De strafbaarstelling is ingevoerd door de Wet van 6 december 2001, Stb. 2001, 606, in werking getreden op 14 december 2001. De maximale gevangenisstraf is verhoogd van één jaar naar twee jaren door de Wet van 19 november 2014, Stb. 2014, 445, in werking getreden op 1 januari 2015 (Stb. 2014, 513).
HR, 10-06-2025, nr. 23/00844
ECLI:NL:HR:2025:871
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10-06-2025
- Zaaknummer
23/00844
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:871, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑06‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:661
ECLI:NL:PHR:2025:661, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 01‑04‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:871
Beroepschrift, Hoge Raad, 10‑07‑2023
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0204
NTS 2025/41
Uitspraak 10‑06‑2025
Inhoudsindicatie
Schuldwitwassen van geldbedragen (€ 9.958), art. 420quater.1.b Sr. Bewijsklacht ‘verwerven’ en ‘voorhanden heeft gehad’. Voor het (als pleger) ‘voorhanden hebben’ van voorwerp a.b.i. art. 420quater.1 Sr is vereist dat verdachte het voorwerp opzettelijk aanwezig heeft (vgl. HR:2024:112). Dit ‘voorhanden hebben’ vereist feitelijke zeggenschap over voorwerp en strekt zich - zo volgt uit wetsgeschiedenis van art. 417bis Sr (schuldheling) - uit tot ieder feitelijk voorhanden hebben, met welk doel of krachtens welke titel dan ook. Het is daarbij niet nodig dat verdachte altijd direct over voorwerp kan beschikken. Uit diezelfde wetsgeschiedenis volgt dat het bij het (als pleger) ‘verwerven’ a.b.i. art. 420quater.1 Sr gaat om het verrichten van handeling die tot gevolg heeft dat feitelijke zeggenschap over voorwerp wordt verkregen. Hof heeft o.m. vastgesteld dat verdachte zijn bankpas en pincode heeft afgegeven aan A, zodat deze geld (dat hij niet op zijn eigen rekening wilde ontvangen) kon laten storten op rekening van verdachte. Vervolgens hebben 4 bijschrijvingen van in totaal € 9.958 op bankrekening plaatsgevonden die resultaat waren van telefoonfraude en die vrijwel direct werden gevolgd door contante geldopnames. ‘s Hofs op die vaststellingen gebaseerde oordeel dat verdachte het geldbedrag van in totaal € 9.958 ‘voorhanden heeft gehad’, getuigt in het licht van wat hiervoor is vooropgesteld niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daaraan doet niet af dat verdachte tijdens periode dat geld op zijn bankrekening heeft gestaan niet beschikking heeft gehad over zijn bankpas, nu deze omstandigheid niet met zich brengt dat verdachte geen feitelijke zeggenschap heeft kunnen uitoefenen over geld dat op zijn bankrekening was gestort. Uit bewijsvoering kan echter niet volgen dat verdachte geldbedragen van in totaal € 9.958 heeft ‘verworven’. Hof heeft immers niet vastgesteld dat verdachte zelf enige bemoeienis heeft gehad met de in bewijsvoering genoemde transacties die met gebruikmaking van die bankrekening hebben plaatsvonden. Ook anderszins heeft hof geen nadere vaststellingen gedaan waaruit kan worden afgeleid dat verdachte zelf feitelijke zeggenschap had over de met geldbedrag van in totaal € 9.958 verrichte transacties. ‘s Hofs bewijsvoering is daarom op dit punt ontoereikend gemotiveerd. Tot cassatie hoeft dit echter niet te leiden. Nu hof ook het ‘voorhanden hebben’ van geldbedrag heeft bewezenverklaard en hof kennelijk heeft geoordeeld dat sprake was van eendaadse samenloop m.b.t. het voorhanden hebben en het verwerven van geldbedrag, heeft verdachte geen belang bij zijn klacht. Volgt verwerping. CAG: anders.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/00844
Datum 10 juni 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 februari 2023, nummer 21-004699-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer over de bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde voor zover deze inhoudt dat de verdachte geldbedragen van in totaal € 9.958 heeft ‘verworven’ en ‘voorhanden heeft gehad’.
2.2.1
Overeenkomstig de tenlastelegging is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“hij op 9 september 2019 in Nederland, geldbedragen (in totaal EUR 9958,-), heeft verworven, en voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, redelijkerwijze moest vermoeden, dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 3 februari 2023, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:
Ik heb mijn bankpas gegeven aan [betrokkene 1] . Ik werkte destijds bij de pizzeria. Hij huurde een woning daarboven en die jongens aten vaak bij ons in de pizzeria. Zo heb ik hem leren kennen.
Hij had mij verteld dat hij een nieuwe woning had en ging verhuizen. Zijn broertje zou geld naar hem overmaken, maar door zijn bewindvoerder zou dat direct worden ingenomen. Ik wilde hem helpen.
Ik heb mijn pinpas met pincode inderdaad afgegeven. Er stond 50 euro tegenover als bedankje, vooraf gegeven. Mijn financiële situatie was toen niet goed. Ik had schulden. Dat speelde ook mee om hem te helpen, omdat 50 euro dan wel nuttig kan zijn.
In mijn eerdere contacten met [betrokkene 1] hebben we gesproken over elkaars leven. Ik ben nooit bij hem thuis geweest. We waren geen vrienden, dat is een te groot woord. We kwamen niet bij elkaar over de vloer. Van zijn leefsituatie wist ik alleen dat hij boven de pizzeria woonde en een uitkering had.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 17 september 2019, opgenomen op pagina 4 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL2000-2019223043 d.d. 7 september 2020, inhoudende als verklaring van [aangeefster] :
Afgelopen maandag 9 september 2019 werd ik gebeld op de huistelefoon. Ik had een man aan de telefoon. Hij noemde zichzelf [naam] en zei te werken voor ABNAMRO Security. Hij vertelde dat zij als ABNAMRO wilden checken of het goed was dat ik een derde partij gemachtigd had om mijn gehele bankrekening en spaarrekening leeg te maken. Dit klopte natuurlijk niet. Hij vertelde precies tot op de cent na wat er op mijn rekeningen stond. Ik dacht hoe kan een buitenstaander dit nu weten. Mijn man weet zelfs niet hoeveel er precies op de rekeningen staat omdat ik de bankzaken doe. De man vertelde dat hij deze machtiging en het afschrijven van het geld kon voorkomen, ik moest een bedrag van € 9.900,00 van mijn spaarrekening naar mijn lopende rekening overmaken en deze in 4 delen overmaken naar een rekeningnummer welke hij op gaf. Hij vertelde dat door middel van dit geld over te maken hij kon nagaan of onbekenden het geld gingen afschrijven en hij kon dan voorkomen dat ik geld kwijt zou raken. Ik vroeg nog hoe het dan met het geld zat wat ik niet naar deze rekening over stortte. Hij vertelde en overtuigde mij dat ze daar dan niet aan konden komen en hij dit zou opmerken aan het bedrag dat ik naar de rekening had over gesluisd.
Ik vertrouwde de man omdat hij mijn telefoonnummer wist en omdat hij exacte bedragen wist te noemen. Ik stortte de 9900 euro van mijn spaarrekening over naar mijn lopende rekening en boekte dit geld over naar het rekeningnummer dat de man op gaf. Dit betrof het bankrekeningnummer [rekeningnummer] ten name [verdachte] . Dit moest in 4 bedragen met 4 keer een omschrijving.
2483.00 [omschrijving 1]
2486.00 [omschrijving 2]
2491.00 [omschrijving 3]
2498.00 [omschrijving 4]
Ik heb dus een totaalbedrag van 9.958 euro overgeboekt.
5 minuten na mijn laatste overboeking vertrouwde ik het niet meer. Ik heb direct telefonisch contact gelegd met de ABNAMRO. Ik vroeg hen of zij iemand hadden werken die [naam] heet en op de afdeling Security werkte. Ik hoorde dat zij zei dat de ABN AMRO deze persoon niet kende. Ik hoorde de vrouw zeggen dat zij bang was dat ik mijn geld kwijt was. Ik vroeg de vrouw of zij de overboekingen nog ongedaan kon maken en terug kon storten maar zij vertelde dat dit geld al direct was gepind en dit niet meer kon.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 april 2020, opgenomen op pagina 39 van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant(en):
Naar aanleiding van het onderzoek naar de oplichting van aangeefster [aangeefster] stelde ik onderzoek in naar de tenaamgestelde van het rekeningnummer [rekeningnummer] .
Deze rekeninghouder heeft namelijk onrechtmatig geld ontvangen op zijn rekening en dit bedrag is haast direct na de overboekingen opgenomen bij diverse pinautomaten. Uit de gegevens welke ik ontving van de ING-bank naar aanleiding van mijn vordering identificerende gegevens bleek de rekeninghouder te zijn genaamd:
[verdachte]
geboren [geboortedatum] 1999
Hieronder volledig genoemd.
Uit de camerabeelden blijkt dat de persoon welke de geldopnames doet niet de persoon is welke overeenkomt met het signalement van [verdachte] . Op camerabeelden is te zien dat de verdachte welke de bedragen opneemt een telefonische verbinding heeft met een voor ons onbekende persoon.
[verdachte] wordt aangemerkt als verdachte van oplichting in vereniging gezien zijn rekening werd gebruikt voor deze oplichting en normaliter de rekeninggegevens, de bijbehorende pinpas en pincode persoonlijk zijn.”
2.2.3
Het hof heeft over de bewezenverklaring verder overwogen:
“Ingevolge artikel 420quater, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht maakt men zich schuldig aan het schuldwitwassen van een goed indien men redelijkerwijs moet vermoeden dat dit goed afkomstig is uit enig misdrijf. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet het gaan om grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid ten aanzien van de herkomst van het goed. Daarvan is sprake indien de verdachte bij enig nadenken over de hem bekende gegevens betreffende het goed, had kunnen vermoeden dat het goed van misdrijf afkomstig was en hij zonder nader onderzoek naar de herkomst van het goed niet had mogen handelen zoals is bewezen verklaard. Wat van de verdachte omtrent de in acht te nemen voorzichtigheid verwacht mag worden, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
Het gerechtshof leidt uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden af.
Op 9 september 2019 is aangeefster gebeld door iemand die zich voordeed als medewerker van de ABN-Amro bank. Deze persoon vroeg aangeefster om een aantal bedragen over te maken naar een derde partij. Vervolgens heeft aangeefster in vier delen het bedrag van € 9.958 overgemaakt naar het rekeningnummer dat de persoon opgaf.
Voorts is uit de historische financiële gegevens gebleken dat het bankrekeningnummer waarop aangeefster de bedragen heeft overgemaakt op naam staat van de verdachte bij de ING-bank. Uit deze gegevens is gebleken dat op 9 september 2019 een viertal bijschrijvingen hebben plaatsgevonden op het rekeningnummer, te weten: € 2.483, € 2.486, € 2.491 en € 2.498. Deze overboekingen waren allemaal afkomstig van het door aangeefster opgegeven rekeningnummer.
Daarnaast is uit de gegevens naar voren gekomen dat op 9 september 2019 contante geldopnames hebben plaatsgevonden, vrijwel direct nadat aangeefster de geldbedragen had overgemaakt. Deze geldopnames zijn gedaan met het bij de bank bekende betaalpas(nummer) van de verdachte.
Op grond van het bovenstaande staat vast dat het geld ten bedrage van € 9.958, dat op de rekening van de verdachte is gestort en vervolgens contant is opgenomen uit misdrijf afkomstig is, namelijk van telefoon-fraude.
Aan de hand van het strafdossier is niet vast te stellen wie verantwoordelijk is geweest voor de telefoon-fraude, noch wie het geld contant heeft opgenomen. Ten aanzien van de vraag of de verdachte enige wetenschap heeft gehad of had moeten hebben ten aanzien van de gang van zaken overweegt het gerechtshof als volgt.
