Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/8.3.1
8.3.1 Geen nakoming vorderen / Niet (verder) in rechte nakoming vorderen / Geen betaling in ontvangst nemen
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS589490:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de vraag of niets doen een beschikkingshandeling kan zijn, Van Drooge 2005.
Zie voor uitzonderingen art. 3:323 lid 2 en lid 3 BW. Zie voor een voorbeeld Rb. 's-Gravenhage 17 december 2003, JOR 2004/86.
De bevoegdheid tot verrekening eindigt niet door verjaring (art. 6:131 lid 1 BW).
Dit zal zich aan de kant van de schuldeiser in de regel alleen in hoger beroep of in cassatie voordoen, niet in eerste instantie.
Zie daarover o.a. Snijders, Klaassen & Meijer, nr. 140, 144.
Door het instellen van een eis wordt de verjaring van een rechtsvordering gestuit (art. 3:316 lid 1 BW).
Zie HR 13 oktober 1995, NJ 1996, 108.
Zie Streefkerk 2006b, nr. 12 (p. 23); en Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2008, nr. 298.
Zie hiervóór nr. 82.
Zie o.a. art. 6:29 BW, art. 6:30 lid 2 BW, art. 6:44 lid 2 en lid 3 BW art. 6:86 BW, art. 6:121 lid 2 BW en vgl. art. 7:29 BW.
Hieronder vallen allerlei maatregelen zoals het uitoefenen van zekerheden, zoals pand, hypotheek en borg, alsmede directe en indirecte reële executie (indirect, zoals gijzeling en dwangsom) van de verschuldigde prestatie, het leggen van executoriaal beslag en de bevoegdheid genoemd in art. 6:79 BW, zie Streefkerk 2006b, nr. 17. Vgl. Verbintenissenrecht 2010 (Y.E.M. Beukers & A.L.M. Keirse), art. 6:62, aant. 3.
479. Niets doen- het niet uitoefenen van een bevoegdheid, en met name het niet vorderen van nakoming, het niet (verder) in rechte vorderen van nakoming en het niet in on tv angst nemen van betalingen1- is tot op zekere hoogte vergelijkbaar met het doen van afstand van recht of het geven van uitstel van betaling. Het kan óók voortvloeien uit de overwogen beslissing om de vordering af te schrijven of - bij het niet (in rechte) vorderen van nakoming - uit de overweging om de schuldenaar meer tijd voor nakoming te geven. In deze paragraaf staat alleen het niets doen centraal, ongeacht de daaraan ten grondslag liggende redenen. In het bijzonder komt in deze paragraaf de vraag aan bod wat de rechtsgevolgen zijn voor de stille cedent en de stille cessionaris als niet wordt overgegaan tot inning. Centraal staan (a) het niet vorderen van nakoming, (b) het niet (verder) in rechte vorderen van nakoming en (c) het niet in ontvangst nemen van betalingen.
Ad a. Door het niet eisen van nakoming en een daarop volgende bevrijdende verjaring wordt de vordering een natuurlijke verbintenis, een rechtens niet-afdwingbare verbintenis (art. 6:3 lid 1 BW). Daardoor gaan rechten verloren: de bevoegdheid om in rechte nakoming te vorderen, alsmede de aan de vordering verbonden zekerheidsrechten, zoals de rechten van pand en hypotheek (art. 3:323 lid 1 BW),2 de rechten uit hoofde van borgtocht (art. 7:853 BW) en het eigendomsvoorbehoud (art. 3:92 lid 3 BW).3 De natuurlijke verbintenis kan worden omgezet in een rechtens afdwingbare verbintenis door een overeenkomst van de schuldenaar met de schuldeiser (art. 6:5 lid 1 BW).
