Zie het proces-verbaal van de terechtzitting van het gerechtshof van 14 maart 2023, p. 4.
HR, 01-07-2025, nr. 23/01303
ECLI:NL:HR:2025:1042
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
01-07-2025
- Zaaknummer
23/01303
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1042, Uitspraak, Hoge Raad, 01‑07‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2023:545
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:459
ECLI:NL:PHR:2025:459, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 22‑04‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1042
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0229
Uitspraak 01‑07‑2025
Inhoudsindicatie
Belaging (art. 285b.1 Sr). Vordering benadeelde partij t.z.v. immateriële schade (art. 6:106.b BW) en oplegging schadevergoedingsmaatregel. Hof heeft vordering tot vergoeding van immateriële schade van b.p. toegewezen tot bedrag van € 1.500, vermeerderd met wettelijke rente. Hof heeft bewezenverklaard dat verdachte de b.p. gedurende ruim 7 maanden heeft belaagd door haar veel berichten te sturen, te bellen en audioberichten in te spreken, en diverse filmpjes van haar op YouTube te plaatsen met daarbij o.m. tekst “Goedkope hoertje A uit [plaats]” en “Snitch uit [plaats]”. Hof heeft verder vastgesteld dat verdachte een foto en gegevens van b.p. (waaronder haar adres en telefoonnummer) op sekssite heeft geplaatst, waarna zij per dag wel 20 reacties van mannen kreeg. Daarnaast heeft hof overwogen dat verdachte door zijn handelen herhaaldelijk inbreuk heeft gemaakt op persoonlijke levenssfeer van b.p. en dat hij b.p. aanzienlijk leed heeft toegebracht en angst bij haar heeft veroorzaakt. ‘s Hofs daarop gebaseerde oordeel dat vordering b.p. tot vergoeding van immateriële schade voor gedeeltelijke toewijzing in aanmerking komt, getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat o.g.v. art. 6:106.b BW voor vergoeding van immateriële schade o.m. plaats is als gelet op aard en ernst van normschending en nadelige gevolgen daarvan voor b.p. sprake is van aantasting in persoon op andere wijze of als b.p. in zijn eer of goede naam is geschaad. In dat verband is nog van belang dat b.p. haar vordering op deze beide (door Rb in haar vonnis overgenomen) gronden heeft gebaseerd, en hof dat wat verdediging in h.b. over vordering naar voren heeft gebracht kennelijk heeft begrepen en kunnen begrijpen als slechts verzoek tot “matiging” van overeenkomstig vordering in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 2000, welk verzoek hof heeft gehonoreerd. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/01303
Datum 1 juli 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof [plaats] van 28 maart 2023, nummer 22-001388-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten N. van Schaik en H. Brentjes bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beoordeling van het derde cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt over de gedeeltelijke toewijzing door het hof van de vordering tot vergoeding van immateriële schade van de [benadeelde] en de in verband daarmee opgelegde schadevergoedingsmaatregel.
3.2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 13 juni 2019 tot en met 3 februari 2020 te [plaats] , wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde] , door
- die [benadeelde] veel SMS-berichten te sturen en
- die [benadeelde] en haar moeder veelvuldig berichten via (Facebook) Messenger te sturen en
- die [benadeelde] veelvuldig berichten via Whatsapp te sturen en
- die [benadeelde] veelvuldig emails te sturen waaronder emails met daarin onder meer* “Nee johhh.... ga je gwn je adres daar neer zetten voor privé ontvangst?” waarbij de site [internetsite] werd vermeld en
* “Of ga je weer stil blijven zodat je kan vingeren op het gevoel dat ik je bericht etc. hahaha jij blijft doodlachen wollah” en
* “Ik zit me kk hard af te trekken., zo geile gevoel dat jij geen poot heb om op te staan (...) Je kan niks.. ik heb letterlijk alles van je. van a tot z”
* “Je bent nu net als zo’n meid die dit bij me geflikt had 4 jaar terug. Tot op de dag van vandaag wordt zij daar mee geconfronteerd. Op alle manieren.” en
* “(...) Deze keer ga ik gewoon jou fotos 100x uit laten drukken en flyeren in de buurt van [plaats] ” en woorden van soortgelijke aard en/of strekking en
- diverse filmpjes van die [benadeelde] op YouTube te plaatsen met daarbij de tekst “Goedkope hoertje [benadeelde] uit [plaats] ” en “ [benadeelde] laat haar zelf weer eens zien zoals altijd” en “ [benadeelde] de goede vriendin samen met haar vriendin” en “Snitch van [plaats] ” of woorden van soortgelijke aard en/of strekking en
- die [benadeelde] zes, althans een of meer audio-berichten te sturen en
- die [benadeelde] veelvuldig te bellen met het oogmerk die [benadeelde] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.”
3.2.2
De bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen:
“1. De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 14 april 2022 verklaard -zakelijk weergegeven-:
Ik gebruikte het [e-mailadres] . Ik heb het bericht ‘he hoertje’ vanaf dat mailadres gestuurd. Ik noemde haar hoertje. Ik wilde tot een gesprek komen. Ik heb de audioberichten gestuurd. [e-mailadres] is mijn email-adres. Ik heb altijd al veel gebeld. Ik gebruikte het [telefoonnummer] en eindigend op [telefoonnummer] . Ik heb een bericht aan haar moeder gestuurd.
2. Het proces-verbaal van aangifte van politie eenheid [plaats] , met nr. PL1500-2019277360-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 16 e.v.):
als de op 4 oktober 2019 afgelegde verklaring van [benadeelde] :
Ik doe aangifte van stalking. Ik word stelselmatig lastig gevallen door een rijinstructeur genaamd [verdachte] . Hij is woonachtig aan de [a-straat] te [plaats] . Zijn telefoonnummer is [telefoonnummer] , dit nummer is van de rijschool. Ik word lastig gevallen via Facebook, Whatsapp, e-mail en hij belt anoniem en dan heel vaak achter elkaar. Begin januari van 2019 had ik aangegeven bij [verdachte] dat ik mijn rijbewijs bij een andere rijschool ging halen. Ik had een aanbetaling voor een rijexamen gedaan bij [verdachte] en ik gaf aan dat ik dat geld terug wilde hebben. Tot eind april hebben [verdachte] en ik contact gehad (via) whatsapp. De appberichten werden steeds vervelender. Ik heb [verdachte] toen geblokkeerd op whatsapp. In de maand juni 2019 bleef hij maar sms berichten en mails sturen.
Vanaf 13 juni 2019 begon [verdachte] mijn familie er bij te betrekken. Dit deed hij via messenger. [verdachte] wilde perse dat ik reageerde op zijn berichten. Hij stuurde mij op gegeven moment een bericht dat ik op 14 juni tot 13:00 uur, de tijd had om uitleg te geven, over waarom ik hem niet leuk vond. Als ik niet reageerde dan zou hij een bericht naar [betrokkene 1] sturen. Dit is mijn moeder. Hij had mijn moeder op facebook gevonden. [verdachte] had mij tot aan 13:00 uur heel veel mails gestuurd en in iedere mail stond hoeveel tijd ik nog had tot aan 13:00 uur. Het was een aftelling en dat maakte dat ik toch wel een beetje bang voor hem werd. Mijn moeder heeft [verdachte] toen geblokkeerd op facebook. [verdachte] heeft een paar keer met mijn moeder via messenger gechat. Na zo’n gesprek verwijderde hij het account en maakte hij een nieuwe aan en zocht weer contact met mijn moeder.
Begin augustus kreeg ik een mail van [verdachte] . [verdachte] zou mijn gegevens op een sekssite zetten. Hij stuurde mij een mail met de volgende tekst: “Nee johhh...ga je gwn je adres daarna neer zetten voor privé ontvangst?” De site die erbij stond was genaamd [internetsite] . Ik heb toen contact gezocht met de politie omdat [verdachte] nu echt te ver was gegaan. Op 10 augustus ontving ik een sms bericht van [verdachte] . Op 15 augustus 2019 ontving ik via de whatsapp van vijf telefoonnummers berichten dat zij mij op [internetsite] hadden zien staan. [verdachte] had een foto van mij, mijn [facebooknaam benadeelde] , adresgegevens en mijn telefoonnummer op een sekssite geplaatst. [verdachte] heeft daarna steeds weer mailtjes gestuurd. In de mail van 23 september stond dat hij flyers van mij zou laten drukken en in heel [plaats] op zou hangen. Op 28 september ontving ik een mail met de volgende tekst: “Lekker op Youtube! haha”. Met een link erbij. Ik opende de link en ik zag een filmpje van mij, dat filmpje had ik in oktober 2018 naar hem verstuurd. Onder de link stond: “Goedkope hoertje [benadeelde] uit [plaats] .” Op 29 september ontving ik een hele lange mail waarin hij uitleg gaf over hoe hij over mij dacht.
