Rechtbank Overijssel, 11 februari 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:775. De rechtbank heeft [slachtoffer 1] veroordeeld omdat hij zich in de periode van 22 september 2023 tot en met 11 februari 2024 schuldig heeft gemaakt aan belaging en meerdere bedreigingen van zijn ex-partner [verdachte].
Rb. Overijssel, 07-05-2026, nr. 08.000359.24, 08.379969.24 (gev. ttz) (P)
ECLI:NL:RBOVE:2026:2449
- Instantie
Rechtbank Overijssel
- Datum
07-05-2026
- Zaaknummer
08.000359.24, 08.379969.24 (gev. ttz) (P)
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBOVE:2026:2449, Uitspraak, Rechtbank Overijssel, 07‑05‑2026; (Eerste aanleg - meervoudig)
Uitspraak 07‑05‑2026
Inhoudsindicatie
De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 60 dagen, waarvan 56 dagen voorwaardelijk en stelt dat zij zich meldt bij de Reclassering. De verdachte is schuldig bevonden aan poging tot zware mishandeling en opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.
Partij(en)
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.000359.24, 08.379969.24 (gev. ttz) (P)
Datum vonnis: 7 mei 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteplaats],
wonende aan de [woonplaats].
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 30 juni 2025 en van 23 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en haar raadsman mr. J. Vlug, advocaat in Deventer, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van wat namens de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door mr. M.W.G.J. IJsseldijk, advocaat te Arnhem, is aangevoerd.
2. De tenlastelegging
Voor de leesbaarheid van dit vonnis nummert de rechtbank de feiten als volgt:
- -
de feiten van de zaak met parketnummer 08.00359.24 als feiten 1 en 2;
- -
het feit van de zaak met parketnummer 08.379969.24 als feit 3.
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte in Deventer:
feit 1: primair: heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] te doden door hem met een mes in zijn bovenarm te steken op 29 december 2023;
subsidiair: [slachtoffer 1] op deze manier zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht op 29 december 2023;
meer subsidiair: heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] op deze manier zwaar lichamelijk letsel toe te brengen op 29 december 2023;
feit 2: het voertuig (merk: Mercedes-Benz) van [slachtoffer 2] en/of een ander heeft beschadigd op 29 december 2023;
feit 3: [slachtoffer 3] heeft mishandeld op 31 augustus 2023.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
feit 1
zij op of omstreeks 29 december 2023 te Deventer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, met een (vlees)mes in de hand naar de auto is toegelopen, waarin die [slachtoffer 1] zat en/of
toen die [slachtoffer 1] uit die auto was gestapt, met die [slachtoffer 1] in gevecht is geraakt en/of
daarbij, terwijl zij voornoemd (vlees)mes nog in de hand had, een of meerdere
duwende en/of stekende bewegingen in de richting van het (boven)lichaam van die
[slachtoffer 1] heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
zij op of omstreeks 29 december 2023 te Deventer aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een diepe steekverwonding aan de linker bovenarm met een blijvend, ontsierend litteken tot gevolg, heeft toegebracht door een of meerdere duwende en/of stekende en/of zwaaiende bewegingen in de richting van het (boven)lichaam van die [slachtoffer 1] te maken;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 29 december 2023 te Deventer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
met een (vlees)mes in de hand naar de auto is toegelopen, waarin die [slachtoffer 1] zat en/of toen die [slachtoffer 1] uit die auto was gestapt, met die [slachtoffer 1] in gevecht is geraakt en/of daarbij, terwijl zij voornoemd (vlees)mes nog in de hand had, een of meerdere duwende en/of stekende en/of zwaaiende bewegingen in de richting van het (boven)lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 2
zij op of omstreeks 29 december 2023 te Deventer
opzettelijk en wederrechtelijk het portier en/of de voorruit en/of de deurstijl en/of
de motorkap van de auto (merk: Mercedes-Benz, gekentekend: [kenteken]), in elk
geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander
toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of
weggemaakt;
feit 3
zij op of omstreeks 31 augustus 2023 te Deventer, althans in Nederland, [slachtoffer 3] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 3] (met kracht)
- aan de haren te trekken en/of
- in/op/tegen het gezicht en/of hoofd te slaan/stompen en/of
- op/tegen het/de be(e)n(en) en/of buik, althans het lichaam, te trappen/schoppen.
