Zie voor de vaststelling van deze verordening het Landsbesluit van de 31ste januari 2013, no. 13/0045, houdende vaststelling van de geconsolideerde tekst van de Wegenverkeersverordening Curaçao 2000 (P.B. 2013, no. 41 (GT)).
HR, 18-02-2025, nr. 23/03088 C
ECLI:NL:HR:2025:292
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18-02-2025
- Zaaknummer
23/03088 C
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:292, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑02‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1338
ECLI:NL:PHR:2024:1338, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 10‑12‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:292
Beroepschrift, Hoge Raad, 28‑09‑2023
- Vindplaatsen
CFN 2025/19 met annotatie van -
Uitspraak 18‑02‑2025
Inhoudsindicatie
Caribische zaak. OM-cassatie en cassatie verdachte. Rijden als bestuurder van motorvoertuig in Curaçao zonder dat daarvoor motorrijtuigbelasting was voldaan, terwijl nummerplaat niet was aangebracht aan voorzijde en terwijl enig materiaal tegen voorruit was geplakt. Vrijspraak t.z.v. rijden als bestuurder van motorvoertuig terwijl enig materiaal op voorzijruiten was geplakt waardoor lichtdoorlaatbaarheidsnorm minder dan 70% bedroeg (art. 88.1.c.4 (oud) Wegenverkeersverordening Curaçao 2000). 1. Cassatie verdachte. Geen schriftuur. 2. Ontvankelijkheid OM-cassatie t.a.v. veroordelingen, art. 427.2.b Sv. 3. OM-cassatie tegen vrijspraak. Heeft hof vrijspraak gegrond op wetgeving die geldt in Curaçao? Ad 1. Geen middelen ingediend, verdachte n-o. Ad 2. Hof heeft bewezenverklaarde gekwalificeerd als “handelen in strijd met art. 24 Motorrijtuig- en motorbootbelastingverordening 1928 (HR begrijpt, omdat deze verordening haar gelding t.t.v. tlgd. had verloren: art. 24 Eilandsverordening motorrijtuigbelasting en eindverwerkingsheffing autowrakken)”, “handelen in strijd met art. 99 WVVC 2000” en “handelen in strijd met art. 88 WVVC 2000”. Hof heeft verdachte voor deze overtredingen veroordeeld tot geldboetes van onderscheidenlijk NAf. 150, subsidiair 3 dagen hechtenis, NAf. 50, subsidiair 1 dag hechtenis, en NAf. 75, subsidiair 1 dag hechtenis. Nu in Rijkswet rechtsmacht HR voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba niet anders is bepaald, neemt HR t.a.v. strafzaken in Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba kennis van beroep in cassatie in strafzaken op overeenkomstige wijze en met overeenkomstige rechtsgevolgen als t.a.v. strafzaken in Europese deel van Koninkrijk. Gelet hierop moet art. 427.2.b Sv aldus worden uitgelegd dat in strafzaken in Curaçao beroep in cassatie niet openstaat als geen andere straf of maatregel werd opgelegd dan geldboete tot (gezamenlijk) maximum van 400 NAf., zijnde (volgens gegevens van Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten en ten voordele van procespartijen afgerond) tegenwaarde van € 250 t.t.v. i.w.tr. van Aanpassingswet modernisering rechterlijke organisatie (vgl., over strafzaken in Aruba, HR:2014:2910). O.g.v. art. 427 Sv staat tegen hiervoor genoemde veroordelingen geen cassatieberoep open. Om die reden kan HR cassatieberoep van OM in zoverre niet in behandeling nemen. Ad 3. Oordeel van hof dat verdachte moet worden vrijgesproken is niet begrijpelijk gemotiveerd, omdat moet worden aangenomen dat landsbesluit noch instructie, zoals door hof in zijn overwegingen genoemd, onderdeel vormden van het in Curaçao t.t.v. tlgd. geldende recht. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/03088 C
Datum 18 februari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 6 juli 2023, nummer H 65/22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
De beroepen zijn ingesteld door de verdachte en het openbaar ministerie. Cassatiemiddelen zijn namens de verdachte niet voorgesteld. Het openbaar ministerie heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over de tenlastegelegde overtreding van de lichtdoorlaatbaarheidsnorm doordat materiaal tegen de voorzijruiten was geplakt, tot terugwijzing van de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep van de verdachte
De wet bepaalt binnen welke termijn een advocaat namens de verdachte een schriftuur met cassatiemiddelen (klachten) bij de Hoge Raad moet indienen. Aan die verplichting is niet voldaan. Het gevolg daarvan is dat de Hoge Raad het beroep van de verdachte niet in behandeling kan nemen (zie artikel 437 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv)).