Ik ontving op 1 oktober een mail van [verdachte] waarin hij vroeg of ik af wilde spreken. Verder schreef hij: “Of ga je weer stil blijven zodat je kan vingeren op het gevoel dat ik je bericht etc. hahaha jij blijft, doodlachen wollah”.
Op 2 oktober ontving ik weer een mail met drie linken van filmpjes. Het waren filmpjes van mij en een filmpje met een vriendin, die hij op Youtube had geplaatst. Hij had de volgende tekst eronder geplaatst: “ [benadeelde] laat haar zelf weer eens zien zoals altijd”, “ [benadeelde] de goede vriendin samen met haar vriendin.” En “Snitch van [plaats] ”. Nadat ik de mail had gezien heb ik weer contact opgenomen met de wijkagent. De wijkagent heeft op 4 oktober een bericht naar [verdachte] gestuurd, dat hij mij met rust moest laten.
Ik heb voor u een aantal whatsappberichten, e-mails, sms berichten en messenger berichten voor bij de aangifte uitgedraaid.
Ik heb mij erg rot gevoeld en nog steeds. Ik was bang om naar mijn mail, whatsapp en facebook te kijken, omdat ik dan weer berichten van [verdachte] tegen zou komen. Ik voelde mij opgejaagd, ik was bang dat hij naar mijn woning zou komen. Ik keek altijd achterom omdat ik dacht dat hij mij in de gaten hield.
(...)
3. Een proces-verbaal bevindingen d.d. 1 december 2019 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2019277360-7. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz.60):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op 23 oktober 2019 te 11:00 uur verscheen aan het politiebureau [plaats] te [plaats] [verdachte] . Ik had hem voor een STOP gesprek aan het bureau ontboden. Alvorens het gesprek aan te gaan had ik [verdachte] het doel van het STOP gesprek uitgelegd. Een waterval aan woorden en verwijten richting [benadeelde] kwam uit [verdachte] . [verdachte] was alleen maar boos op aangeefster en hij bleef mijns inziens volledig in zijn eigen beleving hangen. Namelijk dat aangeefster het probleem was en dat hij vooral niet zou stoppen met haar te benaderen / te stalken. [verdachte] bleef erg boos. Ik hoorde hem tegen mij zeggen dat hij zinde op wraak jegens [benadeelde] , ondanks het feit dat dit zijn eigen toekomst kon kosten.
4. Een proces-verbaal van verhoor aangeefster d.d. 30 oktober 2019 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2019277360-5. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 46 e.v.):
als de op 30 oktober 2019 afgelegde verklaring van [benadeelde] :
Ik wil graag een aanvullende aangifte doen tegen [verdachte] . Sinds ik aangifte heb gedaan word ik nog steeds gestalkt door [verdachte] . Dit gebeurd via e-mail en Facebook. Ik heb hier screenshots van gemaakt.
Noot verbalisant: de screenshots worden bij dit proces-verbaal gevoegd.
Als hij mij benaderd via de e-mail maakt hij gebruik van de volgende e-mailadressen:
- [e-mailadres] - [e-mailadres]
- [alias verdachte] - [e-mailadres]
Ik weet dat hij het is omdat het steeds over hetzelfde gaat. Hij gebruikt gewoon elke keer een ander e-mailadres.
Ik ben echt wel bang geworden voor [verdachte] . Als ik thuis kom of mijn auto uitstap kijk ik elke keer om mij heen.
Het stalken is voor mij vanaf januari tot eind april begonnen, voornamelijk appen was steeds vervelender. In april kwam er ruzie, toen heb ik gezegd kappen en klaar. Eind april heb ik hem geblokt op WhatsApp, dat was 23 april. Daarna begon alles via de mail. De foto’s c.q. filmpjes die op Youtube en sekssites staan heb ik zelf naar hem doorgestuurd. Eentje was na het uitgaan met een vriendin, dan heb ik hakken en een rokje aan. Maar dat was destijds dat we nog leuk contact hadden. Hij zet daar zo'n tekst onder waardoor hij dingen verdraaid, [benadeelde] hoertje uit [plaats] .
5. Een proces-verbaal aangifte d.d. 8 maart 2020 van de politie eenheid [plaats] met nr. PL1500-2020066420-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 116 e.v.)
als de op 7 maart 2020 afgelegde verklaring van [benadeelde] :
Ik begrijp dat u mij nogmaals wilt horen naar aanleiding van mijn eerdere aangifte. U wilt weten wat de stalking voor impact op mij heeft gehad. Door de hele situatie heb ik enorm veel stress. Ik was de hele tijd bezig om me zorgen te maken. Ik slaap al maanden niet meer dan 4 uur per nacht. Ik heb geen rust meer in mijn hoofd. Ik heb de hele tijd het gevoel gevolgd te worden en ik ben echt bang dat [verdachte] mij iets zal aan doen. Ik ben constant op mijn hoede.
6. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 januari 2020 van de politie eenheid Den Haag met nr. PL1500-2019277360-8. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 61 e.v.):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op 4 oktober 2019 deed [benadeelde] aangifte van stalking tegen [verdachte] . Nadat [benadeelde] was gestopt met rijlessen bij [verdachte] werd zij stelselmatig lastiggevallen op verschillende social media en worden haar persoonsgegevens op verschillende websites gezet, waaronder seksueel getinte websites. Op die websites werden seksuele diensten aangeboden met de persoonsgegevens van [benadeelde] . Ook ontving de aangeefster bijna dagelijks diverse WhatsAppberichten, e-mails en telefoonoproepen. Volgens de aangeefster zit [verdachte] hier achter.
Op 18 december 2019 ontving ik van de [benadeelde] een zestal audioberichten die zij had ontvangen van de [verdachte] . Tevens ontving ik screenshots van de berichten die zij tot 18 december 2019 van de verdachte heeft ontvangen. De screenshots (schermafbeeldingen) die mij door de aangeefster zijn gestuurd, zijn als bijlage aan dit proces-verbaal gevoegd.
(...)
7. Een proces-verbaal van binnentreden in woning d.d. 17 februari 2020 van de politie eenheid Den Haag met nr. PL1500-2019277360-16. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 122 e.v.):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op 17 februari 2020 trad ik binnen in de woning [a-straat 1] te [plaats] . In de woning werd aangehouden [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1991 te [plaats] .
In de woning werd inbeslaggenomen:
2x telefoon
3x laptop.
8. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 maart 2020 van de politie eenheid Den Haag met nr. PL1500-2019277360-37. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz.. 102 e.v.):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Ik, verbalisant, heb onderzoek gedaan naar een bij de [verdachte] in beslag genomen laptop. De uitkomst van dit onderzoek staat vastgelegd in de aan dit proces-verbaal gevoegde bijlage.
User-account
Tijdens het onderzoek is naar voren gekomen dat de laptop staat geregistreerd onder de User Name (naam): rachi, met als Full Name: [A] . Hiermee kan worden vastgesteld dat deze laptop, die in de slaapkamer van de verdachte is aangetroffen van hem is, of door hem werd gebruikt.
Plaatsen van content op sekssites
De aangeefster heeft in haar aangifte verklaard dat haar foto, alsmede haar persoonsgegevens op sekssites waren geplaatst. Hier heeft zij ernstige hinder aan ervaren. Eén van de websites waar haar gegevens op zouden zijn geplaatst, was de [internetsite] . Deze website betreft een website met pornografische content. De browser-geschiedenis op de laptop is onderzocht. Hierbij is in de browser-geschiedenis van de browser Google Chrome het navolgende ontdekt:
Op 29 november 2019 en 30 november 2019 is de [internetsite] bezocht. De informatie die de browser hier bij heeft gezet is: Video Uploaden en Foto's uploaden. Hierbij kan worden aangenomen dat er vanaf deze laptop een video en foto’s zijn ge-upload op de [internetsite] .
Zoeken op Google
Uit de browsergeschiedenis van de browser Google Chrome is gebleken dat er vanaf deze laptop veelvuldig is gezocht op de naam van de aangeefster. De zoektermen zijn ingevoerd in een periode van 22 oktober 2018 tot en met 13 januari 2020.
(...)
Zoektermen op Facebook
In de browsergeschiedenis is na onderzoek te zien dat er vanaf deze laptop in de periode van 3 november 2018 tot en met 28 januari 2020 de Facebookpagina van de [benadeelde] is bezocht.
(...)
Gmail account [alias verdachte]
In de aangifte van 4 oktober 2019, gedaan door [benadeelde] verklaarde zij veelvuldig te worden lastig gevallen via de e-mail. Een aantal van deze e-mails waren afkomstig van ene " [alias verdachte] ". Uit onderzoek in de browsergeschiedenis is gebleken dat de verdachte in dezelfde maand als wanneer de e-mails naar de aangeefster zijn verstuurd ingelogd is geweest op het e-mail account [e-mailadres] .
9. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 26 november 2019 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2019277360-6. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 96 e.v.):
als de op 26 november 2019 afgelegde verklaring van [betrokkene 1] :
Mijn dochter [benadeelde] heeft aangifte gedaan. [verdachte] is de eigenaar van een rijschool. Hij heeft mij benaderd via Facebook. Hij had onder mijn foto een bericht geplaatst. Hij zei zoiets als: Weet je waar je dochter mee bezig is?
[verdachte] valt haar nu steeds lastig. Hij heeft op sekssites foto's van mijn dochter geplaatst. Nu krijgt zij per dag wel twintig reacties van allemaal mannen. [benadeelde] is heel erg bang. Buiten kijkt zij alleen maar om zich heen. Ze parkeert in een andere straat en 's avonds gaat zij niet meer naar buiten.
Hij heeft mij benaderd via Facebook. Hij heeft gereageerd onder een foto van [benadeelde] . Hij gebruikte elke keer weer een ander profiel.”
3.2.3
Bij de stukken bevindt zich een ‘Verzoek tot Schadevergoeding’ van de benadeelde partij. Dat verzoek houdt onder meer in:
“4B Immateriële schade (smartengeld)
(...)Zie schadeonderbouwingsformulier Bijlage 1
Totaal immateriële schade € 2.000,00.”
3.2.4
De bij het verzoek tot schadevergoeding gevoegde bijlage 1 houdt onder meer in:
“Korte situatieschetsVerdachte heeft benadeelde een langere periode belaagd. Ook heeft hij benadeelde lastiggevallen door foto's en persoonlijke gegevens van benadeelde op facebook en verschillende sekssites te plaatsen. Tevens heeft benadeelde zich niet aan de opgelegde gedragsaanwijzing gehouden. Benadeelde kent verdachte doordat zij rijlessen bij hem heeft gevolgd. Door het voorval heeft benadeelde materiële en immateriële schade opgelopen die zij wenst te verhalen op verdachte.
Psychische gevolgen
Het voorval is tot op heden van grote invloed op het leven van benadeelde. Ze ervaart veel emotionele gevolgen en heeft het gevoel dat haar leven sinds de situatie stil staat. Ze kan niet goed verder met haar leven. Dit ervaart zij als zeer vervelend. Door de gevolgen van het voorval is benadeelde onder behandeling geweest bij een psycholoog.
Het voorval heeft ervoor gezorgd dat de banden met haar dierbaren zijn aangetast. Ze is meerdere vrienden kwijtgeraakt. Dit doet haar veel pijn. Ook zorgt het voorval voor spanningen in de relatie van benadeelde. Benadeelde heeft het gevoel dat ze niet verder kan met haar leven. In elke relatie merkt ze dat de situatie weer ter sprake komt. Dit ervaart zij als zwaar, ze heeft het gevoel dat weinig mensen haar snappen of geloven. Benadeelde heeft ten gevolge aan de situatie amper vrienden overgehouden. Ook is de band met benadeelde haar ouders aangetast. Haar vader is teleurgesteld in haar. Tevens is de band met haar moeder enorm verslechterd. Door de berichten van verdachte naar haar moeder en de situatie daar omheen, is het vertrouwen geschaad. Benadeelde vindt het verschrikkelijk en is hier erg van aangedaan. Tot op heden is dit het geval.
Bovendien heeft de situatie invloed gehad op haar werk. Benadeelde was voor de situatie werkzaam bij de gemeente. Op haar werk was ze constant bezig met de situatie. Zo hield ze haar telefoon aandachtig in de gaten en voelde ze zich angstig. Dit zorgde ervoor dat haar werkzaamheden achteruitgingen en dat ze vaker ziek naar huis is gegaan. Uiteindelijk is haar contract niet verlengd, en is ze in de bijstand terecht gekomen. Deze periode heeft benadeelde als zeer zwaar ervaren. Ze voelt zich nog steeds boos over het feit dat dit is gebeurd. Inmiddels heeft benadeelde een nieuwe baan gevonden in de zorg. Hier werkt zij alleen ochtenddiensten. Zij is namelijk bang om 's avonds alleen op straat te zijn. Dit gevoel heeft zij vooral omdat verdachte heeft laten zien zich niet aan de opgelegde verboden te houden.
Het incident heeft grote invloed (gehad) op het slaapritme en functioneren van benadeelde. Tijdens de belaging sliep benadeelde pas rond 3.00/4.00 uur. Dit kwam omdat verdachte vooral 's nachts actief was, en zij dan niet kon slapen. Zij wist dat er vooral 's nachts dingen geplaatst werden. Ook werd zij weer vroeg wakker. Wanneer benadeelde wakker werd, pakte ze meteen haar telefoon om te kijken wat verdachte had geplaatst. Dit heeft tot eind 2020 aangehouden. Tot op heden valt benadeelde pas rond 2.00/3.00 uur in slaap. Ze vindt het moeilijk om haar oude ritme terug te krijgen. Ze piekert nog veel over de situatie. Ook ervaart ze sinds het incident nachtmerries. Het slechte slapen is vooral vervelend omdat zij ochtenddiensten werkt, en al om 6.00 uur op moet staan. Wanneer benadeelde klaar is met haar ochtenddienst, valt ze in de middag weer in slaap. Benadeelde mist het om een 'normaal' dagritme te hebben. Dit had ze voor het incident wel.
Tot op heden is benadeelde bang voor verdachte en waar hij eventueel toe in staat is. Ze is erg bang om hem tegen te komen. Elke keer als ze een witte auto om zich heen ziet voelt ze zich benauwd. Dit komt omdat verdachte een witte auto rijdt. Er heeft zich een situatie voorgedaan waarbij benadeelde een witte auto achter haar zag rijden op de snelweg en de snelweg af is gereden. Ze ervoer veel paniek. De gevoelens van paniek en angst zijn gevoelens die zij sinds het incident nog vaak ervaart. Voor het incident had zij hier weinig last van. Wanneer verdachte een tijd niets van zich laat horen, ervaart benadeelde veel angst. Ze is bang dat hij haar iets aan komt doen. De angst heeft ervoor gezorgd dat benadeelde haar autoramen heeft laten blinderen. Tot op heden is ze bang voor haar eigen veiligheid, en die van haar moeder en zusje.
(...)
Immateriële schade
Wettelijke grondslag immateriële schadevergoedingPrimair is benadeelde door het handelen van verdachte op ‘andere wijze in de persoon aangetast’ ex artikel 6:106 sub b BW. In beginsel zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. In de jurisprudentie is echter aanvaard dat van ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ niet alleen sprake is indien geestelijk letsel in de zin van een psychiatrisch ziektebeeld kan worden vastgesteld, maar ook indien de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde(n) die conclusie rechtvaardigen. De nadelige gevolgen kunnen zo voor de hand liggen dat een aantasting van de persoon kan worden aangenomen, zonder onderbouwing aan de hand van stukken (zie r.o. 4.2.1 van Hoge Raad 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376).
Op 8 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1956, en 6 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1002, heeft de Hoge Raad, geoordeeld dat belaging een ernstige aantasting is van de persoonlijke levenssfeer en de persoonlijke vrijheid van een slachtoffer en dat er dus ook zonder onderbouwd geestelijk letsel sprake is van aantasting in de persoon. Zie hiervoor onder meer ook ECLI:NL:GHSHE:2014:5214, ECLI:NL:RBAMS:2018:8536, ECLI:NL:RBAMS:2019:7990, ECLI:NL:GHAMS:2019:3031, ECLI:NL:RBNNE:2020:949, ECLI:NL:RBMNE:2021:973 en ECLI:NL:RBOBR:2021:2758).
Tevens wordt in dit verband verwezen naar de noot van professor Lindenbergh onder het arrest van de Hoge Raad van 8 december 2020, NJ 2021/68 (punt 11). Volgens Lindenbergh gaat het hier niet alleen om een zeer ernstige normschending, maar is deze ook direct tegen een persoon gericht. Bovendien is op grond van ervaringsregels aannemelijk dat zij het slachtoffer niet in de spreekwoordelijke ‘koude kleren’ gaat zitten: het is, ook wanneer daaruit geen objectiveerbaar trauma voortvloeit, een algemeen erkende traumatische gebeurtenis.
Subsidiair maakt benadeelde aanspraak op vergoeding van de geleden immateriële schade, omdat in artikel 6:106 sub b BW expliciet wordt gesproken over ‘in zijn eer of goede naam is geschaad’. Door het handelen van verdachte is benadeelde immers in de eer en goede naam aangetast. In het bijzonder verwijst benadeelde hiervoor naar ECLI:NL:PHR:2020:936 (r.o. 44 e.v.) en ECLI:NL:RBLIM:2020:8758.
