NJ 2007, 632
EHRM, 05-07-2007, nr. 28831/04
EHRM 05-07-2007, ECLI:CE:ECHR:2007:0705DEC002883104
- Instantie
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
- Datum
5 juli 2007
- Magistraten
C. Bîrsan, E. Fura-Sandström, A. Gyulumyan, E. Myjer, David Thór Björgvinsson, I. Ziemele, I. Berro-Lefèvre
- Zaaknummer
28831/04
- LJN
BC0961
- JCDI
JCDI:ADS111686:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:CE:ECHR:2007:0705DEC002883104, Uitspraak, Europees Hof voor de Rechten van de Mens, 05‑07‑2007
- Wetingang
EVRM art. 5
Essentie
Gronden voorlopige hechtenis. Geschokte rechtsorde en ‘public disorder’. Geen schending art. 5 EVRM. Klacht niet-ontvankelijk.
Samenvatting
Klager wordt verdacht van handel in verdovende middelen. Hij betwist de gronden voor zijn voorlopige hechtenis.
In casu staat de ‘redelijke verdenking’ als bedoeld in art. 5 EVRM vast. Vraag is of klager desalniettemin onnodig lang in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Grond voor de voorlopige hechtenis is o.a. de geschokte rechtsorde. Dit begrip houdt tevens in de ‘public disorder’ die zou ontstaan wanneer de verdachte in vrijheid wordt gesteld. De mate waarin het strafbare feit publiciteit heeft ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.