De rechtbank heeft de verdachte in eerste aanleg vrijgesproken van het aan hem tenlastegelegde.
HR, 27-02-2024, nr. 21/05034
ECLI:NL:HR:2024:220
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
27-02-2024
- Zaaknummer
21/05034
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:220, Uitspraak, Hoge Raad, 27‑02‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:6
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2021:3655
ECLI:NL:PHR:2024:6, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 09‑01‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:220
- Vindplaatsen
Uitspraak 27‑02‑2024
Inhoudsindicatie
Verkrachting van aangeefster in haar slaapkamer van zorginstelling, waar verdachte als begeleider werkzaam was, art. 242 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten. 1. Bestanddeel “andere feitelijkheid”. Is ook sprake van verkrachting a.b.i. art. 242 Sr indien misbruik wordt gemaakt van kwetsbare positie en/of hebben van feitelijk overwicht? 2. Steunbewijs. Kon verklaring van getuige als steunbewijs voor verklaringen van aangeefster worden gebruikt? 3. Verwerping alternatief scenario. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. Ad 1. CAG: Hof heeft als “andere feitelijkheid” waarmee verdachte aangeefster heeft gedwongen aangemerkt het misbruik maken van kwetsbare positie van aangeefster en het hebben van feitelijk overwicht over aangeefster. Daarmee geeft oordeel van hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel vindt ook voldoende weerslag in bewijsmotivering van hof. ’s Hofs oordeel dat verdachte in gegeven omstandigheden een psychisch en uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht had op aangeefster en misbruik heeft gemaakt van haar kwetsbare positie, wat zodanige psychische druk opleverde dat aangeefster zich naar redelijke verwachting niet aan bewezenverklaarde handelingen kon onttrekken, is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Ad 2. CAG: Hof heeft nadrukkelijk overwogen dat verschillende verklaringen van aangeefster over essentieel onderdeel van bewezenverklaring van verkrachting (orale bevrediging van verdachte) nauwkeurig en op wezenlijke onderdelen consistent zijn en dat zij daarin ook worden ondersteund door verklaring van getuige. Feit dat hof enkel verklaringen van aangeefster voor bewijs heeft gebruikt, v.zv. deze steun vinden in ander bewijsmateriaal, en alleen die tlgd. gedragingen heeft bewezenverklaard die uit meerdere bewijsmiddelen blijken, draagt bij aan slotsom dat bewezenverklaring op dit punt niet onbegrijpelijk en ook voldoende met redenen omkleed is. Ad 3. CAG: Hof heeft verwerping van de door verdachte gestelde alternatieve toedracht van uitgebreide motivering voorzien. Dat oordeel geeft geen blijk van verkeerde toepassing van toepasselijk juridisch kader. Motiveringsplicht gaat immers niet zo ver dat bij weerlegging van alternatief scenario op ieder detail van argumentatie van verdediging moet worden ingegaan. ’s Hofs oordeel dat alternatieve lezing van de verdachte geen steun vindt in procesdossier, is niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/05034
Datum 27 februari 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 7 december 2021, nummer 20-000938-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, en S.P.H. Brinkman, advocaat te Tilburg, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 30 maanden.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 29 maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 februari 2024.
Conclusie 09‑01‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Verdenking van verkrachting door begeleider van bewoonster van instelling voor jongeren met licht verstandelijke beperking en ernstige gedragsproblemen en/of psychiatrische problematiek. Geklaagd wordt over de bewezenverklaring van zowel het (voorwaardelijk) opzet als het ‘dwingen tot’, het gebruik voor het bewijs van een getuigenverklaring en 's hofs verwerping van een door de verdachte ingebracht alternatief scenario. Het middel faalt volgens de AG in alle onderdelen. De conclusie strekt enkel wat betreft de strafoplegging tot vernietiging (wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie) en tot verwerping van het beroep voor het overige.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/05034
Zitting 9 januari 2024
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte
I. Inleiding
1. De verdachte is bij arrest van 7 december 2021 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “verkrachting” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest.1.Voorts heeft het hof de vordering tot immateriële schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] gedeeltelijk toegewezen en daarbij aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr opgelegd, een en ander zoals in het arrest bepaald.
2. Namens de verdachte hebben R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, en S.P.H. Brinkman, advocaat te Tilburg, een middel van cassatie voorgesteld.
II. Het middel
3. Het middel komt met de volgende deelklachten op tegen de bewezenverklaring van verkrachting:
a) het klaarblijkelijke oordeel van het hof dat van verkrachting als bedoeld in art. 242 Sr ook sprake is indien misbruik wordt gemaakt van een kwetsbare positie en/of het hebben van een feitelijk overwicht getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, zodat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed;
b) de bewezenverklaring van zowel het (voorwaardelijk) opzet, als het ‘dwingen tot’ vindt onvoldoende steun in de gebezigde bewijsmiddelen;
c) het gebruik voor het bewijs van de verklaring van getuige [betrokkene 1] en de verwerping van het verweer van de verdediging dat deze verklaring niet als steunbewijs kan worden gebruikt zijn onbegrijpelijk, althans maken dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed;
d) het oordeel van het hof dat het door de verdediging geschetste alternatieve scenario geen steun vindt in het procesdossier, is onjuist, althans onbegrijpelijk.
III. De bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen van het hof
De bewezenverklaring
4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 31 maart 2017 tot en met 1 april 2017 te [plaats] [slachtoffer] door geweld en andere feitelijkheden heeft gedwongen tot het ondergaan van een handeling die bestond uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , immers heeft hij, verdachte, zijn penis in de mond van die [slachtoffer] gebracht, en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkheden hierin dat hij, verdachte, het hoofd van die [slachtoffer] (met kracht) naar zijn, verdachtes, geslachtsdeel heeft getrokken en hierbij de haren van die [slachtoffer] (met kracht) vast heeft gehouden en op- en neergaande bewegingen heeft gemaakt en misbruik heeft gemaakt van de kwetsbare positie waarin die [slachtoffer] zich bevond en feitelijk overwicht op die [slachtoffer] heeft gehad vanwege de afhankelijkheidsrelatie, bestaande uit het feit dat hij, verdachte, werkzaam is bij de zorginstelling waar die [slachtoffer] verblijft en aldaar haar begeleider was,
waardoor die [slachtoffer] niet, in elk geval onvoldoende, in staat is geweest weerstand te bieden
aan hem, verdachte.”
De bewijsmiddelen
5. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Proces-verbaal van aangifte d.d. 12 april 2017, dossierpagina’s 89-101, voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [betrokkene 2] namens het slachtoffer [slachtoffer] :
V = vraag
A = antwoord
(p. 90)
V: Waar wil jij aangifte van doen?
A: Een zedenmisdrijf.
V: En weet je ook wat precies?
A: [slachtoffer] heeft hem moeten pijpen tot hij klaarkwam.
V: Namens wie doe jij aangifte?
A: [slachtoffer] , ze is mijn dochter.
(p. 91)
V: Hoe komt het dat je dochter zelf geen aangifte doet?
A: Dit komt door haar beperkingen (...).
V: Tegen wie doe jij aangifte?
A: Tegen de leidinggevende [verdachte] (fonetisch) (hof: verdachte [verdachte] ).
V: Wanneer is het gebeurd?
A: Van vrijdag op zaterdag, van 31 maart op 1 april 2017.
V: Waar is het gebeurd?
A: Op de [a-straat] , daar zit [A] (hof: [A] ). Dit is in [plaats] .
(p. 92)
V: Waar woont [slachtoffer] nu?
A: In [A] in [plaats] .
V: Sinds wanneer woont zij op [A] in [plaats] ?
A: Mei 2016.
(p. 95)
V: Jij doet aangifte namens je dochter [slachtoffer] van een zedenmisdrijf. Wat kun jij ons daarover vertellen?
A: Ik werd om 17.30 uur gebeld, op zaterdagavond, door [betrokkene 3]. Ze vertelde dat [slachtoffer] haar begeleider heeft moeten pijpen. (...) Toen ik aangekomen was, vertelde [slachtoffer] mij dat (...) er twee flexmedewerkers waren, (...) dat zij naar haar kamer [is] gegaan. Er werd op haar deur geklopt en daar stond toen die [verdachte] (fonetisch). Ze gaf aan dat hij niet op haar kamer mocht komen, want daar mocht geen mannelijke leiding komen als ze gingen slapen. Hij is toch gaan zitten op de bank in haar kamer. Ze is toen opgestaan en ze heeft nog een keer gezegd dat hij moest vertrekken. (...) Toen deed hij zijn broek los en heeft ze hem moeten pijpen totdat hij klaarkwam. Dat heeft ze uitgespuugd in de wastafel. Toen heeft ze haar tanden meteen gepoetst.
(p. 96)
V: Hoe tref je [slachtoffer] aan als jij na het telefoontje van [betrokkene 3] naar huis rijdt?
A: In de bank, hulpeloos, teruggetrokken en stil.
V: Wat doe jij dan als jij haar dan ziet?
A: Ik pakte haar vast en het was een plank, verslagen en teruggetrokken hoe ze daar zat.
V: Hoe laat is het gebeurd?
A: Ze zegt 00.30 uur, rond die tijd. Hij was om 01.30 uur weg.
2. Proces-verbaal van studioverhoor d.d. 16 mei 2017, dossierpagina’s 102-104, met als
bijlage een verslag verbatim studioverhoor, dossierpagina’s 106-140, voor zover
inhoudende als verklaring van getuige [slachtoffer]:
Met de letter G wordt in deze verslaglegging bedoeld: de getuige.
Met de letter V wordt in deze verslaglegging bedoeld: de verhoorder.
(p. 107)
G: Ik wil wel gewoon dat ’t d’r in één keer uit is, zeg maar, want, want ’t gaat momenteel gewoon echt slecht.
(p. 108)
G: Wat d’r is voorgevallen op de instelling.
G: Ehm met de leidinggevende, zeg maar.
(p. 109)
G: (...) Eh en toen ging ik naar mijn kamer, want ’t was avond.
G: Half, ja, twaalf uur was ’t al, denk ik.
G: (...) Klopte die aan m’n deur.
G: Dus ik deed (...) de deur open.
G: En toen stond die leiding daar in één keer. Toen dacht ik van, oké, dit is best wel raar, waarom doet hij ’s nachts aan mijn deur eh, wat doet die daar?
G: Toen kwam hij mijn kamer op. En toen zei ik nog tegen hem, dit is heel raar. Dit kun je niet maken je bent een leidinggevende.
G: En toen zei ik van, kun je alsjeblieft weggaan? Want, dit klopt niet.
(p. 110)
G: Nou toen ging hij op mijn bank zitten.
G: Nou ik wilde gewoon dat die weg ging dus ik bleef gewoon staan bij de salontafel. En toen pakte hij mij vast en trok zich, mij op zich eh zijn schoot, zeg maar.
V: Op schoot. Ja, en toen?
G: En toen ging ’t heel grof.
V: Hm hm. En verder, hoe, wat gebeurde er toen?
G: (...) toen zei ik, ik wil gewoon dat je stopt, ik wil dat dit stopt, maar hij stopte helemaal niet. Dus ’t enige wat ik eigenlijk kon doen was m’n eigen helemaal stijf houden.
G: Ehm ik wou eerst gaan gillen, maar ja, ik kreeg niks d’r uit, zeg maar. Ik sloeg helemaal dicht.
V: Hm hm. En toen?
G: Heeft die m’n haren achter vastgepakt.
G: Toen deed die z’n broek uit.
V: Hm hm. En toen?
G: Mij naar beneden getrokken. Ik kon geen kant op omdat die m’n haren vast had.
V: En toen?
G: Ehm ik ben naderhand naar de wasbak gelopen.
V: Ja.
G: Alles uitgespuugd en m’n tandenborstel meteen gepakt om mijn tanden te poetsen.
(p. 114)
V: Ehm die leidinggevende hoe eh heet hij?
G: [verdachte].
(p. 117)
V: (...) Maar goed hij zit op de bank en hoe, hoe gaat dat dan? (...) tot hoever eh ging eh, ging die broek, broek naar beneden?
G: Tot de bovenbenen.
V: Tot de bovenbenen. Kun je dat aanwijzen bij jezelf tot hoever die broek gaat?
G: ’t was gewoon, ja een boxershort (...) eigenlijk, dat gewoon z’n ding zichtbaar was. Z’n geslachtsdeel, zeg maar.
V: En eh wat zie je dan bij hem? Ik hoor je zeggen z’n geslachtsdeel. Wat zie je
(p. 118)
dan? (...)
G: Naar boven, stijf.
V: En dan eh hoe ging dat toen verder?
G: En toen pakte die dus mijn haren en drukte die mij naar beneden.
G: Hij had mijn haren nog steeds vast en hij maakte die beweging.
V: Je zegt, hij had mijn haren nog steeds vast en maakte de beweging. Eh en wat bedoelde je met de bewegingen?
G: Ja, mijn hoofd naar beneden drukken en weer omhoog.
V: Ja. Je zegt, mijn hoofd naar beneden drukken en weer omhoog. En, en waar drukte die je hoofd naartoe doen?
G: Naar z’n geslachtsdeel.
V: Naar z’n geslachtsdeel en dan, wat gebeurt er dan?
G: Moest ik ’m pijpen.
V: Je zegt, je moest hem pijpen. Ehm en hoe wist je dat je hem moest pijpen?
G: Ja, omdat hij mijn hoofd naar beneden drukte.
(p. 119)
V: (...) Ehm en dan, dan hoe eh, ja wat gebeurt er dan precies? Hoe zou je dat noemen dat pijpen wat je dan doet?
G: Ja, ik moet hem laten klaarkomen.
V: Hem laten klaarkomen. Ja. En, en waar is zijn piemel op ’t moment, tijdens ’t pijpen?
G: In m’n mond.
V: Hm hm. En je zegt, hij bewoog eh mijn hoofd, wat, wat kun je daarover vertellen?
G: Ehm zodat hij de beweging bepaalde, zeg maar, want ik wou dat niet.
V: Ja. Ehm hoe is dat toen gestopt?
G: Omdat die klaar was, klaar laten komen.
V: Ja. En dat klaarkomen eh waar kwam hij klaar?
G: In m’n mond.
V: In je mond. En, en toen?
G: Ben ik naar de wasbak gelopen.
V: Hm hm ben je naar de wasbak gelopen en wat heb je toen gedaan?
G: Uitgespuugd.
V: Jij hebt dat uitgespuugd en dan?
G: Ik heb m’n tanden gepoetst.
V: En even voor de duidelijkheid, wat, wat spuug je dan precies uit?
G: Z’n sperma.
(p. 121)
V: (...) wat voor kleren had jij toen aan?
G: Een pyjama (...)
(p. 125)
V: (...) We hebben ’t even over ’t geslachtsdeel gehad, maar ik hoorde je ook zeggen over z’n boxershort eh wat voor boxershort was dat?
G: Volgens mij een grijze.
(p. 127)
V: Ehm wat vond je verder van hem?
G: (...) ik zag hem echt gewoon als leidinggevende.
(p. 128)
V: (..) Ehm hoe laat ben jij gaan slapen?
G: Laat. Ik wou weg.
G: Ik durfde niet weg.
V: Ehm heb je nog iets eh gedaan met je telefoon?
G: Eh volgens mij heb ik mensen geappt, mijn maatje, [betrokkene 1] heet hij.
(p. 129)
G: (...) ik klapte ’t ook meteen d’r uit. (...) Toen die zei, ik kom jou wel ophalen (...). Je gaat daar gewoon weg. Je pakt je spullen en je blijft bij mij slapen.
G: Ik zei, dat kan ik niet maken, dan krijg ik zo’n weglooprapportage dat kan ik gewoon niet gebruiken (...).
3. Proces-verbaal van studioverhoor d.d. 18 augustus 2021 met als bijlage een verslag verbatim studioverhoor, afzonderlijk in het procesdossier gevoegd, voor zover inhoudende als verklaring van getuige [slachtoffer] (hof: de paginanummering hierna verwijst naar voormeld verslag dat afzonderlijk is genummerd van 1-81):
(p. 2)
Met de letter G wordt in deze verslaglegging bedoeld: de getuige.