Hoogte immateriële schadevergoeding
De omvang van de immateriële schadevergoeding dient naar billijkheid te worden vastgesteld. Volgens vaste jurisprudentie zijn onder andere richtinggevend voor de vaststelling van de omvang van het smartengeld:
- de aard en ernst van de normschending;
- de aard en ernst van het letsel;
- de aard, omvang en duur van de gevolgen.
Daarnaast dient er gekeken te worden naar toegewezen bedragen in vergelijkbare gevallen.
(...)
Bovenstaande uitspraak wordt aangehaald omdat ook benadeelde in casu is belaagd door een langere periode stelselmatig, op diverse manieren, te zijn lastiggevallen. Tevens zijn in beide gevallen ook naasten benaderd. Net als bij benadeelde in de aangehaalde uitspraak is het veiligheidsgevoel ernstig is aangetast. Ook ervaart benadeelde ten gevolge van het voorval stress- en slaapproblemen.
Anders dan in de aangehaalde uitspraak is benadeelde ook lastiggevallen doordat er persoonlijke informatie is verspreid op facebook en sekssites. Dit heeft ertoe geleld dat er verschillende keren vreemde mannen voor haar deur hebben gestaan. Bovendien heeft de belaging in casu geen vijf maanden aangehouden, maar negen maanden. Tevens heeft verdachte de opgelegde gedragsaanwijzing overtreden.
Dit leidt tot de conclusie dat de immateriële schade van benadeelde gezien de omstandigheden, de ernst en de gevolgen in billijkheid is te stellen op € 2000,00 en thans opeisbaar is.”
3.2.5
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“Benadeelde partij
6.1 (...)
Daarnaast verzoekt zij een bedrag van € 2.000,- aan immateriële schadevergoeding. Het verzoek tot schadevergoeding is door de rechtbank integraal toegewezen en ligt vandaag in haar geheel aan u voor.
(...)
6.3
Ten aanzien van het immateriële deel geldt dat € 2.000,- een aanzienlijk bedrag is, gelet op de context die in deze pleitnota eerder al uitvoerig aan de orde is gekomen. Zonder onnodig in de herhaling te vallen is het van belang nog eenmaal te benadrukken dat sprake is geweest van een aanzienlijk eigen aandeel van aangeefster en/of haar vriend jegens cliënt. Aangeefster heeft geen volledige inzage gegeven in het handelen van haarzelf en haar vriend om cliënt in een slechter daglicht te zetten. Bij een beoordeling van een vordering tot schadevergoeding in een civiele procedure dient rekening te worden gehouden met een eigen aandeel van een eiser. Dat is voor deze vordering niet anders. De geschetste omstandigheden bieden aanleiding de vordering tot immateriële schadevergoeding aanzienlijk te matigen.”
3.2.6
Het hof heeft over de gevorderde immateriële schadevergoeding van de benadeelde partij overwogen:
“In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van in totaal € 2.195,82.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.
(...)
Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezenverklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich – naar maatstaven van billijkheid – voor toewijzing tot € 1.500,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. Het meer gevorderde zal worden afgewezen.
(...)
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van in totaal € 1.695,82 aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van [benadeelde] , te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.”
3.2.7
Het arrest van het hof houdt verder onder meer in:
“De verdachte heeft zich gedurende een langere periode schuldig gemaakt aan belaging, zoals in de bewezenverklaring nader omschreven. Hij heeft het slachtoffer lastiggevallen door haar veelvuldig berichten te sturen, te bellen en audioberichten in te spreken. Ook heeft hij veelvuldig contact gezocht met haar moeder. Toen de reactie van het slachtoffer de verdachte niet beviel werd zijn houding en toon dreigender. Zo dreigde hij met het plaatsen van filmpjes en foto’s van haar op internet. Hij heeft zodoende herhaaldelijk inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Feiten als het onderhavige worden door slachtoffers doorgaans bovendien als beangstigend en bedreigend ervaren. Uit het dossier blijkt dat ook in dit geval de verdachte door zijn handelen bij het slachtoffer aanzienlijk leed heeft toegebracht en angst heeft veroorzaakt.”
3.3
Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) luidt:
“Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:
a. indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen;
b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast;
c. indien het nadeel gelegen is in aantasting van de nagedachtenis van een overledene en toegebracht is aan de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot, de geregistreerde partner of een bloedverwant tot in de tweede graad van de overledene, mits de aantasting plaatsvond op een wijze die de overledene, ware hij nog in leven geweest, recht zou hebben gegeven op schadevergoeding wegens het schaden van zijn eer of goede naam.”
3.4
Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte de benadeelde partij gedurende ruim zeven maanden heeft belaagd door haar veel berichten te sturen, te bellen en audioberichten in te spreken, en diverse filmpjes van haar op YouTube te plaatsen met daarbij onder meer de tekst “Goedkope hoertje [benadeelde] uit [plaats] ” en “Snitch uit [plaats] ”. Het hof heeft verder vastgesteld dat de verdachte een foto en de gegevens van de benadeelde partij (waaronder haar adres en telefoonnummer) op een sekssite heeft geplaatst, waarna zij per dag wel twintig reacties van mannen kreeg. Daarnaast heeft het hof overwogen dat de verdachte door zijn handelen herhaaldelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de benadeelde partij en dat hij de benadeelde partij aanzienlijk leed heeft toegebracht en angst bij haar heeft veroorzaakt. Het daarop gebaseerde oordeel van het hof dat de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade voor gedeeltelijke toewijzing in aanmerking komt, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW voor vergoeding van immateriële schade onder meer plaats is als gelet op de aard en de ernst van de normschending en de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze of als de benadeelde in zijn eer of goede naam is geschaad. In dat verband is nog van belang dat de benadeelde partij haar vordering op deze beide – door de rechtbank in haar vonnis overgenomen – gronden heeft gebaseerd, en het hof dat wat de verdediging in hoger beroep over de vordering naar voren heeft gebracht kennelijk heeft begrepen en kunnen begrijpen als slechts een verzoek tot “matiging” van het overeenkomstig de vordering in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 2000, welk verzoek het hof heeft gehonoreerd.
3.5
Het cassatiemiddel faalt.
4. Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
4.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
4.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;
- vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat de taakstraf 108 uren beloopt, subsidiair 54 dagen hechtenis;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juli 2025.
Conclusie 22‑04‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. M1) en M2) Falende uos-klachten m.b.t. de (on)betrouwbaarheid van de door de aangeefster overgelegde stukken en afgelegde verklaringen. M3) Klacht over de toewijzing van schadevergoeding aan de b.p. Klacht is terecht voorgesteld, maar behoeft niet tot cassatie te leiden. M4) Slagende klacht over de inzendtermijn. Ambtshalve opmerking redelijke termijn. Conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/01303
Zitting 22 april 2025
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte
Het cassatieberoep
1. De verdachte is bij arrest van 28 maart 2023 door het gerechtshof Den Haag wegens 1. “belaging” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 105 dagen, waarvan negentig dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van voorarrest, waaraan door het hof algemene en bijzondere voorwaarden zijn verbonden, en tot een taakstraf van honderdtwintig uur, subsidiair zestig dagen hechtenis. Daarnaast heeft het hof de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 1695,82 (€ 195,82, ter zake van materiële schade, en € 1500,00, ter zake van immateriële schade), aan de verdachte voor dit bedrag een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opgelegd en de verdachte veroordeeld in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten. Ten slotte bevat het arrest enkele bijkomende, niet voor de beoordeling van dit cassatieberoep relevante, beslissingen.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. N. van Schaik en H. Brentjes, beiden advocaat in Utrecht, hebben vier middelen van cassatie voorgesteld.
De middelen
3. Het eerste middel en het tweede middel bevatten de klacht dat het hof, in strijd met artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv, niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van het door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt over de (on)betrouwbaarheid van de door de aangeefster overgelegde stukken (middel 1) en de door haar afgelegde verklaringen (middel 2). Deze middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
Het derde middel klaagt over de toewijzing van schadevergoeding aan de benadeelde partij. Het vierde middel bevat een klacht over de overschrijding van de redelijke termijn.