3. De bewijsmotivering
3.1
Inleiding
Verdachte en [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]) hadden sinds 2021 een turbulente relatie, waarin meerdere geweldsincidenten plaatsvonden waarvoor [slachtoffer 1] reeds is veroordeeld.1.Daarnaast onderhield [slachtoffer 1] contact met [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3]). Op 31 augustus 2023 troffen verdachte en [slachtoffer 3] elkaar bij [slachtoffer 1]’s autogarage, wat leidde tot een confrontatie tussen verdachte en [slachtoffer 3].
De relatie tussen verdachte en [slachtoffer 1] eindigde rond Kerst 2023, nadat [slachtoffer 1] verdachte zou hebben bedreigd met een vuurwapen, aldus verdachte. [slachtoffer 1] zou verdachte in de periode daarna lastiggevallen hebben door haar ongevraagd op te zoeken en haar anoniem te bellen. Ook op 29 december 2023 zou [slachtoffer 1] verdachte meerdere malen hebben opgezocht, waarna rond 21:30 uur een conflict ontstond waarbij verdachte [slachtoffer 1] in zijn bovenarm heeft gestoken. Verdachte bekent een mes vast te hebben gehad, maar ze weet niet of zij [slachtoffer 1] daadwerkelijk heeft gestoken. Tijdens dit incident heeft verdachte met het mes ook de leaseauto die gebruikt werd door [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]) beschadigd.
3.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vordert verdachte te veroordelen voor het onder feit 1 meer subsidiair tenlastegelegde feit en de feiten 2 en 3.
3.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman bepleit vrijspraak ten aanzien van het onder feit 1 primair en subsidiair en het onder feit 3 ten laste gelegde. Voor het overige refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
3.4
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank behandelt de feiten in chronologische volgorde.
3.4.1.
Feit 3
3.4.1.1. Vrijspraak feit 3
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder feit 3 ten laste is gelegd. Hoewel er wettig bewijs in de vorm van de aangifte van [slachtoffer 3] en de verklaring van [slachtoffer 1] in het dossier aanwezig is, ontbreekt bij de rechtbank de overtuiging dat verdachte daadwerkelijk de handelingen heeft verricht waarover [slachtoffer 3] heeft verklaard en die ten laste zijn gelegd, mede door een gebrek aan objectief bewijs.
De rechtbank overweegt daarover dat de aangifte acht maanden na het incident bij de politie is opgesteld en dat de verklaring van [slachtoffer 1] na anderhalf jaar is opgenomen. Beide verklaringen zijn dus lange tijd na het incident afgelegd, mogelijk als gevolg van de gebeurtenissen op 29 december 2023 (waarover hierna meer), wat de verklaringen kan hebben beïnvloed. Daarbij komt dat [slachtoffer 3] bij de politie foto’s heeft overhandigd van blauwe plekken en een pluk haar waarvan niet objectief kan worden vastgesteld wanneer die zijn gemaakt. De ten laste gelegde geweldshandelingen zijn ook niet door de camera in de autogarage vastgelegd.
De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van het onder 3 ten laste gelegde feit.
3.4.2.
Feit 1
3.4.2.1. Feiten en omstandigheden2.
Op 29 december 2023 heeft [slachtoffer 1] verdachte meermaals opgezocht bij verschillende woningen waar zij op dat moment aanwezig was en heeft hij haar 49 keer gebeld en benaderd via WhatsApp.3.
Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer 1] haar belde en zei dat hij achter haar huis stond en met haar wilde praten. Verdachte heeft aangegeven dat ze dit niet wilde. Verdachte is vervolgens via de voorzijde van de woning weggegaan richting het huis van een vriendin. Ook bij die woning heeft [slachtoffer 1] haar opgezocht. Vervolgens is verdachte door verschillende personen gebeld waarbij er tegen haar gezegd werd dat het niet goed ging met de gezamenlijke hond van [slachtoffer 1] en verdachte en dat [slachtoffer 1] met haar wilde praten.4.
Uit onderzoek naar de verdachtes telefoon volgt dat verdachte die dag om 21:00:28 uur via WhatsApp tegen [naam 1] (hierna: [naam 1]), een vriend van [slachtoffer 1], zegt: “Laat [slachtoffer 1] komen waar die net was, grote jongen en gaan we even praten”.5.Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer 1] vervolgens met een aantal vrienden, waaronder [slachtoffer 2], en met meerdere auto’s voor het huis, waar verdachte verbleef, is gaan staan. Verdachte en haar moeder zijn naar buiten gelopen. Verdachte heeft daarbij een mes meegenomen. Verdachte heeft verklaard dat het op een gegeven moment zwart voor haar ogen werd en dat zij niet weet of zij [slachtoffer 1] heeft geraakt met het mes.6.
