontvangsten van geldbedragen van zijn zus een niet verifieerbare verklaring is. Het hof heeft echter in het midden gelaten of de verklaring van de verdachte over de inkomsten uit de verkoop van Surinaamse zangvogels en over het beheer van collectegeld concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. In aanmerking genomen wat onder 2.3 is vooropgesteld, is de bewezenverklaring daarom niet toereikend gemotiveerd.
2.5
Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 3 tenlastegelegde en de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 februari 2024.
Conclusie 12‑12‑2023
Inhoudsindicatie
Conclusie plv. AG. Eenvoudig witwassen van geldbedrag van € 7.139,02, art. 420bis.1 Sr. Bewezenverklaring deels gebaseerd op kasopstelling. Hof heeft geen blijk ervan gegeven te hebben beoordeeld of de verklaring van de verdachte (voor het gehele bedrag) voldoende concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/00363
Zitting 12 december 2023
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 20 januari 2022 door het Gerechtshof Amsterdam wegens 1. “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, 2. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” en 3. “eenvoudig witwassen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en F.P. Slewe, advocaat te Schiphol, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
2.1
Het middel komt op tegen het onder 3. bewezenverklaarde eenvoudig witwassen, voor zover inhoudende dat de verdachte een geldbedrag van in totaal € 7.139,02 voorhanden heeft gehad dat “afkomstig was uit enig eigen misdrijf”. Blijkens de toelichting klaagt het middel in het bijzonder dat het hof bij zijn oordeel dat het in de bewezenverklaring vermelde geldbedrag uit misdrijf afkomstig is “buiten beschouwing [laat] dat door de verdediging (…) is aangevoerd dat het aangetroffen geld deels afkomstig is uit de verkoop van Surinaamse zangvogels en uit collectegeld van de vader van rekwirant”. In zoverre zou het verweer van de raadsvrouw ontoereikend gemotiveerd zijn verworpen.
2.2
Ten laste van de verdachte is onder 3. bewezenverklaard dat:
“hij op 29 december 2020 te Amsterdam, een contant geldbedrag van € 7.139,02 voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist, dat dit voorwerp geheel - onmiddellijk - afkomstig was uit enig eigen misdrijf.”
2.3
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“Ten aanzien van feit 3
19.Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2020213515 van 29 december 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] [doorgenummerde pagina 159].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Na zijn aanhouding wordt [verdachte] overgebracht naar het Cellencomplex Zuidoost. Aldaar wordt hij onderworpen aan een insluitingsfouillering en een fouillering op grond van artikel 56 Wetboek van Strafvordering. Hierbij worden de volgende goederen aangetroffen en in beslag genomen.
- 6012298 - Geld - Biljetten - € 1.570, -
- 6012299 - Geld - Muntgeld - € 56,65
20.Een proces-verbaal van bevindingen met bijlagen met nummer PL1300-2020213515-64 van 30 december 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] [doorgenummerde pagina’s 182 tot en met 193].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten (of één van hen):
Dienstverrichting
Op woensdag 33 december waren wij, verbalisanten, belast met opsporing aan de backoffice van basisteam Oost-Watergraafsmeer. Hier hebben het inbeslaggenomen gelden door het onderzoeksteam gespecificeerd en de kennisgeving van inbeslagname opgemaakt. Wij kregen door dat het geld was aangetroffen in de woning van de verdachte:
*** [verdachte] *** geboren, op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats] , wonende [a-straat 1] te [plaats] .
SPECIFICATIE GELDEN
Goednummer 6012382
In de waardenzak die was aangetroffen in de ruimte slaapkamer op het bed is de volgende hoeveelheid gelden aangetroffen:
60 biljetten van 50 euro
43 biljetten van 20 euro
20 biljetten van 10 euro
10 biljetten van 5 euro.
Totaalbedrag van 4.110 euro.
Goednummer 6012338
in de waardenzak die was aangetroffen naast de kast is de volgende hoeveelheid gelden aangetroffen:
65 biljetten van 50 euro
Totaalbedrag van 3.250 euro.