De bewezenverklaring
4. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“1. hij in de periode van 13 juni 2019 tot en met 3 februari 2020 te [plaats] , wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde] , door
- die [benadeelde] veel SMS-berichten te sturen en
- die [benadeelde] en haar moeder veelvuldig berichten via (Facebook) Messenger te sturen en
- die [benadeelde] veelvuldig berichten via Whatsapp te sturen en
- die [benadeelde] veelvuldig emails te sturen waaronder emails met daarin onder meer
* "Nee johhh.... ga je gwn je adres daar neer zetten voor privé ontvangst?” waarbij de site [internetsite] werd vermeld en
* "Of ga je weer stil blijven zodat je kan vingeren op het gevoel dat ik je bericht etc. hahaha jij blijft doodlachen wollah" en
* "Ik zit me kk hard af te trekken., zo geile gevoel dat jij geen poot heb om op te staan (...) Je kan niks.. ik heb letterlijk alles van je. van a tot z"
* "Je bent nu net als zo’n meid die dit bij me geflikt had 4 jaar terug. Tot op de dag van vandaag wordt zij daar mee geconfronteerd. Op alle manieren.” En
* “(...) Deze keer ga ik gewoon jou fotos 100x uit laten drukken en flyeren in de buurt van [plaats] ” en woorden van soortgelijke aard en/of strekking en
- diverse filmpjes van die [benadeelde] op YouTube te plaatsen met daarbij de tekst "Goedkope hoertje [benadeelde] uit [plaats] " en " [benadeelde] laat haar zelf weer eens zien zoals altijd" en " [benadeelde] de goede vriendin samen met haar vriendin" en "Snitch van [plaats] " of woorden van soortgelijke aard en/of strekking en
- die [benadeelde] zes, althans een of meer audio-berichten te sturen en
- die [benadeelde] veelvuldig te bellen met het oogmerk die [benadeelde] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.”
De bewijsvoering
5. Deze bewezenverklaring steunt op negen bewijsmiddelen, die zijn opgenomen in de bijlage bij het bestreden arrest d.d. 28 maart 2023 (p. 1-17). Ik volsta hier, ten behoeve van de bespreking van de cassatiemiddelen, met de weergave van een selectie uit die bewijsmiddelen:
“1. De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 14 april 2022 verklaard – zakelijk weergegeven – :
Ik gebruikte het [e-mailadres] . Ik heb het bericht ‘he hoertje' vanaf dat mailadres gestuurd. Ik noemde haar hoertje. Ik wilde tot een gesprek komen. Ik heb de audioberichten gestuurd. [e-mailadres] is mijn email-adres. Ik heb altijd al veel gebeld. Ik gebruikte [telefoonnummer] . Ik heb een bericht aan haar moeder gestuurd.
2. Het proces-verbaal van aangifte van politie eenheid [plaats] , met nr. PL1500-2019277360-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 16 e.v.):
als de op 4 oktober 2019 afgelegde verklaring van [benadeelde] :
Ik doe aangifte van stalking. Ik word stelselmatig lastig gevallen door een rijinstructeur genaamd [verdachte] . Hij is woonachtig aan [a-straat] te [plaats] . Zijn telefoonnummer is [telefoonnummer] , dit nummer is van de rijschool. Ik word lastig gevallen via Facebook, Whatsapp, e-mail en hij belt anoniem en dan heel vaak achterelkaar.
Begin januari van 2019 had ik aangegeven bij [verdachte] dat ik mijn rijbewijs bij een andere rijschool ging halen. Ik had een aanbetaling voor een rijexamen gedaan bij [verdachte] en ik gaf aan dat ik dat geld terug wilde hebben. Tot eind april hebben [verdachte] en ik contact gehad (via) whatsapp. De appberichten werden steeds vervelender. Ik heb [verdachte] toen geblokkeerd op whatsapp. In de maand juni 2019 bleef hij maar sms berichten en mails sturen.
Vanaf 13 juni 2019 begon [verdachte] mijn familie er bij te betrekken. Dit deed hij via messenger. [verdachte] wilde perse dat ik reageerde op zijn een berichten.
Hij stuurde mij op een gegeven moment een bericht dat ik op 14 juni tot 13:00 uur, de tijd had om uitleg te geven, over waarom ik hem niet leuk vond. Als ik niet reageerde dan zou hij een bericht naar [betrokkene 2] sturen. Dit is mijn moeder. Hij had mijn moeder op facebook gevonden. [verdachte] had mij tot aan 13:00 uur heel veel mails gestuurd en in iedere mail stond hoeveel tijd ik nog had tot aan 13:00 uur. Het was een aftelling en dat maakte dat ik toch wel een beetje bang voor hem werd. Mijn moeder heeft [verdachte] toen geblokkeerd op facebook. [verdachte] heeft een paar keer met mijn moeder via messenger gechat. Na zo’n gesprek verwijderde hij het account en maakte hij een nieuwe aan en zocht weer contact met mijn moeder.
Begin augustus kreeg ik een mail van [verdachte] . [verdachte] zou mijn gegevens op een sekssite zetten. Hij stuurde mij een mail met de volgende, tekst: "Nee johhh...ga je gwn je adres daarna neer zetten voor privé ontvangst?" De site die erbij stond was genaamd [internetsite] . Ik heb toen contact gezocht met de politie omdat [verdachte] nu echt te ver was gegaan. Op 10 augustus ontving ik een sms bericht van [verdachte] . Op 15 augustus 2019 ontving ik via de whatsapp van vijf telefoonnummers berichten dat zij mij op [internetsite] hadden zien staan. [verdachte] had een foto van mij, mijn facebooknaam ( [benadeelde] ), adresgegevens en mijn telefoonnummer op een sekssite geplaatst. [verdachte] heeft daarna steeds weer mailtjes gestuurd. In de mail van 23 september stond, dat hij flyers van mij zou laten drukken en in heel [plaats] op zou hangen. Op 28 september ontving ik een mail met de volgende tekst: "Lekker op Youtube! haha" Met een link erbij. Ik opende de link en ik zag een filmpje van mij, dat filmpje had ik in oktober 2018 naar hem verstuurd. Onder de link stond: "Goedkope hoertje [benadeelde] uit [plaats] ." Op 29 september ontving ik een hele lange mail waarin hij uitleg gaf over hoe hij over mij dacht.
Ik ontving op 1 oktober een mail van [verdachte] waar in hij vroeg of ik af wilde spreken. Verder schreef hij: "Of ga je weer stil blijven zodat je kan vingeren op het gevoel dat ik je bericht etc. hahaha jij blijft, doodlachen wollah".
Op 2 oktober ontving ik weer een mail met drie linken van filmpjes. Het waren filmpjes van mij en filmpje met een vriendin, die hij op Youtube had geplaatst. Hij had de volgende tekst eronder geplaatst: " [benadeelde] laat haar zelf weer eens zien zoals altijd", " [benadeelde] de goede vriendin samen met haar vriendin." En "Snitch van [plaats] ". Nadat ik de mail had gezien heb ik weer contact opgenomen met de wijkagent. De wijkagent heeft op 4 oktober een bericht naar [verdachte] gestuurd, dat hij mij met rust moest laten. Ik heb voor u een aantal whatsappberichten, e-mails, sms berichten en messenger berichten voor bij de aangifte uitgedraaid. Ik heb mij erg rot gevoeld en nog steeds. Ik was bang om naar mijn, mail, whatsapp en facebook te kijken, omdat ik dan weer berichten van [verdachte] tegen zou komen. Ik voelde mij opgejaagd, ik was bang dat hij naar mijn woning zou komen. Ik keek altijd achterom omdat ik dacht dat hij mij in de gaten hield.
(…)
8. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 maart 2020 van de politie eenheid Den Haag met nr. PL1500-2019277360-37. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz.. 102 e.v.):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Ik, verbalisant, heb onderzoek gedaan naar een bij [verdachte] in beslag genomen laptop. De uitkomst van dit onderzoek staat vastgelegd in de aan dit proces-verbaal gevoegde bijlage.
User-account
Tijdens het onderzoek is naar voren gekomen dat de laptop staat geregistreerd onder de User Name (naam) : [verdachte] , met als Full Name: [A] . Hiermee kan worden vastgesteld dat deze laptop, die in de slaapkamer van de verdachte is aangetroffen van hem is, of door hem werd gebruikt.
Plaatsen van content op sekssites
De aangeefster heeft in haar aangifte verklaard dat haar foto, alsmede haar persoonsgegevens op sekssites waren geplaatst. Hier heeft zij ernstige hinder aan ervaren. Één van de websites waar haar gegevens op zouden zijn geplaatst, was de website: [internetsite] . Deze website betreft een website met pornografische content. De browser – geschiedenis op de laptop is onderzocht. Hierbij is in de browser – geschiedenis van de browser Google Chrome het navolgende ontdekt:
Op 29 november 2019 en 30 november 2019 is de [internetsite] bezocht. De informatie die de browser hier bij heeft gezet is: Video Uploaden en Foto's 14 uploaden. Hierbij kan worden aangenomen dat er vanaf deze laptop een video en foto’s zijn ge-upload op de [internetsite] .
Zoeken op Google
Uit de browsergeschiedenis van de browser Google Chrome is gebleken dat er vanaf deze laptop veelvuldig is gezocht op de naam van de aangeefster. De zoektermen zijn ingevoerd in een periode van 22 oktober 2018 tot en met 13 januari 2020.
(…)
Zoektermen op Facebook
In de browsergeschiedenis is na onderzoek te zien dat er vanaf deze laptop in de periode van 3 november 2018 tot en met 28 januari 2020 de Facebookpagina van de [benadeelde] is bezocht.