3. Juridisch kader
De volgende bepalingen zijn van belang:
- artikel 1 lid 1 van de Rijkswet rechtsmacht Hoge Raad voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: de Rijkswet):
“De Hoge Raad der Nederlanden neemt ten aanzien van burgerlijke en strafzaken in Aruba, Curaçao en Sint Maarten en in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, voor zover in deze Rijkswet niet anders is bepaald, in overeenkomstige gevallen, op overeenkomstige wijze en met overeenkomstige rechtsgevolgen als ten aanzien van burgerlijke en strafzaken in het Europese deel van het Koninkrijk, kennis van een beroep in cassatie, ingesteld hetzij door partijen, hetzij «in het belang der wet» door de procureur-generaal bij de Hoge Raad.”
- artikel 427 lid 2 Sv:
“Tegen arresten van de gerechtshoven, als uitspraak gegeven, betreffende overtredingen staat beroep in cassatie open voor het openbaar ministerie bij het gerecht dat het arrest heeft gewezen, en de verdachte, tenzij terzake in de einduitspraak:
(...)
b. geen andere straf of maatregel werd opgelegd dan een geldboete tot een maximum – of, wanneer bij het arrest twee of meer geldboetes werden opgelegd, geldboetes tot een gezamenlijk maximum – van EUR 250.”
- artikel 24 lid 1 van de Eilandsverordening motorrijtuigbelasting en eindverwerkingsheffing autowrakken:
“Met een geldboete van de eerste categorie wordt gestraft:
(...)
b. hij die op de openbare weg als bestuurder optreedt van een motorrijtuig zonder dat daarvoor de verschuldigde en opvorderbare belasting is voldaan; (...).”
- artikel 25 Eilandsverordening motorrijtuigbelasting en eindverwerkingsheffing autowrakken:
“De feiten, bij het vorige artikel strafbaar gesteld, worden beschouwd als overtredingen.”
- artikel 88 lid 1 (oud) van de Wegenverkeersverordening Curaçao 2000 (hierna: WVVC 2000):
“Ten aanzien van de inrichting van motorvoertuigen waarvan het ledig gewicht, vermeerderd met het laadvermogen, niet meer bedraagt dan 3500 kg en die niet zijn ingericht voor het vervoer van meer dan 8 personen, de bestuurder daaronder niet begrepen gelden de volgende eisen.
(...)
c. Ruiten:
(...)
2° het is verboden enig materiaal aan, op of tegen de voorruit te hechten, te plakken of aan te brengen;
(...)
4° het is toegestaan om enig materiaal aan, op of tegen de voorzijruiten te hechten, te plakken of aan te brengen met dien verstande dat een lichtdoorlaatbaarheidsnorm van 70% wordt gehandhaafd.”
- artikel 99 lid 1 WVVC 2000:
“Bij motorvoertuigen en motorfietsen moet het kenteken duidelijk leesbaar worden aangebracht aan de voor- en achterzijde van het motorvoertuig of motorfiets.”
- artikel 119 WVVC 2000:
“1. Handelen in strijd met de artikelen 22, 23, 24, 26, 27, 108, eerste lid, en 113 wordt beschouwd als een misdrijf en gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van ten hoogste vijfduizend gulden.
2. Handelen in strijd met de overige bepalingen van deze landsverordening wordt beschouwd als een overtreding en gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van ten hoogste vijf duizend gulden.”
4. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep van het openbaar ministerie
4.1.1
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
“hij op 16 december 2021 als bestuurder van een motorvoertuig heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg/openbare weg, de Ontarioweg te Curaçao:
- zonder dat daarvoor verschuldigde en opvorderbare motorrijtuigbelasting was voldaan;
- terwijl de voorgeschreven geldige nummerplaat niet was aangebracht aan de voorzijde;
- terwijl enig materiaal aan/op/tegen de voorruit was geplakt en enig materiaal aan/op/tegen de voorzijruiten was geplakt waardoor de lichtdoorlaatbaarheidsnorm minder dan 70% bedroeg.”
4.1.2
Daarvan heeft het hof bewezenverklaard dat:
“hij op 16 december 2021 als bestuurder van een motorvoertuig heeft gereden op de openbare weg, de Ontarioweg te Curaçao:
- zonder dat daarvoor verschuldigde en opvorderbare motorrijtuigbelasting was voldaan;
- terwijl de voorgeschreven geldige nummerplaat niet was aangebracht aan de voorzijde;
- terwijl enig materiaal aan/op/tegen de voorruit was geplakt.”
4.1.3
Het hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als “handelen in strijd met artikel 24 van de Motorrijtuig- en motorbootbelastingverordening 1928 (de Hoge Raad begrijpt, omdat deze verordening haar gelding ten tijde van het tenlastegelegde had verloren: artikel 24 van de Eilandsverordening motorrijtuigbelasting en eindverwerkingsheffing autowrakken)”, “handelen in strijd met artikel 99 van de WVVC 2000” en “handelen in strijd met artikel 88 van de WVVC 2000”. Het hof heeft de verdachte voor deze overtredingen veroordeeld tot geldboetes van onderscheidenlijk NAf. 150, subsidiair drie dagen hechtenis, NAf. 50, subsidiair één dag hechtenis, en NAf. 75, subsidiair één dag hechtenis.