Goednummer 6012401
in de waardenzak die was aangetroffen stapel naast bed/kast is de volgende hoeveelheid gelden, aangetroffen:
KOPIE
1S2
163 biljetten van: 5 euro
36 biljetten van 20 euro
7 biljetten van 10 euro
3 biljetten van 5 euro.
Totaalbedrag van 9.055 euro.
Goednummer 1012410
In de waardenzak die was aangetroffen stapel naast bed/kast is de volgende hoeveelheid gelden aangetroffen:
10 biljetten van 100 euro;
171 biljetten van 50 euro
76 biljetten van 20 euro
46 biljetten van 10 euro
35 biljetten van 5 euro.
Totaalbedrag van 11.705 euro.
Goednummer 6012442
In de waardenzak die was aangetroffen op het bed deel 3 is de volgende hoeveelheid gelden aangetroffen:
151 biljetten van 50 euro
36 biljetten van 20 euro
13 biljetten van 10 euro
2 biljetten van 5 euro.
Totaalbedrag van 8410 euro.
21.
Een proces-verbaal van bevindingen inbeslaggenomen muntgeld met nummer 202021.1515 van 5 januari 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] [doorgenummerde pagina’s 248 tot en met 249].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Aanleiding
Op 29 december 2020 heeft er een doorzoeking onder leiding van de rechter-commissaris, mr. Van de Water, plaatsgevonden in de woning [a-straat 1] te [plaats] . In de woning zijn twee plastic boodschappentassen vol met muntgeld aangetroffen en in beslag genomen. Het ging hier in totaal om 25,5 kilogram aan muntgeld. Deze tassen zijn onder de goednummers 6014179 en 6014180 in beslag genomen. Goednummer 6014179 betrof een plastic tas van de supermarkt Albert Heijn en goednummer 6014180 van de supermarkt Lidl.
Specificatie muntgeld
Op dinsdag 5 januari 2021 is het geld geteld met behulp van een geld telmachine bij de Centrale Kas van de Eenheid Amsterdam. Het geld is geteld onder het toeziend oog van collega [verbalisant 5] en mij, verbalisant.
Goednummer Gewicht (kg) Euro
6014179 17,1 € 1641,89
6014180 8,4 € 674,75
In totaal gaat het om E2316,64 verdeelt over twee plastic boodschappentassen.
In de woning is er inclusief het muntgeld een totaalbedrag van € 38.846,64 aangetroffen en in beslag genomen.
22.Een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming met nummer PL1300- 2020213515-68, van 29 december 2020, opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] .
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Inbeslagneming
Plaats: [a-straat 1] , [postcode] [plaats]
Datum: 29 december 2020
Omstandigheden: Inbeslaggenomen tijdens RC-doorzoeking woning, geld is aangetroffen in de slaapkamer
Beslagenen
Naam: [verdachte]
Geboren: op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats]
Adres: [a-straat 1] , [postcode] [plaats]
Volgnummer 1
Goednummer: PL1300-2020213 515-6014179
Object: Geld (munten)
Hoeveelheid: € 1.641,89
23.Een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming met nummer PL1300-2020213515-67, van 29 december 2020, opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] .
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Inbeslagneming
Plaats: [a-straat 1] , [postcode] [plaats]
Datum: 29 december 2020
Omstandigheden: Muntgeld aangetroffen in de slaapkamer van de verdachte
Beslagenen
Naam: [verdachte]
Geboren: op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats]
Adres: [a-straat 1] , [postcode] [plaats]
Volgnummer 1
Goednummer: PL1300-2020213515-6014180
Object: Geld (munten)
Hoeveelheid: € 674,75
24.
Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2020213515 van 19 februari 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] [doorgenummerde pagina’s 3.005 tot en met 3.009].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Om te onderzoeken of de verklaring van [verdachte] aannemelijk is, heb ik, verbalisant [verbalisant 1] , een versimpelde versie van de eenvoudige kasopstelling opgemaakt. Hierbij heb ik rekening gehouden met zijn hierboven weergegeven verklaring, zijn beschikbare geldstortingen en opnames en het bij hem aangetroffen geld. Zie hieronder de eenvoudige kasopstelling (toelichting volgende pagina)
Beginsaldo contant geld € 17.000,00
+/+ Legale contante ontvangsten inclusief bankopnamen € 24.560,00
-/- Eindsaldo contant geld € 40.473,29
Beschikbaar voor het doen van uitgaven € 1.086,71
-/- Werkelijk contante uitgaven inclusief bankstoring € 8.225,73
Verschil - € 7.139,02
Beginsaldo contant geld (€ 17.000,00)
Verdachte verklaart dat hij voor de verkoop van zijn horecaonderneming 6 à 7 jaar geleden € 15.000,- heeft ontvangen en uit zijn toen ter tijd aldaar aanwezige gokkasten zou € 2.000,- hebben gehaald. Dit resulteert in een bedrag van € 17.000,-. Stel dat hij dit gehele bedrag in de afgelopen 6 à 7 jaar ongeroerd heeft gelaten, dan zou het beginsaldo vastgesteld kunnen worden op dit bedrag van € 17.000,-.
Het is een feit van algemene bekendheid dat mensen die leven van een uitkering hiervan vaak net rond kunnen komen. (ECLI:NL:GHAMS:2020:532) Het is derhalve niet aannemelijk dat hij in de afgelopen jaren duizenden euro's (contant) heeft kunnen sparen. Daarnaast verklaart [verdachte] dat hij van de sociale dienst maximaal € 11.000,- op zijn rekening mag hebben en om drie reden zijn geld contant opneemt. Op 2 december 2018 heeft [verdachte] een bedrag van € 6.322,41 op zijn rekening staan. Het is daarom niet aannemelijk dat hij in het kader van het afromen vlak voor deze datum geld heeft opgenomen. Het beginsaldo wordt op basis van voornoemde gesteld op € 17.000,- .
Legale contante ontvangsten inclusief bankopnamen (€ 24.560,00)
[verdachte] verklaart de door hem ontvangen uitkering en toeslagen contant op te nemen. In totaal pint hij in deze twee jaar € 24.560,00. Stel dat hij dit geldbedrag in de periode van 2 december 2018 tot en met 30 december 2020 niet uitgegeven zou hebben, maar hebben gespaard dan zou dit gehele bedrag nog in zijn bezit kunnen zijn.
Een uitkering heeft tot doel iemand in zijn of haar eerste levensbehoeften te laten doen voorzien. Dus voor het kopen van eten, drinken, kleding en het betalen van de huur en gas, water en licht. Alhoewel niet aannemelijk, maar stel dat hij dit gehele gepinde bedrag dus nog in zijn bezit zou hebben op de dag van aanhouding dan kunnen de legale contante ontvangsten gesteld worden op € 24.560,00.
Eindsaldo contant geld (€ 40.473, 29)
Op de dag van aanhouding had verdachte [verdachte] een totaalbedrag van € 40.473,29 aan contant geld voorhanden. Dit totaalbedrag is opgebouwd uit de volgende bedragen:
In de woning (briefgeld): € 36.530,-
ln de woning (muntgeld): € 2.316,64
Tijdens fouillering: € 1.626,65 +
Totaalbedrag voorhanden: € 40.473,29
Dit bedrag zal als eindsaldo worden meegenomen in eenvoudige kasopstelling.
Beschikbaar voor het doen van uitgaven (€ 1.086,71)
Het beginsaldo contant geld plus de legale contante ontvangsten inclusief bankopnamen geeft een bedrag van € 41.560,-. Dit bedrag minus het eindsaldo contant geld geeft een bedrag van
€ 1.086,71 dat beschikbaar is voor het doen van uitgaven.
Werkelijk contante uitgaven inclusief bankstortingen (E 8.225, 73)
Het opsporingsonderzoek heeft geen inzicht gegeven in de contante uitgaven van verdachte [verdachte] . Stel dat hij in deze periode geen contant geld zou hebben uitgegeven aan het kopen van boodschappen, kleding of andere producten dan zouden alleen zijn bankstortingen van zijn contante vermogen af zijn gegaan. Dit bedrag kan op basis van zijn historische transactiegegevens worden vastgesteld op € 8.225,73.
