Zie voor het pleidooi van de raadsman p. 8-9 van het proces-verbaal van die terechtzitting. Ook buiten het pleidooi heeft de raadsman (blijkens het volledige proces-verbaal) een dergelijk beroep op het ‘materiële territorialiteitsbeginsel’ niet gedaan, en evenmin naar voren gebracht dat het voordeel in het buiteland zou zijn genoten. Op die terechtzitting heeft de raadsman géén pleitaantekeningen overgelegd. De pleitaantekeningen van 2 oktober 2019, die ik in het dossier heb aangetroffen, betreffen pleitaantekeningen die in de strafzaak zijn overgelegd.
HR, 04-02-2025, nr. 22/03040 P
ECLI:NL:HR:2025:182
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
04-02-2025
- Zaaknummer
22/03040 P
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:182, Uitspraak, Hoge Raad, 04‑02‑2025; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1426
ECLI:NL:PHR:2024:1426, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 17‑12‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:182
- Vindplaatsen
Uitspraak 04‑02‑2025
Inhoudsindicatie
Profijtontneming, w.v.v. uit het houden van groter aantal opfokhennen, leghennen en kippen dan op bedrijf rustend pluimveerecht toelaat. Economische zaak. Heeft hof het aan art. 2 jo. 91 Sr ten grondslag liggende materiële territorialiteitsbeginsel geschonden door het in Duitsland verkregen voordeel bij voordeelberekening in aanmerking te nemen? HR: art. 81.1 RO. Vervolg op 19/04908 (niet gepubliceerd; strafzaak, art. 80a RO).
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/03040 P
Datum 4 februari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, economische kamer, van 5 augustus 2022, nummer 20-001659-17, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
hierna: de betrokkene.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft Th.J.H.M. Linssen, advocaat in Tilburg, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover het betreft de hoogte van het ontnemingsbedrag, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde betalingsverplichting van € 134.670,60.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 129.670 bedraagt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 februari 2025.
Conclusie 17‑12‑2024
Inhoudsindicatie
-
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/03040 P
Zitting 17 december 2024
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[A] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: de verdachte
Procesgang
1. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 5 augustus 2022 het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 30 mei 2017 voor wat betreft de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting vernietigd, en in zoverre opnieuw rechtdoende ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de staat van een bedrag van € 134.670,60. Daarbij heeft het hof de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep gecompenseerd door de betalingsverplichting te verminderen met een bedrag ter hoogte van 15%. Het hof heeft het genoemde vonnis voor het overige bevestigd.
2. Bij het genoemde vonnis had de rechtbank het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 158.436,00.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Th.J.H.M. Linssen, advocaat in Tilburg, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
De strafzaak en de ontnemingszaak
4. In de strafzaak (bij de Hoge Raad bekend onder zaaknummer 19/04908) is de betrokkene door de economische kamer van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch bij arrest van 16 oktober 2019 (inmiddels onherroepelijk) veroordeeld wegens “overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 20, eerste lid, van de Meststoffenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd”. Het hof heeft bewezen verklaard dat betrokkene te [vestigingsplaats] , [plaats] , in de jaren 2014 en 2015 een groter aantal opfokhennen, leghennen en/of kippen (‘pluimvee-eenheden’) heeft gehouden dan het op het bedrijf rustende pluimveerecht toeliet.
5. In de ontnemingszaak heeft het hof voor het bepalen van de omvang van het voordeel dat is verkregen door middel van de bewezen verklaarde feiten een vergelijking gemaakt tussen (i) de werkelijke situatie in 2014 en 2015 en (ii) de hypothetische rechtmatige situatie. Het voordeel bestaat uit de kosten die betrokkene zich heeft bespaard door ervoor te kiezen om voor de jaren 2014 en 2015 het op het bedrijf rustende pluimveerecht niet uit te breiden met het door haar gehouden grotere aantal pluimvee-eenheden. Daarbij is het hof (in het voordeel van de betrokkene) uitgegaan van de kosten die zouden zijn gemoeid met het leasen (en niet het duurdere kopen) van pluimveerechten in 2014 en 2015. De voordeelberekening wordt in cassatie niet aangevochten.