4.2.1
De tekst van artikel 427 Sv is vastgesteld bij de Wet van 6 december 2001, Stb. 2001, 584 (Aanpassingswet modernisering rechterlijke organisatie) die op 1 januari 2002 in werking is getreden.
4.2.2
Nu in de Rijkswet niet anders is bepaald, neemt de Hoge Raad ten aanzien van strafzaken in Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba kennis van een beroep in cassatie in strafzaken op overeenkomstige wijze en met overeenkomstige rechtsgevolgen als ten aanzien van strafzaken in het Europese deel van het Koninkrijk.
4.2.3
Gelet hierop moet artikel 427 lid 2, aanhef en onder b, Sv aldus worden uitgelegd dat in strafzaken in Curaçao beroep in cassatie niet openstaat als geen andere straf of maatregel werd opgelegd dan een geldboete tot een (gezamenlijk) maximum van 400 Antilliaanse gulden (afgekort ANG of NAf.), zijnde – volgens gegevens van de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten en ten voordele van procespartijen afgerond – de tegenwaarde van € 250 ten tijde van de inwerkingtreding van de hiervoor onder 4.2.1 genoemde wet (vgl., over strafzaken in Aruba, HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2910).
4.2.4
Op grond van artikel 427 Sv staat tegen de onder 4.1 bedoelde veroordelingen geen cassatieberoep open. Om die reden kan de Hoge Raad het cassatieberoep van het openbaar ministerie in zoverre niet in behandeling nemen.
5. Beoordeling van het cassatiemiddel dat door het openbaar ministerie is voorgesteld
5.1
Het cassatiemiddel komt op tegen de vrijspraak van het tenlastegelegde rijden als bestuurder van een motorvoertuig terwijl enig materiaal aan/op/tegen de voorzijruiten was geplakt waardoor de lichtdoorlaatbaarheidsnorm minder dan 70% bedroeg, met de klacht dat het hof deze vrijspraak heeft gegrond op wetgeving die niet geldt in Curaçao.
5.2
Het hof heeft de in het cassatiemiddel bedoelde vrijspraak als volgt gemotiveerd:
“De verdachte wordt ervan verdacht op 16 december 2021 als bestuurder in een motorvoertuig te hebben gereden, waarvan de voorzijruiten van dat motorvoertuig beplakt waren met een materiaal als gevolg waarvan de lichtdoorlaatbaarheidsnorm minder dan 70% bedroeg. Als constatering van aspirant-agent Jansen is in de Pro-Justitia oproeping van 16 december 2021 opgenomen dat de gebruikte meetapparatuur 17% aangaf.
De verdediging heeft vrijspraak bepleit en daartoe is aangevoerd dat niet is gebleken met welk apparaat (merk, model serienummer) de lichtdoorlaatbaarheid is gemeten en voorts of dit apparaat gecertificeerd en/of geijkt is.
Recent heeft het Hof in een andere strafzaak [GHvJ 16 maart 2023, ECLI:NL:OGHACMB:2023:32] naar aanleiding van een soortgelijk gevoerd verweer het volgende overwogen en beslist:
“Uit het Landsbesluit houdende algemene maatregelen, houdende aanwijzing van apparatuur om de lichtdoorlatendheid van ruiten van motorvoertuigen te meten (“het Landsbesluit”) alsmede de Instructie meting lichtdoorlatendheid (“de Instructie”) volgt welke apparatuur geschikt is om de lichtdoorlatendheid van ruiten van motorvoertuigen te meten en aan welke voorschriften dit apparaat dient te voldoen. Uit de inhoud van het dossier blijkt niet dat de desbetreffende lichtdoorlatendheid van de voorzijruiten van de verdachte is gemeten met een apparaat dat voldoet aan de vereisten zoals omschreven in het Landsbesluit en de Instructie.
Het Hof stelt vast dat de stukken in het dossier niet ook inhouden een relaas waaruit blijkt hoe en met welk apparaat de meting van lichtdoorlatendheid is verricht. Gelet daarop is het voor het Hof niet mogelijk te controleren of de meting op de juiste wijze is verricht. Het verweer in eerste aanleg is in hoger beroep andermaal gevoerd. Dit een en ander heeft de procureur-generaal niet ertoe gebracht het dossier aan te vullen met bescheiden, die alsnog die rechterlijke controle mogelijk maakt. Het Hof ziet, mede gelet op het soortelijk gewicht van de in deze zaak op het spel staande belangen, geen grond om ambtshalve de procureur-generaal te verzoeken dergelijke bescheiden te verstrekken. Dat betekent voor het bewijs dat er in het onderhavige geval een manco is dat dan bewezenverklaring in de weg staat.”