Verschil (- € 7.139,02)
Dit betekent dat verdachte [verdachte] in ieder geval € 7.139,02 meer contant geld heeft uitgegeven of in zijn bezit heeft dan waar hij op een legale manier over zou kunnen beschikken. Dit is feitelijk onmogelijk. Iemand kan immers niet meer contant geld uitgeven dan dat hij bezit.”
2.4
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 januari 2022 heeft de raadsvrouw van de verdachte het woord gevoerd overeenkomstig de pleitnota die aan het proces-verbaal is gehecht. Deze pleitnota houdt – voor zover voor de beoordeling van het middel relevant – in (met gedeeltelijke weglating van voetnoten):
“37. Daarnaast verkoopt (verkocht) cliënt soms Surinaamse zangvogels. Client hield altijd veel van dit soort vogels, 'broedde' ze ook zelf, en verkocht er ieder jaar wel een aantal. Per vogel kreeg hij - afhankelijk van hoe mooi de vogel kon zingen - zo'n € 400,- tot € 1000,-. Dat cliënt deze vogels houdt, vindt steun in het dossier.1.Dat dergelijke prijzen zeer gangbaar zijn voor het verkopen van Surinaamse zangvogels blijkt ook uit een eenvoudige zoekslag op internet.
(…)
45. De grote hoeveelheid muntgeld (en de stortingen daarvan) heeft hij toegelicht naar aanleiding van het feit dat zijn vader tot 2019 als hindoepriester werkzaam is geweest en collectegeld kreeg. (…)
46. De officier van justitie heeft naar aanleiding van het hoger beroep de vader van cliënt laten horen door de politie. De verdediging stelt zich op het standpunt dat die verklaring niet betrouwbaar is. De vader van cliënt vertoont namelijk een dementieel beeld. Ik overleg u een verklaring van de huisarts (bijlage 1).
47. De vader van cliënt was tot 2019 hindoepriester. Sinds de afgelopen jaren vertoont de vader van cliënt veel trekken van vergeetachtigheid en dementie. De bevraging van vader over de concrete invulling van zijn werk als hindoepriester en hoe daar met het collectegeld werd omgesprongen, kan dan ook wat betreft de verdediging niet meewegen voor het onaannemelijk maken van die verklaring van cliënt. Client blijft bij het standpunt dat hij wel degelijk het muntgeld van de collecte voor zijn vader inwisselde.”
2.5
Voor de beoordeling van het middel is voorts relevant dat de advocaat-generaal blijkens voornoemd proces-verbaal het woord ter terechtzitting in hoger beroep onder meer als volgt heeft gevoerd:
“Dat de vader van de verdachte in een Hindoetempel collectegeld ontving en dit onderbracht bij de verdachte wordt door de vader ontkend.”
2.6
Het bestreden arrest bevat de volgende overwegingen ten aanzien van het bewijs:
“Feit 3
De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het witwassen van de tenlastegelegde geldbedragen bewezen kan worden verklaard. Het inbeslaggenomen contante geld is afkomstig van de drugshandel waaraan de verdachte zich schuldig maakte. De verdachte heeft weliswaar verschillende alternatieve verklaringen afgelegd over de herkomst van het geld, maar dat was steeds op een zodanig Iaat tijdstip, tot aan de zitting in hoger beroep, dat deze niet meer onderzocht, geverifieerd of gefalsifieerd konden worden. Deze verklaringen zijn voorts niet bevestigd door stukken of getuigenverklaringen.