Met de letter V wordt in deze verslaglegging bedoeld: de verhoorder.
(p. 24)
G: (...) De groepsleiding, vooral de mannelijke groepsleiding (...).
G: Mag niet op een kamer van een cliënt komen.
G: Nou toen is hij (hof: de verdachte) toch gebleven. (...)
G: Ja. En eh toen ging hij dus op mijn bank zitten en toen heb ik gezegd: wil je alsjeblieft gaan eh weggaan.
G: Want dit is niet de bedoeling. En eh nou dat wou die dus niet. (...)
G: (...) En nou ja, naderhand werd die dus een beetje eh ja, hoe moet ik dat zeggen, (...) zo heel lustig of zo, weet je wel. (...) Eh en ja, pakte die de achterkant van m’n haren vast en eh ja. Toen begon ’t.
(p. 25)
V: Ehm, want wat heeft die toen gedaan?
V: (...) je mag gewoon zeggen zoals ’t is.
G: Ja, maakte die z’n riem los en toen moest ik ’m pijpen.
V: En dat is toen gebeurd?
G: Ja, ik had weinig keus als die die achterkant van m’n haren vast had, hè?
(p. 61)
G: En toen zat ik dus op m’n knieën en moest ik ‘m daar gaan pijpen.
V: En dat dat moest begreep ik daaruit. Hoe kwam eh. En dat moeten bestaat uit?
G: Ja, omdat hij mij daar dan naartoe drukt met z’n handen.
V: Hij heeft je haren nog steeds vast?
G: Ja. Ja.
V: En dan. Hoe eindig dat?
G: Ja eh toen kwam die klaar.
V: Oké. Want d’r was geen condoom begrijp ik?
G: Nee. Je slaat zo dicht eh je doet ’t gewoon. (...)
4. Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 31 mei 2017, dossierpagina’s 160-164, voor zover inhoudende als verklaring van getuige [betrokkene 1] :
(p. 160)
V: vraag
A: antwoord
(p. 161)
V: Wie is [slachtoffer] ?
A: (...) We zijn gewoon vrienden.
(p. 162)
V: Er is aangifte gedaan van een zedenmisdrijf, wat weet jij daar van?
A: Ik weet dat ze (hof: [slachtoffer] ) 4 of 5 weken geleden mij opbelde. Het was van vrijdag op zaterdag rond 02.00 uur in de nacht. Ze belde mij in paniek op. Ze zei dat haar dat was aangedaan.
V: Kun je specifiek benoemen wat ze zei?
A: Ja dat de leiding haar ongepast heeft aangeraakt. Dat was echt net gebeurd, ze vertelde dat hij haar kamer uit was (. ..) en dat ze toen mij belde.
V: [betrokkene 1] vertel eens, je telefoon gaat en jij nam op en wat hoorde je toen?
A: Ik hoorde aan haar stem dat ze in paniek was, ik kon haar niet goed verstaan omdat ze aan het huilen was, ik vroeg wat er was. De leiding had haar ongepast aangeraakt en haar op haar knieën geforceerd om hem te pijpen.
V: Dus dit ging allemaal telefonisch?
A: Het meeste wel, we hadden ook nog wat berichtjes naar elkaar gestuurd. Ze begon namelijk met een berichtje omdat ik de eerste keer dat ze belde niet opnam.
V: Wat stuurde ze?
A: Heey [betrokkene 1], kun je mij even bellen wat er is iets ergs gebeurd.
(p. 163)
V: Wat heeft die leiding precies gedaan bij haar?
A: Wat ik heb vernomen is dat ze op haar knieën moest van hem om hem te pijpen.
5. Proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 april 2017, dossierpagina’s 69-71, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]:
(p. 69)
Op zaterdag 1 april 2017 kregen wij het verzoek om te gaan naar de [a-straat 1] te [plaats] . Aldaar zit woongroep [A] (Hof: [A] ) gevestigd. Aldaar zou in de nacht van 31 maart 2017 op 1 april 2017 een zedenmisdrijf hebben plaatsgevonden. Wij kregen van de woonbegeleiders te horen dat het slachtoffer betrof: [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1997.
(p. 70)
Wij hoorden van de woonbegeleiding en de manager dat de betrokken [verdachte] een flexpoulemedewerker is bij [A] . [verdachte] heeft afgelopen nacht alleen slaapdienst gehad.
Wij hoorden dat [slachtoffer] haar tandenborstel had afgegeven. Deze is inbeslaggenomen. Zie kennisgeving van inbeslagneming.
6. Kennisgeving van inbeslagneming artikel 94 Wetboek van Strafvordering, dossierpagina 3, voor zover inhoudende:
Inbeslagneming
Plaats: [a-straat 1], [postcode] [plaats]
Datum en tijd: 1 april 2017 te 22:20 uur
Omstandigheden: Mogelijk naar aanleiding van een zedenmisdrijf
Beslagene
Achternaam: [slachtoffer]
Voornamen: [slachtoffer]
Geboren: [geboortedatum] 1997
Adres: [a-straat 1]
Postcode en plaats: [postcode] [plaats]
Volgnummer 1
Goednummer: PL2100-2017067512-1167662
Object: Persoonlijke V (Tandenborstel)
Bijzonderheden: Kop van elektrische tandenborstel
Eigenaar: [slachtoffer] , [a-straat 1], [postcode]
7. Proces-verbaal identificatie n.a.v. DNA-sporen d.d. 17 januari 2018, dossierpagina’s 190-191, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 3]:
(p. 190)
In het onderzoek werden twee sporendragers, te weten een pyjama met het SIN: AAKS0778NL en een tandenborstel met het SIN: AAKS0793NL bij het Nederlands Forensisch Instituut aangeboden voor een onderzoek naar de aanwezigheid van biologische sporen.
Tevens werden de referentiemonsters aangeboden van het slachtoffer in deze zaak ( [slachtoffer] – voorzien van SIN: RABN6403NL) en van de verdachte in deze zaak ( [verdachte] – voorzien van SIN: RABK2755NL).
Uit het door het Nederlands Forensisch Instituut ingesteld vergelijkend onderzoek bleek dat het hieronder genoemde spoor is geïdentificeerd op het DNA-profiel onder de volgende personalia:
Betrokkene
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Geboren: [geboortedatum] 1991
Geboorteplaats: [geboorteplaats]
Delictinformatie forensisch onderzoek
Delictinformatie: Overige zedenmisdrijven
Datum onderzoek: 22 juni 2017
Plaats delict: [a-straat 1], [postcode] [plaats]
Spoornummer: PL2100-2017067512-1167662
SIN: AAKS0793NL #01
Spoortype: Biologisch
Spooromschrijving: Sperma
Wijze veiligstellen: Bemonsterd door NFI
Tijdstop veiligstellen: 12 september 2017 te 12.00 uur
Plaats veiligstellen: In de kop van de tandenborstel AAKS0793NL
Het betreft hier een vergelijking van Y-chromosomale DNA-profielen. Tijdens dit vergelijkend onderzoek bleek dat de kans dat het profiel afkomstig is van verdachte [verdachte] zeer veel waarschijnlijker is dan dat het profiel niet van hem afkomstig is,
(p. 191)
maar van een willekeurig gekozen, niet in de mannelijke lijn aan de verdachte verwante man.
8. Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut inzake een onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van aangifte van een zedenmisdrijf in [plaats] op 1 april 2017 d.d. 12 september 2017, dossierpagina’s 192-194, voor zover inhoudende als verklaring van deskundige ing. M.J.W. Pouwels:
(p. 192)
In deze zaak zijn een onderzoek naar biologische sporen en een DNA-onderzoek uitgevoerd.
Kleding AAKS0778NL
Het onderzoeksmateriaal betreft (...) een pyjamahemd, (...). De buitenzijde van (...) het pyjamahemd (...) is met forensisch licht en een indicatieve test onderzocht op de aanwezigheid van sperma(vloeistof). Op grond van dit onderzoek zijn drie vlekken op het pyjamahemd (één op de buitenzijde van de linker manchet en twee aan de binnenzijde aan weerszijde van de sluiting nabij de hals) bemonsterd. De bemonsteringen zijn nader onderzocht op de aanwezigheid van sperma(vloeistof) en speeksel.
Tabel 1 Onderzoeksmateriaal onderworpen aan een onderzoek naar biologische sporen
Omschrijving bemonstering | Aanwijzing spermavloeistof | Spermacellen waargenomen | Aanwijzing speeksel | Veiliggesteld als |
Buitenzijde linker manchet | ja | nee | ja | AAK50778NL#01 |
Binnenzijde rechter voorpand nabij hals | ja | nee | nee | AAK50778NL#03 |
(p. 193)
Kop van elektrische tandenborstel AAKS0793NL
Het borsteldeel van de kop is bemonsterd. De bemonstering is nader onderzocht op de aanwezigheid van sperma(vloeistof). In deze bemonstering is microscopisch een geringe hoeveelheid spermacellen waargenomen. De bemonstering is als AAKS0793NL#01 veiliggesteld voor een DNA-onderzoek.
DNA-onderzoek
Onderstaand onderzoeksmateriaal is onderworpen aan een DNA-onderzoek:
AAKS0778NL#01 t/m #03 bemonsteringen van het pyjamahemd
AAKS0793NL#01 bemonstering van het borsteldeel van de kop van een tandenborstel
RABN6403NL tandenborstel referentiemonster wangslijmvlies van het slachtoffer [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 1997)
RABK2755NL referentiemonster wangslijmvlies van de verdachte [verdachte] (geboren op [geboortedatum] 1991)
Bij het isoleren van het DNA uit de bemonsteringen AAKS0778NL#01 t/m #03 en AAKS0793NL#01 is gebruik gemaakt van de differentiële lysistechniek.
Resultaten, interpretatie en conclusie
Van de referentiesmonsters RABN6403NL en RABK2755NL zijn DNA-profielen verkregen die zijn betrokken bij het vergelijkend DNA-onderzoek.
Van het celmateriaal in de bemonsteringen AAKS0778NL01 t/m #03 en AAKS0793NL#01 zijn DNA-profielen verkregen van een vrouw. Deze DNA-profielen matchen met het DNA-profiel RABN6403NL van het slachtoffer [slachtoffer] . Vanwege deze matches en omdat het bemonsteringen betreffen van kleding en een tandenborstel van het slachtoffer, wordt aangenomen dat de bemonsteringen celmateriaal bevatten dat van het slachtoffer [slachtoffer] zelf afkomstig is.
Bovendien is in de bemonsteringen AAKS0778NL#01 en AAKS0793NL#01, op basis van de gemeten hoeveelheid geïsoleerd DNA een aanwijzing verkregen voor een relatief geringe hoeveelheid Y-chromosomaal (mannelijk) DNA. Om genetische informatie van de mannelijke donor(en) in deze bemonsteringen te verkrijgen kunnen deze bemonsteringen worden onderworpen aan een Y-chromosomaal DNA-onderzoek. Voor een vergelijkend DNA-onderzoek zal dan ook het referentiemonster RABK2755NL van de verdachte [verdachte] aan een Y-chromosomaal DNA-onderzoek worden onderworpen.
9. Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut inzake een Y-chromosomaal DNA-onderzoek naar aanleiding van aangifte van een zedenmisdrijf in [plaats] op 1 april 2017 d.d. 12 januari 2018, dossierpagina’s 195-198, voor zover inhoudende als verklaring van deskundige ing. J.L.W. Dieltjes:
(p. 195)
Forensisch officier van justitie mr. C.M.J. Krol heeft verzocht om het DNA in de bemonsteringen AAKS0778NL#01 en AAKS0793NL#01 te onderwerpen aan een Y-chromosomaal DNA-onderzoek. In deze bemonsteringen zijn aanwijzingen verkregen voor de aanwezigheid van een geringe hoeveelheid Y-chromosomaal (mannelijk) DNA.
Om meer genetische informatie van de mannelijke donor(en) in de bemonsteringen AAKS0778NL#01 (bemonstering van de buitenzijde van de linkermanchet van het pyjamahemd) en AAKS0793NL#01 (bemonstering van het borsteldeel van de kop van een tandenborstel) te verkrijgen, is het DNA in deze bemonsteringen onderworpen aan een Y-chromosomaal DNA-onderzoek.
Om een vergelijkend Y-chromosomaal DNA-onderzoek te kunnen uitvoeren is het referentiemonster van de verdachte [verdachte] (geboren [geboortedatum] 1991) RABK2755NL eveneens onderworpen aan een Y-chromosomaal DNA-onderzoek.
(p. 196)
Resultaten, interpretatie en conclusie
Van het referentiemonster wangslijmvlies van de verdachte [verdachte] RABK2755NL is een Y-chromosomaal DNA-profiel verkregen. Dit Y-chromosomale DNA-profiel is betrokken bij het vergelijkend DNA-onderzoek.
Van het mannelijke DNA in de bemonstering AAKS0778NL#01 is geen voor vergelijkend DNA-onderzoek geschikt Y-chromosomaal DNA-profiel verkregen.
Van het mannelijke DNA in de bemonstering AAKS0793NL#01 is een Y-chromosomaal DNA-profiel verkregen. Dit Y-chromosomale DNA-profiel matcht met het Y-chromosomale DNA-profiel van de verdachte [verdachte] RABK2755NL. Dit betekent dat de bemonstering AAKS0793NL#01, naast een relatief grote hoeveelheid DNA van het slachtoffer [slachtoffer] , een relatief geringe hoeveelheid mannelijk DNA bevat dat afkomstig kan zijn van de verdachte [verdachte] , of van een in de mannelijke lijn aan [verdachte] verwante man.
Om de bewijskracht van de match te kunnen formuleren in verbale termen van waarschijnlijkheid is het onderstaand hypothesepaar beschouwd.
Hypothese 1:
Het mannelijk DNA in de bemonstering AAKS0793NL#01 is afkomstig van de verdachte [verdachte] of van een in de mannelijke lijn aan de verdachte verwante man.
Hypothese 2:
Het mannelijk DNA in de bemonstering AAKS0793NL#01 is niet afkomstig van de verdachte [verdachte] , maar van een willekeurig gekozen, niet in de mannelijke lijn aan de verdachte verwante man.
De verkregen resultaten zijn zeer veel waarschijnlijker als hypothese 1 waar is, dan als hypothese 2 waar is.
10. Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, achtste meervoudige kamer voor strafzaken, van 22 april 2021, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte] :
Ik weet nog wel dat iedereen daar (het hof begrijpt: in de instelling [A] te [plaats] ) een beperking had. Die avond (het hof begrijpt: de avond/nacht van 3 1 maart 2017 op 1 april 2017) was een kleine groep aanwezig in [A] .
Ik ben die avond op haar kamer geweest (het hof begrijpt: de kamer van [slachtoffer] in voornoemde instelling).
Ik ben inderdaad naar haar kamer geweest; dit was na half twaalf. (...) Ik ben naar de kamer van [slachtoffer] gegaan (...).
U vraagt mij naar details van de onderbroek die ik toen droeg. (...) Het was een grijze boxershort.
11. Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 21 februari 2019 met twee bijlagen, afzonderlijk in het procesdossier gevoegd, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte] (hof: de paginanummering is afzonderlijk genummerd van 1-18):
(p. 4)
V = Vraag verbalisanten
A = Antwoord verdachte.
(p. 5)
V: (...) Vertel eens hoe die avond verlopen is vanaf het moment dat jij daar in dienst komt.
A: Nou goed, ik had die dag slaapdienst.
V: (...) hoe laat begon je dienst op 31 maart 2017 op leefgroep “[A] ”?
A: Ik begon om 17:00 uur.
(p. 10)
A: Toen was het 23:30 uur en moesten de jongeren van mij naar boven. (...) ik (...) besloot naar [slachtoffer]’s kamer te gaan (...) Ik klopte aan en zei dat ik het was. Ze liet mij binnen (...). Ik ging toen op de bank zitten (...)”
De bewijsoverwegingen
6. Voorts heeft het hof overwogen:
“Bewijsoverwegingen
A.
De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Daartoe is – op de gronden zoals nader in de pleitnota’s verwoord – in de kern het volgende aangevoerd.