Deze overwegingen hebben ook in de onderhavige strafzaak te gelden, zodat het Hof de verdachte van dit feit zal vrijspreken.”
5.3
Het oordeel van het hof dat de verdachte moet worden vrijgesproken is niet begrijpelijk gemotiveerd, omdat moet worden aangenomen dat een landsbesluit noch een instructie, zoals door het hof in zijn overwegingen genoemd, onderdeel vormden van het in Curaçao ten tijde van het tenlastegelegde geldende recht.
5.4
Het cassatiemiddel slaagt.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep van de verdachte niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep van het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wat betreft de beslissingen van het hof over het tenlastegelegde rijden als bestuurder van een motorvoertuig zonder dat daarvoor verschuldigde en opvorderbare motorrijtuigbelasting was voldaan, terwijl de voorgeschreven geldige nummerplaat niet was aangebracht aan de voorzijde en terwijl enig materiaal aan/op/tegen de voorruit was geplakt;
- vernietigt de uitspraak van het hof, voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen;
- wijst de zaak terug naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 februari 2025.
Conclusie 10‑12‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Caribische zaak. OM-cassatie. Art. 88 WVVC 2000. Is vrijspraak wegens besturen motorvoertuig terwijl enig materiaal tegen voorzijruiten was geplakt waardoor de lichtdoorlaatbaarheidsnorm minder dan 70% bedroeg gebaseerd op geldende wetgeving? Middel slaagt. Conclusie strekt tot partiële vernietiging en tot terugwijzing naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/03088 C
Zitting 10 december 2024
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
1.1
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Hof) heeft de verdachte bij vonnis van 6 juli 2023 wegens “handelen in strijd met artikel 24 van de Motorrijtuig- en motorbootbelastingverordening 1928”, “handelen in strijd met artikel 99 van de WVVC 2000” en “handelen in strijd met artikel 88 van de WVVC 2000” veroordeeld tot geldboetes van achtereenvolgens 150 NAf, 50 NAf en 75 NAf.
1.2
Namens het openbaar ministerie heeft A.K. Tiggelaar, advocaat-generaal, één middel van cassatie voorgesteld.
2. Het middel
2.1
Het middel klaagt dat het Hof zijn vrijspraak heeft gebaseerd op niet bestaande wetgeving.
2.2
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
“hij op 16 december 2021 als bestuurder van een motorvoertuig heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg/openbare weg, de Ontarioweg te Curaçao:
- zonder dat daarvoor verschuldigde en opvorderbare motorrijtuigbelasting was voldaan;
- terwijl de voorgeschreven geldige nummerplaat niet was aangebracht aan de voorzijde;
- terwijl enig materiaal aan/op/tegen de voorruit was geplakt en enig materiaal aan/op/tegen de voorzijruiten was geplakt waardoor de lichtdoorlaatbaarheidsnorm minder dan 70% bedroeg.”
2.3
Ten laste van de verdachte heeft het Hof bewezenverklaard dat:
“hij op 16 december 2021 als bestuurder van een motorvoertuig heeft gereden op de openbare weg, de Ontarioweg te Curaçao:
- zonder dat daarvoor verschuldigde en opvorderbare motorrijtuigbelasting was voldaan;
- terwijl de voorgeschreven geldige nummerplaat niet was aangebracht aan de voorzijde;
- terwijl enig materiaal aan/op/tegen de voorruit was geplakt.”
2.4
De verdachte is daarmee vrijgesproken van het tenlastegelegde rijden met een voertuig waarvan tegen de voorzijruiten enig materiaal was geplakt waardoor de lichtdoorlaatbaarheidsnorm minder dan 70% bedroeg.
2.5
Ten aanzien van deze vrijspraak bevat het vonnis de volgende motivering:
“Vrijspraak van de overtreding van de lichtdoorlaatbaarheidsnorm doordat materiaal tegen de voorzijruiten was geplakt
De verdachte wordt ervan verdacht op 16 december 2021 als bestuurder in een motorvoertuig te hebben gereden, waarvan de voorzijruiten van dat motorvoertuig beplakt waren met een materiaal als gevolg waarvan de lichtdoorlaatbaarheidsnorm minder dan 70% bedroeg. Als constatering van aspirant-agent [verbalisant] is in de Pro-Justitia oproeping van 16 december 2021 opgenomen dat de gebruikte meetapparatuur 17% aangaf.
De verdediging heeft vrijspraak bepleit en daartoe is aangevoerd dat niet is gebleken met welk apparaat (merk, model serienummer) de lichtdoorlaatbaarheid is gemeten en voorts of dit apparaat gecertificeerd en/of geijkt is.