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij [betrokkene 1] niet of nauwelijks kende en dat hij bij hem kwam met verhaal dat hij € 14.000,00 zou ontvangen van zijn broertje voor de inrichting van zijn huis. [betrokkene 1] en de verdachte hadden oppervlakkig contact via de pizzeria waar de verdachte werkte. Ook wist de verdachte weinig van [betrokkene 1] persoonlijke omstandigheden. Omdat [betrokkene 1] onder bewind stond, kon het geld niet op zijn eigen bankrekening gestort worden. De verdachte is met [betrokkene 1] in zee gegaan en heeft twee bankpassen en bijhorende pincodes ter beschikking gesteld aan [betrokkene 1] , in ruil voor € 50. De beperkte financiële positie van de verdachte heeft een rol gespeeld bij het accepteren van het voorstel van [betrokkene 1] .
Het van de telefoon-fraude afkomstige geld is gestort op een bij de verdachte actief in gebruik zijnde rekening. Op de dag dat het geld is gestort is het geld met de bankpas van de verdachte ook contant opgenomen, zodat niet anders kan dan dat de verdachte die anderen ook de pincode van zijn pas ter beschikking heeft gesteld. Door het contant opnemen van het geld werd dit aan het zicht onttrokken. Het gerechtshof concludeert op grond van het voorgaande dat de verdachte zeer onachtzaam met zijn rekening omging en dat hij deze daarbij volledig ter beschikking stelde aan een relatief onbekende derde. Deze persoon verkeerde kennelijk in omstandigheden waarbij hij niet over een eigen bankrekening kon beschikken, dan wel er wel over beschikte, maar voor zijn betalingsactiviteiten daarvan geen gebruik wilde maken. Voorts acht het gerechtshof van belang dat de verdachte wel steeds heeft beschikt over de mogelijkheid om via internetbankieren zicht te houden op de betaalstromen op zijn rekening. Onder die omstandigheden moest de verdachte redelijkerwijs vermoeden dat zijn rekening kon worden gebruikt voor het doorsluizen van geld met een criminele herkomst. Door het ter beschikking stellen van zijn rekening en betaalpas heeft hij dit geld zodoende verworven en voorhanden gehad.
De omstandigheid dat de eigenaar van de pizzeria zijn bankpas ook wel aan dezelfde persoon beschikbaar stelde maakt dit niet anders. Dit beschikbaar stellen hield immers direct verband met de aanschaf van spullen ten behoeve van de pizzeria en was in die zin niet vergelijkbaar met de gang van zaken rondom de bankrekening van verdachte.
Het gerechtshof komt daarmee tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde feit.”
2.2.4
Het hof heeft de verdachte voor ‘schuldwitwassen’ veroordeeld tot een taakstraf van 30 uren.
2.3.1
De tenlastelegging is toegesneden op artikel 420quater lid 1, aanhef en onder b, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Daarom moet worden aangenomen dat de in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende woorden ‘verwerven’ en ‘voorhanden hebben’ zijn gebruikt in de betekenis die deze woorden hebben in die bepaling. Artikel 420quater lid 1, aanhef en onder b, Sr luidt:
“Als schuldig aan schuldwitwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vijfde categorie:
(...)
b. hij die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf.”
2.3.2
De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 6 december 2001, Stb. 2001, 606, tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en enkele andere wetten in verband met de strafbaarstelling van het witwassen van opbrengsten van misdrijven houdt onder meer in:
“Artikelen 420bis en 420quater Wetboek van Strafrecht
(...)
Verwerven, voorhanden hebben, overdragen, omzetten of gebruik maken (eerste lid, onderdeel b)
De termen «verwerven, voorhanden hebben en overdragen» hebben dezelfde betekenis als in de helingbepalingen. Zij veronderstellen feitelijke zeggenschap ten aanzien van het voorwerp, al is niet vereist dat het voorwerp zich in de fysieke nabijheid bevindt.”
(Kamerstukken II 1999/2000, 27159, nr. 3, p. 14 en 15.)
2.3.3
De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 9 oktober 1991, Stb. 1991, 520 houdende aanvulling van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering met voorzieningen ten behoeve van de bestrijding van heling houdt onder meer in:
“3.1.1. De helingshandelingen
(...)
Het «verwerven» of «overdragen» van een goed omvat alle handelingen, die tot gevolg hebben dat iemand de feitelijke zeggenschap over een goed verkrijgt of overdraagt. Of hier een of andere privaatrechtelijke titel aan ten grondslag ligt, is niet van belang.
(...)
«Voorhanden hebben» (...) strekt zich uit tot ieder feitelijk voorhanden hebben, met welk doel of krachtens welke titel dan ook. Dus ook het gebruiken van een misdrijfgoed valt hier onder. Voor «voorhanden hebben» is overigens niet nodig dat men te allen tijde onverwijld over het goed kan beschikken. Het omvat ook het kunnen beschikken over een goed dat elders is opgeslagen.”
(Kamerstukken II 1989/90, 21565, nr. 3, p. 3 en 4.)
2.4
Voor het – als pleger – ‘voorhanden hebben’ van een voorwerp in de zin van artikel 420quater lid 1 Sr is vereist dat de verdachte het voorwerp opzettelijk aanwezig heeft (vgl. HR 30 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:112, rechtsoverweging 2.4.1). Dit ‘voorhanden hebben’ vereist feitelijke zeggenschap over het voorwerp en strekt zich – zo volgt uit de onder 2.3 weergegeven wetsgeschiedenis – uit tot ieder feitelijk voorhanden hebben, met welk doel of krachtens welke titel dan ook. Het is daarbij niet nodig dat de verdachte altijd direct over het voorwerp kan beschikken. Uit diezelfde wetsgeschiedenis volgt dat het bij het – als pleger – ‘verwerven’ in de zin van artikel 420quater lid 1 Sr gaat om het verrichten van een handeling die tot gevolg heeft dat de feitelijke zeggenschap over een voorwerp wordt verkregen.
2.5.1
Het hof heeft onder meer vastgesteld dat de verdachte zijn bankpas en pincode heeft afgegeven aan A. [betrokkene 1] , zodat [betrokkene 1] geld – dat [betrokkene 1] niet op zijn eigen rekening wilde ontvangen – kon laten storten op de rekening van de verdachte. Vervolgens hebben vier bijschrijvingen van in totaal € 9.958 op de bankrekening plaatsgevonden die het resultaat waren van telefoonfraude en die vrijwel direct werden gevolgd door contante geldopnames.
2.5.2
Het op die vaststellingen gebaseerde oordeel van het hof dat de verdachte het geldbedrag van in totaal € 9.958 ‘voorhanden heeft gehad’, getuigt in het licht van wat onder 2.4 is vooropgesteld niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daaraan doet niet af dat de verdachte tijdens de periode dat het geld op zijn bankrekening heeft gestaan niet de beschikking heeft gehad over zijn bankpas, nu deze omstandigheid niet met zich brengt dat de verdachte geen feitelijke zeggenschap heeft kunnen uitoefenen over het geld dat op zijn bankrekening was gestort.
2.5.3
Uit de bewijsvoering kan echter niet volgen dat de verdachte geldbedragen van in totaal € 9.958 heeft ‘verworven’. Het hof heeft immers niet vastgesteld dat de verdachte zelf enige bemoeienis heeft gehad met de in de bewijsvoering genoemde transacties die met gebruikmaking van die bankrekening hebben plaatsvonden. Ook anderszins heeft het hof geen nadere vaststellingen gedaan waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte zelf feitelijke zeggenschap had over de met het geldbedrag van in totaal € 9.958 verrichte transacties. De bewijsvoering van het hof is daarom op dit punt ontoereikend gemotiveerd. Tot cassatie hoeft dit echter niet te leiden. Nu het hof ook het ‘voorhanden hebben’ van het geldbedrag heeft bewezenverklaard en het hof kennelijk heeft geoordeeld dat sprake was van eendaadse samenloop met betrekking tot het voorhanden hebben en het verwerven van het geldbedrag, heeft de verdachte geen belang bij zijn klacht. De klacht van het cassatiemiddel stuit daarop af.
2.6.
De Hoge Raad heeft ook de verder in het cassatiemiddel aangevoerde klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde taakstraf van 30 uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 juni 2025.
Conclusie 01‑04‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Schuldwitwassen van geldbedragen na tegen vergoeding beschikbaar stellen van pinpas en pincode (art. 420quater.1 Sr). Bewijsklachten, heeft verdachte geldbedragen ‘verworven’ en ‘voorhanden gehad’? De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/00844
Zitting 1 april 2025
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 17 februari 2023 door het gerechtshof Arnhem -Leeuwarden wegens ‘schuldwitwassen’ veroordeeld tot 30 uren taakstraf, subsidiair 15 dagen hechtenis. Het hof heeft daarnaast de vordering van een benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel betreft de bewijsvoering. Alvorens ik het middel bespreek, geef ik eerst de bewezenverklaring en bewijsvoering weer. Voorts citeer ik delen van het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep.
Bewezenverklaring, bewijsvoering en proces-verbaal terechtzitting
4. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
‘hij op 9 september 2019 in Nederland, geldbedragen (in totaal EUR 9958,-), heeft verworven, en voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, redelijkerwijze moest vermoeden, dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.’
5. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):
‘1. Een proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof Arnhem -Leeuwarden d.d. 3 februari 2023, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:
Ik heb mijn bankpas gegeven aan [betrokkene 1] . Ik werkte destijds bij de pizzeria. Hij huurde een woning daarboven en die jongens aten vaak bij ons in de pizzeria. Zo heb ik hem leren kennen.
Hij had mij verteld dat hij een nieuwe woning had en ging verhuizen. Zijn broertje zou geld naar hem overmaken, maar door zijn bewindvoerder zou dat direct worden ingenomen. Ik wilde hem helpen.
Ik heb mijn pinpas met pincode inderdaad afgegeven. Er stond 50 euro tegenover als bedankje, vooraf gegeven. Mijn financiële situatie was toen niet goed. Ik had schulden. Dat speelde ook mee om hem te helpen, omdat 50 euro dan wel nuttig kan zijn.
In mijn eerdere contacten met [betrokkene 1] hebben we gesproken over elkaars leven. Ik ben nooit bij hem thuis geweest. We waren geen vrienden, dat is een te groot woord. We kwamen niet bij elkaar over de vloer. Van zijn leefsituatie wist ik alleen dat hij boven de pizzeria woonde en een uitkering had.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 17 september 2019, (…) d.d. 7 september 2020, inhoudende als verklaring van [aangeefster] :
Afgelopen maandag 9 september 2019 werd ik gebeld op de huistelefoon. Ik had een man aan de telefoon. Hij noemde zichzelf [naam] en zei te werken voor ABN AMRO Security. Hij vertelde dat zij als ABN AMRO wilden checken of het goed was dat ik een derde partij gemachtigd had om mijn gehele bankrekening en spaarrekening leeg te maken. Dit klopte natuurlijk niet. Hij vertelde precies tot op de cent na wat er op mijn rekeningen stond. Ik dacht hoe kan een buitenstaander dit nu weten. Mijn man weet zelfs niet hoeveel er precies op de rekeningen staat omdat ik de bankzaken doe. De man vertelde dat hij deze machtiging en het afschrijven van het geld kon voorkomen, ik moest een bedrag van € 9900,00 van mijn spaarrekening naar mijn lopende rekening overmaken en deze in 4 delen overmaken naar een rekeningnummer welke hij op gaf. Hij vertelde dat door middel van dit geld over te maken hij kon nagaan of onbekenden het geld gingen afschrijven en hij kon dan voorkomen dat ik geld kwijt zou raken. Ik vroeg nog hoe het dan met het geld zat wat ik niet naar deze rekening over stortte. Hij vertelde en overtuigde mij dat ze daar dan niet aan konden komen en hij dit zou opmerken aan het bedrag dat ik naar de rekening had over gesluisd.
Ik vertrouwde de man omdat hij mijn telefoonnummer wist en omdat hij exacte bedragen wist te noemen. Ik stortte de 9900 euro van mijn spaarrekening over naar mijn lopende rekening en boekte dit geld over naar het rekeningnummer dat de man op gaf. Dit betrof het bankrekeningnummer [rekeningnummer ] ten name [verdachte] . Dit moest in 4 bedragen met 4 keer een omschrijving.