A.1 Verklaringen van [slachtoffer] zijn onbetrouwbaar
De verdediging is de mening toegedaan dat de verklaringen van [slachtoffer] onbetrouwbaar zijn. Deze vinden geen steun vinden in andere bewijsmiddelen. Daarbij komt dat de getuigen die door de politie zijn gehoord uit zichzelf hebben verklaard dat zij vaker twijfels hebben bij hetgeen [slachtoffer] aan hen vertelde, zodat die verklaringen niet kunnen bijdragen aan het bewijs van het tenlastegelegde. In dat verband heeft de raadsvrouw tevens gewezen op de getuigenverklaring van [betrokkene 4], aan wie [slachtoffer] op 1 april 2017 een geheel ander verhaal zou hebben verteld dan aan de politie en andere getuigen. Voorts heeft [slachtoffer] niet alleen tegenstrijdig, maar vooral onwaarachtig over andere, nader in de pleitnota aangehaalde, essentiële details verklaard. Daarnaast is aangevoerd dat onvoldoende is gebleken dat [slachtoffer] kort na de vermeende seksuele handelingen contact heeft gehad met [betrokkene 1] en [betrokkene 5]. Ten slotte heeft de raadsvrouw gewezen op de omstandigheid dat de familie van [slachtoffer] druk op haar heeft uitgeoefend om op 1 april 2017 haar verhaal aan de leiding van de instelling [A] te vertellen.
De onbetrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer] is volgens de verdediging na het aanvullend studioverhoor in hoger beroep alleen maar toegenomen. Daartoe is gewezen op evidente inconsistenties ten opzichte van haar eerdere verklaringen, terwijl [slachtoffer] tijdens het laatstgehouden studioverhoor – volgens de samenvatting daarvan door de verdediging – nog ‘100% herinneringen’ aan de bewuste avond en nacht in 2017 had, omdat de gebeurtenissen op haar netvlies staan gebrand. Voor de verschillen tussen haar uiteindelijke verklaring en wat [slachtoffer] aan [betrokkene 4] heeft verteld, is geen sluitende verklaring gekomen. De seksuele handelingen, de reactie van [slachtoffer] daarop en de chronologische volgorde ervan zijn in geen van de versies hetzelfde. Dat alles maakt dat de verklaringen van [slachtoffer] als onbetrouwbaar terzijde moeten worden gesteld en aldus niet tot het bewijs gebezigd kunnen worden.
A.2 Geen steunbewijs voor de verklaringen van [slachtoffer] en alternatief scenario
In de visie van de verdediging bieden de forensische rapporten geen steun aan de verklaringen van [slachtoffer] , nu deze niet aantonen dat de verdachte in de mond van [slachtoffer] is klaargekomen. De verdachte ontkent dat ten stelligste en heeft een verklaring gegeven hoe zijn spermasporen op de tandenborstel van [slachtoffer] terecht zijn gekomen. Dat alternatieve scenario houdt in dat de verdachte stelt dat hij in de middag van 31 maart 2017 seks met zijn echtgenote heeft gehad, waarbij zij hem ‘met de hand’ heeft laten klaarkomen en waarbij spermasporen op zijn broek en onderbroek terecht zijn gekomen. De verdachte is met die spermasporen op zijn broek en in zijn onderbroek naar het werk gegaan. In de middag is de verdachte met [slachtoffer] en getuige [betrokkene 4] bij een klimrek geweest en daar constateerde hij dat hij (naast sperma) ook vogelpoep op zijn broek had. [slachtoffer] zou toen hebben voorgesteld om die vogelpoep te verwijderen. Bij terugkomst van de verdachte in de instelling [A] is hij naar de kamer van [slachtoffer] gegaan om de vogelpoep te verwijderen. Toen heeft hij vochtige doekjes van [slachtoffer] aangenomen om de vogelpoep te verwijderen. [slachtoffer] zei vervolgens dat de verdachte ook de andere vlekken (kennelijk de spermasporen) moest wegpoetsen. De verdachte heeft dat vervolgens gedaan, heeft de door hem gebruikte vochtige doekjes aan [slachtoffer] teruggegeven en is weggegaan van haar kamer. Later op de avond is de verdachte nogmaals naar [slachtoffer] geweest. Hij heeft haar toen ingesmeerd met tijgerbalsem en [slachtoffer] heeft toen tegen hem gezegd dat ‘ze mannen in de val kan lokken’. [slachtoffer] vroeg de verdachte ook of hij was uitgekeken op zijn vrouw. De verdachte was daar niet van gediend en is naar eigen zeggen weggegaan en gaan douchen. Hij heeft, voordat hij is gaan douchen, een zak met daarin zijn sokken en onderbroek buiten de douche op de gang gezet en bemerkte de dag erna pas dat zijn onderbroek weg was. In die onderbroek zouden spermasporen hebben gezeten. Op grond van deze alternatieve verklaring van de verdachte kan aldus niet worden gezegd dat sprake is van dadersporen. Voormelde verklaring van de verdachte vindt voorts steun in de verklaring van zijn echtgenote [betrokkene 6], zoals afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris, aldus de raadsvrouw.
A.3 Sprake van schending van artikel 6 van het EVRM
Met een beroep op hetgeen is geoordeeld door het EHRM in de arresten Al-Khawaja & Tahery tegen het Verenigd Koninkrijk (EHRM nr. 26766/05 en nr. 22228/06), Schatschaschwili tegen Duitsland (EHRM nr. 9154/10) en Fikret Karahan tegen Turkije (EHRM nr. 53848/07) stelt de verdediging zich op het standpunt dat gebruikmaking van de verklaringen van [slachtoffer] een schending oplevert van artikel 6 van het EVRM. [slachtoffer] is immers buiten aanwezigheid van de verdediging in een studieruimte gehoord door een verbalisant, terwijl de verdediging had verzocht om haar zelf te mogen horen. Door op deze wijze een verhoor te laten plaatsvinden, is inbreuk gemaakt op het aan de verdediging toekomende ondervragingsrecht. De keuze voor deze manier van verhoren is kennelijk ingegeven door de vermeende geestelijke gezondheidsproblematiek van [slachtoffer] , doch de objectieve onderbouwing daartoe ontbreekt. Nu de verklaring van [slachtoffer] het enige dragende bewijsmiddel is dat de verdachte haar zou hebben verkracht, moeten de verdediging voldoende compenserende maatregelen worden geboden voor het niet direct kunnen confronteren van [slachtoffer] tijdens een getuigenverhoor. Met het stellen van schriftelijke vragen is de verdediging onvoldoende compensatie geboden, aldus de raadsvrouw.
A.4 Voorwaardelijke verzoeken om [slachtoffer] in een directe confrontatie te horen als getuige en om een gedragsdeskundige te benoemen om haar betrouwbaarheid te onderzoeken
Indien het hof mocht oordelen dat de verklaringen van [slachtoffer] gebruikt kunnen worden voor het bewijs, dan verzoekt de verdediging om de betrouwbaarheid van [slachtoffer] te laten onderzoeken door enerzijds een gedagsdeskundige te benoemen die haar verklaringen, waaronder de beelden van het studioverhoor, beoordeelt in het licht van haar problematiek en anderzijds haar zelf te mogen horen als getuige. In het licht van artikel 6 van het EVRM kan niet meer worden gesproken van een eerlijk proces als de verdediging geen gebruik heeft mogen maken van het recht om haar betrouwbaarheid te toetsen, aldus de raadsvrouw.
B.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de verkrachting van [slachtoffer] , zoals aan hem ten laste is gelegd.
Het hof stelt voorop dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door het feit dat in de regel slechts twee personen aanwezig zijn bij de beweerde seksuele handelingen: het veronderstelde slachtoffer en de veronderstelde dader. Wanneer de veronderstelde dader de seksuele handelingen ontkent, leidt dat in veel gevallen ertoe dat slechts de verklaringen van het veronderstelde slachtoffer als wettig bewijs beschikbaar zijn. Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is echter de enkele verklaring van één getuige (het veronderstelde slachtoffer) onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Hier staalt echter tegenover dat in zedenzaken een geringe mate van steunbewijs in combinatie met de verklaringen van het veronderstelde slachtoffer reeds voldoende wettig bewijs van het tenlastegelegde feit kan opleveren.
Het hof dient in voormeld verband te beoordelen of de verklaringen van [slachtoffer] betrouwbaar zijn. Daarnaast zal het hof moeten bepalen of voor de beweringen van [slachtoffer] voldoende (steun)bewijs in het procesdossier aanwezig is. De juistheid van de kern van de tenlastelegging moet – met andere woorden – niet alleen uit de (betrouwbaar bevonden) gebezigde verklaringen van [slachtoffer] volgen, maar ook uit ander bewijsmateriaal dat bovendien afkomstig moet zijn uit een andere bron.
C.
Op 16 mei 2017 heeft [slachtoffer] bij de politie een uitgebreide en gedetailleerde verklaring afgelegd over de verrichte seksuele handeling bij de verdachte toen zij in de avond en nacht van 31 maart 2017 op 1 april 2017 in haar kamer bij instelling [A] te [plaats] was. Op bevel van het hof, gegeven bij tussenarrest van 6 mei 2021, is [slachtoffer] nogmaals gehoord, mede om haar te kunnen confronteren met het door de verdachte naar voren gebrachte alternatieve scenario.
Het moet de verdediging worden nagegeven dat de door [slachtoffer] afgelegde verklaringen op bepaalde onderdelen tegenstrijdig zijn. Echter, wat daar ook van zij, het hof stelt tevens vast dat haar verklaringen – waar het de gang van zaken betreft rondom ‘het pijpen’, hierna de orale bevrediging van de verdachte genoemd, zijnde het essentiële onderdeel waarop de bewezenverklaring van verkrachting is gestoeld – nauwkeurig en op wezenlijke onderdelen consistent zijn. Daarbij neemt het hof tevens in aanmerking dat [slachtoffer] pas recent, op 18 augustus 2021, dus eerst pas na ruim vier jaren na het tenlastegelegde, voor de tweede maal is verhoord. De tegenstrijdigheden op ondergeschikte punten kunnen derhalve ook te wijten zijn aan het tijdsverloop. Evenmin is ondenkbaar dat een verklaring voor die ondergeschikte tegenstrijdigheden kan worden gevonden in de feilbaarheid van het menselijk geheugen of schaamte en emoties. Het gaat in dezen om de totale indruk die de verklaringen maken en de wijze waarop ze zijn afgelegd. Het hof stelt in dat verband eveneens vast dat de verklaringen van [slachtoffer] ook niet ernstiger worden naarmate zij vaker haar verhaal doet. Zij benoemt details, in het bijzonder over de bewezenverklaarde gang van zaken rondom de orale bevrediging van de verdachte, die ook terugkomen in de overige bewijsmiddelen.
Genoemde verklaringen van [slachtoffer] over de bewezenverklaarde seksuele handelingen, kort gezegd het oraal bevredigen van de verdachte, worden ondersteund door de getuigenverklaring van [betrokkene 1] . In zijn verklaring komt immers naar voren dat [slachtoffer] hem zeer kort na het voorval heeft opgebeld en dat zij toen in paniek en aan het huilen was. [slachtoffer] vertelde vervolgens aan [betrokkene 1] dat zij ‘de leiding’, waarmee onmiskenbaar is gedoeld op de verdachte die als begeleider werkzaam was bij instelling [A] , moest pijpen. Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, vermag het hof niet in te zien waarom onvoldoende zou zijn gebleken dat dit telefonisch contact daadwerkelijk zou hebben plaatsgevonden. De enkele omstandigheid dat er geen historische verkeersgegevens in het procesdossier voorhanden zijn, dwingt in ieder geval niet tot een dergelijk oordeel.
Hoewel de betreffende verklaring van getuige [betrokkene 1] voor een groot deel is te herleiden naar [slachtoffer] als bron, neemt dit – gelet op de overeenstemming tussen die verklaring en de verklaringen van [slachtoffer] ter zake van het gedwongen oraal bevredigen van de verdachte – niet weg dat deze verklaring de belastende verklaringen van [slachtoffer] ondersteunt en in zoverre de betrouwbaarheid van haar verklaringen onderstreept. Bovendien acht het hof te dezen van redengevend belang dat [betrokkene 1] ook uit eigen waarneming heeft verklaard over de emotionele toestand van [slachtoffer] . Hij heeft immers zelf waargenomen dat [slachtoffer] hem zeer kort na het voorval huilend opbelde en in paniek was. Hetzelfde geldt voor de verklaring van aangeefster [betrokkene 2] , de moeder van [slachtoffer] , over de emotionele toestand van haar dochter in de avond na het voorval.
Maar bovenal heeft het hof acht geslagen op de bevindingen die uit het forensisch onderzoek naar voren zijn gekomen. Aangezien [slachtoffer] heeft verklaard dat zij na het klaarkomen van de verdachte in haar mond haar tanden heeft gepoetst, is de kop van haar elektrische tandenborstel bemonsterd. Deze bemonstering is vervolgens onderworpen aan een DNA-onderzoek en daaruit kwam naar voren dat sprake was van mannelijk DNA in die bemonstering. Daaruit is een Y-chromosomaal DNA-profiel verkregen, welk profiel matcht met het Y-chromosomale DNA-profiel van de verdachte. Het is zeer veel waarschijnlijker dat het profiel afkomstig is van de verdachte dan dat het profiel niet van hem afkomstig is, maar van een willekeurig gekozen, niet in de mannelijke lijn aan de verdachte verwante man. Deze objectieve bevindingen bieden naar het oordeel van het hof aldus in grote mate steun aan de verklaring van [slachtoffer] , inhoudende dat de verdachte bij de orale bevrediging is klaargekomen in haar mond en dat zij nadien haar tanden heeft gepoetst.
De verdachte heeft hier een alternatief scenario tegenover gesteld. Uitgaande van dat scenario zou [slachtoffer] de (naar mag worden aangenomen – in verband met het tijdsverloop – reeds ingedroogde) spermasporen die in (dan wel op) zijn (onder)broek zouden moeten hebben gezeten moeten hebben gezien, zelf moeten hebben bedacht dat die vlekken spermasporen betroffen, vervolgens die sporen hebben weggepoetst en/of de onderbroek van de verdachte (met daarin die ingedroogde spermasporen) tijdens het douchen hebben ontvreemd en tevens hebben bedacht dat die vlekken (ook) sperma betroffen, waarna die sporen op de tandenborstelkop moeten zijn aangebracht. Het hof acht dit scenario volstrekt niet aannemelijk geworden. Allereerst vindt het aangevoerde alternatieve scenario geen steun in het procesdossier. Voorts is dit scenario niet te verenigen met de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen. Het hof gaat aldus daaraan voorbij. Hetzelfde heeft te gelden voor de ten overstaan van de rechter-commissaris door [betrokkene 6], echtgenote van de verdachte, afgelegde verklaring. Reden daarvan is niet alleen omdat zij als echtgenote belang heeft om ten faveure van de verdachte te verklaren, maar bovendien omdat haar verklaring slechts inhoudt dat zij op een later moment van de verdachte hoorde dat hij zijn onderbroek miste of had verloren en aldus die verklaring geen steun biedt voor het alternatieve scenario van de verdachte waaruit noodzakelijkerwijs voortvloeit dat met de tandenborstel van [slachtoffer] spermasporen uit die onderbroek zouden moeten zijn geschraapt. Het hof wordt in voormeld oordeel over de niet-aannemelijkheid van het alternatieve scenario gesterkt door de omstandigheid dat de verdachte eerst pas op 21 januari 2019, dus nadat de resultaten van het DNA-onderzoek bekend waren geworden, zijn stilzwijgen heeft doorbroken en de hiervoor genoemde inhoudelijke verklaring heeft gegeven. Indien de verdachte daadwerkelijk onschuldig zou zijn, zoals hij stelt, had het minst genomen in de rede gelegen dat hij van begin af aan, althans eerder dan 21 januari 2019, zijn lezing over de loop der gebeurtenissen uit de doeken zou hebben gedaan, omdat – uitgaande van die lezing – de verdachte dan onterecht in voorarrest zou hebben gezeten en onterecht werd vervolgd. Dat heeft de verdachte evenwel niet gedaan.