Recent heeft het Hof in een andere strafzaak naar aanleiding van een soortgelijk gevoerd verweer het volgende overwogen en beslist [in een voetnoot wordt verwezen naar GHvJ 16 maart 2023, ECLI:NL:OGHACMB:2023:32, D.P.]:
‘Uit het Landsbesluit houdende algemene maatregelen, houdende aanwijzing van apparatuur om de lichtdoorlatendheid van ruiten van motorvoertuigen te meten ("het Landsbesluit") alsmede de Instructie meting lichtdoorlatendheid ("de Instructie") volgt welke apparatuur geschikt is om de lichtdoorlatendheid van ruiten van motorvoertuigen te meten en aan welke voorschriften dit apparaat dient te voldoen. Uit de inhoud van het dossier blijkt niet dat de desbetreffende lichtdoorlatendheid van de voorzijruiten van de verdachte is gemeten met een apparaat dat voldoet dan de vereisten zoals omschreven in het Landsbesluit en de Instructie.
Het Hof stelt vast dat de stukken in het dossier niet ook inhouden een relaas waaruit blijkt hoe en met welk apparaat de meting van lichtdoorlatendheid is verricht. Gelet daarop is het voor het Hof niet mogelijk te controleren of de meting op de juiste wijze is verricht. Het verweer in eerste aanleg is in hoger beroep andermaal gevoerd. Dit een en ander heeft de procureur-generaal niet ertoe gebracht het dossier aan te vullen met bescheiden, die alsnog die rechterlijke controle mogelijk maakt. Het Hof ziet, mede gelet op het soortelijk gewicht van de in deze zaak op het spel staande belangen, geen grond om ambtshalve de procureur generaal te verzoeken dergelijke bescheiden te verstrekken. Dat betekent voor het bewijs dat er in het onderhavige geval een manco is dat dan bewezenverklaring in de weg staat.'
Deze overwegingen hebben ook in de onderhavige strafzaak te gelden, zodat het Hof de verdachte van dit feit zal vrijspreken.”
2.6
De steller van het middel betwist dat de geldende wetgeving op Curaçao speciale eisen stelt aan de apparatuur waarmee de lichtdoorlatendheid van motorvoertuigen wordt gemeten. Verder voert hij aan dat deze wetgeving – anders dan het Hof veronderstelt – geen specifieke Instructie ten aanzien van de meting van de lichtdoorlatendheid kent.
2.7
Art. 88 van de Wegenverkeersverordening Curaçao 20001.luidde ten tijde van de in de tenlastelegging genoemde datum – voor zover hier van belang – als volgt:
“1. Ten aanzien van de inrichting van motorvoertuigen waarvan het ledig gewicht, vermeerderd met het laadvermogen, niet meer bedraagt dan 3500 kg en die niet zijn ingericht voor het vervoer van meer dan 8 personen, de bestuurder daaronder niet begrepen gelden de volgende eisen.
[…]
c. Ruiten:
[…]
2. het is verboden enig materiaal aan, op of tegen de voorruit te hechten, te plakken of aan te brengen;
[…]
4. het is toegestaan om enig materiaal aan, op of tegen de voorzijruiten te hechten, te plakken of aan te brengen met dien verstande dat een lichtdoorlaatbaarheidsnorm van 70% wordt gehandhaafd.
[…]
2. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen nadere inrichtingseisen worden gesteld.”
2.8
De vraag die in cassatie centraal staat, is of Curaçao wetgeving kent die normeert welke apparatuur geschikt is om de lichtdoorlatendheid van ruiten van motorvoertuigen te meten en aan welke voorschriften deze apparatuur moet voldoen. De steller van het middel betwist dit en ook de verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat dergelijke wetgeving op Curaçao niet bestaat. Ik citeer uit de ter terechtzitting overgelegde pleitnota:
“Trouwens de eisen waaraan zowel het apparaat als de bediener ervan moeten voldoen staan nergens wettelijk vastgesteld waardoor de integriteit van het onderzoek nergens is geborgd. Op Sint-Maarten die met ons een gezamenlijk rechtspraak deelt, is wel hierin voorzien, teneinde de burger de juiste bescherming te bieden.”
2.9
In dit verband wijs ik erop dat de op Sint-Maarten geldende regelgeving omtrent de normering van meetapparatuur waarop de verdediging kennelijk doelde zeer eenvoudig is te vinden.2.Het Hof verwijst naar “het Landsbesluit houdende algemene maatregelen, houdende aanwijzing van apparatuur om de lichtdoorlatendheid van ruiten van motorvoertuigen te meten ("het Landsbesluit") alsmede de Instructie meting lichtdoorlatendheid ("de Instructie")”, maar het is mij niet gelukt om het bestaan van deze wet- en regelgeving voor Curaçao te verifiëren. Mede gelet op het voorgaande ga ik er daarom bij de beoordeling van het middel van uit dat dergelijke regelgeving niet bestaat.