2483.00 [omschrijving 1]
2486.00 [omschrijving 2]
2491.00 [omschrijving 3]
2498.00 [omschrijving 4]
Ik heb dus een totaalbedrag van 9958 euro overgeboekt.
5 minuten na mijn laatste overboeking vertrouwde ik het niet meer. Ik heb direct telefonisch contact gelegd met de ABN AMRO. Ik vroeg hen of zij iemand hadden werken die [naam] heet en op de afdeling Security werkte. Ik hoorde dat zij zei dat de ABN AMRO deze persoon niet kende. Ik hoorde de vrouw zeggen dat zij bang was dat ik mijn geld kwijt was. Ik vroeg de vrouw of zij de overboekingen nog ongedaan kon maken en terug kon storten maar zij vertelde dat dit geld al direct was gepind en dit niet meer kon.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 april 2020, (…), inhoudende als relaas van verbalisant(en):
Naar aanleiding van het onderzoek naar de oplichting van aangeefster [aangeefster] stelde ik onderzoek in naar de tenaamgestelde van het [rekeningnummer ] . Deze rekeninghouder heeft namelijk onrechtmatig geld ontvangen op zijn rekening en dit bedrag is haast direct na de overboekingen opgenomen bij diverse pinautomaten.
Uit de gegevens welke ik ontving van de ING-bank naar aanleiding van mijn vordering identificerende gegevens bleek de rekeninghouder te zijn genaamd:
[verdachte]
geboren [geboortedatum] 1999
Hieronder volledig genoemd.
Uit de camerabeelden blijkt dat de persoon welke de geldopnames doet niet de persoon is welke overeenkomt met het signalement van [verdachte] . Op camerabeelden is te zien dat de verdachte welke de bedragen op neemt een telefonisch verbinding heeft met een voor ons onbekende persoon.
[verdachte] wordt aangemerkt als verdachte van oplichting in vereniging gezien zijn rekening werd gebruikt voor deze oplichting en normaliter de rekeninggegevens, de bijbehorende pinpas en pincode persoonlijk zijn.’
6. Het hof heeft in het bestreden arrest het volgende overwogen:
‘Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het aan hem tenlastegelegde. De verdachte bekent dat hij zijn bankpassen en pincodes heeft afgegeven aan [betrokkene 1] . Hij was een vaste bezoeker van de pizzeria waar de verdachte werkte ten tijde van het incident. Ook de eigenaar van de pizzeria leende zijn bankpas weleens aan [betrokkene 1] uit, zodat hij spullen voor de pizzeria kon kopen. [betrokkene 1] kwam naar de verdachte nadat een zekere vertrouwensrelatie was ontstaan. Hij heeft zijn bankpassen afgestaan in goed vertrouwen. De verdachte had redelijkerwijs niet hoeven weten dat [betrokkene 1] zijn bankpassen voor fraude zou gaan gebruiken.
Beoordeling van het gerechtshof
Het gerechtshof overweegt hieromtrent als volg.
Ingevolge artikel 420quater, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht maakt men zich schuldig aan het schuldwitwassen van een goed indien men redelijkerwijs moet vermoeden dat dit goed afkomstig is uit enig misdrijf. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet het gaan om grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid ten aanzien van de herkomst van het goed. Daarvan is sprake indien de verdachte bij enig nadenken over de hem bekende gegevens betreffende het goed, had kunnen vermoeden dat het goed van misdrijf afkomstig was en hij zonder nader onderzoek naar de herkomst van het goed niet had mogen handelen zoals is bewezen verklaard. Wat van de verdachte omtrent de in acht te nemen voorzichtigheid verwacht mag worden, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
Het gerechtshof leidt uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden af.
Op 9 september 2019 is aangeefster gebeld door iemand die zich voordeed als medewerker van de ABN-Amro bank. Deze persoon vroeg aangeefster om een aantal bedragen over te maken naar een derde partij. Vervolgens heeft aangeefster in vier delen het bedrag van € 9.958 overgemaakt naar het rekeningnummer dat de persoon opgaf.
Voorts is uit de historische financiële gegevens gebleken dat het bankrekeningnummer waarop aangeefster de bedragen heeft overgemaakt op naam staat van de verdachte bij de ING-bank. Uit deze gegevens is gebleken dat op 9 september 2019 een viertal beschrijvingen hebben plaatsgevonden op het rekeningnummer, te weten: € 2.483, € 2.486, € 2.491 en € 2.498. Deze overboekingen waren allemaal afkomstig van het door aangeefster opgegeven rekeningnummer.
Daarnaast is uit de gegevens naar voren gekomen dat op 9 september 2019 contante geldopnames hebben plaatsgevonden, vrijwel direct nadat aangeefster de geldbedragen had overgemaakt. Deze geldopnames zijn gedaan met het bij de bank bekende betaalpas(nummer) van de verdachte.
Op grond van het bovenstaande staat vast dat het geld ten bedrage van € 9.958, dat op de rekening van de verdachte is gestort en vervolgens contant is opgenomen uit misdrijf afkomstig is, namelijk van telefoon-fraude.
Aan de hand van het strafdossier is niet vast te stellen wie verantwoordelijk is geweest voor de telefoon-fraude, noch wie het geld contant heeft opgenomen. Ten aanzien van de vraag of de verdachte enige wetenschap heeft gehad of had moeten hebben ten aanzien van de gang van zaken overweegt het gerechtshof als volgt.
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij [betrokkene 1] niet of nauwelijks kende en dat hij bij hem kwam met verhaal dat hij € 14.000,00 zou ontvangen van zijn broertje voor de inrichting van zijn huis. [betrokkene 1] en de verdachte hadden oppervlakkig contact via de pizzeria waar de verdachte werkte. Ook wist de verdachte weinig van [betrokkene 1] persoonlijke omstandigheden. Omdat [betrokkene 1] onder bewind stond, kon het geld niet op zijn eigen bankrekening gestort worden. De verdachte is met [betrokkene 1] in zee gegaan en heeft twee bankpassen en bijhorende pincodes ter beschikking gesteld aan [betrokkene 1] , in ruil voor € 50. De beperkte financiële positie van de verdachte heeft een rol gespeeld bij het accepteren van het voorstel van [betrokkene 1] .
Het van de telefoon-fraude afkomstige geld is gestort op een bij de verdachte actief in gebruik zijnde rekening. Op de dag dat het geld is gestort is het geld met de bankpas van de verdachte ook contant opgenomen, zodat niet anders kan dan dat de verdachte die anderen ook de pincode van zijn pas ter beschikking heeft gesteld. Door het contant opnemen van het geld werd dit aan het zicht onttrokken. Het gerechtshof concludeert op grond van het voorgaande dat de verdachte zeer onachtzaam met zijn rekening omging en dat hij deze daarbij volledig ter beschikking stelde aan een relatief onbekende derde. Deze persoon verkeerde kennelijk in omstandigheden waarbij hij niet over een eigen bankrekening kon beschikken, dan wel er wel over beschikte, maar voor zijn betalingsactiviteiten daarvan geen gebruik wilde maken. Voorts acht het gerechtshof van belang dat de verdachte wel steeds heeft beschikt over de mogelijkheid om via internetbankieren zicht te houden op de betaalstromen op zijn rekening. Onder die omstandigheden moest de verdachte redelijkerwijs vermoeden dat zijn rekening kon worden gebruikt voor het doorsluizen van geld met een criminele herkomst. Door het ter beschikking stellen van zijn rekening en betaalpas heeft hij dit geld zodoende verworven en voorhanden gehad.
De omstandigheid dat de eigenaar van de pizzeria zijn bankpas ook wel aan dezelfde persoon beschikbaar stelde maakt dit niet anders. Dit beschikbaar stellen hield immers direct verband met de aanschaf van spullen ten behoeve van de pizzeria en was in die zin niet vergelijkbaar met de gang van zaken rondom de bankrekening van verdachte.
Het gerechtshof komt daarmee tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde feit.’
7. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 3 februari 2023 houdt onder meer het volgende in:
‘De verdachte, die hoger beroep heeft ingesteld, wordt onmiddellijk na de voordracht van de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld mondeling de bezwaren tegen het vonnis op te geven:
Ik ben van mening dat ik onschuldig ben veroordeeld. Ik heb mijn bankpas afgegeven aan [betrokkene 1] en hij heeft mij bedonderd. Hij gaf aan dat hij onder bewind stond en dat er voor hem geld naar mij zou worden overgemaakt omdat hij geld nodig had voor de inrichting van zijn huis, wat bleek niet waar te zijn. Ik heb er betrokkenheid bij doordat ik mijn bankpassen heb uitgeleend, maar ik heb niet strafbaar gehandeld.
(…)
De verdachte antwoordt op vragen van de voorzitter:
U houdt mij voor dat er aangifte is gedaan door een mevrouw, die gebeld is door iemand die zich voordoet als bankmedewerker. Daar weet ik niets van af. Ik heb alleen mijn bankpas gegeven aan [betrokkene 1] . Ik werkte destijds bij de pizzeria. Ik had met hem een gesprek gehad en een drankje gedaan. Ik vertrouwde hem. Hij huurde een woning daarboven en die jongens aten vaak bij ons in de pizzeria. Zo heb ik hem leren kennen. Ik zag hem wel dagelijks voor een half jaar lang.
Hij had mij verteld dat hij een nieuwe woning had en ging verhuizen. Zijn broertje zou geld naar hem overmaken, maar omdat hij onder bewind stond, zou dat geld direct door bewindvoerder worden ingenomen. Ik verplaats mij dan in iemand en dacht dat hij dan zijn geld kwijt zou zijn. Ik wilde hem helpen. Achteraf gezien deugde het niet. Ik dacht dat het geld van zijn broer was voor zijn woning. Dat het zo veel geld was, wist ik niet. In mijn verklaring heb ik gezegd dat het ging om 14.000 euro. Ik heb toen naar waarheid verklaard. Nu ik erop terugkijk is het überhaupt gek dat ik ermee heb ingestemd. Ik kreeg in de gaten dat er iets aan de hand was toen de bank me belde over een fraudemelding en vertelde dat er aangifte gedaan zou worden.
Ik heb mijn pinpassen met pincodes inderdaad afgegeven. Dat was een stukje vertrouwen dat ik nooit meer terugkrijg. Dat was mijn fout en is me duur komen te staan. Ik had niet bedacht dat ik zelf het geld had kunnen opnemen om te kijken wat er gebeurde, omdat ik aan het werk was. Het moest allemaal snel, vanwege wat hij mij vertelde. Er stond 50 euro tegenover als bedankje, vooraf gegeven.
Ik had een zakelijke bankpas en een privébankpas.
(…)
De verdachte antwoordt op vragen van de oudste raadsheer:
Ik stond toentertijd niet onder bewind. In mijn eerdere contacten met [betrokkene 1] hebben we gesproken over elkaars leven. Zijn familie woonde in [plaats] . Hij had hier in de buurt geen familie wonen. Ik ben nooit bij hem thuis geweest. Tijdens onze contacten zat hij bij de pizzeria. We waren geen vrienden, dat is een te groot woord. We kwamen niet bij elkaar over de vloer. Van zijn leefsituatie wist ik alleen dat hij boven de pizzeria woonde en een uitkering had. Hij had me verteld dat hij het niet breed had. Dan is 14.000 euro inderdaad een heel hoog bedrag, maar daar heb ik op dat moment niet aan gedacht.
(…)
De raadsman voert het woord tot verdediging:
We kunnen vaststellen dat cliënt zijn bankpassen en pincodes heeft afgegeven aan [betrokkene 1] . Hij was geen onbekende van cliënt: hij was een vaste bezoeker van de pizzeria. De eigenaar van de pizzeria leende ook wel eens zijn bankpas uit aan [betrokkene 1] om spullen te kopen. Dat zag cliënt ook.