Ad b. Ook door het niet verrichten van proceshandelingen kan de schuldeiser rechten prijsgeven. Verschijnt de schuldeiser als gedaagde (vgl. art. 6:60 BW) niet op de eerste of op een door de rechter nader bepaalde roldatum in het geding dan wei verzuimt hij advocaat te stellen hoewel hem dat bij dagvaarding was aangezegd, en de voorgeschreven termijn en formaliteiten in acht zijn genomen, dan verleent de rechter verstek tegen hem en wijst hij de vordering toe, tenzij deze hem onrechtmatig of ongegrond voorkomt (art. 139 Rv).4
Is een procedure aanhangig, en worden proceshandelingen niet tijdig verricht, dan komt in beginsel het recht om die proceshandeling te verrichten te vervallen (vgl. o.a. art. 133 lid 4 Rv, art. 128 lid 3 Rv).5 Indien de proceshandeling waarvoor de zaak staat, langer dan twaalf maanden niet is verricht, bepaalt de rechter op verlangen de wederpartij van de partij die de proceshandeling moet verrichten, een roldatum waarop deze wederpartij verval van instantie kan vorderen dan wel kan vragen om een laatste uitstel te verlenen aan de partij die de proceshandeling moet verrichten of om vonnis te wijzen. De rechter kan hiertoe, eveneens na verloop van twaalf maanden, ook ambtshalve een roldatum bepalen (art. 251 lid 1 Rv). De rechter wijst de vordering tot verval van instantie toe, tenzij voor of op die roldatum de proceshandeling alsnog wordt verricht, of de wederpartij van de partij die het verval vordert, aannemelijk maakt dat voor de vertraging van het geding een reden bestaat die deze in redelijkheid kan rechtvaardigen (art. 251 lid 4 Rv). Indien op de ingevolge art. 251 lid 1 Rv bepaalde roldatum de proceshandeling waarvoor de zaak staat, niet alsnog is of wordt verricht, en voorts de wederpartij van degene die de proceshandeling moet verrichten geen verval van instantie vordert noch zich anderszins uitlaat over de voortgang van het geding als bedoeld in art. 251 lid 1 Rv, wordt de zaak op de rol doorgehaald (art. 251 lid 5 Rv). Door verval van instantie worden partijen van rechtswege hersteld in de toestand als ware het geding niet in deze instantie aanhangig geweest, onverminderd het bepaalde in art. 3:316 lid 2 BW (art. 253 lid 1 Rv). Art. 3:316 lid 2 BW bepaalt dat als een daad van een rechtsvervolging wordt ingetrokken, zij de verjaring niet stuit.6 Wordt de vordering opnieuw ingesteld, dan kan wederom gebruik worden gemaakt van in de vervallen instantie gedane gerechtelijke erkentenissen en bijgebracht bewijs (art. 253 lid 2 Rv). Na verval van instantie kan de inningsbevoegde partij de vordering opnieuw instellen.
Als een formele procespartij besluit geen rechtsmiddel, zoals verzet, beroep of cassatie, in te stellen (art. 143 lid 4, 334, 339, en 400 Rv), is sprake van berusting in een uitspraak. Door te berusten in een uitspraak komt het recht om verzet, beroep of cassatie in te stellen, te vervallen. Als een procespartij aan de wederpartij de wil te kennen geeft om zich bij een rechterlijke uitspraak neer te leggen, berust hij in die uitspraak. Voor het oordeel dat in een rechterlijke uitspraak, waartegen een rechtsmiddel openstaat, is berust, is alleen dan plaats indien door de in het ongelijk gestelde partij na die uitspraak jegens de wederpartij een houding is aangenomen, waaruit in het licht van de omstandigheden van het geval ondubbelzinnig blijkt dat eerstgenoemde partij zich bij die uitspraak neerlegt.7
Ad c. Als de nakoming van de verbintenis wordt verhinderd doordat de schuldeiser de daartoe noodzakelijke medewerking niet verleent of een ander beletsel van zijn zijde opkomt, komt de schuldeiser in verzuim, tenzij de oorzaak van de verhindering hem niet kan worden toegekend (art. 6:58 BW, vgl. art. 6:73 BW). Het niet in ontvangst nemen van betalingen valt onder deze bepaling. De schuldeiser komt eveneens in verzuim, wanneer hij ten gevolge van hem toe te rekenen omstandigheden niet voldoet aan een verplichting zijnerzijds jegens de schuldenaar, en deze op die grand de nakoming van zijn verbintenis jegens de schuldeiser opschort (art. 6:59 BW). Een voorbeeld hiervan is de verplichting van de schuldeiser om op verzoek van de schuldenaar een kwitantie af te geven (art. 6:48 lid 3 BW).8 Deze verplichting rust op de persoon die bevoegd is om betalingen in ontvangst te nemen.9 In bepaalde gevallen is de schuldeiser bevoegd om betaling te weigeren zonder dat hij daardoor in schuldeisersverzuim raakt.10 Door het schuldeisersverzuim heeft de schuldeiser niet meer de bevoegdheid tot opschorting van zijn eigen verplichting (art. 6:54 sub a BW), is de schuldenaar niet meer in verzuim als hij in verzuim was en kan hij evenmin in verzuim raken (art. 6:61 lid 1 en 2 BW), is de schuldeiser niet bevoegd om maatregelen tot executie te nemen (art. 6:62 BW),11 kan de rechter op verzoek van de schuldenaar bepalen dat deze van zijn verbintenis bevrijd zal zijn (art. 6:60 BW) en heeft de schuldenaar binnen de grenzen van de redelijkheid recht op vergoeding van de kosten vanwege inbewaringstelling als bedoeld in art. 6:66-70 BW of op andere wijze als gevolg van het schuldeisersverzuim gemaakt (art. 6:63 BW). Ook gelden afwijkende regels ten aanzien van een aan de zijde van de schuldenaar tijdens het schuldeisersverzuim opgekomen wanprestatie (art. 6:64-65 BW).