De raadsvrouw heeft het bepleit de verdachte vrij te spreken van het onder 3 tenlastegelegde. Op de bankrekening van de verdachte zijn geen vreemde dingen te zien. Wat betreft de contante geldbedragen die in de woning zijn aangetroffen heeft de verdachte vanaf het begin een duidelijke verklaring afgelegd; het geld is in de loop der jaren gespaard. De verdachte heeft 26 jaar lang een normale baan gehad, hij heeft een uitkering en toeslagen ontvangen, hij verkoopt soms Surinaamse zangvogels die hij zelf ‘broedt’ en hij heeft geld overgehouden aan de verkoop van zijn horecaonderneming in 2014. Het muntgeld is afkomstig van zijn vader die als hindoepriester collectegeld beheerde. Voorts heeft de verdachte uitgelegd waarom hij een dergelijk geldbedrag contant bewaarde; hij mocht namelijk vanwege het ontvangen van een uitkering niet meer dan € 11.000 op zijn bankrekening hebben. Tenslotte heeft de verdachte in hoger beroep nog verklaard dat hij elk jaar geld ontving van zijn (inmiddels overleden) zus voor haar begrafenis, dit betrof in totaal ongeveer € 10.000 contant. In 2016 zou hij eenmalig een groot bedrag hebben ontvangen aan (achterstallige) kindertoeslag.
Het hof overweegt als volgt. Bij de doorzoeking van het huis van de verdachte zijn contanten aangetroffen tot een totaal van € 38.846,64 en in de fouillering van de verdachte is € 1.626,65 aangetroffen. Het gaat in deze zaak om de vraag of kan worden bewezen dat dit geld, dat de verdachte voorhanden heeft gehad, van misdrijf afkomstig is. Het hof merkt hierbij op dat het niet vereist is dat wordt vastgesteld dat het geld afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is vereist dat vaststaat dat het geld afkomstig is uit enig misdrijf. Om dit te beoordelen hanteert het hof het volgende toetsingskader.
Indien op basis van de feiten en omstandigheden een vermoeden van witwassen kan worden vastgesteld, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geldbedrag. Deze verklaring moet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen het geldbedrag en een bepaald misdrijf, dan nog kan bewezen worden dat het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is. Dit is mogelijk als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is.
Naar het oordeel van het hof levert het voorhanden hebben van een aanzienlijke hoeveelheid contant geld, terwijl de verdachte leeft van een uitkering en verschillende toeslagen, en hij verdacht en veroordeeld wordt van en voor handel in verdovende middelen, een vermoeden van witwassen op. Van de verdachte mag dan ook worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van dit geldbedrag. Voor de beoordeling van die verklaring, waaraan niet de eis mag worden gesteld dat de verdachte zijn onschuld bewijst, is mede ven belang het moment waarop en de omstandigheden waaronder deze door de verdachte wordt gegeven.
Bij de politie heeft de verdachte verklaard dat hij een uitkering en verschillende toeslagen ontving en dat hij daarvan geld had gespaard. Verder heeft verdachte verklaard dat het geld deels afkomstig was van de verkoop van zijn café in 2014. Hij zou voor die verkoop € 15.000 hebben ontvangen plus € 2.000 aan muntgeld afkomstig uit de in dat café staande gokkasten.
Om te onderzoeken of de verklaring van de, verdachte aannemelijk is, bevat het dossier een proces-verbaal waarin een verbalisant een de eenvoudige kasopstelling heeft opgemaakt. Hierbij is rekening gehouden met de hierboven weergegeven verklaring van verdachte, zijn geldstortingen en -opnames en met het bij hem aangetroffen geld. Uit deze eenvoudige kasopstelling volgt dat de verdachte € 7.139,02 meer heeft uitgegeven of in zijn bezit heeft gehad dan waar hij op een legale manier over had kunnen beschikken.
In hoger beroep heeft de verdachte voorts voor het eerst verklaard dat zijn (inmiddels overleden) zus een hartafwijking had, daardoor geen uitvaartverzekering kon afsluiten en de verdachte daarom vanaf 2016 ieder jaar € 2.000 in contanten heeft gegeven voor als zij zou komen te overlijden. De zus van verdachte is in mei 2021 overleden en de verdachte had aldus in totaal ongeveer € 10.000 van zijn zus ontvangen welk bedrag hij naar eigen zeggen bewaarde in de zak van een broek die in een koffer lag.