Het is duidelijk dat degene die de bedragen gepind heeft, niet cliënt is. Cliënt wilde alleen [betrokkene 1] helpen voor zijn woninginrichting. Na de fraudemelding heeft cliënt meerdere keren de politie gebeld en wilde hij graag aangifte doen.
Er was sprake van een vertrouwensrelatie, die gebruikelijk was in de pizzeria. Het ging altijd goed en [betrokkene 1] kwam met een mooi verhaal. Cliënt had misschien door moeten vragen, maar het is niet zo dat hij wist dat het geld afkomstig was van een andere bron. Cliënt heeft ook nog een artikel 12 Sv-procedure gestart, die ongegrond is verklaard. Vrijspraak zou hier op zijn plaats zijn.’
Bespreking van het middel
8. Het middel bevat twee deelklachten over de motivering van de bewezenverklaring. De eerste deelklacht houdt in dat de bewijsvoering te kort schiet omdat uit de uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte op het tijdstip dat het bedrag op zijn bankrekening werd bijgeschreven niet de beschikking heeft gehad over de bankpas en pas op de hoogte werd gesteld van de omstandigheid dat het geld eerder zeer kort op zijn bankrekening was bijgeschreven nadat het geldbedrag daarvan was afgehaald. Nu het hof ook niet zou hebben vastgesteld dat de verdachte op een andere wijze over zijn bankrekening heeft kunnen beschikken, zou de verdachte niet zelf de geldbedragen hebben verworven of voorhanden gehad ten tijde van de periode dat het geld op de bankrekening is gestort en daarop heeft gestaan. De enkele door het hof benoemde mogelijkheid tot het via internetbankieren zicht houden op de bankrekening zou onvoldoende zijn om van bewustzijn te kunnen spreken.
9. Art. 420quater Sr luidt:1.
‘1. Als schuldig aan schuldwitwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vijfde categorie:
a. hij die van een voorwerp de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verbergt of verhult, dan wel verbergt of verhult wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft, terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden dat het voorwerp — onmiddellijk of middellijk — afkomstig is uit enig misdrijf;
b. hij die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden dat het voorwerp — onmiddellijk of middellijk — afkomstig is uit enig misdrijf.
2. Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten.
10. Het advies van de Raad van State en het nader rapport bij het wetsvoorstel dat tot de invoering van de strafbaarstelling leidde werpen enig licht op de achtergrond van het artikel.2.In het voorstel van wet zoals het aan de Raad van State was voorgelegd was een artikel 420bis Sr opgenomen waarin schuldig was aan witwassen hij die (kort gezegd) een witwasgedraging verricht ‘terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf’.3.Onder die witwasgedragingen waren het verwerven, voorhanden hebben en overdragen niet opgenomen. De Raad van State meende dat het opnemen van deze gedragingen wenselijk was omdat er dan een betere aansluiting was op richtlijn 91/308/EEG.4.De minister gaf gevolg aan deze suggestie. Hij wees erop dat zo tekstueel gezien een overlap ontstond tussen de witwas- en de helingbepalingen. En dat daardoor het probleem rees ‘dat artikel 417bis Sr voor schuldheling een maximumgevangenisstraf van een jaar kent, terwijl in het aan de Raad voorgelegde voorstel artikel 420bis voor zowel de opzet- als de schuldvariant van witwassen een maximum kent van vier jaren’. Tegen die achtergrond werd het voorgestelde witwasdelict ‘gesplitst in twee bepalingen’: witwassen en schuldwitwassen. Aan het schuldwitwassen zijn tijdens de parlementaire behandeling verder weinig woorden gewijd.5.
11. Uit deze gang van zaken kan worden afgeleid dat, zoals Fokkens stelt, het verschil met witwassen is ‘dat de dader hier de witwashandeling heeft verricht terwijl hij redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het voorwerp van misdrijf afkomstig was’. En dat voor het overige de vereisten voor witwassen gelden.6.Voorts ligt het gelet op de achtergrond van de introductie van de strafbaarstelling in de rede bij het bewijs van het ‘redelijkerwijs moeten vermoeden’ de benadering van de vergelijkbare eis bij schuldheling als richtsnoer te nemen.
12. Bewezenverklaard is het verwerven en voorhanden hebben van een geldbedrag. De termen ‘verwerven, voorhanden hebben en overdragen’ hebben, zo geeft de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat tot de strafbaarstelling van (schuld)witwassen leidde aan, ‘dezelfde betekenis als in de helingbepalingen. Zij veronderstellen feitelijke zeggenschap ten aanzien van het voorwerp’.7.In de helingbepalingen zijn de termen ‘verwerven, voorhanden hebben en overdragen’ geïntroduceerd door de wijziging van de helingbepalingen in 1991.8.In de memorie van toelichting bij die wijziging is aangegeven dat verwerven of overdragen van een goed ‘omvat alle handelingen, die tot gevolg hebben dat iemand de feitelijke zeggenschap over een goed verkrijgt of overdraagt’.9.
13. De interpretatie van het bestanddeel ‘verwerven’ in de strafbaarstelling van heling was aan de orde in een arrest van Uw Raad van 26 november 1996.10.Ten laste van de verdachte was onder meer bewezenverklaard dat hij ABN AMRO Eurocheques en een ABN AMRO Eurobankpas had verworven terwijl hij ten tijde van het verwerven van deze goederen wist dat dat het door misdrijf verkregen goederen betrof. Als bewijsmiddel was een verklaring van de verdachte opgenomen, inhoudend: ‘Op 12 december 1993 in Amsterdam wenkte iemand mij een restaurant binnen. Toen we later naar buiten liepen merkte ik dat hij iets in mijn zak stopte. Hij stopte iets in mijn zak, omdat hij politie zag lopen. Ik vermoedde wel dat hetgeen hij in mijn zak stopte van misdrijf afkomstig was. Ik heb die voorwerpen bij mij gehouden. Later bleek dit een bankpas en Eurocheques te zijn.’ In cassatie werd aangevoerd dat de bewezenverklaring inzake het verwerven ontoereikend was gemotiveerd. A-G Fokkens was van mening dat het middel slaagde: voor verwerven zou vereist zijn ‘dat men het goed ten eigen bate bezit’. Uw Raad overwoog dat het hof niet bewezen had verklaard dat de verdachte de bewezenverklaarde voorwerpen voorhanden had gehad, ‘hetgeen in het licht van de gebezigde bewijsmiddelen had gekund’. En dat in cassatie moest worden uitgegaan van ‘de juistheid van de verklaring van de verdachte, voorzover inhoudende dat de man de voorwerpen later zou komen ophalen en dat de verdachte deze dan aan hem moest teruggeven en daarvoor ƒ 25 zou ontvangen’. Nu deze verklaring bezwaarlijk anders kon worden uitgelegd ‘dan dat de verdachte de voorwerpen ten behoeve van de man die ze in zijn zak had gestopt onder zich diende te houden totdat die man ze weer zou komen ophalen en dit erop duidt dat de verdachte de voorwerpen slechts met het oog daarop voorhanden had’, was ’s hofs oordeel dat de verdachte die voorwerpen had verworven niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
14. De interpretatie van de bestanddelen ‘verwerven’ en ‘overdragen’ bij schuldwitwassen was aan de orde in een arrest van Uw Raad van 13 februari 2024.11.Ten laste van de verdachte was bewezenverklaard dat hij € 1.857,57 had verworven en overgedragen, terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf. Uit de bewijsmiddelen volgde dat de verdachte op Rotterdam Centraal Station twee personen had ontmoet en aan hen zijn pinpas en pincode had gegeven, dat vervolgens geld op die rekening was gestort en dat deze twee personen daarna meteen een vergelijkbaar bedrag van de rekening af hadden gehaald. Dat de verdachte gedurende de periode waarin hij zijn bankpas had overgedragen op één of andere wijze feitelijk de beschikking had gehad over het geld dat op zijn bankrekening was gestort (en dit zelf kon gebruiken), bleek niet.12.Uit een voor het bewijs gebruikte verklaring van de verdachte volgde dat hij met de jongens in contact was gekomen om ‘aan geld te komen’. Uw Raad overwoog dat het hof niet had vastgesteld ‘dat de verdachte bemoeienis heeft gehad met de in de bewijsvoering genoemde transacties die met gebruikmaking van die bankrekening hebben plaatsvonden’ en ook niet anderszins ‘nadere vaststellingen (heeft) gedaan waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte binnen het genoemde tijdsbestek feitelijke zeggenschap had over de met het geldbedrag van 1875,57 euro verrichte transacties’. Daarom was ‘s hofs oordeel dat de verdachte een geldbedrag van € 1.875,57 had ‘verworven’ en ‘overgedragen’ niet toereikend gemotiveerd.
15. In beide hiervoor genoemde zaken ging het de verdachte om een beloning die hij zou krijgen van de personen die hij hielp. Ook in de onderhavige zaak ging het de verdachte daarom. Uit de voor het bewijs gebruikte verklaring van de verdachte blijkt immers dat hij € 50,- heeft gekregen voor het afgeven van zijn pinpas en pincode. De zaak vertoont ook verder grote gelijkenissen met de zaak die tot het arrest van 13 februari 2024 leidde. Net als in die zaak heeft de verdachte zijn pinpas en pincode aan iemand afgegeven en blijkt uit de bewijsmiddelen van het hof dat het (totaal)bedrag van € 9.958,- dat op de bankrekening van de verdachte is gestort, vrijwel meteen daarna weer van die rekening is afgehaald. Immers blijkt uit de verklaring van aangeefster [aangeefster] dat zij dat bedrag in vier delen heeft overgemaakt naar de bankrekening van de verdachte, dat zij vijf minuten na de laatste overboeking het niet meer vertrouwde, dat zij toen meteen telefonisch contact heeft opgenomen met de ABN AMRO en dat de medewerkster van de ABN AMRO haar heeft verteld dat het geld direct al was gepind (bewijsmiddel 2). Deze geldopnames zijn gedaan door een persoon waarvan het signalement niet overeenkomt met dat van de verdachte (bewijsmiddel 3).
16. Uit de bewijsmiddelen blijkt – net als in de zaak die tot het arrest van 13 februari 2024 leidde – niet dat de verdachte feitelijke zeggenschap heeft gehad over de transacties met de geldbedragen waar de bewezenverklaring op ziet. Dat brengt mee dat de bewezenverklaring voor zover inhoudend dat de verdachte de in de bewezenverklaring vermelde geldbedragen van in totaal € 9958,- heeft ‘verworven’ ontoereikend met redenen is omkleed.
17. Anders dan in het arrest van 13 februari 2024 is ten laste van de verdachte evenwel ook het ‘voorhanden hebben’ van de geldbedragen bewezenverklaard. Voor dat voorhanden hebben volstaat – meen ik – dat de verdachte feitelijke zeggenschap had over de geldbedragen op zijn bankrekening; feitelijke zeggenschap over de transacties met die geldbedragen is daarvoor niet vereist.
18. Het bestanddeel ‘voorhanden hebben’ komt in diverse strafbaarstellingen voor. Zo verbiedt artikel 26 WWM het voorhanden hebben van een wapen of munitie van de categorieën II en III. Uw Raad heeft in een arrest van 31 maart 2020 overwegingen gewijd aan de interpretatie van dit bestanddeel ‘voorhanden hebben’.13.Voor een veroordeling wegens voorhanden hebben van een wapen of munitie is volgens Uw Raad ‘vereist dat de verdachte het wapen of de munitie bewust aanwezig had’. Vereist is voorts ‘dat de verdachte feitelijke macht over het wapen of de munitie kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken’. Maar in bijzondere gevallen ‘volstaat de enkele mogelijkheid tot het uitoefenen van feitelijke macht over het wapen of de munitie niet voor het oordeel dat de verdachte dat wapen of die munitie voorhanden had’. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn ‘wanneer iemand onverhoeds of ongewild kortstondig een wapen of munitie van een ander in handen krijgt of wanneer iemand onverwacht kennis krijgt van de aanwezigheid in zijn nabijheid van een wapen of munitie van een ander, terwijl hij redelijkerwijs daarvan niet direct afstand kan nemen’.