Het voorgaande leidt ertoe dat de verklaringen van [slachtoffer] op het hof authentiek en betrouwbaar overkomen, zodat deze bruikbaar zijn om te bezigen tot het bewijs en ook daartoe worden gebezigd. Het hof ziet ook geen aanleiding om te veronderstellen dat [slachtoffer] een onwaarachtige verklaring heeft afgelegd over de bewezenverklaarde seksuele handelingen die door de verdachte zijn gepleegd, temeer nu haar verklaringen, zoals hiervoor reeds is overwogen, voldoende steun vinden in de overige bewijsmiddelen. Hetgeen overigens door de raadsvrouw ter betwisting van de betrouwbaarheid van [slachtoffer] nog als verweer is aangevoerd, dwingt niet tot een ander oordeel.
Tegen voormelde achtergrond acht het hof het evenmin noodzakelijk om een (nader) onderzoek in te (laten) stellen naar de betrouwbaarheid van [slachtoffer] door een gedagsdeskundige te benoemen, waartoe door de verdediging voorwaardelijk is verzocht. Het daartoe strekkende verzoek wordt afgewezen.
Met betrekking tot het hiervoor onder A.3 vermelde verweer overweegt het hof als volgt. Bij tussenarrest van 6 mei 2021 heeft het hof bevolen om [slachtoffer] nogmaals te horen als getuige, onder meer aangezien door de verdediging zowel de inhoud als de betrouwbaarheid van haar verklaring is bestreden. Wegens de uit het procesdossier naar voren komende geestelijke gezondheidsproblematiek van [slachtoffer] (hetgeen reeds volgt uit het feit dat zij geruime tijd heeft verbleven in een instelling voorjongeren met een licht verstandelijke beperking, te weten een IQ tussen 50 en 85, gecombineerd met ernstige gedragsproblemen en/of psychiatrische problematiek) in combinatie met de – gelet op het tenlastegelegde – intieme aard van de vragen die tijdens het horen zijn gesteld, heeft het verhoor op 18 augustus 2021 plaatsgevonden in een daartoe ingerichte studio door gecertificeerde rechercheurs onder regie van de raadsheer-commissaris. Met toepassing van het bepaalde in artikel 216, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is [slachtoffer] vervolgens onder ede als getuige gehoord. Ter waarborging van het ondervragingsrecht van zowel het Openbaar Ministerie als de verdediging zijn de advocaat-generaal en de raadsvrouw in de gelegenheid gesteld om binnen een nader te melden termijn vooraf schriftelijk vragen in te dienen en hebben zij dit verhoor in een aparte ruimte mogen bijwonen. Het hof stelt vast dat de verdediging van de mogelijkheid gebruik heeft gemaakt om schriftelijk vragen in te dienen, welke vragen tijdens het verhoor aan [slachtoffer] zijn gesteld. Voorts blijkt uit het procesdossier dat de raadsvrouw, na ontvangst van de door haar aangeleverde vragen doch voorafgaande aan het verhoor, namens de raadsheer-commissaris is medegedeeld dat uiterlijk aan het einde van het verhoor gelegenheid zal zijn eventuele aanvullende vragen aan de raadsheer-commissaris voor te leggen, waarop deze zal beslissen of de aanvullende vragen – al dan niet anders geformuleerd door de politie – nog dienen te worden meegenomen in het verhoor van de getuige. Uit het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris d.d. 18 augustus 2021 betreffende het studioverhoor komt verder naar voren dat de raadsvrouw, aanwezig gedurende het studioverhoor, desgevraagd te kennen heeft gegeven dat de verdediging alle vragen aan de beëdigde getuige [slachtoffer] heeft kunnen stellen die zij heeft willen stellen. Nog daargelaten dat het aldus niet zo is dat de verdediging het ondervragingsrecht in het geheel niet heeft kunnen uitoefenen en er daarnaast geen absoluut recht bestaat op een directe confrontatie van getuigen, is het hof van oordeel dat onder voormelde omstandigheden voor de beperking van het ondervragingsrecht (welke beperking dan hooguit zou kunnen worden gevonden in het niet direct door de raadsvrouw in persoon confronteren van [slachtoffer] als getuige) voldoende compenserende factoren zijn geboden, meer bepaald de processuele waarborg dat de verdediging schriftelijk vragen heeft mogen inbrengen en deze tijdens het verhoor heeft mogen aanvullen, waarvan tevens – kennelijk gezien vorenbedoeld proces-verbaal van bevindingen uitputtend en daarmee naar tevredenheid van de verdediging – gebruik is gemaakt.
Het hof heeft zich bij voormelde beoordeling ervan vergewist dat met het voorgaande de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 van het EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Daarbij heeft het hof tevens in aanmerking genomen dat de verklaringen van [slachtoffer] niet ‘sole and decisive’ zijn, aangezien de bewezenverklaring tevens in belangrijke mate rust op de bevindingen van het forensisch onderzoek, zoals reeds hiervoor is overwogen.
Het hof acht het verzoek om [slachtoffer] (nogmaals) als getuige te mogen horen, waartoe door de verdediging bij pleidooi voorwaardelijk is verzocht, bij voormelde stand van zaken niet noodzakelijk, reden waarom dit verzoek eveneens wordt afgewezen.
D.
Aldus treft het betoog van de raadsvrouw geen doel. Het hof verwerpt mitsdien de tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging in al hun onderdelen.
Resumerend acht het hof, gelet op het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.”
IV. Het verweer van de verdediging
De terechtzitting in hoger beroep van 22 april 2021
7. Op de terechtzitting in hoger beroep van 22 april 2021 heeft zich, blijkens het proces-verbaal van die zitting, onder meer het volgende voorgedaan:
“Desgevraagd door de voorzitter verklaart verdachte het volgende.
Ik weet niet meer waarom [slachtoffer] verbleef in [A] . Het is erg lang geleden. Ik weet niet meer welke specifieke beperking zij had en waarom zij daar zat. Ik weet wel nog dat iedereen daar een beperking had. Die avond was een kleine groep aanwezig in [A] . Ik ben eerder in de avond samen met [betrokkene 4] en [slachtoffer] naar De Spin geweest. De Spin is een klimapparaat dat zich bevindt in het park. Wij, [slachtoffer] en ik, zaten boven in die Spin. [betrokkene 4] zat lager op een bankje. We zaten daar ongeveer een kwartiertje. Ik weet niet meer precies hoe lang. Het is lang geleden.
Ze had het op dat moment over scharrels uit haar verleden. Ze begon wat rare vunzige opmerkingen te maken. Het waren opmerkingen die zij in het algemeen maakte. Het kwam erop neer dat zij het met die en die had gedaan. Ze had het over haar seksuele ervaringen. Ik heb naar haar geluisterd. De jongeren hebben aandacht nodig. Ik vond het wel vunzig. Op een bepaald moment maakte zij een opmerking over mij. Ze zag een vlek op mijn broek. Het was vogelpoep. [slachtoffer] zei dat ze dat kon wassen. Ze had een flesje met 100% alcohol. Ze kon mijn broek in de wasmachine stoppen. Ik vond het wel een beetje vaag dat ze dat zei. Ze zei dat ze de broek op haar kamer kon schoonmaken met mij in haar kamer. Dat vond ik vunzig.
Ik heb er geen verklaring voor dat zij zelf niet over die vogelpoep heeft verklaard. Ik heb de poep er zelf afgehaald. Het zat op mijn been. Ik zag het zelf op mijn broek zitten. Ik zei toen: “Ow shit vogelpoep”. Ik ga staan en wijs u aan waar de vogelpoep ongeveer op mijn, broek zat. Het klopt zoals u het omschrijft, de vogelpoep zat op mijn rechter bovenbeen ter hoogte van mijn kruis.
Er zaten meer vlekken op mijn broek. Dat waren spermavlekken. Ik ga wederom staan en wijs u aan waar die spermavlekken ongeveer zaten. Het klopt zoals u omschrijft dat die spermavlekken zich bevonden op beide bovenbenen van mijn broek, links en rechts ter hoogte van mijn kruis. Deze spermavlekken zaten al op mijn broek toen ik ging werken. Over die spermavlekken is niet gesproken op De Spin.
Over die vlekken hadden we het pas later. Dat was op het moment dat we naar haar kamer gingen om de vogelpoep te verwijderen met die 100% alcohol. Op haar kamer zei ze tegen mij: “Doe die andere vlekken ook maar.” Ze had er op De Spin niets over gezegd en toen ineens wel. Dat vond ik vreemd.
Ik ben die avond meerdere keren op haar kamer geweest.
Toen we terugkwamen van De Spin hebben we eerst even gezeten in de gemeenschappelijke ruimte. [slachtoffer] ging direct al naar haar kamer toe. Ik ging later naar haar toe voor het verwijderen van die vogelpoep. Op haar kamer heb ik zelf de vlekken eraf gehaald. Eerst de vogelpoep en daarna, na haar opmerking over de andere vlekken, heb ik die ook eraf gehaald.
Daarna ben ik met [slachtoffer] en [betrokkene 4] naar de Mc Donalds geweest. Ze had tijdens deze rit pijn aan haar rug. Daar klaagde ze over. Nadat we terugkwamen van de Mc Donalds vertelde ze het ook aan [betrokkene 7] en zei ze dat ze een douche/bad zou nemen. Ik ben op een bepaald moment naar haar toe gegaan om te kijken hoe het met haar ging vanwege die val. Ze uitte dat ze pijn had. Ik weet niet meer hoe veel pijn ze had. Ik stond toen op haar kamer. We hadden toen een gesprek. Zij zat op de bank. Ik ben weggegaan op een gegeven moment.
Daarna ben ik nog een derde keer op haar kamer geweest. Zij had mij gevraagd om langs te komen als iedereen sliep. Het was zo’n rare dag als ik erop terugkijk. Ik had onprofessioneel gehandeld. U vraagt mij waarom ik naar haar kamer ging toen iedereen sliep. Ik weet niet waarom. Ik heb me dat ook afgevraagd achteraf, maar op dat moment weet ik niet waarom ik er op ben ingegaan toen. Ik ben inderdaad naar haar kamer gegaan; dit was na half twaalf. Ik ben voordat ik op haar kamer kwam eerst nog bij een andere jongere ([betrokkene 8]) langs geweest om daar naar de Michael Jackson collectie van die jongere te kijken.
Ik ben naar de kamer van [slachtoffer] toe gegaan om te kijken hoe het ging. Ze had dat gevraagd. Toen ik bij [slachtoffer] kwam was ze televisie aan het kijken. Het was iets crimineel-achtigs. Daar hebben we het toen over gehad. Ik heb haar gevraagd hoe het met haar ging. Ik vroeg haar ook of ze nog tijgerbalsem had aangebracht. Dat was niet het geval. Ik bood aan dat iemand anders dat moest doen. Dat wilde ze niet en ze vroeg mij of ik dat wilde doen. Ik dacht bij mijzelf “weet jij wat, ik heb hier de verantwoordelijkheid; laat ik het gewoon doen; ik heb slaapdienst hier”. Ja, toen heb ik haar rug ingesmeerd. Niet zo heel lang, een kwartier tot twintig minuten. Ze maakte toen op een bepaald moment opmerkingen over mijn vrouw. Ze zei: “Is de koek op?” Ze doelde op mijn relatie met mijn vrouw. Achteraf heb ik me afgevraagd waarom ik dit zo heb laten gebeuren. Ik heb haar toen de aandacht gegeven waar ze om vroeg.
Op dat moment zei ik tegen [slachtoffer] dat het genoeg was geweest en vroeg ik waarom ze nu eigenlijk wilde dat ik op haar kamer moest komen. Toen vroeg ze om mijn privé-nummer. Ik heb dat nummer toen natuurlijk niet gegeven.
U vraagt mij of [slachtoffer] haar tatoeages heeft laten zien. Ik kan mij herinneren dat [slachtoffer] een paar tatoeages op haar arm liet zien. Het is zo lang geleden. Ze liet verder een paar schetsen zien van haar tatoeages. Ik kan mij niet herinneren dat ik tatoeages op haar rug had gezien dan wel haar onderkleding heb gezien. U houdt mij voor dat ik volgens het verslag van [betrokkene 9] van 4 april 2017 zou hebben verteld dat [slachtoffer] mij haar die avond haar tattoo liet zien, waarvoor zij haar rug diende te ontbloten en waardoor ik gedeelten van haar onderkleding zag.
U houdt mij ook voor dat ik volgens dat verslag zou hebben verteld dat ik later, die nacht, haar rug heb gemasseerd met tijgerbalsem en dat [slachtoffer] dat volgens mij als ‘sensueel’ ervoer. Ik heb [slachtoffer] ingesmeerd met die tijgerbalsem. Dat grenst aan masseren. Ze vond het fijn zei ze. Daarom heb ik wellicht gezegd tegen [betrokkene 9] dat zij het sensueel vond, zoals hij schrijft in zijn gespreksverslag van het gesprek op 3 april 2019. [slachtoffer] zei lager, lager en ik dacht: “Waar zit de pijn dan?” Ik weet niet meer of haar deur wel of niet op slot kon.
U vraagt mij waarom ik niet heb aangedrongen op een doktersbezoek. Ik heb haar als eerste voorgesteld om naar een dokter te gaan. Ik was net twee maanden in dienst. Op dat moment dacht ik dat het de beste beslissing was om te handelen zoals ik heb gedaan. Het was achteraf gezien erg onprofessioneel.
[slachtoffer] begon erover dat niet gesproken mocht worden over het feit dat ik haar had ingesmeerd. Ik ben daar niet op ingegaan. Ik wilde het sowieso vertellen aan mijn contactpersoon [betrokkene 10]. Uiteindelijk heb ik het ook verteld aan [betrokkene 9] en een aantal andere personen die bij [A] werkten. Ik ging het in ieder geval niet vertellen aan de andere jongeren.
De volgende ochtend ben ik nog bij [slachtoffer] langs geweest om te kijken hoe het met haar ging. Ze zei toen weer dat ik stil moest blijven en er niks over mocht zeggen, over dat insmeren.
U houdt mij voor dat in het gesprekverslag van het gesprek van 3 april 2019 is vermeld dat ik heb verteld dat ik besloot met [slachtoffer] te bespreken dat het niet de bedoeling was dat iemand iets te horen kreeg van dat voorval en dat ook [slachtoffer] niet leek te willen dat anderen dit te weten kwamen. U houdt mij verder voor dat uit dat gespreksverslag blijkt dat ik heb verteld dat ik de volgende ochtend weer naar de kamer van [slachtoffer] ben gegaan, omdat zij niet aan het ontbijt was verschenen, en ik haar zou hebben verzocht niet over het voorval te praten. U houdt mij voor dat ik later over dat verslag niet heb gezegd dat dit gedeelte niet juist was verwoord.
Later heb ik nog eens goed nagedacht over hoe een en ander precies is gegaan. Pas toen realiseerde ik mij dat sommige dingen iets anders waren gegaan. Ik was zelf op 3 april 2019 ook overrompeld door hetgeen was gebeurd. Misschien dat ik om die reden op dat moment daar niets over heb gezegd.
Dit is gewoon een thrillerdrama. Dit heeft mij kapot gemaakt. Hoe kan dit? Hoe is het mogelijk dat mijn sperma op de tandenborstel van [slachtoffer] is aangetroffen? Hoe kan ik mijn onderbroek die dag zijn kwijtgeraakt? Ik vraag het me af. Zij had die vlekken op mijn broek opgemerkt. Zij had de doekjes en mijn onderbroek is kwijt.
Ik weet het niet. Misschien heeft zij eerder gezien dat ik gebruik maakte van de douche en ik dan mijn tas liet buiten staan. Ik had twee keer eerder in [A] geslapen. Ik had een rugzak of sporttas. Verder had ik een plastic tas, waarin ik mijn vieze kleren deed. Die tas zette ik buiten de doucheruimte neer in de gang, direct om het hoekje. Pas later, thuis, kwam ik er achter dat mijn onderbroek niet in de tas zat. U vraagt mij of ik mijn onderbroek niet gelijk miste, omdat er in mijn plastictasje alleen nog maar sokken zaten volgens mijn verklaring. Nee, dat is mij niet opgevallen. U houdt mij voor dat ik eerder zou hebben verklaard dat ik [betrokkene 9] had verteld over mijn verdwenen onderbroek. U houdt mij ook voor dat [betrokkene 9] daarnaar gevraagd heeft verklaard bij de rechter-commissaris dat ik hem niets heb verteld over mijn ondergoed en dat als dat aan de hand zou zijn geweest dat enige relevantie zou kunnen hebben in het hele verhaal. U houdt mij voor dat [betrokkene 9] heeft verklaard dat ik daar niets over heb gezegd. Ik weet zeker dat ik hierover met [betrokkene 9] heb gesproken. Ik vind het vreemd dat hij daar geen herinnering aan heeft.