Op een video-opname van een buurtbewoner is te zien dat een vrouw met bruin haar met een voorwerp, lijkend op een mes, in haar rechterhand loopt. Ze roept op dat moment: “mama wacht, mama ik heb gestoken”.7.
[slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte met haar rechterhand met daarin een mes op hem in sloeg. Ze sloeg op het bovenste gedeelte van zijn rechterarm. Ze sloeg diverse keren op zijn lichaam. [slachtoffer 1] zag en voelde dat verdachte hem met dat mes in zijn linker bovenarm stak.8.
Uit het LOEF-rapport van 12 april 2026 volgt dat er een steekwond van ongeveer twee centimeter ter hoogte van de buitenzijde van de bicepspees is aangetroffen op de linker bovenarm van [slachtoffer 1]. Er was volgens de behandelend arts mogelijk sprake van letsel aan de elleboogader in de linker bovenarm. Dit letsel geneest binnen enkele weken en wordt gekwalificeerd als licht letsel (AIS-score 1).9.
[slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij zag dat verdachte een mes in haar handen had en naar [slachtoffer 1] toe liep. Hij verklaart dat het een vleesmes betrof, waarvan het lemmet ongeveer 40 centimeter lang was.10.
3.4.2.2. Bewijsoverweging feit 1
De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of bewezen kan worden dat er sprake is van een poging tot doodslag (primair), zware mishandeling (subsidiair) of van een poging tot zware mishandeling (meer subsidiair).
Vrijspraak van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde
De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op het doden van [slachtoffer 1] door met een mes in zijn arm te steken.
De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder 1 primair tenlastegelegde.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat hoewel [slachtoffer 1] steekletsel aan zijn linker bovenarm heeft opgelopen, dit niet kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel. Uit de medische stukken blijkt dat de steekwond van [slachtoffer 1] in het ziekenhuis is gehecht en de wond binnen enkele weken zou moeten herstellen en er, naast een litteken, geen restletsel zou overblijven.
De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde.
Het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde
De rechtbank stelt vast, op basis van wat onder 3.4.2.1. uiteen is gezet, dat verdachte met een mes in haar hand meerdere duwende, stekende en/of zwaaiende bewegingen in de richting van het (boven)lichaam van [slachtoffer 1] heeft gemaakt, waarbij zij [slachtoffer 1] ook daadwerkelijk met het mes in zijn bovenarm heeft gestoken. De rechtbank is van oordeel dat door te steken met een mes in de bovenarm, waarin zich onder meer diverse zenuwen, spieren en grote bloedvaten bevinden, de aanmerkelijke kans bestaat dat deze onherstelbaar beschadigd raken. Met haar handelen heeft verdachte die kans op zulk zwaar lichamelijk letsel ook aanvaard. De meer subsidiair ten laste gelegde poging zware mishandeling kan daarom wettig en overtuigend bewezen worden.
3.4.2.3. Bewijsoverweging feit 2
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit op grond van de opgenomen bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door de raadsman ten aanzien van de ten laste gelegde feitelijkheden geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:
- -
het proces-verbaal van verhoor verdachte van 30 december 2023, pagina 113 en 116;
- -
het proces-verbaal van aangifte door [aangever] van 30 december 2023, pagina 202 en 203;
- -
het proces-verbaal van tactisch onderzoek Mercedes-Benz AMG CLA 35 [kenteken], met bijlagen, van 30 december 2024, pagina 206 tot en met 228.
3.5
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
feit 1, meer subsidiair
zij op 29 december 2023 te Deventer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een mes in de hand naar de auto is toegelopen, en toen [slachtoffer 1] uit die auto was gestapt,daarbij, terwijl zij voornoemd mes nog in de hand had, meerdereduwende en/of stekende en/of zwaaiende bewegingen in de richting van het (boven)lichaam van [slachtoffer 1] heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 2 zij op 29 december 2023 te Deventer opzettelijk en wederrechtelijk het portier en de voorruit en de deurstijl en de motorkap van de auto (merk: Mercedes-Benz, gekentekend: [kenteken]) die aan een ander toebehoorde heeft beschadigd.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1, meer subsidiair
het misdrijf: poging tot zware mishandeling
feit 2
het misdrijf: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.