19. In een arrest van 21 april 2020 heeft Uw Raad vervolgens een overweging gewijd aan de interpretatie van het begrip ‘voorhanden hebben’ in de context van witwassen.14.Voor het als pleger voorhanden hebben van een voorwerp in de zin van artikel 420bis, eerste lid, Sr is volgens Uw Raad ‘vereist dat de verdachte het voorwerp opzettelijk aanwezig had. Dat houdt in dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het voorwerp, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de precieze eigenschappen en kenmerken van dat voorwerp (waaronder begrepen de precieze omvang van een geldbedrag) of tot de exacte locatie daarvan’. Deze interpretatie kan, meen ik, ook bij schuldwitwassen het uitgangspunt zijn. Het verschil tussen witwassen en schuldwitwassen zit in het weten dan wel redelijkerwijs moeten vermoeden dat het voorwerp afkomstig is uit misdrijf, niet in de strafbaar gestelde gedragingen.
20. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte zich ervan bewust was dat geld op zijn rekening zou worden gestort en dat [betrokkene 1] , aan wie hij zijn pinpas met pincode had afgegeven, dat geld vervolgens van zijn rekening zou gaan halen. Dat de verdachte zich bewust was van de omvang van dat geldbedrag volgt niet uit de bewijsmiddelen, maar dat is – zo volgt uit voornoemd arrest – ook niet noodzakelijk. Uit de verklaring die de verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd, kan bovendien worden afgeleid dat [betrokkene 1] gesproken heeft over een bedrag van € 14.000,00 terwijl het bewezenverklaarde totaalbedrag lager is. Dat de verdachte geweten heeft op welk moment het geld precies is gestort en vervolgens weer van de bankrekening is afgehaald, volgt ook niet uit de bewijsmiddelen. Maar dat is – meen ik – evenmin vereist. Ik merk in dat verband op dat voor een bewezenverklaring van ‘voorhanden hebben’ ook geen bewustheid van de exacte locatie van een voorwerp vereist is.
21. Anders ligt meen ik voor zover het gaat om de eis dat de verdachte feitelijke zeggenschap heeft gehad over het geld dat op zijn bankrekening is gestort. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte zijn ‘pinpas met pincode’ heeft afgegeven. Onduidelijk is of de verdachte ook zelf een pinpas heeft gehouden of op andere wijze bij zijn bankrekening kon. De verdachte verklaart ter terechtzitting dat hij ‘een zakelijke bankpas en een privébankpas’ had en zijn ‘pinpassen met pincodes’ heeft afgegeven. Dat zou betekenen dat hij zelf geen bankpas meer had. Het hof overweegt ‘dat de verdachte wel steeds heeft beschikt over de mogelijkheid om via internetbankieren zicht te houden op de betaalstromen op zijn rekening’. Dat volgt – zo merken de stellers van het middel ook op – evenwel niet uit de bewijsmiddelen.
22. Ik merk nog op dat de enkele omstandigheid dat het geld slechts kortstondig op de bankrekening van de verdachte heeft gestaan naar het mij voorkomt niet aan een veroordeling wegens ‘voorhanden hebben’ in de weg behoeft te staan. Van ‘onverhoeds’ of ‘ongewild’ kortstondig het geld voorhanden hebben is geen sprake; de verdachte wist dat er geld op zijn rekening zou worden gestort en dat [betrokkene 1] het er kort daarna weer af zou halen.
23.De bewezenverklaring voor zover inhoudend dat de verdachte het geldbedrag van € 9.958,- ‘voorhanden heeft gehad’, is evenmin toereikend gemotiveerd. Het middel slaagt ook in zoverre.
24. De tweede deelklacht houdt in dat het oordeel van het hof dat de verdachte niet heeft gehandeld met de van hem te verwachten in acht te nemen voorzichtigheid nu hij ‘zeer onachtzaam met zijn rekening omging en dat hij deze daarbij volledig ter beschikking stelde aan een relatief onbekende derde' te kort schiet, omdat uit het verhandelde ter zitting volgt dat de persoon aan wie de verdachte zijn bankpas heeft geleend al ongeveer 6 maanden in de pizzeria kwam en kennelijk dermate veel vertrouwen genoot van de eigenaar van de pizzeria dat de eigenaar hem ook zijn bankpas toevertrouwde. En dat de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft verklaard dat [betrokkene 1] een goede bekende van hem was en dat hij hem in die periode dagelijks in de pizzeria zag en dat verdachte hem vertrouwde.
25 Uit de voor het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte volgt dat de verdachte zijn pinpas en pincode aan [betrokkene 1] heeft gegeven, dat hij [betrokkene 1] had leren kennen in de pizzeria waar hij werkte, dat [betrokkene 1] hem had verteld dat hij een nieuwe woning had en ging verhuizen en dat zijn broertje geld naar hem zou overmaken, maar dat dit geld direct zou worden ingenomen door zijn bewindvoerder. De verdachte heeft voorts verklaard dat de verdachte nooit bij [betrokkene 1] thuis is geweest, dat zij geen vrienden waren en dat de verdachte van de leefsituatie van [betrokkene 1] alleen wist dat hij boven de pizzeria woonde en een uitkering had. Het hof heeft daarnaast overwogen dat de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij [betrokkene 1] niet of nauwelijks kende, dat [betrokkene 1] bij hem kwam met het verhaal dat hij € 14.000,00 zou ontvangen van zijn broertje voor de inrichting van zijn huis, dat de verdachte en [betrokkene 1] oppervlakkig contact hadden via de pizzeria waar de verdachte werkte en dat de verdachte weinig wist van de persoonlijke omstandigheden van [betrokkene 1] .
26. In het licht van deze feiten en omstandigheden heeft het hof, zo begrijp ik, overwogen ‘dat de verdachte zeer onachtzaam met zijn rekening omging en dat hij deze daarbij volledig ter beschikking stelde aan een relatief onbekende derde’. En dat de verdachte onder die omstandigheden ‘redelijkerwijs (moest) vermoeden dat zijn rekening kon worden gebruikt voor het doorsluizen van geld met een criminele herkomst’. Het hof heeft voorts overwogen dat de omstandigheid dat de eigenaar van de pizzeria zijn bankpas ook wel aan dezelfde persoon beschikbaar stelde dit niet anders maakt omdat dit beschikbaar stellen direct verband hield met de aanschaf van spullen ten behoeve van de pizzeria en in die zin niet vergelijkbaar was met de gang van zaken rondom de bankrekening van verdachte.
27. Dit oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk en is voorts toereikend gemotiveerd. Daaraan doet niet af dat, zoals de steller van het middel aanvoert, de verdachte direct de naam van [betrokkene 1] en diens verblijfplaats aan de politie zou hebben genoemd en zou hebben getracht aangifte tegen hem te doen.
28. Het middel faalt in zoverre.
Afronding
29. Het middel slaagt. Ambtshalve merk ik op dat Uw Raad meer dan twee jaren nadat het cassatieberoep is ingesteld uitspraak zal doen. In geval Uw Raad de zaak erugwijst, kan het met de berechting gemoeide tijdsverloop bij het hof aan de orde worden gesteld.
30. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem -Leeuwarden teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 01‑04‑2025
Richtlijn 91/308/EEG van de Raad van 10 juni 1991 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld (PbEG 1991, L 166).
Zie nog Kamerstukken II 2001/02, 27 169, nr. 33a, p. 2.
Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, aant. 1 bij artikel 420quater, actueel t/m 1 oktober 2017.
Wet van 9 oktober 1991, Stb. 520.
HR 26 november 1996, NJ 1997/210.
HR 13 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:222.
Zie de conclusie voor HR 13 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:222, randnummer 14.
HR 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:504, NJ 2020/251 m.nt. Sackers.
HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:570. Vgl. ook HR 30 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:112, NJ 2024/123 m.nt. Jörg.
Beroepschrift 10‑07‑2023
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
te Den Haag
Griffienummer: S 23/00844
Betekening aanzegging: 16 mei 2023
Cassatieschriftuur
Inzake:
[verdachte]
wonende te [woonplaats],
verdachte,
advocaten: R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo
dossiernummer: D20230085
Edelhoogachtbare Heren, Vrouwen:
Inleiding
Ondergetekenden, als daartoe door de verdachte bijzonder gevolmachtigd, R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, advocaten te Rotterdam, hebben hierbij de eer aan u Edelhoogachtbaar College te doen toekomen een schriftuur van cassatie ten vervolge op het door [verdachte], ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden d.d. 17 februari 2023, en alle beslissingen die door het hof ter terechtzitting(en) zijn genomen.
In genoemd arrest heeft het hof de verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren. Daarnaast heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van een vordering van een benadeelde partij.
Middelen van cassatie
Als gronden van cassatie hebben ondergetekenden de eer voor te dragen:
Middel I
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de art. 420quater Sr alsmede 359 en 415 Sv, en wel om het navolgende:
Aan verdachte is primair tenlastegelegd dat hij (verkort zakelijk weergegeven) op of omstreeks 9 september 2019 te [a-plaats] en/of [b-plaats] (gemeente [gemeente]), althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (van) één of meer geldbedragen (van in totaal ongeveer EUR 9958,-), een of meer voorwerpen heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) — onmiddellijk of middellijk — afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
Subsidiair is verdachte tenlastegelegd dat een of meer onbekend gebleven personen, op of omstreeks 9 september 2019 te [a-plaats] en/of [b-plaats] (gemeente [gemeente]), althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (van) één of meer geldbedragen (van in totaal ongeveer EUR 9958,-), althans een of meer voorwerpen, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die voorwerp(en) was/waren, en/of heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den); en/of een of meer geldbedragen (tot een totaalbedrag van ongeveer EUR 9969,-) althans een of meer voorwerpen heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft over gedragen, heeft omgezet, en/of gebruik heeft gemaakt, terwijl deze onbekend gebleven personen wisten, althans redelijkerwijze moesten vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) — onmiddellijk of middellijk — afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf; tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de periode van I juli 2019 tot en met 9 september 2019 te [a-plaats] en/of [b-plaats] (gemeente [gemeente]), in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen meermalen, in ieder geval éénmaal, zijn, verdachtes, bankpassen en/of pincodes en/of bankrekeningnummers mee te geven en/of ter beschikking te stellen.
In eerste aanleg is het subsidiair tenlastegelegde bewezen verklaard, te weten dat een of meer onbekend gebleven personen, op of omstreeks 9 september 2019 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, één of meer geldbedragen (van in totaal ongeveer EUR 9958,-), heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of gebruik heeft gemaakt, terwijl deze onbekend gebleven personen wisten, althans redelijkerwijze moesten vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) — onmiddellijk of middellijk — afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf; tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in de periode van 1 juli 2019 tot en met 9 september 2019 in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen zijn, verdachtes, bankpassen en pincodes en bankrekeningnummers mee te geven en ter beschikking te stellen.
Door en namens verdachte is in hoge beroep aangevoerd dat verdachte van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd dat verdachte (verkort zakelijk weergegeven) direct aan de politie de naam ([betrokkene 1]) en de toenmalige verblijfplaats (de woning boven de pizzeria waar verdachte destijds werkte) heeft genoemd van degene aan wie hij de bankpas heeft geleend. Aangevoerd is dat deze [betrokkene 1] al ongeveer 6 maanden in de pizzeria kwam en kennelijk dermate veel vertrouwen genoot van de eigenaar van de pizzeria dat de eigenaar hem ook zijn bankpas toevertrouwde; verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft verklaard dat [betrokkene 1] een goede bekende van hem was en dat hij hem in die periode dagelijks in de pizzeria zag en dat verdachte hem — in de zin van de eerdergenoemde [betrokkene 1] — vertrouwde. Voorts is aangevoerd dat verdachte vergeefs heeft getracht aangifte te doen en de politie/openbaar ministerie getracht te bewegen onderzoek te doen naar [betrokkene 1].