Desgevraagd door de oudste raadsheer verklaart verdachte het volgende.
U vraagt mij waarom ik mijn broek niet heb schoongemaakt voordat ik ging werken. Ik heb er niet meer aan gedacht om de spermavlekken van mijn broek te vegen na de seks met mijn vrouw. Ik was erg gehaast voordat ik naar [A] ging. Ik ben het toen vergeten. Pas toen ik de vogelpoep zag, realiseerde ik mij dat. U vraagt mij waarom ik niet naar de keuken ben gegaan bij [A] om de vlekken uit mijn broek te halen. Dat heb ik niet gedaan. U houdt mij voor uit het proces-verbaal van de terechtzitting bij de rechtbank van 6 maart 2020 dat ik heb verklaard “Ik heb haar gevraagd om de vogelpoep weg te halen” en “Ze zei niet dat het spermavlekken waren maar ze vroeg wel naar die vlekken. Ze vroeg of ze die ook moest verwijderen.” Ik kan mij niet herinneren dat ik ter terechtzitting in eerste aanleg heb gezegd dat ik [slachtoffer] had gevraagd om de vogelpoep te verwijderen. Ik heb haar dat niet gevraagd. Ik heb mijn broek niet uitgedaan tijdens het verwijderen van de vogelpoep. [slachtoffer] had 100% alcohol en vochtige doekjes. Ik ben om die reden naar de kamer van [slachtoffer] gegaan. Ik kon daarmee die vlekken van mijn broek halen. Ik heb er verder niet bij nagedacht om het zo te doen. Ik heb zelf die vlekken verwijderd.
De raadsvrouw deelt het volgende mede.
In het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg is vermeld dat cliënt heeft verklaard dat [slachtoffer] de doekjes aan mijn cliënt heeft gegeven en dat hij deze daarna weer aan haar had teruggegeven. Hieruit kan worden afgeleid dat mijn cliënt de broek zelf heeft schoongemaakt.
Desgevraagd door de oudste raadsheer verklaart verdachte het volgende.
U houdt mij voor dat ik bij de rechtbank blijkens meergenoemd proces-verbaal heb verklaard dat ik tegen [slachtoffer] had gezegd dat ik ging douchen en vraagt mij waarom ik dat tegen [slachtoffer] heb gezegd. Ik heb tegen [slachtoffer] gezegd dat ik ging douchen en slapen. Dat is standaard. Ik had daar geen bedoelingen mee. Toen ik ging douchen, liep ik met mijn onderbroek en sokken aan over de gang met een handdoek om mij heen gewikkeld. Ik heb in de doucheruimte mijn onderbroek uitgetrokken en deze in een plastictas gedaan. Dit zakje heb ik vervolgens direct om de hoek buiten de doucheruimte op de gang gezet. Toen ik dat deed had ik de handdoek nog om mij heen gewikkeld. Het is een gewoonte van mij om dit zo te doen. In een hotel doe ik dat ook zo. Ik zet het zakje dan niet buiten op de gang, maar buiten de doucheruimte binnen de hotelkamer. Aan de linkerzijde van de doucheruimte bevond zich ook direct mijn kamer. Dat was de slaapkamer van de leiding. Niemand had daar verder iets te zoeken.
U vraagt mij naar details van de onderbroek die ik toen droeg. De onderbroek in de tas was een normale boxershort. Deze sloot nauw aan op mijn lijf. Het was een grijze boxershort. Ik heb na het douchen niet gemerkt dat mijn onderbroek weg was. Ik merkte het pas thuis. Bij mij thuis staat de wasmand in de douche. Daar doe ik gelijk de vuile was in als ik thuis douche.
U vraagt mij hoe mijn sperma van de seks met mijn vrouw op mijn broek is gekomen en wat ik toen dan voor broek droeg. Ik had toen een normale jeans aan. Die jeans zat iets losser dan de broek die ik vandaag aan heb. Ik kan mij het niet precies herinneren hoe onze seks die dag was voor ik naar [A] ging. Toen ik ben klaargekomen is ook sperma op mijn broek terechtgekomen.
U houdt mij voor dat ik eerder heb verklaard dat ik wel eens spontane zaadlozingen had. Het klopt dat ik wel eens spontane zaadlozingen had in die tijd. Ik merkte destijds dat mijn onderbroek wel eens wat vochtiger was. Na de seks met mijn vrouw die dag heb ik geen spontane zaadlozing meer gehad. Ik had al seks gehad met mijn vrouw.
Desgevraagd door de jongste raadsheer verklaart verdachte het volgende.
U vraagt mij waarom ik een tasje met vuile was buiten de deur op de gang zette, met het risico dat de jongeren daar rondliepen. Het was een gewoonte van mij om de vuile was op de gang te zetten. Ik had elders ook een kamer bij [A] met een douche die bij de kamer hoorde. Daar zette ik mijn vuile was ook buiten de douche neer, maar dan in mijn eigen kamer. Er was bij [A] in [plaats] geen noodzaak om dit zo te doen, maar het was mijn gewoonte.
De verdachte verklaart voorts.
Ik was geschokt toen ik het verhaal van [slachtoffer] hoorde over wat er tussen ons was gebeurd. Ik stond te koken. Dit is ongelofelijk. Dit is ellende. Ik had alles kapot kunnen slaan. Ik was meer dan geshockeerd. Ik ben hier het slachtoffer. Ik zou slachtofferhulp moeten krijgen, niet zij. Ik weet niet hoe dit komt. Ik probeerde die jongeren te helpen. Waarom heeft zij mij dit aangedaan? Ik ben gewoon radeloos. Ik ben heel erg boos dat ze zoiets heeft verzonnen.
De raadsvrouw deelt het volgende mede.
Ik zou graag nog melding willen maken van een aantal stukken uit het dossier. In de eerste plaats wijs ik op pagina 124 van het dossier. Hieruit blijkt dat mijn cliënt voordat hij naar de kamer van [slachtoffer] is gegaan, hij op de afdeling ook nog de kamer van een andere cliënt heeft bezocht, te weten die van [betrokkene 8].
Verder wijs ik op het verhoor van getuige [betrokkene 9] d.d. 23 juli 2019 ten overstaan van de rechter-commissaris. Getuige [betrokkene 9] verklaart tijdens dat verhoor dat jongeren vaker seksueel wervend gedrag vertonen en het voor een medewerker niet makkelijk is om daarmee om te gaan.
Tot slot wijs ik nog op de tekening gehecht als bijlage 2 aan het proces-verbaal van verhoor van mijn cliënt d.d. 21 februari 2019 (pagina 18). Op deze tekening is zichtbaar de indeling van.de afdeling. Uit deze tekening blijkt dat de slaapkamer van mijn cliënt en de doucheruimte zijn gesitueerd in een inham van de gang. De douche en de slaapkamer van de leiding bevinden zich naast elkaar in een van de overige kamers van de afdeling afgezonderd gedeelte, in een nis. Het is dus niet zo dat de slaapkamer van cliënt en de doucheruimte zich midden op de gang bevonden.
[…]
De verdachte verklaart hierop het volgende.
Ik ben hier slachtoffer, niet [slachtoffer] . Ik heb een trauma. Mijn droom om met jongeren te werken is kapot. Ik durf mensen niet meer fysiek aan te raken. Ze heeft het zo vaak met mij over andere mannen gehad en dat zij geen vertrouwen meer in mannen had. Ze is op zoek naar geld. Dit is onzin.
Tijdens het politieverhoor heeft ze verklaard dat ik een taakstraf verdiende en dat ik en mijn vrouw uit elkaar zouden gaan. Voor zoiets ergs als een verkrachting?
[…]
Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken. De verdachte verklaart hierop het volgende.
Ik heb toegepaste psychologie gestudeerd. Ik wilde daarna een universitaire studie gaan volgen. Ik leerde mijn vrouw kennen en ben gaan werken bij het COA. Een jaar later ben ik bij [A] gaan werken. Ik had op dat moment helemaal geen ervaring met het werken met jongeren. Ik wilde die bewuste dag de sfeer goed proberen te behouden. Ik wilde [slachtoffer] de aandacht geven waar zij om vroeg. Achteraf gezien weet ik dat ik onprofessioneel heb gehandeld. Ik had niet die tijgerbalsem op haar rug moeten smeren. Ik had de dokter moeten bellen. Ik had een grote verantwoordelijk richting die jongeren, maar bijna geen ervaring. Ik ben onschuldig. Ik heb haar niks aangedaan.
Ik heb een zwaar omscholingstraject ondergaan. Ik kon niet meer binnen de zorg werken aangezien ik geen VOG-verklaring meer kreeg. Mijn vrouw, ouders en schoonouders staan 100% achter mij. Ik wil dat deze nachtmerrie voorbij gaat.”
8. Tijdens die zitting heeft de raadsvrouw van de verdachte overeenkomstig haar aan het hof overgelegde, en aan het proces-verbaal van deze zitting gehechte, pleitnota het woord tot verdediging gevoerd. Deze pleitnota houdt, voor zover hier relevant, het volgende in (hier weergegeven zonder de voetnoten):
“Betrouwbaarheid aangeefster
6. De verdediging persisteert bij het verweer dat de verklaringen van [slachtoffer] niet betrouwbaar zijn. Deze kunnen niet worden gebezigd tot het bewijs. Alleen hierom moet cl. ook in hoger beroep worden vrijgesproken.
Zware motiveringsplicht
7. De rechtbank achtte de verklaringen van [slachtoffer] niet betrouwbaar en kwam mede daardoor tot een vrijspraak. De Hoge Raad bepaalde dat een hof in zo'n situatie, indien zo'n verklaring wel voor het bewijs gebruikt wordt, ter waarborging van deugdelijkheid van bewijsbeslissing daartoe de redenen moet opgeven. In het bijzonder moet het hof vermelden op welke gronden hij desbetreffende verklaring betrouwbaar acht. De getuige hoeft daarvoor niet per se in hoger beroep gehoord te worden. Er kan ook acht geslagen worden op de mate waarin de verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen, of op de bezwaren van het OM tegen de vrijspraak en/of de procesopstelling van de verdachte.
8. Nu is het aan uw hof om een oordeel over te vormen over de betrouwbaarheid van [slachtoffer] . Op uw hof rust aldus een verzwaarde motiveringsplicht. Dit dossier bevat niets dat bouwstenen levert om aan die verzwaarde motiveringsplicht te voldoen.
9. De verklaringen van [slachtoffer] vinden immers geen steun in andere bewijsmiddelen. Alle getuigen konden alleen verklaren over wat [slachtoffer] hen vertelde. Zij zijn er niet bij geweest. De forensische rapporten tonen niet aan dat cl. is klaargekomen in de mond van [slachtoffer] en vormen geen steunbewijs. Cl. gaf ook een verklaring voor de aanwezigheid van zijn DNA. Daarover later meer.
10. Het OM voerde tegen de vrijspraak aan dat [slachtoffer] wel betrouwbaar is. De rechtbank kende volgens het OM een te groot gewicht toe aan de inconsistenties. Deze laten zich echter verklaren door haar kwetsbare persoonlijkheid en haar licht verstandelijk beperking. Haar verklaringen worden ondersteund door het feit dat zijn DNA op haar tandenborstel zat. De alternatieve lezing van cl. is onvoldoende aannemelijk, aldus het OM. Het OM onderbouwde deze standpunten niet. Het OM koos ervoor om geen nader onderzoek te laten doen naar de persoon van [slachtoffer] of de alternatieve lezing van cl. Daarvoor was echter wel alle aanleiding en gelegenheid.
11. Over de procesopstelling van cl. is uitgelegd waarom hij in eerste instantie op bepaalde vragen zweeg. Hij had voor het eerst in zijn leven te maken met de politie. Hij werd beschuldigd van een zeer ernstig zedenfeit en zat in voorarrest. Onder die omstandigheden moet hij kunnen afgaan op het advies van zijn advocaat. Later heeft hij bij politie en rechtbank uitgebreid verklaard. Deze verklaringen kwam niet uit lucht vallen maar borduurden voort op wat hij op 3 april 2017 vertelde aan de leiding van [A] . Ik verwijs in dat kader naar het gespreksverslag dat in EA is overgelegd. Toen vertelde hij ook al wat er die avond tussen hem en [slachtoffer] is gebeurd. Hij gaf ook een verklaring voor zijn DNA op die tandenborstel. Hij onderbouwde deze verklaring ook. Zijn vrouw bevestigde dat zijn onderbroek kwijt was na die dienst en dat hij spermavlekken in zijn broek had toen hij ging werken. En de verdediging verzocht meermalen maar steeds tevergeefs om nader onderzoek te laten verrichten naar de betrouwbaarheid van [slachtoffer] .2.
12. Deze procesopstelling kan gewoonweg niet het oordeel dragen dat de verklaringen van [slachtoffer] vanwege die opstelling betrouwbaar zijn. Dus ook met deze procesopstelling kan uw hof niet motiveren dat de verklaringen van [slachtoffer] daarom betrouwbaar zijn.
13. Wat de verdediging betreft zijn er dus geen feiten en omstandigheden te noemen waarmee uw hof kan voldoen aan de zware motiveringsplicht die de HR uiteen heeft gezet in het genoemde arrest.
Betrouwbaarheidsverweer in hoger beroep
14. Zoals gezegd persisteert de verdediging in hoger beroep bij het betrouwbaarheidsverweer.
15. Ten eerste omdat alle getuigen die iets konden zeggen over [slachtoffer] uit zichzelf verklaarden dat zij vaker twijfels hebben bij wat [slachtoffer] hen vertelde. Ik verwijs naar RN 6 van de pleitnota EA voor de concrete verklaringen en de vindplaatsen ervan.
16. Het OM betwist dit. De getuigen geloofden [slachtoffer] in deze kwestie wel. Zij zagen ook heftige emoties en een gedragsverandering, aldus het OM. Ik wijs uw hof graag op de verklaring van de moeder dat zij op 1 april 2017 werd gebeld door [slachtoffer] met de vraag of zij nieuwe inkt mocht kopen en of ze mee mocht naar de camping. Moeder merkte niets aan haar dochter. Het was gewoon een normaal gesprek, aldus moeder (p. 81). De leiding merkte die dag ook niets aan [slachtoffer] (p. 158). In de weken erna gedroeg [slachtoffer] zich volgens de leiding alsof er niets gebeurd was (p. 153). Dit staat haaks op de vermeende heftige emoties waar het OM op wijst. Getuigen zijn over het algemeen ook niet in staat om bepaalde emoties bij anderen te duiden. Uw hof heeft recent nog geoordeeld dat de verklaringen over de gemoedstoestand van de aangeefster niet kunnen bijdragen aan het inhoudelijk steunbewijs van het tenlastegelegde.
17. Ten tweede is het niet te rijmen dat [slachtoffer] op 1 april 2017 aan [betrokkene 4] een heel ander verhaal vertelde dan aan de politie en de andere getuigen. Het OM hechte in EA geen waarde aan de verklaring van [betrokkene 4] vanwege zijn persoon. Wat daarmee wordt bedoeld, wordt niet uitgelegd. Het is in ieder geval nergens op gebaseerd. Het is ook niet zo dat [slachtoffer] hem wellicht niet het hele verhaal vertelde. Ze vertelde hem een compleet ander verhaal. En niet alleen over de seksuele handelingen. Ook haar reactie jegens cl. was anders. Ze vertelde [betrokkene 4] dat ze cl. in zijn gezicht sloeg. In haar studioverhoor vertelde ze dat ze helemaal verstijfde. Die twee verklaringen van haar staan lijnrecht tegenover elkaar.