Ten aanzien van deze verklaring overweegt het hof dat dit - mede gelet op het moment waarop die is gegeven - een niet verifieerbare verklaring betreft. Uit de e-mail van zijn broer en zus, die de verdachte ter ondersteuning van deze verklaring in hoger beroep heeft overgelegd, volgt enkel dat de inmiddels overleden zus in de loop der jaren geld opzij heeft gelegd voor een eventuele uitvaart en dat zij met de verdachte heeft besproken dat hij (onder andere) de financiële afhandeling van de uitvaart op zich zou nemen. Gelet op deze algemene verklaring, ziet het hof hierin geen verificatie of ondersteuning van de verklaring van de verdachte dat het (in een broekzak in een koffer) aangetroffen geld een legale herkomst had.
Gelet op de eenvoudige kasopstelling concludeert het hof dat het niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag van € 7.139,02 uit enig eigen misdrijf afkomstig is. Het hof vindt dan ook bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan eenvoudig witwassen, door een bedrag van
€ 7.139,02 voorhanden te hebben.”
2.7
In zijn arrest van 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352 heeft de Hoge Raad over het bestanddeel “afkomstig is uit enig misdrijf”, zoals dat voorkomt in de witwasbepalingen (art. 420bis e.v. Sr), het volgende overwogen:
“2.3.2. Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf”, kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.
2.3.3.
Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Indien de verdachte voormelde verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs.”2.
2.8
In deze zaak doet zich het geval voor dat in cassatie wordt geklaagd over de bewijsvoering van een feit waarvoor in hoger beroep een veroordeling is gevolgd, terwijl de verdachte daarvan in eerste aanleg was vrijgesproken.3.Aan deze vrijspraak heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat niet kon worden vastgesteld dat de bij de verdachte aangetroffen contante geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf, omdat de verdachte een verifieerbare, niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring over de legale herkomst van het geld had gegeven, die door he openbaar ministerie niet nader was onderzocht. Daarbij doelde de rechtbank blijkens het vonnis onder andere op de hiervoor genoemde verklaring van de verdachte over de verkoop van zangvogels en over de opbrengst van collectes van de vader van de verdachte.
2.9
Het hof heeft daarentegen geoordeeld dat “gelet op de eenvoudige kasopstelling” het niet anders kan zijn dan dat het in de bewezenverklaring vermelde geldbedrag uit enig eigen misdrijf afkomstig is. De (eenvoudige) kasopstelling is een methode waarin het verschil tussen contante legale inkomsten en feitelijke uitgaven wordt berekend om wederrechtelijk verkregen voordeel te schatten, maar deze methode wordt ook gebruikt in strafzaken teneinde de omvang van het witgewassen geldbedrag vast te stellen, zoals in de onderhavige zaak het geval lijkt te zijn. In dergelijke gevallen is van belang dat een bewijsredenering met de strekking dat uit de enkele uitkomst van een kasopstelling kan worden afgeleid dat het niet anders kan zijn dan dat het verschil tussen legale inkomsten en gedane uitgaven uit misdrijf afkomstig is, onvoldoende zal zijn.4.Wel kunnen de resultaten van een (eenvoudige) kasopstelling een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen als bedoeld in het hiervoor weergegeven arrest van 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352 opleveren, zodat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat genoemd verschil tussen legale inkomsten en feitelijke uitgaven niet van misdrijf afkomstig is.5.
2.10
In de onderhavige zaak heeft het hof een vermoeden van witwassen echter al afgeleid uit de omstandigheden dat de verdachte een groot contant geldbedrag voorhanden had terwijl hij leefde van een uitkering en werd veroordeeld voor drugshandel. Ik begrijp de overwegingen van het hof dan ook zo dat het de kasopstelling heeft gebruikt om na te gaan of de door het hof aannemelijk geachte stellingen van de verdachte over de legale herkomst van het geld een voldoende verklaring zijn voor het gehele bij de verdachte aangetroffen bedrag en voor alle door hem gedane contante uitgaven.