In hoger beroep heeft het hof bewezen verklaard dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat verdachte op 9 september 2019 in Nederland, geldbedragen (in totaal EUR 9958,-), heeft verworven, en voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, redelijkerwijze moest vermoeden, dat die voorwerpen — onmiddellijk of middellijk — afkomstig waren uit enig misdrijf.
Daartoe heeft het hof overwogen dat (verkort zakelijk weergegeven) verdachte heeft verklaard dat hij [betrokkene 1] niet of nauwelijks kende en dat hij bij hem kwam met verhaal dat hij € 14.000,00 zou ontvangen van zijn broertje voor de inrichting van zijn huis; [betrokkene 1] en de verdachte oppervlakkig contact hadden via de pizzeria waar de verdachte werkte; verdachte ook weinig wist van [betrokkene 1] persoonlijke omstandigheden; omdat [betrokkene 1] onder bewind stond het geld niet op zijn eigen bankrekening gestort kon worden; de verdachte met [betrokkene 1] in zee is gegaan en twee bankpassen en bijhorende pincodes ter beschikking heeft gesteld aan [betrokkene 1], in ruil voor € 50; de beperkte financiële positie van de verdachte een rol heeft gespeeld bij het accepteren van het voorstel van [betrokkene 1]; het van de telefoon-fraude afkomstige geld gestort is op een bij de verdachte actief in gebruik zijnde rekening; op de dag dat het geld is gestort het geld met de bankpas van de verdachte ook contant is opgenomen, zodat niet anders kan dan dat de verdachte die anderen ook de pincode van zijn pas ter beschikking heeft gesteld; door het contant opnemen van het geld dit aan het zicht werd onttrokken; het hof op grond van het voorgaande concludeert dat de verdachte zeer onachtzaam met zijn rekening omging en dat hij deze daarbij volledig ter beschikking stelde aan een relatief onbekende derde; deze persoon kennelijk in omstandigheden verkeerd waarbij hij niet over een eigen bankrekening kon beschikken, dan wel er wel over beschikte, maar voor zijn betalingsactiviteiten daarvan geen gebruik wilde maken; het gerechtshof het voorts van belang acht dat de verdachte wel steeds heeft beschikt over de mogelijkheid om via internetbankieren zicht te houden op de betaalstromen op zijn rekening en onder die omstandigheden de verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat zijn rekening kon worden gebruikt voor het doorsluizen van geld met een criminele herkomst en verdachte door het ter beschikking stellen van zijn rekening en betaalpas hij dit geld zodoende verworven en voorhanden heeft gehad. Voorts heeft het hof overwogen dat de omstandigheid dat de eigenaar van de pizzeria zijn bankpas ook wel aan dezelfde persoon beschikbaar stelde dit niet anders maakt nu dit beschikbaar stellen immers direct verband hield met de aanschaf van spullen ten behoeve van de pizzeria en in die zin niet vergelijkbaar was met de gang van zaken rondom de bankrekening van verdachte.
In het licht van hetgeen door en namens verdachte is aangevoerd en hetgeen door het hof is vastgesteld schiet de verwerping van het verweer/bewezenverklaring te kort. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte ten tijde van het tijdstip dat het bedrag op zijn bankrekening werd bijgeschreven niet de beschikking heeft gehad over de bankpas en pas op de hoogte werd gesteld van de omstandigheid dat het geld eerder zeer kort op zijn bankrekening was bijgeschreven nadat het geldbedrag daarvan was afgehaald. Nu het hof ook niet heeft vastgesteld dat verdachte op een andere wijze over zijn bankrekening heeft kunnen beschikken heeft verdachte dus niet zelf de geldbedragen verworven of voorhanden gehad ten tijde van de periode dat het geld op de bankrekening is gestort en daarop heeft gestaan. Dit klemt te meer nu niet bewezen is verklaard dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen de bedragen heeft verworven of voorhanden heeft gehad. De enkele theoretische mogelijkheid dat verdachte over het bedrag zou hebben kunnen beschikken indien hij wel de bankpas in zijn bezit zou hebben gehad of (al dan niet daarmee) via internetbankieren toegang tot zijn rekening zou hebben kunnen gehad betekent immers niet dat verdachte daadwerkelijk over de bankrekening en het geld heeft kunnen beschikken. Daarbij is van belang dat het hof kennelijk heeft aangenomen dat verdachte ook niet via internetbankieren daadwerkelijk tijdig op de hoogte was van de omstandigheid dat het geldbedrag op zijn bankrekening was overgemaakt voordat het bedrag er vanaf was gehaald. De enkele door het hof als zodanige benoemde mogelijkheid tot het via internetbankieren zicht houden op de bankrekening is — nog los van het feit dat het hof naast het benoemen van deze mogelijkheid niet in (met voldoende mate van nauwkeurigheid aangeduide) bewijsmiddelen heeft vastgesteld dat verdachte daadwerkelijk — zonder bankpas — gebruik kon maken van internetbankieren — onvoldoende om van bewustzijn te kunnen spreken.
Voorts is het volgende van belang. Verdachte heeft direct aan de politie de naam ([betrokkene 1]) en de toenmalige verblijfplaats (de woning boven de pizzeria waar verdachte destijds werkte) genoemd van degene aan wie hij de bankpas heeft geleend. Verdachte heeft vergeefs getracht aangifte te doen en de politie/openbaar ministerie getracht onderzoek te laten instellen. Uit het verhandelde ter zitting volgt dat deze [betrokkene 1] al ongeveer 6 maanden in de pizzeria kwam en kennelijk dermate veel vertrouwen genoot van de eigenaar van de pizzeria dat de eigenaar hem ook zijn bankpas toevertrouwde; verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft verklaard dat [betrokkene 1] een goede bekende van hem was en dat hij hem in die periode dagelijks in de pizzeria zag en dat verdachte hem — in de zin van de eerdergenoemde [betrokkene 1] — vertrouwde. In dit licht bezien schiet het oordeel van het hof, dat verdachte niet heeft gehandeld met de van hem te verwachten in acht te nemen voorzichtigheid nu verdachte ‘verdachte zeer onachtzaam met zijn rekening omging en dat hij deze daarbij volledig ter beschikking stelde aan een relatief onbekende derde’ te kort. Dat de eigenaar van de pizzeria de bankpas ook aan [betrokkene 1] ter beschikking heeft gesteld in verband met een andere reden te weten de aanschaf van spullen ten behoeve van de pizzeria neemt immers niet weg dat de eigenaar kennelijk dermate veel vertrouwen koesterde in [betrokkene 1] dat de eigenaar hem de bankpas van de pizzeria ter beschikking heeft gesteld. Daarbij wordt ook nog opgemerkt dat verdachte niet kon of behoefde te verwachten dat de politie nader onderzoek naar de identiteit en verblijfplaats van [betrokkene 1] teneinde deze op te sporen en te vervolgen en het geld te laten retourneren maar gewoon achterwege zou laten.
Het arrest kan dan ook niet in stand blijven.
Toelichting
1.1
Aan verdachte is tenlastegelegd, dat:
‘primair
hij, op of omstreeks 9 september 2019 te [a-plaats] en/of [b-plaats] (gemeente [gemeente]), althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (van) één of meer geldbedragen (van in totaal ongeveer EUR 9958,-), althans een of meer voorwerpen,
(Sub a)'
- —
de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
- —
heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die voorwerp(en) was/waren, en/of
- —
heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den); en/of
(sub b) een of meer geldbedragen (tot een totaalbedrag van ongeveer EUR 9958,-) althans een of meer voorwerpen heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) — onmiddellijk of middellijk — afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
subsidiair
een of meer onbekend gebleven personen, op of omstreeks 9 september 2019 te [a-plaats] en/of [b-plaats] (gemeente [gemeente]), althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (van) één of meer geldbedragen (van in totaal ongeveer EUR 9958,-), althans een of meer voorwerpen,
(Sub a)
- —
de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
- —
heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die voorwerp(en) was/waren, en/of
- —
heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den); en/of
(sub b) een of meer geldbedragen (tot een totaalbedrag van ongeveer EUR 9969,-) althans een of meer voorwerpen heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft over gedragen, heeft omgezet, en/of gebruik heeft gemaakt, terwijl deze onbekend gebleven personen wisten, althans redelijkerwijze moesten vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) — onmiddellijk of middellijk — afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf; tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de periode van I juli 2019 tot en met 9 september 2019 te [a-plaats] en/of [b-plaats] (gemeente [gemeente]), in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen meermalen, in ieder geval éénmaal, zijn, verdachtes, bankpassen en/of pincodes en/of bankrekeningnummers mee te geven en/of ter beschikking te stellen.’
1.2
In het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 13 oktober 2021 is onder meer gerelateerd:
‘Verdachte, ter terechtzitting ondervraagd, geeft —zakelijk weergegeven— onder meer op: Ik ben te goed van vertrouwen geweest en ben bij de politie eerlijk geweest over wat er is gebeurd. De fraudeur in deze zaak is een goede bekende van mij. Hij kwam elke dag wat eten in de pizzeria waar ik werkte. Ik was met hem in gesprek en hij vertelde mij dat hij onder bewind staat. Ik wist dat hij geld nodig had voor een inboedel. Hij vroeg of dat geld op mijn bankrekening gezet mocht worden. Ik was er heilig van overtuigd dat het geld van zijn broer was en wist niet dat het crimineel geld was. Ik kwam er de dag dat het geld op mijn rekening was gestort achter dat dit allemaal gebeurd was. Ik kreeg een melding dat er geld van mijn rekening af was gehaald. Ik heb direct contact opgenomen met de bank en de politie. Ik heb hem verteld dat ik aangifte zou gaan doen.
(…)
De officier van justitie voert het woord en vordert veroordeling van verdachte ter zake het subsidiair tenlastegelegde feit tot een taakstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis.
(…)
De raadsman voert het woord tot verdediging en voert —zakelijk weergegeven— onder meer aan:
(…)
Het enige wat aan verdachte gelinkt kan worden is dat de bankrekening op zijn naam staat. Er is erg summier onderzoek gedaan door de politie. De echte verdachten zijn niet bekend geworden. Verdachte zit hier wel, maar heeft er eigenlijk niet veel mee te maken. Duidelijk is dat verdachte niet gebeld of gepind heeft. Hij heeft alleen zijn bankpas met pincode afgegeven. Het is frustrerend dat hij hier de dupe van wordt.
(…)
Subsidiair ben ik van mening dat verdachte dient worden vrijgesproken. Er is geen betrokkenheid van verdachte bij het gepleegde feit. Daarnaast is er ook geen sprake van medeplichtigheid, omdat er geen opzet op het gronddelict was.’
1.3
In het vonnis heeft de politierechter bewezen verklaard dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
‘een of meer onbekend gebleven personen, op of omstreeks 9 september 2019 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans al leen, één of meer geldbedragen (van in totaal ongeveer EUR 9958,-), heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of gebruik heeft gemaakt, terwijl deze onbekend gebleven personen wisten, althans redelijkerwijze moesten vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) — onmiddellijk of middellijk — afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf;
tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in de periode van 1 juli 2019 tot en met 9 september 2019 in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen zijn, verdachtes, bankpassen en pincodes en bankrekeningnummers mee te geven en ter beschikking te stellen;’
1.4
Ten behoeve van de bewezenverklaring heeft de politierechter onder meer gebruikt:
‘3.
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 8 juni 2020, opgenomen op pagina 47 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:
V: Is er met de ING bankrekening fraude gepleegd?
A: Met die ING, ja. Ik heb mijn bankpas gegeven aan [betrokkene 1], dat is de fraudeur. Ik ken hem van mijn oude werk. [betrokkene 1] woonde boven het bedrijf waar ik werkte. Dat is de [a-straat 01] in [c-plaats]. Ik werkte bij ene Pizzeria, [A] te [c-plaats]. ergens in juli of augustus 2019 kwam [betrokkene 1] met het verhaal dat hij geld kreeg overgemaakt van zijn broertje, ongeveer 14000 Euro. Dit kon niet op zijn rekening gestort worden omdat hij in de bewindvoering zat. Toen vroeg hij mij om mijn pasjes. Ik gaf hem mijn ING en Rabobank passen aan [betrokkene 1]. De Rabobank kon iet zoveel op, zei [betrokkene 1]. Hier kon volgens hem maar 5000 Euro op gestort worden. [betrokkene 1] kreeg van mij mijn twee bankpassen en hij kreeg van mij ook de pincode erbij.