(…)
Gmail account [betrokkene 1]
In de aangifte van 4 oktober 2019, gedaan door [benadeelde] verklaarde zij veelvuldig te worden lastig gevallen via de e-mail. Een aantal van deze e-mails waren afkomstig van ene " [betrokkene 1] ".
Uit onderzoek in de browsergeschiedenis is gebleken dat de verdachte in dezelfde maand als wanneer de e-mails naar de aangeefster zijn verstuurd ingelogd is geweest op het e-mail account [e-mailadres] .
(…)”
Het verweer van de verdediging
6. De raadsvrouw heeft blijkens de door haar overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnotities ten overstaan van het hof1.(onder meer) het volgende aangevoerd (met weglating van de voetnoten):
“Screenshots van aangeefster
2.2
De berichten die als bewijs hebben gediend voor de belaging zijn door aangeefster overgelegd aan de politie in een door haar samengesteld document van screenshots. Aangeefster heeft zelf kunnen bepalen welke berichten zij wel of niet aan de politie liet lezen. Het zijn telkens geen complete gesprekken, maar enkel onderdelen van gesprekken.
2.3
De genoemde berichten zijn niet door verbalisanten zelf gelezen of aangetroffen in gegevensdragers van cliënt en/of aangeefster. Hoewel onder cliënt diverse telefoons en laptops in beslag zijn genomen, volgt uit het dossier enkel aangetroffen bewijs met betrekking tot één laptop. Opmerkelijk is dat in het dossier niets is opgenomen met betrekking tot onderzoek aan de telefoons. Het blijft onduidelijk of er geen onderzoek naar de telefoons is verricht, of dat er wel onderzoek is verricht maar dat er geen bewijs uit de telefoons naar voren is gekomen. Hoe dan ook is duidelijk dat de telefoons geen belastende informatie jegens cliënt hebben opgeleverd.
2.4
Het door aangeefster aangeleverde document bevat enkel screenshots afkomstig van aangeefster die zij zelf heeft gebundeld. Dat maakt dat veel cruciale informatie ontbreekt. Bij een groot deel van de berichten is de datum er met pen bijgeschreven, vermoedelijk door aangeefster zelf. Voor de data bestaat daarom geen enkel bewijs. Daarnaast zijn bij de e-mailberichten vaak alleen namen weergegeven van waaruit deze zijn verzonden: e-mailadressen zijn niet te zien. Het is ook duidelijk dat bepaalde berichten geknipt en geplakt zijn. Als voorbeeld wordt genoemd e-mailconversatie tussen aangeefster en het e-mailadres van [A] op dossierpagina 23. Het zijn geen volledige mailberichten: ertussen zijn lijnen te zien waardoor niet alles te lezen is. Het lijkt erop dat bepaalde dingen onder elkaar zijn geplakt. Vermoedelijk is dat door aangeefster zelf gebeurd. De context van de berichten verdwijnt daarmee.
2.5
Een ander voorbeeld zijn de mailberichten op dossierpagina 25. [e-mailadres] mailt een link van YouTube naar aangeefster. Daarop staat met pen geschreven 'hoort hierbij' en een pijl naar een YouTube pagina met daarop een video met een richting aangeefster beledigende titel. Deze wijze van documenteren maakt het lastig, zo niet onmogelijk, om de authenticiteit en de volledigheid van TW deze screenshots te controleren. We kunnen niet nagaan of die link inderdaad haar die betreffende video verwees.
2.6
Met deze gang van zaken ontbreekt alle context van de gestuurde en ontvangen berichten door en van aangeefster. Als belastende zaken zouden zijn verstuurd vanuit aangeefster, heeft zij vanzelfsprekend alle reden deze berichten aan het zicht van het onderzoeksteam te onttrekken en dus weg te houden uit het door haar gefabriceerde document met bewijsstukken. Nu de originele berichten nimmer in handen van de politie zijn geweest, en daarover dus ook niet geverbaliseerd is, is het risico levensgroot om enkel te vertrouwen op de berichten die door aangeefster zijn overgelegd.
(…)
Context, betrouwbaarheid aangeefster
2.10
Voor de vraag of sprake is geweest van belaging door cliënt is de context van belang. Zoals gezegd is praktisch de volledige verdenking jegens cliënt, en ook de bewezenverklaring, gebaseerd op stellingen van aangeefster en bewijsstukken die door aangeefster zijn aangeleverd.
2.11
Echter, op grond van het dossier kan ook komen vast te staan dat aangeefster niet betrouwbaar is in haar verklaringen. Van belang is bijvoorbeeld dat op basis van het dossier kan komen vast te staan dat aangeefster van begin af aan informatie heeft achtergehouden. In haar aangifte stelt zij bijvoorbeeld dat nooit sprake is geweest van een relatie tussen cliënt en aangeefster. Na rijlessen of wanneer beiden niets te doen hadden spraken zij wel eens af. Zij zouden ook wel eens samen uit eten gaan. Later is aangeefster aanvullend gehoord. Desgevraagd verklaart zij dan dat zij wel hebben gezoend. Pas bij haar getuigenverhoor bij de rechter-commissaris heeft zij – na confrontatie met de verklaringen van cliënt daaromtrent – eerlijk verklaard dat er wel meer speelde tussen beiden. Er was sprake van een seksuele relatie. Dat laat zien dat aangeefster, al of niet bewust, van meet af aan belangrijke informatie over de aard van de relatie tussen aangeefster en cliënt heeft achtergehouden, terwijl dat voor de context van bijvoorbeeld de gestuurde berichten nu juist van essentieel belang is.
2.12
Daarnaast heeft aangeefster tegenover de politie nooit verklaard dat zij ten tijde van het contact met cliënt zelf een vriend had. Uit een aantal screenshots van Whatsapp-contact tussen cliënt en aangeefster, die hij nog heeft kunnen achterhalen, volgt dat aangeefster verwijst naar haar ‘vriend’. Uit de context van de appjes valt ook af te leiden dat zij wellicht achter diens rug om contact met cliënt had. Ook dat is van belang voor de context en de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster. Om die reden zijn een aantal screenshots overgelegd als bijlage 1 bij deze pleitnota. Tevens blijkt uit het contact dat cliënt vraagt om de beschikbaarheid van aangeefster om een examen in te plannen. Dat stemt niet overeen met de verklaring van aangeefster dat cliënt haar juist zou tegenhouden om af te rijden.
2.13
Het is ook duidelijk dat aangeefster tijdens de bewezenverklaarde periode nog zeer regelmatig contact heeft gezocht met cliënt. Aangeefster zelf verklaart daar in eerste instantie niets over. Wederom wordt dit pas duidelijk nadat zij hierover bevraagd wordt bij de rechter-commissaris. Zij geeft dan onder meer aan dat zij eind 2019 naar het huis van cliënt is gegaan omdat zij zo boos was. Zij heeft aangebeld, maar er werd niet opengedaan. Dat laat zich niet rijmen met haar eerdere stellingen dat zij geen contact wilde met cliënt/dat zij wilde dat het stopte en hem overal had geblokkeerd, en dat zij bang of angstig was voor hem.
2.14
Ook de vriend van aangeefster heeft eind 2019 contact gezocht met cliënt. Hij heeft bedreigingen geuit naar cliënt met de telefoon van aangeefster. Een screenshot van dat bericht wordt bijgevoegd als bijlage 2. Tot slot is de vriend van aangeefster na de bewezenverklaarde periode nog tweemaal bij cliënt aan de deur geweest. Dat was eind oktober 2020. De moeder en de zus van cliënt hebben in een mail aan de advocaat van cliënt in eerste aanleg (mr. Berghout) aangegeven dat dit plaatsvond en hoe zij zich daarbij voelden. Dat getuigt van een heel andere lezing dan die van aangeefster bij de rechter-commissaris. Deze mailberichten zijn bijgevoegd als bijlage 3.
2.15
Hoewel voor de beoordeling van de vraag of sprake is geweest van belaging niet van doorslaggevend belang is of het contact wederkerig was en/of aangeefster op enig moment zelf contact geïnitieerd heeft, meent de verdediging dat het bovenstaande wel degelijk een rol speelt bij de vraag of de tenlastegelegde belaging kan worden bewezen.
2.16
Essentieel is dat de bewezenverklaring gebaseerd is op de verklaring van aangeefster, in combinatie met de stukken die door aangeefster zijn verstrekt. Er heeft geen enkele controle plaatsgevonden van die stukken. Hoewel alle mobiele telefoons van cliënt in beslag zijn genomen, is daar klaarblijkelijk niets op gevonden waaruit volgt dat de gesprekken met aangeefster daadwerkelijk hebben plaatsgehad. Op dit moment wordt volledig vertrouwd op een document dat door aangeefster bij elkaar verzameld is. Duidelijk wordt dat zij enkel berichten heeft overgelegd die door cliënt gestuurd zijn, maar alle berichten die zij zelf gestuurd heeft in de tussentijd heeft zij weggelaten. Niet alleen wordt daarmee een vertekend beeld geschetst van de gesprekken die plaatsvonden, maar bovendien kan daarmee geen beoordeling plaatsvinden of daadwerkelijk sprake is geweest van belaging zijdens cliënt of niet.
