De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift
Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/10.3.1:3.1 Inleidende opmerkingen
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/10.3.1
3.1 Inleidende opmerkingen
Documentgegevens:
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948001:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
615. In deze paragraaf zal hetgeen in de vorige paragraaf is geschreven over de bankrekening, girale betaling en tenaamstelling worden toegepast op die gevallen dat de rekeninghouder in de wettelijke gemeenschap van goederen is gehuwd en privégelden en gemeenschapsgelden deel gaan uitmaken van dezelfde bankrekening. Daarbij is de (hoofd)vraag of door de enkele girale betaling van een privévordering ten gunste van een bankrekening waarvan het saldo daarvóór volledig tot de huwelijksgemeenschap behoorde, het aldus ontvangen bedrag door vemenging tot de huwelijksgemeenschap gaat behoren of daar alsnog buiten kan vallen. In zijn uitspraak HR 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:504, NJ 2019/225 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat als een dergelijke vermenging wordt aangenomen, een vergoedingsrecht van de betreffende echtgenoot in privé op de huwelijksgemeenschap is gegeven. Gegeven het ‘deelbare’ karakter van de bankrekening-courant is echter niet zonder meer van een dergelijke vermenging sprake. Dat zal in deze paragraaf worden uitgewerkt. Daartoe zal in paragraaf 3.2 eerst worden ingegaan op de gevolgen die het deelbare karakter van de bankrekening-courant heeft bij de creditering van die bankrekening in verhouding tot de werking van boedelmenging. Daarbij komt zowel de bankrekening aan bod die op naam van één echtgenoot staat, als de en/of-bankrekening die op naam van beide echtgenoten staat geregistreerd. In paragraaf 3.3 zal vervolgens worden ingegaan op de regels van zaaksvervanging die bij de girale betaling van een privévordering of de overboeking van privégelden een belangrijke rol spelen. Het gaat dan met name om de regel van artikel 1:94 lid 6/artikel 1:94 lid 4 oud BW die inhoudt dat hetgeen wordt geïnd op een vordering die buiten de gemeenschap valt, zelf ook buiten de gemeenschap valt. Bovendien zal in deze paragraaf aandacht worden besteed aan opvolgende zaaksvervanging, die zich in dergelijke gevallen kan voordoen. Verder zal worden ingegaan op de situatie waarin een privévordering tot betaling van een geldsom tot een fideï-commissaire erfstelling behoort, waarbij zowel de gevolgen van een girale betaling voor de omvang van het tweetrapsvermogen aan de orde komen als de gevolgen voor de omvang van de huwelijksgemeenschap waarin de bezwaarde en/of verwachter zijn gehuwd. In paragraaf 3.4 zal vervolgens worden ingegaan op de vraag of en wanneer er bij de girale voldoening van een privévordering alsnog vergoedingsvorderingen kunnen ontstaan.