Toen is hij met mijn bankpassen mee weg gegaan en heeft hij fraude gepleegd. Ik werd door de bank gebeld dat er fraude met mijn pas gepleegd was. Ik heb nog geprobeerd om [betrokkene 1] op te zoeken maar hij woonde niet meer op het eerste adres. Ik weet dat hij in [d-plaats] woont. Ik heb hem opgezocht in [c-plaats] ik heb hem op Facebook hem nog een berichtje gestuurd. Hij heeft de zelfde naam op Facebook [betrokkene 1]. Maar ik heb niets meer van hem gehoord. Ik heb mijn bankpassen ook niet terug gekregen. De bank had mijn rekeningen geblokkeerd.’
1.5
Tegen het vonnis heeft verdachte hoger beroep ingesteld. In de tot de stuken behorende appelschriftuur is door mr. W.H. ten Have, advocaat te Windschoten, onder meer aangevoerd:
‘Cliënt is het niet eens met de bewezenverklaring van bovengenoemd feit en het toewijzen van de vordering benadeelde partij. Uit een uitspraak van de Hoge Raad op 18 februari 2014 volgt dat voor het aannemen van medeplichtigheid aan het bovengenoemde feit het opzet van de verdachte zowel gericht moet zijn geweest op het verschaffen van de middelen en inlichtingen als bedoeld in art. 48 Sr als op de door de dader gepleegde misdrijven.1
Cliënt heeft in goed vertrouwen zijn pasjes met bijbehorende pincodes afgegeven aan een kennis omdat deze geld zou ontvangen van zijn broer. Deze kennis stond zelf onder bewind en kon daarom het geld niet op zijn eigen rekening ontvangen. Nadat cliënt vernam dat er met zijn bankrekening fraude was gepleegd heeft hij eerst op eigen initiatief en vervolgens op advies van de Rabobank vervolgens meerdere malen geprobeerd om aangifte te doen van misbruik/fraude. De politie heeft dit echter meermaals geweigerd. Cliënt heeft hier ook nog een beklagprocedure voor niet vervolgen tegen ingezet, welke ongegrond is verklaard. Hij is ontzettend teleurgesteld dat hij nu in eerste aanleg is veroordeeld voor zijn goed vertrouwen en naïviteit.
Uit het voorgaande blijkt dat cliënt wel opzet had op het verschaffen van de middelen en de inlichtingen als bedoeld in art. 48 Sr, maar dat hij absoluut geen opzet had op het gepleegde misdrijf. Cliënt meent dan ook dat het feit ten onrechte bewezen is verklaard en dat de vordering benadeelde partij groot € 9.958,00 ten onrechte is toegewezen. Hij heeft ook op geen enkele manier financieel gewin in deze zaak.’
1.6
In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 3 februari 2023 is onder meer gerelateerd:
‘De verdachte, die hoger beroep heeft ingesteld, wordt onmiddellijk na de voordracht van de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld mondeling de bezwaren tegen het vonnis op te geven:
Ik ben van mening dat ik onschuldig ben veroordeeld. Ik heb mijn bankpas afgegeven aan [betrokkene 1] en hij heeft mij bedonderd. Hij gaf aan dat hij onder bewind stond en dat er voor hem geld naar mij zou worden overgemaakt omdat hij geld nodig had voor de inrichting van zijn huis, wat bleek niet waar te zijn. Ik heb er betrokkenheid bij doordat ik mijn bankpassen heb uitgeleend, maar ik heb niet strafbaar gehandeld.
(…)
U houdt mij voor dat er aangifte is gedaan door een mevrouw, die gebeld is door iemand die zich voordoet als bankmedewerker. Daar weet ik niets van af. Ik heb alleen mijn bankpas gegeven aan [betrokkene 1]. Ik werkte destijds bij de pizzeria. Ik had met hem een gesprek gehad en een drankje gedaan. Ik vertrouwde hem. Hij huurde een woning daarboven en die jongens aten vaak bij ons in de pizzeria. Zo heb ik hem leren kennen. Ik zag hem wel dagelijks voor een halfjaar lang.
Hij had mij verteld dat hij een nieuwe woning had en ging verhuizen. Zijn broertje zou geld naar hem overmaken, maar omdat hij onder bewind stond, zou dat geld direct door bewindvoerder worden ingenomen. Ik verplaats mij dan in iemand en dacht dat hij dan zijn geld kwijt zou zijn. Ik wilde hem helpen. Achteraf gezien deugde het niet. Ik dacht dat het geld van zijn broer was voor zijn woning. Dat het zo veel geld was, wist ik niet. In mijn verklaring heb ik gezegd dat het ging om 14.000 euro. Ik heb toen naar waarheid verklaard. Nu ik erop terugkijk is het überhaupt gek dat ik ermee heb ingestemd. Ik kreeg in de gaten dat er iets aan de hand was toen de bank me belde over een fraudemelding en vertelde dat er aangifte gedaan zou worden.
Ik heb mijn pinpassen met pincodes, inderdaad afgegeven. Dat was een stukje vertrouwen dat ik nooit meer terug krijg. Dat was mijn fout en is me duur komen te staan. Ik had niet bedacht dat ik zelf het geld had kunnen opnemen om te kijken wat er gebeurde, omdat ik aan het werk was. Het moest allemaal snel, vanwege wat hij mij vertelde. Er stond 50 euro tegenover als bedankje, vooraf gegeven.
Ik had een zakelijke bankpas en een privébankpas. Ik was toen ZZP'er. Ik weet niet waarom ik twee bankpassen nodig had. Mijn financiële situatie was toen niet goed. Ik had schulden. Dat speelde ook mee om hem te helpen, omdat 50 euro dan wel nuttig kan zijn. Als ik had geweten waar het geld vandaan kwam, dan had ik het niet gedaan, voor welk bedrag dan ook.
U houdt mij voor dat er onderzoek is gedaan naar degene die het geld heeft opgenomen, dat ik dat niet ben en dat ik er niet op lijk. Dat klopt. Dat kreeg ik ook te zien bij het politieverhoor.
(…)
Ik stond toentertijd niet onder bewind. In mijn eerdere contacten met [betrokkene 1] hebben we gesproken over elkaars leven. Zijn familie woonde in [e-plaats]. Hij had hier in de buurt geen familie wonen. Ik ben nooit bij hem thuis geweest. Tijdens onze contacten zat hij bij de pizzeria. We waren geen vrienden, dat is een te groot woord. We kwamen niet bij elkaar over de vloer. Van zijn leefsituatie wist ik alleen dat hij boven de pizzeria woonde en een uitkering had.
(…)
Ik kende [betrokkene 1] zes maanden. Ik geef mijn bankpas tegenwoordig nooit meer uit aan iemand, zelfs niet aan mijn vriendin.
(…)
De raadsman voert het woord tot verdediging:
We kunnen vaststellen dat cliënt zijn bankpassen en pincodes heeft afgegeven aan [betrokkene 1]. Hij was geen onbekende van cliënt: hij was een vaste bezoeker van de pizzeria. De eigenaar van de pizzeria leende ook wel eens zijn bankpas uit aan [betrokkene 1] om spullen te kopen. Dat zag cliënt ook.
Het is duidelijk dat degene die de bedragen gepind heeft, niet cliënt is. Cliënt wilde alleen [betrokkene 1] helpen voor zijn woninginrichting. Na de fraudemelding heeft cliënt meerdere keren de politie gebeld en wilde hij graag aangifte doen.
Er was sprake van een vertrouwensrelatie, die gebruikelijk was in de pizzeria. Het ging altijd goed en [betrokkene 1] kwam met een mooi verhaal. Cliënt had misschien door moeten vragen, maar het is niet zo dat hij wist dat het geld afkomstig was van een andere bron. Cliënt heeft ook nog een artikel 12 Sv-procedure gestart, die ongegrond is verklaard. Vrijspraak zou hier op zijn plaats zijn.’
1.7
In het arrest heeft het hof overwogen/geoordeeld:
‘Beoordeling van het gerechtshof
(…)
Ingevolge artikel 420quater, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht maakt men zich schuldig aan het schuldwitwassen van een goed indien men redelijkerwijs moet vermoeden dat dit goed afkomstig is uit enig misdrijf. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet het gaan om grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid ten aanzien van de herkomst van het goed. Daarvan is sprake indien de verdachte bij enig nadenken over de hem bekende gegevens betreffende het goed, had kunnen vermoeden dat het goed van misdrijf afkomstig was en hij zonder nader onderzoek naar de herkomst van het goed niet had mogen handelen zoals is bewezen verklaard. Wat van de verdachte omtrent de in acht te nemen voorzichtigheid verwacht mag worden, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
Het gerechtshof leidt uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden af.
Op 9 september 2019 is aangeefster gebeld door iemand die zich voordeed als medewerker van de ABN-Amro bank. Deze persoon vroeg aangeefster om een aantal bedragen over te maken naar een derde partij. Vervolgens heeft aangeefster in vier delen het bedrag van € 9.958 overgemaakt naar het rekeningnummer dat de persoon opgaf.
Voorts is uit de historische financiële gegevens gebleken dat het bankrekeningnummer waarop aangeefster de bedragen heeft overgemaakt op naam staat van de verdachte bij de ING-bank. Uit deze gegevens is gebleken dat op 9 september 2019 een viertal beschrijvingen hebben plaatsgevonden op het rekeningnummer, te weten: € 2.483, € 2.486, € 2.491 en € 2.498. Deze overboekingen waren allemaal afkomstig van het door aangeefster opgegeven rekeningnummer.
Daarnaast is uit de gegevens naar voren, gekomen dat op 9 september 2019 contante geldopnames hebben plaatsgevonden, vrijwel direct nadat aangeefster de geldbedragen had overgemaakt. Deze geldopnames zijn gedaan met het bij de bank bekende betaalpas(nummer) van de verdachte.
Op grond van het bovenstaande staat vast dat het geld ten bedrage van € 9.958, dat op de rekening van de verdachte is gestort en vervolgens contant is opgenomen uit misdrijf afkomstig is, namelijk van telefoon-fraude.
Aan de hand van het strafdossier is niet vast te stellen wie verantwoordelijk is geweest voor de telefoon-fraude, noch wie het geld contant heeft opgenomen. Ten aanzien van de vraag of de verdachte enige wetenschap heeft gehad of had moeten hebben ten aanzien van de gang van zaken overweegt het gerechtshof als volgt.
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij [betrokkene 1] niet of nauwelijks kende en dat hij bij hem kwam met verhaal dat hij € 14.000,00 zou ontvangen van zijn broertje voor de inrichting van zijn huis. [betrokkene 1] en de verdachte hadden oppervlakkig contact via de pizzeria waar de verdachte werkte. Ook wist de verdachte weinig van [betrokkene 1] persoonlijke omstandigheden. Omdat [betrokkene 1] onder bewind stond, kon het geld niet op zijn eigen bankrekening gestort worden. De verdachte is met [betrokkene 1] in zee gegaan en heeft twee bankpassen en bijhorende pincodes ter beschikking gesteld aan [betrokkene 1], in ruil voor € 50. De beperkte financiële positie van de verdachte heeft een rol gespeeld bij het accepteren van het voorstel van [betrokkene 1].