18. Daarbij komt dat een getuige over het algemeen betrouwbaar wordt gevonden als deze zijn belastende verklaring herhaalt bij de rechter-commissaris. [betrokkene 4] verklaarde niet zozeer be- of ontlastend. Hij vertelde enkel wat [slachtoffer] hem op 1 april 2017 vertelde. Hij benadrukte bij de rechter-commissaris dat hij destijds de waarheid had verteld en bevestigde op vragen van de verdediging dat ‘dit is wat zij hem verteld heeft’.
19. De verklaring van [betrokkene 4] kan dus niet terzijde worden geschoven. Deze tast onverkort de betrouwbaarheid van [slachtoffer] aan. De verschillen tussen wat ze aan hem vertelde en aan de rest zijn op essentiële onderdelen levensgroot.
20. Het is ook niet te rijmen dat [slachtoffer] haar moeder, die er expliciet naar vroeg, vertelde dat cl. niet in haar is geweest (p. 97). In haar studioverhoor vertelde [slachtoffer] dat cl. probeerde met zijn hand in haar broek te komen. Dit vertelde ze overigens niet meteen maar pas nadat de verhoorder vroeg of er nog meer was gebeurd dan alleen pijpen. Pas toen de verhoorder daarop doorging, vertelde [slachtoffer] dat cl. met zijn vingers heen en weer zou zijn gegaan in haar vagina (p. 120/121). Ook in haar getypte brief meldde ze niet dat cl. haar heeft gevingerd (p. 85). Ze vertelde het ook niet aan Jack toen ze hem belde, of aan Gerrie. Ze vertelde haar moeder wel dat cl. aan haar borsten heeft gezeten (p. 97). Maar dat komt weer niet terug in haar getypte brief en studioverhoor.
21. Met andere woorden, [slachtoffer] vertelde steeds een ander verhaal over de seksuele handelingen. Dat ze tegen een aantal van de getuigen steeds over het pijpen vertelde, maakt dit niet anders. Dit doet ook in grote mate afbreuk aan haar betrouwbaarheid.3.
22. Ten derde verklaarde [slachtoffer] tegenstrijdig maar vooral onwaar over andere essentiële details. Ik verwijs uw hof in dit kader naar RN 10 t/m 15 van pleitnota EA en overgelegde doktersverklaring.
23. Ik noem in dat kader haar verklaring over het geslachtsdeel van cl. Hij zou volgens haar besneden zijn terwijl dat niet zo is. Zij verklaarde onwaar over wiens idee het was om tijgerbalsem op haar rug te smeren en de aandacht die zij al dan niet op 31 maart 2017 kreeg van cl. [slachtoffer] zei hierover dat cl. haar steeds opzocht en zij hem expres ontliep. Hij zou bij haar erop aan hebben gedrongen om haar in te smeren. [betrokkene 4] verklaarde bij de rechter-commissaris echter dat hij die avond met cl. besprak dat het hem opviel dat [slachtoffer] zoveel aandacht vroeg van cl. en dat hij, [betrokkene 4], in de auto en op de groep hoorde dat [slachtoffer] steeds aan cl. vroeg of hij haar rug wilde insmeren.
24. Zij verklaarde ook tegenstrijdig over wie de deur op slot zou hebben gedraaid. Zij vond het naar eigen zeggen ook vreemd dat cl. op haar kamer kwam terwijl [betrokkene 4] bevestigde dat [slachtoffer] hem zelf uitnodigde.
25. Het OM verklaarde deze tegenstrijdigheden met het feit dat [slachtoffer] een licht verstandelijke beperking zou hebben, PDD NOS, verlatings- en bindingsangst en een zwakke emotionele ontwikkeling. In dit stadium van deze strafzaak, na een vrijspraak in EA, had op de weg van het OM gelegen te onderbouwen in hoeverre haar ontwikkeling, haar IQ en haar problematiek van invloed kunnen zijn op tegenstrijdigheden in haar verklaringen. Het wordt alleen maar gesteld maar door niets onderbouwd. Dat [slachtoffer] met deze problematiek kampt, volgt ook alleen heel summier uit de verklaring van haar moeder. Maar dat is gewoonweg te weinig.
26. Ten vierde merkt de verdediging op dat in zedenzaken voor de betrouwbaarheid van een aangeefster veel waarde wordt gehecht aan wat er na het vermeende feit gebeurde. [slachtoffer] zou die nacht meteen via Messenger contact hebben gezocht met [betrokkene 1] (p. 85 en 88). [betrokkene 1] bevestigde dit. De berichtjes zelf zijn er alleen niet meer. [slachtoffer] zou deze uit angst hebben gewist en de telefoon van [betrokkene 1] zou waterschade hebben gehad. Berichten op Messenger zijn echter eenvoudig te raadplegen op het betreffende FB-account. Als [betrokkene 1] ze niet heeft gewist, dan hadden ze er dus nog moeten zijn. Er is verder ook geen onderzoek naar gedaan. [slachtoffer] en [betrokkene 1] hadden die nacht naar eigen zeggen ook telefonisch contact. De historische verkeersgegevens die dit kunnen bevestigen, ontbreken.
27. [slachtoffer] zou ook contact hebben gehad met [betrokkene 5] uit [plaats]. Deze getuige is niet gehoord. [slachtoffer] zou die nacht ook contact hebben gezocht met anderen. Hier is niet op doorgevraagd en er is geen onderzoek naar gedaan. Ook verklaarde haar moeder dat [slachtoffer] haar vertelde dat ze niet durfde te bellen omdat cl. nog steeds op de groep was (p. 96). Dan zou ze wel gedurfd hebben om [betrokkene 1] te bellen en hem te vragen om haar te komen halen. Dat zou alleen niet doorgegaan zijn om [slachtoffer] bang was dat ze niet meer terug mocht komen bij [A] als ze 's nachts weg zou gaan. Ook dit is allemaal niet met elkaar te rijmen. De verdediging stelt zich op het standpunt dat onvoldoende is gebleken dat deze contacten plaatsvonden en onvoldoende steun bieden voor het oordeel dat [slachtoffer] betrouwbare verklaringen heeft afgelegd.
28. Het OM had dus meerdere mogelijkheden om de verklaring van [slachtoffer] te verankeren maar deed niets. Zelfs niet nadat de verdediging in EA al gemotiveerd betwistte dat de contacten hadden plaatsgevonden.
29. Ten vijfde is het zo dat de familie van [slachtoffer] druk op haar uitoefende om op 1 april 2017 haar verhaal te vertellen aan de leiding van [A] . Anders mocht ze niet mee. Ik wijs in dat kader op RN 20 en 21 van de pleitnota EA.
30. Er zijn dus vijf redenen te noemen die – afzonderlijk van elkaar – grote afbreuk doen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer] . Dat is gewoonweg teveel. De verklaringen kunnen niet worden gebezigd voor het bewijs. Cl. moet om die reden worden vrijgesproken.
[…]
Geen steunbewijs
35. De verdediging persisteert bij het verweer dat de forensische rapporten geen steun bieden aan de verklaringen van [slachtoffer] . Deze tonen niet aan dat cl. in de mond van [slachtoffer] is klaargekomen. En dit steunbewijs is nodig om überhaupt tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Ook om deze reden moet cl. worden vrijgesproken.
36. Het forensisch onderzoek wees uit dat er sperma op de tandenborstel van [slachtoffer] zat. Het is zeer veel waarschijnlijker dat dit sperma van cl. was dan van iemand anders. De vraag is echter of hoe dit onderzoeksresultaat moet worden geduid. Is het een daderspoor of niet?
37. [slachtoffer] verklaarde dat cl. in haar mond is klaargekomen. Cl. ontkende dit en verklaarde hoe zijn sperma op de tandenborstel is4.gekomen. Deze verklaring vindt steun in de verklaring van zijn echtgenote. Onder die omstandigheden is alleen een DNA-spoor dat in haar mond is afgenomen, een daderspoor. Het DNA-spoor op de tandenborstel is dat niet. Cliënt heeft namelijk een redelijke, de oorzaak ontzenuwende verklaring gegeven voor de aanwezigheid van zijn DNA-materiaal op een tandenborstel.
38. Het OM betwist dit. De alternatieve lezing van cl. zou immers totaal onaannemelijk zijn. Het OM heeft echter alle gelegenheid gehad om deze verklaring te laten onderzoeken door deskundigen maar vond dit kennelijk niet nodig. Onder die omstandigheid stelt de verdediging dat het OM met meer moet komen. Nu dit er niet is kan de verklaring van cl. alleen terzijde worden geschoven als deze wordt weerlegd door bewijsmiddelen. Met uitzondering van de onbetrouwbare verklaringen van [slachtoffer] zijn deze bewijsmiddelen er niet. Alleen roepen dat het totaal onaannemelijk is, is onvoldoende.
39. Maar zelfs als wordt onderzocht of deze alternatieve verklaring wel of niet aannemelijk is, dan blijft toch overeind staan dat de verklaring van cl. wordt gesteund door zijn echtgenote die bij de rechter-commissaris verklaarde dat en hoe zij 31 maart 2017 seks hadden en dat zij een dag later van haar echtgenoot hoorde dat hij zijn boxershort kwijt was. Het OM kan geen feiten en omstandigheden benoemen die maken dat zij niet de waarheid sprak bij de rechter-commissaris. Dus ook deze verklaring kan niet terzijde worden geschoven.
40. Voor de aannemelijkheid en geloofwaardigheid van de verklaring van cl. is ook van belang dat deze niet alleen een verklaring inhoudt over hoe zijn sperma op de tandenborstel terecht is gekomen. Hij verklaarde ook wat er die avond tussen hem en [slachtoffer] is gebeurd. Dan heb ik het over de val van [slachtoffer] , de pijn die zij voelde, haar aanhoudende vragen aan hem om tijgerbalsem op haar rug te smeren. Deze punten vinden allemaal steun in de verklaring van [betrokkene 4], een objectieve getuige die bij de rechter-commissaris bevestigde dat hij bij de politie de waarheid sprak.
41. Cl. verklaarde ook dat hij na bedtijd op haar kamer was, dat zij toen aanhoudend zeurde dat ze zijn contactgegevens wilde en dat hij weigerde deze te geven. Dit vertelde hij op 3 april ook al aan de leiding van [A] . Toen wist hij nog niet eens dat zij hem beschuldigde van verkrachting. Dat volgt uit het gespreksverslag van genoemde datum. Al deze onderdelen van de alternatieve lezing van cl. vinden dus verankering in andere bewijsmiddelen. De verklaring van cliënt staat dus niet op zichzelf en die van [slachtoffer] staat dat wel.
42. Het OM stelt daar tegenover alleen dat de lezing van cl. niet geloofwaardig is omdat dit zou betekenen dat een jong meisje met een licht verstandelijke beperking hem dan in de val heeft gelokt. Cl. heeft zijn verklaring op 21 februari 2019 afgelegd. Het OM heeft alle gelegenheid gehad om [slachtoffer] te confronteren met deze verklaring en om dit meer handen en voeten te geven. Het OM deed echter niets terwijl daar alle reden voor was, zeker gezien de onwaarheden en tegenstrijdigheden in haar verklaringen.
43. Het had ook op de weg van het OM gelegen om, gezien de verweren die de verdediging voerde, een deskundige te laten rapporteren over invloed van haar beperkingen op haar verklaringen. Dat is ook niet gebeurd terwijl ook daar alle reden voor was.
44. Het OM kan gewoonweg niet volstaan met het argument dat het ondenkbaar is dat [slachtoffer] , die een licht verstandelijke beperking heeft en een kwetsbaar persoon is, dit verzonnen heeft. De verdediging heeft meer dan voldoende aangetoond dat zij op essentiële punten onwaar en tegenstrijdig verklaarde.
45. De verdediging benadrukt ook dat voor de hand had gelegen dat er op 1 april 2017 een forensisch medisch onderzoek was uitgevoerd. Zelfs de Aanwijzing zeden van het OM onderkent het belang van zo’n onderzoek en stelt dat de eerste zeven dagen na het vermeende feit nog DNA-sporen gevonden kunnen worden. Het dossier legt niet uit waarom er geen onderzoek is verricht naar het wangslijmvlies van [slachtoffer] . In het kader van de waarheidsvinding was daar alle reden voor.
46. Als laatste wijst de verdediging op RN 34, 35 en 36 van de pleitnota EA. De overige resultaten van de forensische rapporten onderbouwen de verklaringen van [slachtoffer] ook niet. Haar pyjama bevatte ook spermasporen maar men kon niet vaststellen dat dit van cl. was. De pyjama bevatte wel speeksel van [slachtoffer] maar dat was niet vermengd met sperma en helemaal niet dat van cl.
47. De sporen op de tandenborstel zijn aldus geen dadersporen en dus niet delict gerelateerd. Dat doet in grote mate afbreuk aan de bewijswaarde van die sporen. Cl. ontkent dat hij in de mond van [slachtoffer] is klaargekomen. Gezien die ontkenning kan alleen sluitend bewijs dat op geen enkel andere manier kan zijn ontstaan dan door het delict zelf, voldoende steun bieden aan de verklaringen van [slachtoffer] . En dat bewijs is er gewoon niet.
48. Er is dus onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat cl. zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting. Vrijspraak is de enige mogelijke uitkomst.”
9. In aanvulling daarop heeft de raadsvrouw, blijkens voormeld proces-verbaal van de terechtzitting, nog het volgende opgemerkt:5.
“1. Het is niet vreemd dat mijn cliënt niet het belang inzag van de inhoud van het verslag van het gesprek dat hij voerde met [betrokkene 9] en destijds geen opmerkingen heeft gemaakt van details die niet juist waren weergegeven. Hij wilde op dat moment door met zijn werkgever.
2. Ik lees – anders dan de advocaat-generaal – in het dossier niet dat DNA van mijn cliënt op de pyjama van [slachtoffer] zou zijn aangetroffen.
3. Voor wat betreft inconsequenties in de verklaringen van [slachtoffer] wijs ik erop dat ook het openbaar ministerie deze onderkent, nu de advocaat-generaal zich zelf op het standpunt heeft gesteld dat [slachtoffer] op het punt van het vingeren inconsequent is geweest en mijn cliënt om die reden van dit gedeelte van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.
[…]
5. Tijdens het onderzoek ter zitting zijn vragen gesteld over hoe het mogelijk is dat er sperma zat op de broek van mijn cliënt. Ieder mens is anders. Daar moeten we het mee doen. Deze vraag is niet met logica vanaf papier te beredeneren. Een deskundige zou zich er anders over moeten uitlaten hoe dat mogelijk is.
6. Ik wijs er op dat sprake is van veel emoties bij mijn cliënt over wat hem is overkomen. Dat is ook vandaag tijdens de zitting gebleken. Dit valt hem bijzonder zwaar. Hij wil verder met zijn leven.”
De terechtzitting in hoger beroep van 23 november 2021
10. Het hof heeft op 6 mei 2021 bij tussenarrest het onderzoek heropend, het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst en de stukken in handen van de rechter-commissaris gesteld, teneinde de aangeefster in het kader van een studioverhoor als getuige te doen horen.
11. Op de terechtzitting van 23 november 2021 heeft het hof met instemming van de betrokken procespartijen in andere samenstelling het onderzoek van de zaak hervat in de stand waarin het zich ten tijde van het wijzen van het tussenarrest op 6 mei 2021 bevond. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 23 november 2021 heeft de verdachte aldaar het volgende verklaard over de inhoud van het proces-verbaal van het studioverhoor van de aangeefster:
“Toen ik de verklaring van [slachtoffer] las, kreeg ik er hoofdpijn van. Ik weet niet hoe zij zoiets raars kan verklaren. Ik vind het te bizar hoe ze dit heeft kunnen verzinnen. Zoals het complot met [betrokkene 4]. Ik heb absoluut geen contact gehad met [betrokkene 4]. Hem heb ik nooit meer gesproken of gezien. Hij was best een rustige jongen, meelevend en hij deed leuk mee met iedereen. Hij viel goed in de groep, maar viel ook niet echt op. Ik wist helemaal niet dat [betrokkene 4] destijds van zijn kamer zou zijn gegaan en een joint zou hebben gerookt.