2.11
Uit de kasopstelling in de onderhavige zaak (bewijsmiddel 24) blijkt dat de verdachte op basis van legaal geachte inkomsten een bedrag van € 1.086,71 beschikbaar had voor het doen van contante uitgaven en dat de werkelijke contante uitgaven € 8.225,73 bedroegen. Op grond daarvan heeft het hof vastgesteld dat de verdachte € 7.139,02 meer heeft uitgegeven of in zijn bezit heeft gehad dan waar hij op een legale manier over had kunnen beschikken. Daarbij is het hof er kennelijk van uitgegaan dat de verdachte inderdaad voor de verkoop van zijn horecaonderneming een bedrag van € 15.000,- heeft ontvangen, dat hij daarnaast € 2.000,- uit de aldaar aanwezige gokkasten heeft gehaald en dat hij er inderdaad in is geslaagd van zijn uitkering een bedrag van € 24.560,- te sparen.
2.12
Over de legale herkomst van het ten laste gelegde geldbedrag is door en namens de verdachte echter ook aangevoerd dat de verdachte Surinaamse zangvogels verkocht, dat hij collectegelden van zijn vader ontving (om deze in te wisselen) en dat hij van zijn inmiddels overleden zus jaarlijks geld ontving voor haar toekomstige uitvaart. Over deze laatste verklaring heeft het hof geoordeeld dat dit een niet verifieerbare verklaring betreft. Anders dan de rechtbank heeft het hof er echter geen blijk van gegeven te hebben beoordeeld of de verklaring van de verdachte over de verkoop van de Surinaamse zangvogels en de door zijn vader ontvangen collectegelden voldoende concreet, verifieerbaar en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijk is. Hoewel het voor de hand ligt dat het hof de verklaring over de zangvogels – die erop neerkomt dat de verdachte “soms” Surinaamse zangvogels verkocht en dat hij daarvoor “zo’n € 400,- tot € 1000,-” kreeg – onvoldoende concreet heeft geacht en het de verklaring over het collectegeld op basis van de hiervoor onder 2.5 weergegeven onderzoeksresultaten mogelijk niet aannemelijk heeft geacht, geeft het arrest van het hof mijns inziens onvoldoende aanknopingspunten om in cassatie ervan uit te gaan dat dit daadwerkelijk de gedachtegang van het hof is geweest. Dat geldt temeer nu de verdediging blijkens de onder 2.4 weergegeven pleitnota heeft aangevoerd dat de vader van de verdachte “een dementieel beeld [vertoont]” en dit met stukken lijkt te hebben onderbouwd. In aanmerking genomen hetgeen onder 2.7 is vooropgesteld, is de bewezenverklaring derhalve niet toereikend gemotiveerd.6.
2.13
Het middel slaagt.
Afronding
3.1
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.2
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 12‑12‑2023
Het in dit arrest door de Hoge Raad uiteengezette toetsingskader is ook van belang in de gevallen waarin de rechter aan de omstandigheden waaronder een voorwerp wordt aangetroffen, het vermoeden ontleent dat dit voorwerp “onmiddellijk afkomstig is uit enig eigen misdrijf” als bedoeld in (onder meer) het in de onderhavige zaak van toepassing zijnde art. 420bis.1 Sr. Zie HR 14 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:36, rov. 3.3.3.
HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40 (de Jaddoe-problematiek).
Daarvoor verschillen de bewijsregimes in straf- en ontnemingsprocedures te veel van elkaar. Zie PG Bleichrodt ECLI:NL:PHR:2018:1491, randnr. 39, ECLI:NL:PHR:2015:1015, randnr. 27 en ECLI:NL:PHR:2014:1749, randnr. 16 en 17.
Zie HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:668 en de daaraan voorafgaande conclusie van AG Keulen (ECLI:NL:PHR:2019:436).
Vlg. ook HR 14 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:36 waarin de Hoge Raad overwoog dat het hof in het midden had gelaten of de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring had gegeven over de herkomst van het (gehele) geldbedrag en oordeelde dat de bewezenverklaring niet toereikend was gemotiveerd. Zie verder de conclusie van PG Bleichrodt van 26 mei 2015, ECLI:NL:PHR:2015:1015, randnr. 30: “De verdachte heeft (…) een alternatieve bron aangedragen waarover het hof zich niet heeft uitgelaten. Door de juistheid van de verklaring van de verdachte en hetgeen daarover door de verdediging is aangevoerd in het midden te laten, is ‘s hofs oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk.” De Hoge Raad vernietigde de bestreden uitspraak (zie HR 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1793).