2.10
Dit leidt ertoe dat het middel mijns inziens slaagt. Hierbij verdient opmerking dat ik het bestaan van het Landsbesluit en de Instructie onmogelijk kan uitsluiten, maar de verwijzingen van het Hof zijn zo weinig specifiek dat ik hoe dan ook tot de conclusie kom dat de vrijspraak van het Hof ontoereikend is gemotiveerd.
2.11
Tot slot merk ik nog het volgende op ten aanzien van het belang bij cassatie. Op 22 september 2022 is de Wegenverkeersverordening Curaçao 2000 gewijzigd3.en is de lichtdoorlaatbaarheidsnorm van voorzijruiten opnieuw vastgesteld. Art. 88 lid 1 onderdeel c onder 4 van deze verordening luidt sinds die datum als volgt:
“het is toegestaan om enig materiaal aan op of tegen de voorzijruiten te hechten, te plakken of aan te brengen met dien verstande dat een lichtdoorlaatbaarheidsnorm van 35% wordt gehandhaafd. Voor de meting van de lichtdoorlaatbaarheid is een foutmarge van 3% toegestaan.”
2.12
Deze voor de verdachte gunstigere bepaling zal na terugwijzing moeten worden toegepast. Dit doet echter niet af aan het belang bij cassatie, nu ik uit de overwegingen van het hof opmaak dat de gemeten lichtdoorlatendheid 17% bedroeg.
3. Slotsom
3.1
Het middel slaagt.
3.2
Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het Hof aangetroffen.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het Hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over de tenlastegelegde overtreding van de lichtdoorlaatbaarheidsnorm doordat materiaal tegen de voorzijruiten was geplakt, tot terugwijzing van de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 10‑12‑2024
Art. 62 aanhef en onder j van de Wegenverkeersverordening Sint Maarten (AB 2013, GT no. 133) regelt het materiaal waarvan de ruiten van een motorvoertuig moeten zijn vervaardigd. Art. 113 van deze verordening biedt de mogelijkheid om, met inachtneming van de voorschriften van de verordening, “bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, nadere regelen worden gesteld omtrent punten, waarin deze verordening niet voorziet”. Voor de lichtdoorlatendheidsnorm is dit gebeurd bij het Landsbesluit, houdende algemene maatregelen houdende vaststelling van nadere regels omtrent de doorzichtigheid van ruiten van motorrijtuigen, zoals bepaald in artikel 62, onder j, van de Wegenverkeersverordening (AB 2013, GT no. 103). Art. 2 lid 1 aanhef en onder a van dit Landsbesluit schrijft voor dat de lichtdoorlatendheid van de voorruit en zijruiten voor of naast de bestuurder groter is dan 70%. In het Landsbesluit, houdende algemene maatregelen houdende aanwijzing van apparatuur om de lichtdoorlatendheid van ruiten van motorrijtuigen te meten (AB 2013, GT no. 104) is geregeld met welke apparatuur deze meting mag worden verricht.
Landsverordening van de 22ste september 2022 tot wijziging van de Wegenverkeersverordening Curaçao 2000 (P.B. 2022, no. 101 (GT)).
Beroepschrift 28‑09‑2023
Cassatieschriftuur
in het cassatieberoep van het Openbaar Ministerie,
ingesteld tegen het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Hof) van 6 juli 2023,
in de strafzaak met het zaaknummer H-65/22 en met het parketnummer 790.11378/22,
tegen de verdachte,
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats],
wonende in [woonplaats], [adres]
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Willemstad, 28 september 2023
Edelhoogachtbaar College,
Op 18 mei 2022 is ten laste van de verdachte in eerste aanleg bewezenverklaard:
‘dat hij op 16 december 2021 te Curaçao te ongeveer 00:45 uur op de voor het openbaar verkeer openstaande weg / de openbare weg de Ontarioweg ter hoogte van ‘Lik je Vingers’ heeft gereden als bestuurder / passagier van een personenauto kenteken [kenteken] (Mercedes Benz A 200 kleur grijs) en daarmee toen en daar de volgende overtredingen heeft gepleegd:
- (186)
als bestuurder van een motorvoertuig over een weg rijden zonder dat de daarvoor verschuldigde en opvorderbare motorrijtuigenbelasting was voldaan; (187), als bestuurder van een motorvoertuig over een weg rijden terwijl de voorgeschreven geldige nummerplaat niet is aangebracht aan de voorzijde;
- (182)
, als bestuurder van een motorvoertuig over een weg rijden terwijl enig materiaal aan, op, of tegen de voorzijruiten was aangebracht waardoor de lichtdoorlaatbaarheid minder dan 70% bedroeg;
- (181)
als bestuurder van een motorvoertuig over een weg rijden terwijl enig materiaal aan, op, of tegen een voorruit was aangebracht, gehecht, of geplakt.’