5. De strafbaarheid van verdachte
5.1
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat haar een beroep op putatief noodweer(exces) dan wel psychische overmacht toekomt.
5.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het beroep op putatief noodweer(exces) niet kan slagen, omdat verdachte zelf de confrontatie heeft opgezocht met een mes. Ten aanzien van het beroep op psychische overmacht heeft de officier van justitie aangevoerd dat er geen sprake was van een acute van buiten komende drang waar verdachte geen weerstand aan kon bieden en ook niet hoefde te bieden.
5.3
Het oordeel van de rechtbank
Het beroep op putatief noodweer(exces) dan wel psychische overmacht wordt verworpen. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
5.3.1.
Putatief noodweer(exces)
Voor een geslaagd beroep op putatief noodweer(exces) moet de rechtbank allereerst beoordelen of sprake was van een putatieve noodweersituatie. Bij een putatieve noodweersituatie is sprake van een verontschuldigbare dwaling aan de kant van de verdachte, bijvoorbeeld omdat zij niet alleen kon, maar redelijkerwijs ook mocht menen dat zij zich moest verdedigen op de wijze als zij heeft gedaan, omdat zij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de dreiging verkeerd heeft beoordeeld. Die verontschuldigbaarheid dient naar objectieve maatstaven te worden beoordeeld. De subjectieve ervaring van verdachte is daarbij niet leidend.
De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke situatie zich hier niet voordoet. Hoewel de rechtbank aannemelijk acht dat verdachte bang is geweest voor haar ex-partner, gelet op wat er in hun relatie is voorgevallen, zijn haar handelingen, namelijk vanuit een veilig huis met een mes naar buiten gaan, naar hun aard niet verdedigend maar aanvallend geweest. Dat betekent dat de rechtbank het beroep op putatief noodweer(exces) verwerpt.
5.3.2.
Psychische overmacht
De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op psychische overmacht sprake moet zijn van een van buiten komende drang waaraan verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet hoefde te bieden. Er moet daarmee sprake zijn van een wezenlijke en buitennormale druk. Daarvan is gelet op wat hiervoor is overwogen geen sprake geweest. De rechtbank verwerpt daarom ook het beroep op psychische overmacht.
5.3.3.
Conclusie
De rechtbank concludeert dat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is dan ook strafbaar voor de bewezenverklaarde feiten.
6. De op te leggen straf of maatregel
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren op te leggen, met daarbij als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en ambulante behandeling.
De officier van justitie vordert om daarnaast aan verdachte een taakstraf van 120 uren op te leggen bij niet verrichten te vervangen door 60 dagen hechtenis.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman verzoekt aan verdachte een gevangenisstraf gelijk aan de reeds ondergane tijd in voorarrest op te leggen met daarnaast eventueel een geheel voorwaardelijke straf. De raadsman verzoekt verder rekening te houden met het tijdsverloop en het NIFP-rapport, waarin wordt geadviseerd de feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen en aan verdachte geen onvoorwaardelijke taakstraf op te leggen zoals door de officier van justitie is gevorderd.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Aard en ernst van de strafbare feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en het beschadigen van een auto met een mes. De rechtbank is van oordeel dat het steken met een mes op een openbare weg een zeer ernstig feit betreft. In dit geval is het letsel beperkt gebleven, maar het had erger kunnen aflopen. De rechtbank rekent dit verdachte in strafverzwarende zin aan, maar heeft ook oog voor de situatie waarin verdachte op dat moment verkeerde. Tijdens de relatie die zij met het slachtoffer heeft gehad is zij zelf slachtoffer geworden van belaging en bedreigingen. Haar ex-partner is daar strafrechtelijk ook voor veroordeeld.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 6 juni 2025. Hieruit blijkt dat verdachte in de afgelopen vijf jaren niet is veroordeeld voor een strafbaar feit. Dit strafblad heeft dan ook geen invloed op de op te leggen straf.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de Pro Justitia-rapportage van GZ-psycholoog M.H. Keppel van 4 december 2025. De deskundige stelt bij verdachte een psychische stoornis vast in de vorm van een ander gespecificeerde psychotrauma- of stressorgerelateerde stoornis. Ten tijde van de bewezenverklaarde feiten verkeerde verdachte volgens de deskundige in een onstabiele situatie waar het trauma voortduurde, waardoor er sprake was van restverschijnselen van een depressieve stoornis, een eenmalige episode met angstige spanning en van een posttraumatische stressstoornis (PTSS) met paniekaanvallen. Verdachte werd ten tijde van de bewezenverklaarde feiten overspoeld door angst en paniek en is verminderd in staat is geweest om andere gedragskeuzes te maken en conform te handelen. Gelet daarop adviseert de deskundige de feiten in een verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank neemt dit advies als de hare over.