2.17
Gelet op het bovenstaande bevat het dossier onvoldoende betrouwbaar bewijs om aan te nemen dat sprake is geweest van belaging van aangeefster door cliënt. Dat maakt dat hij dient te worden vrijgesproken van feit 1.”
7. Het hof heeft zijn bewezenverklaring als volgt nader gemotiveerd (onderstrepingen mijnerzijds):
“Het hof ziet geen aanleiding om de authenticiteit van de door aangeefster aan de politie verstrekte berichten in twijfel te trekken. De berichten zijn tevens, gelet op de inhoud van het dossier, voldoende in tijd te plaatsen. Uit de aard van de berichten blijkt voorts, conform de verklaring van aangeefster, dat zij meermalen heeft aangegeven geen berichten van de verdachte te willen ontvangen. Gelet verder op hetgeen de verdachte in dit verband (deels) heeft erkend, alsmede het resultaat van het technisch onderzoek naar de laptop van de verdachte, acht het hof – alles in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 is tenlastegelegd. De daaromtrent door de verdediging gevoerde verweren worden verworpen.”
Een nadere omschrijving van het eerste middel en het tweede middel
8. In de toelichting op het eerste middel wordt aangevoerd dat het hof zonder opgave van redenen voorbij is gegaan aan argumenten voor het standpunt dat de door de aangeefster overgelegde stukken – te weten de screenshots van berichten – onvoldoende betrouwbaar zijn om tot het bewijs te kunnen dienen. De stellers van het middel achten het oordeel dat de door de aangeefster overgelegde stukken betrouwbaar, authentiek en bruikbaar zijn voor het bewijs, mede in het licht van het op dit punt gevoerde verweer, onbegrijpelijk.
9. Daarnaast wordt, in de toelichting op het tweede middel, geklaagd dat het hof in het geheel niet is ingegaan op de betrouwbaarheid van (de verklaring van) de aangeefster. Door de betrouwbaarheid van de aangeefster zelf in het midden te laten, en haar verklaringen toch tot het bewijs te bezigen, is het hof ongemotiveerd afgeweken van het (ook) in dat kader ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging. Het voorgaande brengt met zich dat het bestreden arrest niet in stand kan blijven, aldus de stellers van het middel.
De beoordeling van het eerste middel en het tweede middel
10. Uit de hierboven onder randnummer 7 aangehaalde bewijsoverweging valt op te maken dat het hof hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht met betrekking tot de betrouwbaarheid van de door de aangeefster overgelegde screenshots van berichten (randnummers 2.2-2.6 van de overgelegde pleitnota) en de door haar afgelegde verklaringen (randnummers 2.10-2.17 van de overgelegde pleitnota) heeft aangemerkt als (een) uitdrukkelijk onderbouwd(e) standpunt(en), als bedoeld in artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv. Daarvan moet in cassatie dus worden uitgegaan.
11. Uit het bestreden arrest blijkt dat het hof van deze uitdrukkelijk onderbouwde standpunten is afgeweken door de verklaringen van de aangeefster, alsmede de door haar in dat kader overgelegde screenshots van berichten, voldoende betrouwbaar te achten en te bezigen voor het bewijs. Het hof is daarnaast ingegaan op deze standpunten door op te merken dat en waarom het niet twijfelt aan de authenticiteit van de verklaring van de aangeefster c.q. de door haar overgelegde screenshots.
12. Naar ik meen was het hof, mede gelet op de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, niet gehouden zijn betrouwbaarheidsoordeel nader te motiveren.2.Ook de in de toelichting op het middel aangedragen argumenten noopten het hof niet tot een nadere motivering.3.In zoverre faalt het middel.
13. Ik acht ’s hofs oordeel, te weten dat de verklaringen van de aangeefster c.q. de door haar overgelegde screenshots betrouwbaar, authentiek en bruikbaar zijn voor het bewijs, bovendien niet onbegrijpelijk. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de aangeefster op 4 oktober 2019 aangifte heeft gedaan van stalking door de verdachte en dat zij haar verklaring heeft gestaafd met meerdere screenshots van berichten4.– waarvan de inhoud m.i. voor zich spreekt – die zij in de periode voorafgaand aan haar aangifte heeft ontvangen. De screenshots bevatten (a) een ontvanger (de aangeefster), (b) een afzender ((onder meer) het [e-mailadres] waarvan de verdachte heeft bekend dat hij deze in gebruik heeft)5.en (c) corresponderen bovendien met de door de aangeefster in haar aangifte genoemde data.6.Daarnaast strookt de informatie die uit deze screenshots en uit de verklaringen van de aangeefster naar voren komt (in elk geval deels) met verkeersgegevens die door de politie aan een laptop van de verdachte zijn onttrokken (zie bewijsmiddel 8). Ook de mededeling van de verdachte zelf (zie bewijsmiddel 1), te weten dat hij de aangeefster in een e-mail “he hoertje” noemt, zulks (nota bene) “om tot een gesprek te komen”, heeft het hof kunnen aanmerken als bewijs voor de authenticiteit van de in de screenshots weergegeven berichten en voor de betrouwbaarheid van de door de aangeefster dienaangaande afgelegde verklaringen.
14. Al met al zijn de middelen tevergeefs voorgesteld.
Het derde middel
15. Het derde middel klaagt dat het hof de vordering van de benadeelde partij ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft toegewezen.
De motivering van de vordering van de benadeelde partij
16. Blijkens de stukken van het geding bedraagt de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade € 2.000,-.
17. De door de raadsvrouw van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 14 maart 2023 overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnotities houden, voor zover thans van belang, het volgende in:
“6.3 Ten aanzien van het immateriële deel geldt dat € 2.000,- een aanzienlijk bedrag is, gelet op de context die in deze pleitnota eerder al uitvoerig aan de orde is gekomen. Zonder onnodig in de herhaling te vallen is het van belang nog eenmaal te benadrukken dat sprake is geweest van een aanzienlijk eigen aandeel van aangeefster en/of haar vriend jegens cliënt. Aangeefster heeft geen volledige inzage gegeven in het handelen van haarzelf en haar vriend om cliënt in een slechter daglicht te zetten. Bij een beoordeling van een vordering tot schadevergoeding in een civiele procedure dient rekening te worden gehouden met een eigen aandeel van een eiser. Dat is voor deze vordering niet anders. De geschetste omstandigheden bieden aanleiding de vordering tot immateriële schadevergoeding aanzienlijk te matigen.”
18. Het hof heeft de vordering tot vergoeding van de immateriële schade toegewezen tot een bedrag van € 1.500,- en daartoe het volgende overwogen:
“Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezenverklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich – naar maatstaven van billijkheid – voor toewijzing tot € 1.500,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. Het meer gevorderde zal worden afgewezen.”
De bespreking van het derde middel
19. Aan het middel is ten grondslag gelegd dat ’s hofs (gedeeltelijke) toewijzing van de vordering tot vergoeding van immateriële schade blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans zonder (nadere) motivering onbegrijpelijk is, nu uit zijn overwegingen niet blijkt op welke van de in artikel 6:106 BW omschreven rechtsgronden de toewijzing is gebaseerd. Voor zover het hof kennelijk heeft geoordeeld dat in deze zaak sprake is van ‘een aantasting van de persoon op andere wijze’ (de grond van artikel 6:106 onder b BW), is dat oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk, aldus de stellers van het middel.
20. Hierover het volgende. De verdediging heeft ter terechtzitting bepleit om de door de benadeelde partij ingediende vordering tot vergoeding van immateriële schade ter hoogte van € 2.000,- “aanzienlijk te matigen”, zulks vanwege ‘het eigen aandeel van de benadeelde partij’. Het hof heeft deze vordering – naar maatstaven van billijkheid – deels toegewezen, namelijk tot een bedrag van € 1.500,- vermeerderd met de wettelijke rente.
21. De Hoge Raad houdt als vaste koers aan dat de rechter, indien geroepen om te oordelen over een vordering tot vergoeding van immateriële schade, gehouden is kenbaar te maken op welke in artikel 6:106 BW limitatief opgesomde7.gronden en op welke door het hof vastgestelde omstandigheden de toewijzing van de vordering berust.8.,9.