De verdachte is ten aanzien van de hiervoor genoemde feiten veroordeeld tot geldboetes van: ANG 75 (ad 187), ANG 225 (ad 186), in totaal neerkomend op ANG 300, waarvan ANG 75 voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar. Voorts heeft het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao bepaald dat ten aanzien van de overtreding ad 181 en 182 betreffende artikel 88 van de WVVC 2000, geen straf of maatregel wordt opgelegd.
De verdachte heeft tegen voormeld vonnis op 18 mei 2022 hoger beroep ingesteld.
De zaak is ter terechtzitting in hoger beroep op 15 juni 2023 behandeld.
De procureur-generaal heeft bij die gelegenheid gevorderd dat het Hof het vonnis van het Gerecht zal bevestigen.
De verdediging had vrijspraak bepleiten daartoe aangevoerd dat niet is gebleken met welk apparaat (merk, model serienummer) de lichtdoorlaatbaarheid is gemeten en voorts of dit apparaat gecertificeerd en/ of geijkt is.
Het Hof heeft het vonnis van het Gerecht vernietigd en, voor zover in cassatie van belang, de verdachte vrijgesproken van de overtreding van de lichtdoorlaatbaarheidsnorm doordat materiaal tegen de voorzijruiten was geplakt (ad 182).
In zijn vrijspraakmotivering verwijst het Hof naar een eerdere uitspraak1., waarin naar aanleiding van een soortgelijk verweer, het volgende is overwogen.
‘Uit het Landsbesluit houdende algemene maatregelen, houdende aanwijzing van apparatuur om de lichtdoorlatendheid van ruiten van motorvoertuigen te meten (‘het Landsbesluit’) alsmede de Instructie meting lichtdoorlatendheid (‘de Instructie’) volgt welke apparatuur geschikt is om de lichtdoorlatendheid van ruiten van motorvoertuigen te meten en aan welke voorschriften dit apparaat dient te voldoen. Uit de inhoud van het dossier blijkt niet dat de desbetreffende lichtdoorlatendheid van de voorzijruiten van de verdachte is gemeten met een apparaat dat voldoet aan de vereisten zoals omschreven in het Landsbesluit en de Instructie.
Het Hof stelt vast dat de stukken in het dossier niet ook inhouden een relaas waaruit blijkt hoe en met welk apparaat de meting van lichtdoorlatendheid is verricht. Gelet daarop is het voor het Hof niet mogelijk te controleren of de meting op de juiste wijze is verricht. Het verweer in eerste aanleg is in hoger beroep andermaal gevoerd. Dit een en ander heeft de procureur-generaal niet ertoe gebracht het dossier aan te vullen met bescheiden, die alsnog die rechterlijke controle mogelijk maakt. Het Hof ziet, mede gelet op het soortelijk gewicht van de in deze zaak op het spel staande belangen, geen grand om ambtshalve de procureurgeneraal te verzoeken dergelijke bescheiden te verstrekken. Dat betekent voor het bewijs dat er in het onderhavige geval een manco is dat aan bewezenverklaring in de weg staat.’
Middel van cassatie
Verzuim van vormen voor zover de niet-inachtneming daarvan uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vorm, dan wel wegens schending van het recht; immers heeft het Hof de vrijspraak ten aanzien van de overtreding ad 182 gemotiveerd met verwijzing naar een thans niet geldende wetgeving op Curaçao.
Toelichting op het cassatiemiddel
Juridisch kader
Uit het bestreden vonnis volgt dat de vrijspraak gebaseerd is op het Landsbesluit houdende algemene maatregelen, houdende aanwijzingen van apparatuur om de lichtdoorlatendheid van ruiten van motorvoertuigen te meten en de Instructie meting lichtdoorlatendheid.
In de Eilandsverordening, houdende regelen nopens het verkeer op de wegen, de ‘Wegenverkeersverordening Curaçao’ (AB 1957 no. 12), luidt artikel 63, aanhef en, onder j, ten aanzien van de eisen ten aanzien van de inrichting van motorrijtuigen en in het bijzonder ten aanzien van ruiten, als volgt.
‘Onverminderd het bepaalde in artikel 62 moeten motorrijtuigen voldoen aan de volgende eisen:
(…)
- j.
voorruiten moeten zijn vervaardigd van duurzaam, goed doorzichtig materiaal, dat in geval van breuk geen scherpe splinters geeft. Voorwerpen mogen door dit materiaal niet verwrongen gezien worden.’
Voornoemde Wegenverkeersverordening is bij artikel 132, tweede lid, van de Wegenverkeersverordening 2000 ( AB 2000 no, 54) vervallen.
In de laatstgenoemde, thans geldende, Wegenverkeersverordening regelt artikel 88 de technische eisen voor motorvoertuigen, waaronder ook de eisen voor ruiten. Dit artikel luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
‘1.