U, voorzitter, houdt mij voor dat in het dossier staat vermeld dat ik een dergelijk geval mogelijk zou moeten rapporteren. Ik antwoord daarop dat ik dat niet meer weet. Of er gerapporteerd moest worden of niet, was afhankelijk van de groep die ik begeleidde. In [plaats] rapporteerde ik niet. Die rapportages gingen slechts mondeling.”
12. Voorts heeft de raadsvrouw van de verdachte ter terechtzitting overeenkomstig haar aan het hof overgelegde en aan het proces-verbaal van die zitting gehechte pleitnota, voor zover hier van belang, het volgende naar voren gebracht (met weglating van de voetnoten):
“Aanvullingen verweer ter zake de betrouwbaarheid van [slachtoffer]
9. De onbetrouwbaarheid van [slachtoffer] is door het aanvullend verhoor alleen maar toegenomen. Als de verdediging haar verklaring mag samenvatten, dan komt het erop neer dat zij 100% herinneringen heeft aan de bewuste avond en nacht in 2017; het staat op haar netvlies gebrand. Ze heeft bij de politie voor 100% de waarheid gesproken. Iedereen die anders heeft verklaard over haar of over hetgeen zij hebben gehoord of gezien, liegt.
10. Ze kwam terug op de beschrijving van het geslachtsdeel van cl. Dat doet ze alleen op een manier die er bij de verdediging niet ingaat. Nu verklaarde ze dat de politie vroeg of cl. besneden was en ze zou hebben gezegd dat dit ‘volgens haar wel het geval is’. Maar zo is het niet gegaan. De politie stelde die vraag niet. Ze verklaarde uit zichzelf dat cl. besneden was, met een uitleg daarbij; zonder dat de politie daarover begon. Nu uit het vonnis van de rb blijkt dat medisch is onderbouwd dat het niet het geval is, komt ze hierop terug met de verklaring dat ze het eigenlijk niet wist.
11. Ik benoem de meest opvallende tegenstrijdigheden. Ze wilde geen mannelijke leiding op haar kamer hebben en cl. was die avond één keer tegen haar wil op haar kamer. Toch verklaarde ze in 2017 dat cl. eerder die avond ook op haar kamer was, toen was [betrokkene 8] er ook. [betrokkene 4] verklaarde dat [slachtoffer] meermaals aan cl. vroeg of hij haar rug wilde insmeren op haar kamer. Ze wilde namelijk haar shirt niet omhoog doen op de groep. Volgens [betrokkene 4] is cl. die avond ook meerdere keren op haar kamer geweest.
12. Het op slot draaien van de deur blijft een vraagteken. Nogmaals, alles staat op haar netvlies gebrand. In eerste instantie verklaarde ze in haar tweede SV, net zoals in haar eerste SV, stellig dat cl. de deur op slot draaide en op de bank ging zitten. Geconfronteerd met de brief die ze vlak na 1 april 2017 schreef – waarin ze gedetailleerd opschreef dat cl. haar vroeg de deur op slot te draaien – begon ze te twijfelen en is het een waas. Ze geeft verder geen verklaring voor dit verschil.
13. Het schrijven van de brief is nu ook ineens een vraagteken geworden. Moeder verklaarde dat [slachtoffer] deze brief op zondag heeft getypt. In 2021 verklaarde [slachtoffer] ineens dat ze zich niet kan herinneren dat ze deze brief heeft geschreven. Daardoor heeft ze dus ook geen verklaring voor de inconsistenties tussen deze brief en haar latere verklaringen.
14. In 2017 verklaarde ze net als cl. en [betrokkene 4] dat cl. boven in het klimrek zat met haar. [betrokkene 4] verklaarde zelfs dat hij helemaal niet zo hoog durft te gaan. In 2021 verklaarde ze stellig dat het [betrokkene 4] was die bij haar boven in het klimrek zat. Cl. was beneden gebleven. Het feit dat zij hier wisselend over verklaarde, maakt dat de verklaring van cl. over het klimrek en de gesprekken die ze hadden niet kan worden weerlegd.
15. Waar ze in 2017 nog uitgebreid en gedetailleerd verklaarde dat cl. haar vroeg of hij haar rug zou insmeren en z’n vingers al in het potje had zitten, verklaarde ze in 2021 dat er van het hele tijgerbalsemverhaal niets klopt. Het is niet gebeurd, ze had niet eens tijgerbalsem en er is ook niet over gesproken.
16. En alles wat [betrokkene 4] daarover zou hebben verklaard, is volgens [slachtoffer] onzin. Ze weet alleen dat [betrokkene 4] zelf verslaafd was aan het spul en opperde dat cl. op [betrokkene 4] zou hebben ingepraat om dit te verklaren bij de politie. Het is een bullshitverhaal, aldus [slachtoffer] . Gevraagd naar een verklaring voor dit verschil, komt ze niet verder dan dat ook niet elk punt op haar netvlies staat. En er is sprake van een complot tussen cl. en [betrokkene 4]. Ik herhaal nog maar eens dat cl. op 3 april 2017 al aan zijn leidinggevenden vertelde dat hij haar rug had ingesmeerd met tijgerbalsem en dat [betrokkene 4] uit zichzelf uitgebreid verklaarde over de tijgerbalsem en over wie het initiatief nam.
17. Het volgende opvallende punt is de vraag wat [slachtoffer] aan [betrokkene 4] vertelde. Het staat vast dat [betrokkene 4] verklaarde dat hij van [slachtoffer] hoorde dat er andere dingen zijn gebeurd dan wat cl. wordt verweten. [slachtoffer] verklaarde nu dat het hele gesprek met [betrokkene 4] niet eens heeft plaatsgevonden. Ze zou dit nooit aan een cliënt vertellen.
18. En dus is er geen sluitende verklaring gekomen voor de verschillen tussen haar uiteindelijke verklaringen en wat ze [betrokkene 4] heeft verteld.
19. Maar het meest opmerkelijk is het feit dat iedere verklaring over de seksuele handelingen en de volgorde ervan anders is, of deze nu direct van [slachtoffer] komt of via een derde.
20. In 2017 verklaarde zij in de studio dat cl. haar eerst op schoot trok en met zijn hand in haar string ging en met zijn vinger in haar vagina. Hij ging met zijn vinger heen en weer. Ze klapte toen dicht en was teruggetrokken. Ik herhaal nog maar eens dat zij dit aspect niet aan haar moeder, de leiding en [betrokkene 11] vertelde. Het is ook opvallend dat het OM meent dat cl. van dit aspect moet worden vrijgesproken. De verdediging leidt hieruit af dat ook het OM moeite heeft met de verklaringen die [slachtoffer] heeft afgelegd.
21. Daarna moest ze hem pijpen. Toen hij was klaargekomen, liep ze naar de wasbak, spuugde het sperma uit en poetste haar tanden. Cl. moest toen lachen.
22. In 2021 verklaarde ze dat ze hem eerst moest pijpen. Toen hij was klaargekomen, slikte ze het sperma door. Daarna ging hij met zijn hand in haar string en raakte haar vagina aan. Hij ging niet in haar vagina. Dat lukte niet want ze sloeg hem weg. Toen ging hij weg en zij poetste haar tanden.
23. De verdediging stelt vast dat de seksuele handelingen, haar reactie op die handelingen en de chronologische volgorde in geen van de versies hetzelfde zijn, of ze het nu in de studio vertelde of aan een getuige.
24. [slachtoffer] geeft hiervoor een opmerkelijke verklaring. Ze zou dingen anders hebben verklaard of achterwege hebben gelaten omdat ze gewoon te aardig is. Ze heeft sommige dingen niet verteld omdat cl. dan een lagere straf zou krijgen. Maar als haar verklaringen naast elkaar worden gelegd, dan blijkt helemaal niet dat ze specifieke dingen wegliet; ze vertelde steeds een ander verhaal. Zelfs over de meest vergaande handeling, het pijpen, vertelde ze steeds anders. Zo vertelde ze het niet aan [betrokkene 4]. In haar eigen verklaringen vertelde ze chronologisch wisselend. En ze verklaarde anders over het vervolg; in 2017 spuugde ze het sperma gelijk uit; in 2021 slikte ze het door.
25. Feit blijft dat de verklaring van [betrokkene 4], die het meest haaks staat op haar verklaringen, niet terzijde kan worden geschoven en dat [slachtoffer] geen aannemelijke verklaring heeft kunnen geven voor de verschillen. Dat het gesprek überhaupt niet heeft plaatsgevonden en dat [betrokkene 4] met cl. in het complot zou zitten en is omgekocht voor € 50,00, is volstrekt onaannemelijk en wordt door niets onderbouwd.
26. Verklaringen van getuigen moeten worden beoordeeld op consistentie, accuraatheid en volledigheid. Vooral in zedenzaken. Het enkele feit dat in verklaringen op punten tegenstrijdigheden voorkomen, maakt deze verklaringen op zichzelf nog niet onbetrouwbaar. Dat kan immers te wijten zijn aan de feilbaarheid van het menselijk geheugen, teweeggebracht zijn door emoties, schaamte of middelengebruik dan wel ontstaan door het delict of tijdsverloop. Het gaat om de totale indruk die de verklaringen maken en de wijze waarop zij zijn afgelegd.
27. In dit geval verklaarde [slachtoffer] echter op alle punten tegenstrijdig. Geen één detail is hetzelfde. Ze zou derden bepaalde dingen niet hebben verteld terwijl die mensen zeggen van wel. De chronologie is steeds anders. Haar reactie is steeds anders. De aard van de seksuele handelingen is steeds anders. Objectieve getuigen zouden hebben verklaard over dingen die nooit gebeurd zijn en die ze nooit heeft verteld. Dit is niet te verklaren door het tijdsverloop; zeker niet nu [slachtoffer] stellig verklaarde dat alles op haar netvlies staat gebrand en 100% zeker weet dat ze altijd de waarheid vertelde.
28. Dit maakt dat de verklaringen van [slachtoffer] als onbetrouwbaar terzijde moeten worden geschoven en niet voor het bewijs gebezigd kunnen worden. Het gevolg daarvan is dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is en cl. moet worden vrijgesproken.
Steunbewijs
29. Het verweer dat haar verklaring, indien betrouwbaar, niet wordt ondersteund door een ander bewijsmiddel blijft overeind staan. Ik verwijs met uw goedvinden naar de randnummers 35 tot en met 48 van de vorige pleitnota. De verklaring van [slachtoffer] heeft hier geen verandering in gebracht. Uit die verklaring volgen geen feiten en omstandigheden die de alternatieve lezing van cl. volstrekt onaannemelijk maken. Haar punt dat de begeleiding met slaapdienst niet zou mogen douchen en dat het dus helemaal niet kan dat cl. een tas met kleding buiten de doucheruimte heeft geplaatst, is niet te volgen. Het is onlogisch. Ook het gebrek aan steunbewijs maakt dat het tll. feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen en cl. moet worden vrijgesproken.
30. [slachtoffer] is om die reden niet-ontvankelijk in haar vordering benadeelde partij. De overige bezwaren tegen de inhoud van de vordering blijven staan.”
13. In aanvulling daarop heeft de raadsvrouw aangevoerd, aldus meergenoemd proces-verbaal:
“Randnummer 16:
Zowel cliënt (ter terechtzitting vandaag), als [betrokkene 4] (bij gelegenheid van zijn verhoor bij de rechter-commissaris) verklaarden dat zij elkaar niet meer hebben gesproken sinds het vermeende voorval.
Randnummer 17:
[betrokkene 4] is een rustige man, een homoseksueel.”
14. Verder heeft de raadsvrouw als volgt gedupliceerd:
“[…]6.Voorts verklaarde [slachtoffer] tijdens het recente studioverhoor zelf stellig dat zij nog ‘100% herinnering’ had aan het voorval. Desondanks verklaart zij heel anders in 2021 dan in 2017, op mijns inziens te essentiële punten. Daarom zijn haar verklaringen niet betrouwbaar.”
V. De bespreking van het middel
De bespreking van de deelklachten a) en b)
15. Verkrachting is als volgt strafbaar gesteld in art. 242 Sr:
“Hij die door geweld of een andere feitelijkheid of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid iemand dwingt tot het ondergaan van handelingen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, wordt als schuldig aan verkrachting gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
16. Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte de aangeefster door geweld en andere feitelijkheden heeft gedwongen tot het ondergaan van een handeling die bestond uit het seksueel binnendringen van haar lichaam, waarbij dat geweld en die andere feitelijkheden erin bestonden dat hij het hoofd van de aangeefster (met kracht) naar zijn geslachtsdeel heeft getrokken en hierbij haar haren (met kracht) heeft vastgehouden en op- en neergaande bewegingen heeft gemaakt en daarbij misbruik heeft gemaakt van de kwetsbare positie waarin zij zich bevond en feitelijk overwicht op haar heeft gehad vanwege de in de bewezenverklaring nader aangeduide afhankelijkheidsrelatie, waardoor zij niet (voldoende) in staat is geweest weerstand aan hem te bieden.
17. Volgens de stellers van het middel getuigt dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting. Daartoe wordt onder meer aangevoerd dat “het misbruik maken van een kwetsbare positie” en “het hebben van een feitelijk overwicht” geen bestanddelen zijn van de delictsomschrijving van verkrachting als bedoeld in art. 242 Sr en kennelijk (ten onrechte) zijn ontleend aan de strafbaarstellingen van mensenhandel (art. 273f Sr) en het seksueel binnendringen van iemand in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht (art. 243 Sr).
18. Deze deelklacht berust mijns inziens op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Het hof heeft als “andere feitelijkheid” waarmee de verdachte de aangeefster heeft gedwongen aangemerkt het misbruik maken van de kwetsbare positie van de aangeefster en het hebben van een feitelijk overwicht over de aangeefster. Daarmee geeft het oordeel van het hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
19. In weerwil van deelklacht b) vindt dat oordeel ook voldoende weerslag in de bewijsmotivering van het hof. Van door een ‘feitelijkheid dwingen’ als hiervoor bedoeld kan slechts sprake zijn als de verdachte door die feitelijkheid opzettelijk heeft veroorzaakt dat de aangeefster die handelingen tegen haar wil heeft ondergaan. Daarvan kan sprake zijn als de verdachte opzettelijk een zodanige psychische druk heeft uitgeoefend op de aangeefster, of de aangeefster in een zodanige afhankelijkheidssituatie heeft gebracht dat zij zich daardoor naar redelijke verwachting niet tegen die handelingen heeft kunnen verzetten, dan wel dat de verdachte de aangeefster heeft gebracht in een zodanige door hem veroorzaakte (bedreigende) situatie dat zij zich naar redelijke verwachting niet aan die handelingen heeft kunnen onttrekken. De vraag of zo’n dwang zich daadwerkelijk heeft voorgedaan laat zich niet in het algemeen beantwoorden, maar hangt af van de concrete omstandigheden van het geval.7.
20. Het hof heeft blijkens zijn bewijsvoering onder meer het volgende vastgesteld. De aangeefster verbleef in [A] , een instelling voor jongeren met een licht verstandelijke beperking, te weten een IQ tussen 50 en 85, gecombineerd met ernstige gedragsproblemen en/of psychiatrische problematiek. De verdachte was daar werkzaam als groepsbegeleider en heeft verklaard te weten dat iedereen in deze instelling een beperking heeft. Volgens de verklaringen van de aangeefster zag zij hem als “leidinggevende”. Het daarop gebaseerde oordeel van het hof dat de verdachte in de gegeven omstandigheden een psychisch en uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht had op de aangeefster en misbruik heeft gemaakt van haar kwetsbare positie, hetgeen een zodanige psychische druk opleverde dat de aangeefster zich naar redelijke verwachting niet aan de bewezenverklaarde handelingen kon onttrekken, is niet onbegrijpelijk en genoegzaam gemotiveerd. Daarbij weeg ik mee dat de bewezenverklaring van het ‘dwingen tot’ en het daarin ingeblikte (voorwaardelijk) opzet van de verdachte niet louter op die omstandigheid steunen, maar ook – en hoofdzakelijk – op de omstandigheid dat de verdachte het hoofd van de aangeefster met kracht naar zijn geslachtsdeel heeft getrokken en met kracht haar haren heeft vastgehouden en op die manier op- en neergaande bewegingen heeft gemaakt met haar hoofd in zijn handen.