Het eerste middel
7. Daarbij wijst de steller van het middel op de onderstaande (en door mij iets ruimer geciteerde) passage uit het bestreden arrest:
“Ook in de strafzaak heeft de verdediging aangevoerd dat betrokkene in 2003 heeft besloten om over te gaan tot uitbreiding van haar activiteiten, maar dat zij pas veel later op de hoogte is geraakt van het feit dat zij niet heeft kunnen volstaan met de duurzame mestafzet en -verwerking in Duitsland en dat zij, als zij had geweten dat zij diende te beschikken over pluimveerechten, deze zou hebben aangekocht. Het hof heeft dit verweer reeds in de strafzaak verworpen, zodat het thans geen verdere bespreking behoeft.”
8. Daarna wijst de steller van het middel erop, ik citeer uit de cassatieschriftuur:
“Requirante verzet zich tegen de berekeningsmethode die het Hof gelieft te hanteren met betrekking tot het wederrechtelijk verkregen voordeel, dat ten dele in Duitsland is gewonnen omdat daar het afzetten van de mest mede heeft plaats gehad. Requirante wijst erop dat de bedoeling van de wetgever is geweest pas feitelijkheden in het buitenland in de negatieve sanctionering door Nederland door strafrechtelijke reacties te betrekken als daartoe een uitdrukkelijk artikel machtigt in Verdrag of Wet.”
9. De steller van het middel is het oordeel toegedaan dat er geen bepaling is die artikel 2 Sr opzijzet, waardoor de ontnemingsrechter dus niet gemachtigd is om óók het in het buitenland verkregen voordeel bij de voordeelsontneming in aanmerking te nemen.
10. Het middel, als het al zo kan worden opgevat, kan m.i. echter niet tot cassatie leiden. Uit niets blijkt namelijk dat ter terechtzitting van het hof van 24 juni 2022 (de enige zitting waarop het hof de ontnemingszaak inhoudelijk heeft behandeld) een verweer is gevoerd van de strekking als hierboven weergegeven.1.De vraag of het wederrechtelijke voordeel (deels) in Duitsland is verkregen, is verweven met waarderingen van feitelijke aard en kan om die reden niet voor het eerst in cassatie aan de orde worden gesteld. De vraag of het middel op juridische gronden überhaupt kans van slagen zou hebben gehad, kan daarom buiten bespreking blijven.
Het tweede middel
11. Als ik het tweede middel goed begrijp, bevat het de klacht dat het hof zonder aanvullende motivering of redengeving het in Duitsland genoten voordeel in de voordeelberekening heeft betrokken en zodoende de betrokkene de waarborgen heeft ontzegd die voortvloeien uit het ‘materiële territorialiteitsbeginsel’.
12. Ook dit middel kan niet slagen, aangezien daarbij een beroep wordt gedaan op feiten en omstandigheden die in cassatie niet vaststaan. Uit het bestreden arrest kan worden opgemaakt dat het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft gelijkgesteld aan de kosten die de betrokkene zich heeft bespaard door de pluimveerechten niet uit te breiden met het door haar gehouden grotere aantal pluimvee-eenheden. De rechtshistorische bespiegelingen van de steller van het middel ten spijt, valt m.i. niet goed in te zien waarom dat voordeel (anders dan de steller van het middel kennelijk betoogt) zich elders dan in de vestigingsplaats van de betrokkene zou hebben verwezenlijkt.
Slotsom
13. De beide middelen kunnen hoe dan ook niet tot cassatie leiden en kunnen worden afgedaan met een aan artikel 81 lid 1 RO te ontlenen motivering.
14. Ambtshalve wijs ik erop dat het cassatieberoep is ingesteld op 16 augustus 2022. De Hoge Raad zal geen uitspraak kunnen doen binnen twee jaar nadien. De overschrijding van de redelijke termijn in de fase van cassatie dient te leiden tot vermindering van de betalingsverplichting aan de hand van de gebruikelijke maatstaf. Andere gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.
15. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover het betreft de hoogte van het ontnemingsbedrag, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 17‑12‑2024