Ten aanzien van de inrichting van motorvoertuigen waarvan het ledig gewicht, vermeerderd met het laadvermogen, niet meer bedraagt dan 3500 kg en die niet zijn ingericht voor het vervoer van meer dan 8 personen, de bestuurder daaronder niet begrepen gelden de volgende eisen.
(…)
c. Ruiten:
- 1o.
de voor-, zij- en achterruiten moeten uit veiligheidsglas bestaan en vervaardigd zijn van duurzaam, zowel van binnen als van buiten goed doorzichtig materiaal en mogen geen barsten of verkleuringen vertonen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. Personen en voorwerpen moeten door dit materiaal goed herkenbaar worden gezien.
- 2o.
het is verboden enig materiaal aan, op of tegen de in het eerste lid bedoelde ruiten te hechten, te plakken of aan te brengen, waardoor het uitzicht van de bestuurder kan worden belemmerd dan wel personen of voorwerpen van binnen of van buiten vaag, verwrongen of in het geheel niet kunnen worden gezien.
- 3o.
de eisen waaraan tijdens het fabricageproces van het motorvoertuig verdonkerde voor-, zij- en achterruiten dienen te voldoen worden bij eilandsbesluit, houdende algemene maatregelen, vastgesteld.2.
(…)’
Bij AB 2007, No 86 is artikel 88 gewijzigd, in de zin dat dit artikel met betrekking tot ruiten is komen te luiden als volgt:
‘c. Ruiten:
- 1.
de voor-, zij- en achterruiten moeten uit veiligheidsglas bestaan en vervaardigd zijn van duurzaam materiaal en mogen geen barsten vertonen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren;
- 2.
het is verboden enig materiaal aan, op of tegen de voorruit te hechten, te plakken of aan te brengen;
- 3.
het is verboden om spiegelend, reflecterend of verblindend materiaal op de voorzij ruiten, de achter- en de achterzijruiten te hechten, te plakken of aan te brengen;
- 4.
het is toegestaan om enig materiaal aan, op of tegen de voorzijruiten te hechten, te plakken of aan te brengen met dien verstande dat een lichtdoorlaatbaarheidsnorm van 70% wordt gehandhaafd.’
Bij PB 2022 No 110, is artikel 88, eerste lid, onderdeel c, onder 4, gewijzigd in die zin dat dit artikel thans luidt als volgt:
‘het is toegestaan om enig materiaal aan op of tegen de voorzijruiten te hechten, te plakken of aan te brengen met dien verstande dat een lichtdoorlaatbaarheidsnorm van 35% wordt gehandhaafd. Voor de meting van de lichtdoorlaatbaarheid is een foutmarge van 3% toegestaan.’
Uit artikel 88, tweede lid, van de Wegenverkeersverordening 2000 volgt dat bij landsbesluit houdende algemene maatregelen, nadere inrichtingseisen kunnen worden gesteld, waaronder mogelijkerwijs ook nadere regels omtrent de vaststelling van de lichtdoorlatendheid, alsmede aangewezen apparatuur om deze lichtdoorlatendheid te meten.
Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de huidige Wegenverkeersverordening, en de daaruit voortvloeiende uitvoeringsbesluiten, volgt dat de thans geldende wetgeving van Curaçao op dit punt, geen specifieke eisen stelt aan de apparatuur waarmee de lichtdoorlatendheid van ruiten van motorvoertuigen wordt gemeten. Voorts kent de in Curaçao geldende wetgeving geen specifieke Instructie ten aanzien van de meting van de lichtdoorlatendheid.
Uit het voorgaande volgt dat de vrijspraakmotivering ten aanzien van de overtreding van de lichtdoorlaatbaarheidsnorm geen steun vindt in het thans geldende recht op Curaçao.
Conclusie
Gelet op het voorgaande kan de bestreden uitspraak van het Hof, voor wat betreft de vrijspraak ten aanzien van de overtreding ad 182, niet in stand blijven.
Deze schriftuur strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de vrijspraak ten aanzien van de overtreding van de lichtdoorlaatbaarheidsnorm doordat materiaal tegen de voorzijruiten was geplakt (ad 182), en tot terugwijzing naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie om de zaak op het bestaande beroep opnieuw te berechten en af te doen, dan wel met een zodanige uitspraak als Uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt.
De procureur-generaal van Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
mr. A.K. Tiggelaar
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 28‑09‑2023
GHvJ 16 maart 2023, ECLI:NL:OGHACMB:2023:32.
Vastgesteld bij AB 2007, No 22 Eilandsbesluit, houdende algemene maatregelen van de 22ste februari 2007 teruitvoering van artikel 88, eerste lid, sub c, 3o, artikel 89, eerste lid, sub c, 3o en artikel 90, eerste lid, sub c, 3o, van de Wegenverkeersverordening Curaçao 2000 (AB 2000, No 54).