21. De deelklachten a) en b) treffen geen doel.
De bespreking van deelklacht c)
22. De derde deelklacht komt op tegen het gebruik voor het bewijs van de verklaring van getuige [betrokkene 1] . De aangeefster heeft verklaard dat ze kort na de tenlastegelegde gedragingen [betrokkene 1] heeft gebeld. [betrokkene 1] is daarover als getuige gehoord en heeft dat telefonisch contact bevestigd. Het door het hof tot het bewijs gebezigde onderdeel van zijn verklaring houdt onder meer in dat de aangeefster hem in paniek en huilend had opgebeld en had verteld dat ‘de leiding’ haar ongepast had aangeraakt en haar op haar knieën had geforceerd om hem te pijpen.
23. Naar het oordeel van het hof vinden de verklaringen van de aangeefster over de bewezenverklaarde seksuele handelingen onder meer steun in deze getuigenverklaring van [betrokkene 1] . Gelet op de overeenstemming tussen de verklaring van [betrokkene 1] en de verklaringen van de aangeefster ter zake van het gedwongen oraal bevredigen van de verdachte, ondersteunt volgens het hof zijn verklaring de belastende verklaringen van de aangeefster (waarbij komt dat die verklaring in zoverre tevens de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster onderstreept). Wat het steunbewijs betreft, acht het hof van redengevend belang dat [betrokkene 1] uit eigen waarneming heeft verklaard over de emotionele toestand van de aangeefster.
24. Allereerst wordt geklaagd dat deze verklaring van [betrokkene 1] niet als steunbewijs kan worden gebruikt. De stellers van het middel wijzen erop dat [betrokkene 1] onder meer heeft verklaard dat de verdachte de aangeefster haar op haar knieën heeft geforceerd. Dat zou niet overeen komen met de tot het bewijs gebezigde verklaringen van de aangeefster zelf en zou voorts in strijd zijn met de beslissing van het hof de tenlastegelegde gedraging “die [slachtoffer] (met kracht) op de grond heeft geduwd (onder meer) door aan haar haren te trekken” niet bewezen te verklaren.
25. In die klacht volg ik de stellers van het middel niet. Blijkens de bewijsvoering van het hof heeft de aangeefster immers onder meer verklaard dat de verdachte haar naar beneden had getrokken (bewijsmiddel 2) en dat zij op haar knieën zat en hem moest pijpen (bewijsmiddel 3). Evenmin vermag ik in te zien waarom de verklaring van [betrokkene 1] strijdig zou zijn met het niet bewezen achten dat de verdachte de aangeefster “(met kracht) op de grond heeft geduwd (onder meer) door aan haar haren te trekken” zoals is tenlastegelegd (cursivering door mij, A-G), nu uit zijn verklaring (bewijsmiddel 4) geenszins blijkt dat de aangeefster hem heeft verteld dat de verdachte haar op haar knieën zou hebben geforceerd door aan haar haren te trekken.
26. Voorts wordt met het middel aangevoerd dat ’s hofs verwerping van het verweer dat onvoldoende is gebleken dat de contacten tussen de aangeefster en [betrokkene 1] die nacht hebben plaatsgevonden, onbegrijpelijk is. De verdediging heeft in hoger beroep erop gewezen dat in het procesdossier geen historische verkeersgegevens zitten die kunnen bevestigen dat de aangeefster en [betrokkene 1] die nacht inderdaad telefonisch contact hebben gehad. Het hof heeft daaromtrent overwogen dat het niet inziet waarom onvoldoende zou zijn gebleken dat dit telefonisch contact daadwerkelijk zou hebben plaatsgevonden. De enkele omstandigheid dat er geen historische verkeersgegevens in het procesdossier voorhanden zijn, dwingt volgens het hof in ieder geval niet tot een dergelijk oordeel. Die gevolgtrekking achten de stellers van het middel onbegrijpelijk, nu de verdediging onweersproken heeft gesteld dat er ook berichten over en weer zouden zijn gestuurd tussen de aangeefster en [betrokkene 1] , dat zulke berichten op eenvoudige wijze te achterhalen zouden zijn geweest en dat het hof in de bewijsmiddelen ook heeft vastgesteld dat berichten over en weer zijn verstuurd.
27. Deze klacht kan ik moeilijk plaatsen. Enerzijds wordt betwist dat het telefonisch contact waarover de aangeefster en [betrokkene 1] spreken heeft plaatsgevonden, maar anderzijds wordt juist gesteld dat de aangeefster en [betrokkene 1] berichtjes aan elkaar hebben uitgewisseld. Hoe dan ook komt de verwerping van het gevoerde verweer op voormelde gronden mij niet onbegrijpelijk voor. De verdediging heeft immers enkel gesteld, doch niet nader met concrete aanwijzingen onderbouwd, dat het telefonisch contact waarover de aangeefster en [betrokkene 1] hebben verklaard niet zou hebben plaatsgevonden. Met het hof meen ik dat het enkele feit dat de historische verkeersgegevens van dit telefonisch contact niet in het dossier zitten daarvoor niet volstaat, mede nu de verklaring daarvoor is gelegen in het simpele feit dat het openbaar ministerie daarnaar – zoals de verdediging in hoger beroep zelf ook aanstipte – kennelijk geen onderzoek heeft laten doen. Wat daarvan verder zij, het had in die omstandigheid op de weg van de verdediging gelegen om de bedoelde verkeersgegevens of verstuurde berichten via een onderzoekswens van haar kant op te vragen teneinde niet te volstaan met de blote betwisting van dit telefonisch contact, maar daarentegen het verweer op dit onderdeel nader te staven.
28. Tot slot achten de stellers van het middel het gebruik van de verklaring van [betrokkene 1] voor het bewijs onbegrijpelijk in het licht van het feit dat het hof aan de ene kant heeft vastgesteld dat zijn verklaring voor een groot deel is te herleiden naar de aangeefster als bron, maar aan de andere kant (tegelijkertijd) heeft vastgesteld dat de verklaringen van de aangeefster op bepaalde onderdelen tegenstrijdig zijn, en het hof een deel van de tenlastegelegde gedragingen kennelijk niet bewezen heeft geacht omdat de verklaringen van de aangeefster hierover niet voldoende worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. Het middel klaagt mijns inziens ook daarover tevergeefs. Het hof heeft nadrukkelijk overwogen dat de verschillende verklaringen van de aangeefster juist over het essentiële onderdeel van de bewezenverklaring van de verkrachting – de orale bevrediging van de verdachte – nauwkeurig en op wezenlijke onderdelen consistent zijn en dat zij daarin ook worden ondersteund door de verklaring van [betrokkene 1] . Het feit dat het hof juist enkel de verklaringen van de aangeefster tot het bewijs heeft gebezigd voor zover deze steun vinden in ander bewijsmateriaal en alleen die tenlastegelegde gedragingen heeft bewezenverklaard die uit meerdere bewijsmiddelen blijken, draagt mijns inziens alleen maar bij aan de slotsom dat de bewezenverklaring op dit punt niet onbegrijpelijk en ook voldoende met redenen omkleed is.
29. Deelklacht c) faalt.
De bespreking van deelklacht d)
30. Het middel klaagt ten slotte over de verwerping van het door de verdediging geschetste alternatieve scenario. Dit scenario houdt samengevat in dat de verdachte in de middag voorafgaand aan de tenlastegelegde gedragingen, seks met zijn vrouw heeft gehad en vervolgens met spermasporen op zijn broek en zijn onderbroek naar het werk is gegaan. Daar is hij met de aangeefster en een andere bewoner van de instelling ([betrokkene 4]) bij een klimrek geweest en constateerde hij dat er ook vogelpoep op zijn broek zat. De aangeefster zou toen hebben voorgesteld om die vogelpoep te verwijderen, waarop de verdachte later naar haar kamer is gegaan en vochtige doekjes van haar heeft aangenomen om dat te doen. De aangeefster zou toen hebben gezegd dat de verdachte ook de andere vlekken op zijn broek (de spermasporen) moest wegpoetsen. De verdachte heeft dat toen gedaan en de gebruikte vochtige doekjes aan haar teruggegeven. Later op de avond is hij weer naar haar kamer gegaan. Hij heeft toen haar rug ingesmeerd met tijgerbalsem, omdat ze daar last had als gevolg van een val. De aangeefster zou hem toen hebben gezegd dat “ze mannen in de val kan lokken” en hem hebben gevraagd of hij was uitgekeken op zijn vrouw. De verdachte zou toen zijn weggegaan en zijn gaan douchen, waarbij hij een zak met daarin zijn vuile was (sokken en onderbroek) buiten op de gang had gezet. De volgende dag merkte hij dat zijn onderbroek, waarin spermasporen zouden zitten, weg was. Dit alternatieve scenario zou bevestigd worden door de verklaring van de echtgenote van de verdachte bij de rechter-commissaris, die inhoudt dat zij en de verdachte op 31 maart 2017 seks hadden gehad en dat hij haar een dag later had verteld dat zijn boxershort kwijt was. Verder zou dit scenario steun vinden in de verklaring van de [betrokkene 4] bij de rechter-commissaris, waarin hij zou hebben gezegd dat de aangeefster die avond rugpijn had na een val en aanhoudend de verdachte vroeg om tijgerbalsem op haar rug te smeren. Ook zou de verdachte reeds op 3 april 2017 bij de leiding van de instelling, zo blijkt volgens de verdediging uit een verslag van dit gesprek, hebben gemeld dat hij op 31 maart na bedtijd op de kamer van de aangeefster was, dat zij toen aanhoudend zeurde dat ze zijn contactgegevens wilde en dat hij weigerde deze te geven. Verder heeft de verdediging benadrukt dat geen sporenonderzoek is gedaan aan het wangslijmvlies van de verdachte, terwijl de ‘Aanwijzing zeden’ van het OM aangeeft dat de eerste zeven dagen na het vermeende feit nog DNA-sporen gevonden kunnen worden. Het voorgaande brengt volgens de verdediging mee dat niet kan worden vastgesteld dat de spermasporen die op de tandenborstel van de aangeefster zijn aangetroffen een daderspoor betreffen.
31. Het hof heeft dit alternatieve scenario terzijde geschoven. Naar het oordeel van het hof is volstrekt niet aannemelijk geworden dat – in de woorden van het hof – de aangeefster (reeds ingedroogde) spermasporen die in (dan wel op) de (onder)broek van de verdachte zouden moeten hebben gezeten moet hebben gezien, zelf moet hebben bedacht dat die vlekken spermasporen betroffen, vervolgens die sporen heeft weggepoetst en/of de onderbroek van de verdachte (met daarin die ingedroogde spermasporen) tijdens het douchen heeft ontvreemd en tevens heeft bedacht dat die vlekken (ook) sperma betroffen, waarna die sporen op de tandenborstelkop moeten zijn aangebracht. Dit scenario vindt volgens het hof geen steun in het procesdossier en is niet te verenigen met de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen. Aan de verklaring van de echtgenote van de verdachte is het hof voorbijgegaan, niet alleen omdat zij als echtgenote belang heeft om ter wille van de verdachte te verklaren, maar bovendien omdat haar verklaring slechts inhoudt dat zij op een later moment van de verdachte hoorde dat hij zijn onderbroek miste of had verloren en aldus die verklaring geen steun biedt voor het alternatieve scenario van de verdachte waaruit noodzakelijkerwijs voortvloeit dat met de tandenborstel van de aangeefster spermasporen uit die onderbroek zouden moeten zijn geschraapt. Bij zijn oordeel heeft het hof verder in aanmerking genomen dat de verdachte eerst pas op 21 januari 2019, nadat de resultaten van het DNA-onderzoek bekend waren geworden, zijn stilzwijgen heeft doorbroken en met die verklaring is gekomen.
32. Geklaagd wordt dat het oordeel van het hof dat het door de verdachte geschetste scenario geen steun vindt in het procesdossier onjuist, althans onbegrijpelijk is, aangezien de verdediging dit scenario niet alleen met de verklaring van de echtgenote heeft onderbouwd, maar daarnaast ook heeft gewezen op het gespreksverslag tussen de verdachte en de leiding van de instelling op 3 april 2017. Volgens de stellers van het middel heeft het hof voorts bij dat oordeel ten onrechte niet het standpunt van de verdediging betrokken dat het openbaar ministerie in strijd met de ‘Aanwijzing zeden’ heeft nagelaten (tijdig) onderzoek te verrichten naar het wangslijmvlies van de aangeefster.
33. Vooropgesteld zij dat ingeval een verdachte het hem tenlastegelegde bestrijdt met een alternatieve lezing van de gebeurtenissen, die niet met een bewezenverklaring zou stroken, de rechter – indien hij tot een bewezenverklaring komt – die aangedragen alternatieve gang van zaken zal moeten weerleggen. Dat kan geschieden door opneming van bewijsmiddelen of vermelding, al dan niet in een nadere bewijsoverweging, van aan wettige bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden die de alternatieve lezing van de verdachte uitsluiten. Een dergelijke weerlegging is echter niet steeds vereist. In voorkomende gevallen zal de rechter ter weerlegging kunnen oordelen dat de door de verdachte gestelde alternatieve toedracht niet aannemelijk is geworden dan wel dat de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld. Ten slotte kunnen zich gevallen voordoen waarin de lezing van de verdachte zo onwaarschijnlijk is, dat zij geen uitdrukkelijke weerlegging behoeft.8.
34. Het hof heeft in de voorliggende zaak de verwerping van de door de verdachte gestelde alternatieve toedracht van een uitgebreide motivering voorzien. Dat oordeel geeft geen blijk van een verkeerde toepassing van het juridisch kader te dezen. Anders dan de stellers van het middel kennelijk menen, gaat die motiveringsplicht immers niet zo ver dat bij de weerlegging van een alternatief scenario op ieder detail van de argumentatie van de verdediging moet worden ingegaan.9.Het hof hoefde mijns inziens ook niet nadrukkelijk stil te staan bij het door de verdediging in haar verweer aangehaalde gespreksverslag van de instelling van 3 april 2017, nu dit vooral bevestigt dat de verdachte op de kamer van de aangeefster was (hetgeen overigens ook past bij het bewezenverklaarde scenario), maar verder als zodanig niets zegt over de wijze waarop zijn spermasporen vervolgens op de tandenborstel van de aangeefster terecht zijn gekomen. Dat laatste geldt evengoed voor het betoog van de verdediging dat het openbaar ministerie in strijd met de ‘Aanwijzing zeden’ heeft nagelaten (tijdig) onderzoek te verrichten naar het wangslijmvlies van de aangeefster. Het oordeel van het hof dat de (in mijn ogen nogal onwaarschijnlijke) alternatieve lezing van de verdachte geen steun vindt in het procesdossier komt mij in zoverre dan ook niet onbegrijpelijk voor.
35. Deelklacht d) treft evenmin doel.
VI. Slotsom
36. Het middel faalt in al zijn onderdelen.
37. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 8 december 2021, waarmee de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM wordt overschreden. Ik ga ervan uit dat dit tot vermindering van de door het hof opgelegde gevangenisstraf zal (moeten) leiden.
38. Overige gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
39. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 09‑01‑2024
Onder deze zin heeft de griffier de cijfers 1 en 2 genoteerd. Zie voor de betekenis hiervan, en van de daaropvolgende, door de griffier vermelde, cijfers hierna randnummer 9.
De griffier heeft na deze zin het cijfer 3 genoteerd.
De griffier heeft hierbij in de kantlijn genoteerd: “zou kunnen zijn”.
Van de hiernavolgende cijfers 5 en 6 trof ik overigens geen notitie aan (van de griffier) in de kantlijn van de pleitnota.
Het eerste deel van de dupliek bevat het verweer dat sprake zou zijn van schending van art. 6 EVRM, omdat, aldus het verweer, de verdediging de aangeefster niet direct heeft kunnen confronteren met haar verklaringen in een getuigenverhoor. Het cassatiemiddel bevat geen klacht over het oordeel van het hof daarover. Dat punt laat ik daarom in mijn conclusie buiten beschouwing.
HR 14 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:865, NJ 2022/232 en HR 27 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:494, NJ 2013/427.
HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3359, NJ 2010/314, m.nt. Buruma en HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1864, NJ 2023/101, m.nt. Vellinga.
HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393, m.nt. Buruma.