De deskundige schat het risico op herhaling in als laag. Als verdachte opnieuw wordt geconfronteerd met haar ex-partner kan het recidiverisico oplopen. De deskundige vindt het daarom van belang dat verdachte haar behandeling gericht op traumabehandeling en het vergroten van de copingsvaardigheden bij Tender, onderdeel van Transfore, zal afmaken.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het adviesrapport van Reclassering Nederland van 3 april 2026. Het professioneel oordeel van de reclassering sluit aan op dat van de deskundige. De risico’s, waaronder het risico op herhaling, worden ingeschat als laag. De reclassering adviseert een kortdurend toezicht tot aan de positieve afronding van de behandeling, of zolang de reclassering nodig acht, door aan verdachte als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en ambulante behandeling door de Tender op te leggen.
Op te leggen straf
De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 56 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar passend en geboden. Aan het voorwaardelijke deel van de straf zal zij de bijzondere voorwaarden verbinden zoals geadviseerd door de GZ-psycholoog en de reclassering. De rechtbank ziet, in tegenstelling tot de officier van justitie, geen aanleiding om daarnaast nog een taakstraf op te leggen, mede gelet op het tijdsverloop in deze zaak.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen met ingang van heden. Het bevel is met ingang van 2 januari 2024 geschorst en verdachte heeft zich sindsdien aan de voorwaarden gehouden. De rechtbank is van oordeel dat er geen grond meer is om de voorlopige hechtenis te laten voortduren.
7. De schade van benadeelden
7.1
De vorderingen van de benadeelde partijen
Vordering van [slachtoffer 1]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van
€ 3.750,00 (drieduizend zevenhonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit kleding en schoenen met een geschatte waarde van € 250,00. Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 3.500,00 gevorderd.
Vordering van [slachtoffer 2]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van
€ 3.360,00 (drieduizend driehonderdzestig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade van € 1.360,00 bestaat uit het eigen risico van € 250,00 en extra premie van € 1.110,00. Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 2.000,00 gevorderd.
Vordering van [slachtoffer 3]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde schade bestaat uit immateriële schade.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie refereert zich ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1] aan het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2] vordert de officier van justitie de benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk te verklaren. De materiële schade is niet meer aan de orde gelet op wat de vertegenwoordiger naar voren heeft gebracht, en van de immateriële schade is niet duidelijk welke psychische schade in het verleden in Irak is opgelopen en welke tijdens dit incident.
Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 3] vordert de officier van justitie een gedeeltelijke toewijzing van € 250,00.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman verzoekt om [slachtoffer 1] in de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Primair omdat toewijzing van de vordering niet billijk is, gelet op de eigen schuld van de benadeelde partij bij het incident. Subsidiair omdat een billijkheidscorrectie te ingewikkeld is binnen het strafproces. Meer subsidiair omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.
Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2] verzoekt de raadsman de benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Ten aanzien van de materiële schade, gelet op wat de vertegenwoordiger naar voren heeft gebracht. Wat betreft de immateriële schade is onvoldoende gebleken van een causaal verband met het strafbare feit.
Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 3] verzoekt de raadsman de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Primair gelet op de bepleite vrijspraak en subsidiair omdat de vordering niet aannemelijk en onvoldoende onderbouwd is.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
Vordering van [slachtoffer 1]
- Materiële schade
De rechtbank overweegt dat de materiële schade in het geheel niet is onderbouwd en er daarom ook geen aanknopingspunten zijn om de omvang van de geleden schade te schatten. De benadeelde partij wordt ten aanzien van de materiële schade daarom in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
- Immateriële schade
Gelet op artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de schadevergoedingsverplichting van de verdachte worden verminderd als sprake is van medeschuld (of eigen schuld) van de benadeelde partij. Als sprake is van eigen schuld van de benadeelde partij, kan de schade worden verdeeld over de benadeelde partij en de verdachte, evenredig aan de mate waarin zij hebben bijgedragen aan het ontstaan van de schade. Om te kunnen beoordelen of sprake is van medeschuld (of eigen schuld) van de benadeelde partij is een uitgebreide nadere behandeling en standpuntuitwisseling tussen de benadeelde partij en verdachte nodig. Daarvoor is in de strafprocedure geen plaats, omdat dit leidt tot een te grote belasting van het strafproces. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij ook ten aanzien van de immateriële schade niet-ontvankelijk is in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Vordering van [slachtoffer 2]
- Materiële schade
De rechtbank overweegt dat uit de door de benadeelde partij verstrekte informatie niet duidelijk is geworden of het eigen risico van € 250,00 en de extra premie van € 1.110,00 voor rekening van de benadeelde partij komt. Ten aanzien van het eigen risico is een factuur overgelegd die gericht is aan BZ Dienstverlening in Apeldoorn. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet vast te stellen of dit bedrag door de benadeelde partij betaald is of moet worden. Ten aanzien van de extra premie is op de zitting van 30 juni 2025 aangevoerd dat dit mogelijk door de verzekeringsmaatschappij wordt “teruggedraaid”. Dit gedeelte van de vordering is daarmee onvoldoende onderbouwd en de benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
- Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106 aanhef en onder sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. In deze zaak is de vordering van de benadeelde partij gebaseerd op de laatstgenoemde grond.
Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen als gevolg van het strafbare feit. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. Op de benadeelde rust ook dan in beginsel een (stevige) stelplicht. Hij zal in beginsel moeten stellen en met concrete gegevens moeten onderbouwen dat de ernstige normschending dermate ingrijpende gevolgen voor hem heeft gehad, dat hij in zijn persoon is aangetast. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
In deze zaak is, ter onderbouwing van het geestelijk letsel, verwezen naar een brief van Kompaz van 11 juni 2025. De rechtbank overweegt dat uit deze brief niet kan worden afgeleid of de bij de benadeelde partij vastgestelde PTSS geheel of gedeeltelijk is veroorzaakt door zijn jeugd in Irak en in hoeverre het strafbare feit daarbij eventueel een rol heeft gespeeld. Om dat te kunnen vaststellen is een uitgebreide (schriftelijke) behandeling vereist. Daarvoor is in de strafprocedure geen plaats, omdat dit leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure.
De rechtbank overweegt nog dat van een uitzonderlijke situatie waarin de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon in dit geval geen sprake is.
De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij ook in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Vordering van [slachtoffer 3]
De rechtbank spreekt verdachte vrij van het aan haar ten laste gelegde feit 3. Volgens de wet kan de strafrechter dan geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.
9. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op 14a, 14b, 14c en 57 Sr.
10. De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair en subsidiair en feit 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 meer subsidiair en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert;
feit 1, meer subsidiair
het misdrijf: poging tot zware mishandeling;
feit 2
het misdrijf: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder feit 1 meer subsidiair en feit 2 bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 (zestig) dagen;
- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 56 (zesenvijftig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.
De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 1 (één) jaar de navolgende voorwaarden niet is nagekomen:
- -
stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- -
stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd:
o meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
o laat behandelen door de Tender, onderdeel van Transfore, of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling is gericht op traumabehandeling en het vergroten van de copingvaardigheden.
- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat de verdachte:
- ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
schadevergoeding
- bepaalt dat de benadeelde partijen [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] in het geheel niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen, en dat de benadeelde partijen de vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;
voorlopige hechtenis
- heft het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. Miltenburg, voorzitter, mr. G.H. Meijer en
mr. H.L.P. Fauser, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.A.N. Sjerps, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2026.
Buiten staat
mr. Miltenburg en mr. Fauser zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 07‑05‑2026
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit de digitaal genummerde pagina’s uit het dossier van de politie-eenheid Oost-Nederland met nummer ON1R024002. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
Onderzoek Aidi: Het proces-verbaal call log telefoon [verdachte], pagina 109 tot en met 111 en 158 tot en met 161.
Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 30 december 2023, pagina 112, 113.
Het proces-verbaal onderzoek telefoon [verdachte] van 23 januari 2024, pagina 292.
Het proces-verbaal verhoor verdachte van 30 december 2023, pagina 112 tot en met 116.
Het proces-verbaal filmpje bewoner van 30 december 2023, pagina 236.
Het proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 1] van 30 december 2023, pagina 18 en het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] van 6 mei 2024, pagina 232.
Geneeskundige verklaring van [naam 2] van 2 april 2024; LOEF rapport van [naam 3], forensisch arts van 12 april 2026.
Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] van 30 december 2023, pagina 202, 203.