Het van de telefoon-fraude afkomstige geld is gestort op een bij de verdachte actief in gebruik zijnde rekening. Op de dag dat het geld is gestort is het geld met de bankpas van de verdachte ook contant opgenomen, zodat niet anders kan dan dat de verdachte die anderen ook de pincode van zijn pas ter beschikking heeft gesteld. Door het contant opnemen van het geld werd dit aan het zicht onttrokken. Het gerechtshof concludeert op grond van het voorgaande dat de verdachte zeer onachtzaam met zijn rekening omging en dat hij deze daarbij volledig ter beschikking stelde aan een relatief onbekende derde. Deze persoon verkeerde kennelijk in omstandigheden waarbij hij niet over een eigen bankrekening kon beschikken, dan wel er wel over beschikte, maar voor zijn betalingsactiviteiten daarvan geen gebruik wilde maken. Voorts acht het gerechtshof van belang dat de verdachte wel steeds heeft beschikt over de mogelijkheid om via internetbankieren zicht te houden op de betaalstromen op zijn rekening. Onder die omstandigheden moest de verdachte redelijkerwijs vermoeden dat zijn rekening kon worden gebruikt voor het doorsluizen van geld met een criminele herkomst. Door het ter beschikking stellen van zijn rekening en betaalpas heeft hij dit geld zodoende verworven en voorhanden gehad.
De omstandigheid dat de eigenaar van de pizzeria zijn bankpas ook wel aan dezelfde persoon beschikbaar stelde maakt dit niet anders. Dit beschikbaar stellen hield immers direct verband met de aanschaf van spullen ten behoeve van de pizzeria en was in die zin niet vergelijkbaar met de gang van zaken rondom de bankrekening van verdachte.
Het gerechtshof komt daarmee tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde feit.’
1.8
In het arrest heeft het hof bewezen verklaard, dat:
‘primair
hij op 9 september 2019 in Nederland, geldbedragen (in totaal EUR 9958,-), heeft verworven, en voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, redelijkerwijze moest vermoeden, dat die voorwerpen — onmiddellijk of middellijk — afkomstig waren uit enig misdrijf.’
1.9
Als bewijsmiddel heeft het hof onder meer gebruikt:
- ‘1.
Een proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 3 februari 2023, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:
Ik heb mijn bankpas gegeven aan [betrokkene 1]. Ik werkte destijds bij de pizzeria. Hij huurde een woning daarboven en die jongens aten vaak bij ons in de pizzeria. Zo heb ik hem leren kennen.
Hij had mij verteld dat hij een nieuwe woning had en ging verhuizen. Zijn broertje zou geld naar hem overmaken, maar door zijn bewindvoerder zou dat direct worden ingenomen. Ik wilde hem helpen.
Ik heb mijn pinpas met pincode inderdaad af gegeven. Er stond 50 euro tegenover als bedankje, vooraf gegeven. Mijn financiële situatie was toen niet goed. Ik had schulden. Dat speelde ook mee om hem te helpen, omdat 50 euro dan wel nuttig kan zijn.
In mijn eerdere contacten met [betrokkene 1] hebben we gesproken over elkaars leven. Ik ben nooit bij hem thuis geweest. We waren geen vrienden, dat is een te groot woord. We kwamen niet bij elkaar over de vloer. Van zijn leefsituatie wist ik alleen dat hij boven de pizzeria woonde en een uitkering had.’
1.10
Het bewezenverklaarde is door het hof gekwalificeerd als:
‘Het primair bewezenverklaarde levert op:
schuld witwassen.’
1.11
De begrippen verwerven en voorhanden hebben veronderstellen feitelijke zeggenschap ten aanzien van een goed, al is niet vereist dat het goed zich in de fysieke nabijheid bevindt. Het voorhanden hebben omvat het kunnen beschikken over een goed dat elders ligt opgeslagen. Voor een veroordeling ter zake van schuldwitwassen in de zin van art. 420quater, eerste lid, Sr is voorts vereist dat de verdachte ‘redelijkerwijs moet vermoeden dat het voorwerp — onmiddellijk of middellijk — afkomstig is uit enig misdrijf’. Indien de verdachte, gelet op de omstandigheden van het geval, niet zonder nader onderzoek met een voorwerp mag handelen, rust op hem een onderzoeksplicht met betrekking tot de herkomst van dit voorwerp. Bij een veroordeling wegens schuldwitwassen dient uit de bewijsvoering te kunnen worden afgeleid dat de verdachte in die mate is tekortgeschoten in de op hem rustende onderzoeksplicht dat hij met de voor schuldwitwassen vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft gehandeld, hetgeen maakt dat de verdachte moest vermoeden dat het voorwerp van enig misdrijf afkomstig was.1.
1.12
Het bestanddeel ‘voorhanden hebben’ is ook opgenomen in de WWM. De aanwezigheid van een wapen krijgt bijvoorbeeld pas strafrechtelijke consequenties in relatie tot een mate van beschikkingsmacht over dat wapen en het in meer of mindere mate bewust zijn van de aanwezigheid van het wapen. De aanwezigheid van een wapen in de eigen woning, eigen auto of het eigen bedrijf van de verdachte maakt het waarschijnlijker dat hij zich bewust is van deze aanwezigheid en dat hij erover kan beschikken, maar dit is daarmee nog niet zonder meer het geval.2. Feitelijke bewustheid kan niet worden afgeleid van een al veronderstelde onderzoeksplicht.3. Het voorhanden hebben in de zin van de WWM veronderstelt een meer of mindere mate van bewustheid van de waarschijnlijke aanwezigheid daarvan en het kunnen uitoefenen van de feitelijke macht daarover in de zin van het daarover kunnen beschikken; in bijzondere gevallen volstaat de enkele mogelijkheid tot het uitoefenen van de feitelijke macht niet.4. Zo betekent beschikkingsmacht hebben over een opslagbox en de inhoud daarvan, als ook anderen dan de huurder de sleutel hebben van die opslagbox, nog niet dat de verdachte ook de beschikkingsmacht had over een in die box in een doos opgeslagen riotgun met munitie. Die beschikkingsmacht over box en inhoud betekent immers nog niet dat de verdachte zich ook bewust was van alles wat in die box lag.5.
1.13
Het voorhanden hebben van een goed betekent overigens niet dat het daarmee tegelijkertijd wordt ‘verworven’. Zo geeft Diepenmaat aan dat een vervoerder bijvoorbeeld goederen voorhanden kan hebben maar dat niet gezegd kan worden dat hij deze goederen daarmee ook heeft verworven. Verwerven doet men voor zich zelf en daarvan hoeft bij voorhanden hebben geen sprake te zijn.6.
1.14
In het licht van hetgeen door en namens verdachte is aangevoerd en hetgeen door het hof is vastgesteld schiet de verwerping van het verweer/bewezenverklaring te kort. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte ten tijde van het tijdstip dat het bedrag op zijn bankrekening werd bijgeschreven niet de beschikking heeft gehad over de bankpas en pas op de hoogte werd gesteld van de omstandigheid dat het geld eerder zeer kort op zijn bankrekening was bijgeschreven nadat het geldbedrag daarvan was afgehaald. Nu het hof ook niet heeft vastgesteld dat verdachte op een andere wijze over zijn bankrekening heeft kunnen beschikken heeft verdachte dus niet zelf de geldbedragen verworven of voorhanden gehad ten tijde van de periode dat het geld op de bankrekening is gestort en daarop heeft gestaan. Dit klemt te meer nu niet bewezen is verklaard dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen de bedragen heeft verworven of voorhanden heeft gehad. De enkele theoretische mogelijkheid dat verdachte over het bedrag zou hebben kunnen beschikken indien hij wel de bankpas in zijn bezit zou hebben gehad of (al dan niet daarmee) via internetbankieren toegang tot zijn rekening zou hebben kunnen gehad betekent immers niet dat verdachte daadwerkelijk over de bankrekening en het geld heeft kunnen beschikken. Daarbij is van belang dat het hof kennelijk heeft aangenomen dat verdachte ook niet via internetbankieren daadwerkelijk tijdig op de hoogte was van de omstandigheid dat het geldbedrag op zijn bankrekening was overgemaakt voordat het bedrag er vanaf was gehaald. De enkele door het hof als zodanige benoemde mogelijkheid tot het via internetbankieren zicht houden op de bankrekening is — nog los van het feit dat het hof naast het benoemen van deze mogelijkheid niet in (met voldoende mate van nauwkeurigheid aangeduide) bewijsmiddelen heeft vastgesteld dat verdachte daadwerkelijk — zonder bankpas — gebruik kon maken van internetbankieren — onvoldoende om van bewustzijn te kunnen spreken. Nu daarenboven verdachte het geld gezien het voorgaande ook evident niet voor zichzelf ontvangen heeft kan er ook geen sprake zijn van het verwerven van de geldbedragen.7.
1.15
Voorts is het volgende van belang. Verdachte heeft direct aan de politie de naam ([betrokkene 1]) en de toenmalige verblijfplaats (de woning boven de pizzeria waar verdachte destijds werkte) genoemd van degene aan wie hij de bankpas heeft geleend. Verdachte heeft vergeefs getracht aangifte te doen en de politie/openbaar ministerie getracht onderzoek te laten instellen. Uit het verhandelde ter zitting volgt dat deze [betrokkene 1] al ongeveer 6 maanden in de pizzeria kwam en kennelijk dermate veel vertrouwen genoot van de eigenaar van de pizzeria dat de eigenaar hem ook zijn bankpas toevertrouwde; verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft verklaard dat [betrokkene 1] een goede bekende van hem was en dat hij hem in die periode dagelijks in de pizzeria zag en dat verdachte hem — in de zin van de eerdergenoemde [betrokkene 1] — vertrouwde. In dit licht bezien schiet het oordeel van het hof, dat verdachte niet heeft gehandeld met de van hem te verwachten in acht te nemen voorzichtigheid nu verdachte ‘verdachte zeer onachtzaam met zijn rekening omging en dat hij deze daarbij volledig ter beschikking stelde aan een relatief onbekende derde’ te kort. Dat de eigenaar van de pizzeria de bankpas ook aan [betrokkene 1] ter beschikking heeft gesteld in verband met een andere reden te weten de aanschaf van spullen ten behoeve van de pizzeria neemt immers niet weg dat de eigenaar kennelijk dermate veel vertrouwen koesterde in [betrokkene 1] dat de eigenaar hem de bankpas van de pizzeria ter beschikking heeft gesteld. Daarbij wordt ook nog opgemerkt dat verdachte niet kon of behoefde te verwachten dat de politie nader onderzoek naar de identiteit en verblijfplaats van [betrokkene 1] teneinde deze op te sporen en te vervolgen en het geld te laten retourneren maar gewoon achterwege zou laten.
1.16
Het arrest kan dan ook niet in stand blijven.
Dat
Op vorenstaande gronden het u Edelhoogachtbaar College moge behagen, gemelde uitspraak te vernietigen met een zodanige uitspraak als uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt.
Rotterdam, 10 juli 2023
Advocaten
R.J. Baumgardt
M.J. van Berlo
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 10‑07‑2023
Vgl. Kamerstukken II 1999/2000, 27 159, nr. 3, p. 8–9, alsmede HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1588 en HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3056.
Zie randnummer 9 van de conclusie van (toenmalige) P-G Silvis voor HR 31 maart 2020, NJ 2020/251.
Randnummer 24 van de in noot 2 genoemde conclusie.
Zie ook de noot van HJ Sackers onder HR 31 maart 2020, NJ 2020/252.
HR 26 januari 1999, LJN ZD1169, NJ 1999/537. Zie voor een soortgelijke situatie HR 28 augustus 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX3828 waarin een vuurwapenarsenaal en munitie is aangetroffen in een kelderbox van een door verdachte gehuurde woning, maar waarin de verdediging had aangevoerd dat ook anderen sleutels van de berging hadden en de gelegenheid hadden om daar wapens te verbergen. Zie tot slot HR 7 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN2370, NJ 2010/682 waarin de Hoge Raad tot vernietiging van de uitspraak van het hof kwam omdat de gebruikte bewijsvoering de juistheid niet weerlegde van de verklaring van de verdachte dat ook anderen dan hijzelf de sleutel hadden van de door de verdachte gehuurde opslagbox waar het vuurwapen en de munitie zijn aangetroffen.
F. Diepenmaat, De Nederlandse strafbaarstelling van witwassen. Een onderzoek naar de reikwijdte en de toepassing van artikel 420bis Sr (diss. RU), Deventer: Wolters Kluwer 2016, par. 4.3.1.3.
Zie randnummer 1.13.