22. Het hof heeft in deze zaak echter niet uitdrukkelijk stilgestaan bij de in artikel 6:106 BW opgesomde gevallen waarin een benadeelde recht heeft op vergoeding voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat. Daarmee schiet de motivering tekort. Een enkele verwijzing naar de billijkheid volstaat immers niet ter motivering van het oordeel dat zich een van de in artikel 6:106 BW bedoelde gevallen voordoet waarin grond bestaat voor vergoeding van immateriële schade.10.Zo heeft het hof niet met zoveel woorden vastgesteld (i) dat de verdachte het oogmerk had om de aangeefster immaterieel nadeel toe te brengen, (ii) dat de aangeefster in haar eer en goede naam is geschaad en/of (iii) dat de aangeefster ook op andere wijze ‘in haar persoon is aangetast’, dat wil zeggen: psychische schade of geestelijk letsel heeft opgelopen.
23. Ofschoon het middel terecht is voorgesteld, meen ik dat voor cassatie geen aanleiding is. Ik realiseer mij dat mijn voorstel om in deze zaak van cassatie af te zien enigszins op gespannen voet staat met rechtspraak van de Hoge Raad, maar ik zal het toelichten. Daarbij merk ik allereerst op dat de aard en de ernst van de normschending kan meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat ‘een aantasting in de persoon’ kan worden aangenomen, ook wanneer het bestaan van geestelijk letsel niet naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld.11.
24. In het voorliggende geval heeft het hof blijkens de bewezenverklaring en de door het hof gebruikte bewijsmiddelen vastgesteld dat de verdachte meermalen op YouTube – en dus toegankelijk voor een nagenoeg onbegrensd, voor de benadeelde anoniem publiek – bewegende beelden van haar heeft geüpload, vergezeld van de mededeling dat zij “de goedkope hoer [benadeelde] uit [plaats]” is. Van het ernstige psychisch leed dat haar daardoor – onmiskenbaar juist met dat oogmerk – is aangedaan, verhaalt de benadeelde partij in de verklaring die het hof tot het bewijs heeft gebruikt. Daaruit vloeit voort dat het hof heeft vastgesteld dat deze verklaring – ook op dit punt – betrouwbaar en waarheidsgetrouw is.
25. Mijn eerste stelling is dan ook dat in de bewijsvoering besloten ligt dat zich naar ’s hofs oordeel – zo niet alle drie, dan toch wel één of twee – van de door mij aan artikel 6:106 BW ontleende gevallen voordoen waarin grond bestaat voor vergoeding van immateriële schade. Dat het hof heeft verzuimd om dat met zoveel woorden tot uitdrukking te brengen, hoeft wat mij betreft geen reden te zijn voor cassatie en terugwijzing. Het hof heeft de verdachte voldoende duidelijk gemaakt op welke wettelijke gronden hij schuldplichtig is jegens de benadeelde; dat wordt na cassatie en terugwijzing beslist niet anders.
26. Als nabrander werp ik een tot nog toe onbesproken gebleven vraag op die aan de kwestie van de gronden van artikel 6:106 BW voorafgaat. Die vraag luidt of de vordering van de benadeelde partij op het punt van de immateriële schade gemotiveerd is betwist. Zo niet, dan zal de rechter op de voet van artikel 149 Rv uitgaan van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten en zal de vordering in de regel worden toegewezen, tenzij de vordering onrechtmatig of ongegrond voorkomt of zich het geval voordoet waarin de rechter door de beperkingen van het strafproces niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren te brengen.12.
27. De kwestie of de – duidelijk niet-onrechtmatige of niet-ongegronde – vordering voldoende gemotiveerd is betwist, verschaft (een tweede) reden voor de door mij bepleite uitkomst van dit cassatieberoep. Ik merk namelijk op dat de verdediging de vordering wat betreft de in artikel 6:106 BW vermelde grondslagen niet inhoudelijk heeft betwist. De verdediging heeft alleen betoogd dat rekening moet worden gehouden met het feit dat de aangeefster niet van meet af aan zou hebben opgebiecht dat ze wel degelijk een relatie met de verdachte zou hebben gehad, althans iets wat daarvoor in de visie van de verdachte moet doorgaan. Aangezien het hof hierover zwijgt, moet worden aangenomen dat het hof dit aspect – of het nou waar is of niet – irrelevant heeft geacht voor de vaststelling van de verplichting tot vergoeding van immateriële schade en voor het bepalen van de hoogte ervan. Die opvatting is begrijpelijk. Ten slotte heeft het hof wel degelijk gevolg gegeven aan het verzoek tot matiging van de vordering, zulks met 25% van het gevorderde bedrag. Deze matiging mag op z’n minst ‘niet-onaanzienlijk’ worden genoemd.
28. Het derde middel is weliswaar terecht voorgesteld, maar hoeft niet tot cassatie te leiden.
Het vierde middel
29. Het vierde middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
30. Namens de verdachte is op 3 april 2023 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 6 augustus 2024 bij de Hoge Raad binnengekomen. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden met ruim acht maanden overschreden. Het middel klaagt daarover terecht.
31. Verder merk ik ambtshalve op dat de behandeltermijn van twee jaren na het instellen van het cassatieberoep niet zal worden gehaald. De overschrijding van de redelijke termijn dient te leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf.
Slotsom
32. Het eerste middel en het tweede middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het derde middel faalt eveneens. Het vierde middel slaagt.
33. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
34. Deze conclusie strekt tot:
- vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindering van de opgelegde gevangenisstraf naar de gebruikelijke maatstaf;
- en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 22‑04‑2025
Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma.Opgemerkt zij (i) dat het volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad mogelijk is om zonder nadere motivering van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt af te wijken wanneer (onder meer) de uitspraak zelf voldoende gegevens bevat waarin die nadere motivering besloten ligt, bijvoorbeeld in de gebezigde, voor de verwerping van het standpunt relevante bewijsmiddelen, en (ii) dat de verwerping van een betrouwbaarheidsverweer in cassatie slechts beperkt, namelijk op zijn begrijpelijkheid, kan worden getoetst. Deze toets leidt zelden tot vernietiging en terugwijzing. Vgl. bijv. de conclusie van Hofstee (ECLI:NL:PHR:2019:228) voorafgaand aan HR 21 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:780.
Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma. De motiveringsplicht van art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv, gaat niet zo ver dat bij niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail moet worden ingegaan.
Ik wijs op de verklaring van de aangeefster (bewijsmiddel 2) waaruit blijkt dat zij heeft verklaard: “Ik heb voor u een aantal whatsappberichten, e-mails, sms berichten en messenger berichten voor bij de aangifte uitgedraaid. (…) Zijn telefoonnummer is [telefoonnummer] .”
Ik wijs op de verklaring van de verdachte (bewijsmiddel 1) waaruit blijkt dat hij heeft verklaard: “Ik gebruikte het [e-mailadres] . Ik heb het bericht ‘he hoertje' vanaf dat mailadres gestuurd. Ik noemde haar hoertje. Ik wilde tot een gesprek komen. Ik heb de audioberichten gestuurd. [e-mailadres] is mijn email-adres. Ik heb altijd al veel gebeld. Ik gebruikte het telefoonnummer (…) eindigend op [telefoonnummer] .”
Anders dan de stellers van het middel blijkens hun cassatieschriftuur aannemen, bevatten de door aangeefster overgelegde screenshots van de berichtgeving niet slechts handgeschreven, maar ook getypte data.
Dat het hier om een limitatieve opsomming gaat, volgt uit art. 6:95 lid 1 BW, waarin is bepaald dat de schade die op grond van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding moet worden vergoed, bestaat in vermogensschade en ander nadeel, dit laatste (uitsluitend) voor zover de wet op vergoeding hiervan recht geeft.
Vgl. HR 15 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1465 (https://enterprisesearch.sgrhrn.drp.minjus/R2/Detail/Inventa/ECLI_NL_HR_2019_1465?zoekOpdracht=6d558960-1bdf-4eda-9adf-7e0b777aaa58&x-sessionId=9f32d6cd-b25c-485a-8ada-81f6bd8eab26&highlight=6%3A106%20BW), NJ 2019/468 m.nt. Vellinga; HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:33, NJ 2023/107 m.nt. Vellinga; HR 27 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:263, NJ 2024/158 m.nt. Vellinga; HR 21 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:30; HR 28 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:96, en HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:400.
Indien het hof dit nalaat, kan dat ook repercussies hebben voor de oplegging van de in artikel 36f Sr voorziene maatregel. Zie bijv. HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:901, NJ 2019/380 m.nt. Vellinga; HR 15 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1465; HR 25 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:868; HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:33, NJ 2023/107 m.nt. Vellinga; HR 21 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:30; HR 28 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:96, en HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:400.
Vgl. HR 21 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:30, rov. 2.5.
Vgl. met name HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379, rov. 2.4.5.
Vgl. met name HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379, rov. 2.8.3; HR 21 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:30, rov. 2.5. Kortom, als de vordering de rechter onrechtmatig of ongegrond voorkomt, volstaat ook de enkele omstandigheid dat (de hoogte van) de schadevergoeding niet is weersproken of dat de verdediging zich aan het oordeel van de rechter heeft gerefereerd, niet.