Rb. Oost-Brabant, 14-06-2024, nr. zaak, c01402939, , fa, rk, 24-1216
ECLI:NL:RBOBR:2024:3357
- Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
- Datum
14-06-2024
- Zaaknummer
zaak_c01402939__fa_rk_24-1216
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBOBR:2024:3357, Uitspraak, Rechtbank Oost-Brabant, 14‑06‑2024; (Bodemzaak, Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking)
ECLI:NL:RBOBR:2024:3355, Uitspraak, Rechtbank Oost-Brabant, 12‑04‑2024; (Bodemzaak, Eerste aanleg - enkelvoudig, Rekestprocedure, Beschikking)
- Wetingang
art. 5 Burgerlijk Wetboek Boek 1
art. 6:4 Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg
- Vindplaatsen
Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2024/430
Uitspraak 14‑06‑2024
Inhoudsindicatie
Vervangende toestemming om de achternaam van de minderjarige te wijzigen in die zin dat de minderjarige de achternaam van beide ouders zal dragen op grond van de Wet Introductie Gecombineerde Geslachtsnaam (WIGG) niet ontvankelijk. De juridische grondslag ontbreekt. Geen strijd met EVRM en/of IVRK.
Partij(en)
beschikking
RECHTBANK OOST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer : C/01/402730 / FA RK 24-1127
Uitspraak : 14 juni 2024
Beschikking over vervangende toestemming wijziging geslachtsnaam in de zaak van
[moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. A. Houtman,
tegen
[vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
partijen, ook wel aan te duiden als respectievelijk de moeder en de vader.
Daarnaast is in zijn adviserende rol in de procedure betrokken: de RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
locatie Eindhoven,hierna te noemen: de raad.
1. De procedure
1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van:
- -
het verzoekschrift van de moeder, ontvangen ter griffie op 20 maart 2024;
- -
het F9-formulier van mr. Houtman van 18 april 2024 met de geboorteakte van [minderjarige] .
1.2.
De zaak is behandeld tijdens de mondelinge behandeling van 16 mei 2024. Verschenen zijn de moeder, bijgestaan door haar advocaat en de vader. Namens de raad was [naam raadsmedewerker] aanwezig.
2. De feiten
2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank van 29 september 2023 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 25 oktober 2023 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.2.
Uit het inmiddels ontbonden huwelijk van partijen is de navolgende minderjarige geboren:
- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] .
2.3.
De vader en de moeder hebben gezamenlijk het gezag over [minderjarige] .
2.4.
[minderjarige] heeft het hoofdverblijf bij de moeder.
2.5.
Bij beschikking van deze rechtbank van 29 april 2024 is een zorgregeling vastgesteld tussen [minderjarige] en de vader.
3. Het verzoek en het verweer
3.1.
De moeder verzoekt op de gronden en op de wijze als in het verzoekschrift omschreven, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- 1.
de vader te verplichten toestemming te geven en zijn medewerking te verlenen aan het wijzigen van de achternaam van [minderjarige] in de dubbele achternaam [naam] , bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Eindhoven of een andere gemeente;
- 2.
te bepalen dat de toestemming en medewerking van de vader die nodig is voor het wijzigen van de achternaam van [minderjarige] in de dubbele achternaam [naam] , wordt vervangen door die van de rechtbank op het moment dat de vader niet binnen twee weken na de nog te wijzen beschikking vrijwillig medewerking heeft verleend aan het onder sub 1 genoemde;
- 3.
dan wel een dusdanige (vervangende) toestemming te verlenen voor een dusdanige dubbele achternaam als het de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.
3.2.
De moeder legt artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ten grondslag aan haar verzoek. Zij stelt dat alle ouders deze rechtsingang gaan krijgen. Daarbij is van belang dat de overgangswet geen vangnet biedt. Het is dan aan de rechtbank om de lacune op te vullen, als ouders er niet uitkomen. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat het vangnet er wel is, dan is de regeling “het kind houdt de achternaam die het al heeft” discriminatoir, omdat dit de achternaam van de vader is. Dit is in strijd met artikel 8 EVRM (recht op family life), 8 IVRK (recht op eerbiediging van de identiteit), 14 EVRM (verbod van discriminatie), 26 IVBPR (gelijkheidsbeginsel en discriminatieverbod) en het Verdrag inzake de Uitbanning van alle Vromen van Discriminatie van Vrouwen.
De moeder stelt dat het voor de band van [minderjarige] met beide ouders van belang is dat hij de achternaam van zijn beide ouders gaat dragen. Daarbij komt dat opa moederszijde geen nazaten heeft die zijn naam doorgeven, terwijl het voor de moeder van belang is als haar naam niet uitsterft.
3.3.
De vader voert hiertegen verweer. Er is wettelijk gezien geen basis voor vervangende toestemming. Als toestemming wel zou worden verleend, zouden de gemeenten hier niet aan meewerken. Daarbij geldt voor een verzoek naamswijziging bij Justis een verzorgingstermijn van vijf jaar.
De vader wil dat [minderjarige] alleen zijn geslachtsnaam houdt, omdat dit traditie is en hij een man van traditie is. Daarnaast ervaart hij zelf dat zijn achternaam niet altijd praktisch is, vanwege de lengte. Met de achternaam van moeder er ook nog bij, verwacht hij dan ook praktische problemen voor [minderjarige] wanneer hij zijn naam ergens moet opgeven. Ten slotte is hij bang dat de moeder steeds verder zal gaan en uiteindelijk een verzoek tot een enkele achternaam, namelijk die van haar, zal doen.
4. Het wettelijk kader
4.1.
Artikel 1:5 BW bepaalt hoe een kind een geslachtsnaam verkrijgt. Op grond van deze bepaling kunnen ouders, afhankelijk van hun burgerlijke staat, gezamenlijk een keuze maken voor de geslachtsnaam van hun kind. Een keuze voor een geslachtsnaam gebeurt bij de ambtenaar van de burgerlijke stand en moet door beide ouders worden ondertekend. Dit kan voorafgaand aan de geboorte of uiterlijk bij de geboorteaangifte. Als ouders geen gezamenlijke keuze voor een geslachtsnaam maken, dan geeft de ambtenaar van de burgerlijke stand de geslachtsnaam aan het kind zoals bepaald in de wet (waaronder in artikel 1:5 lid 5 BW) zodat een kind altijd een geslachtsnaam heeft. Terugkomen op de geslachtsnaamkeuze is niet mogelijk. Er kan wel om wijziging van de geslachtsnaam worden gevraagd. Een dergelijk verzoek moet worden ingediend bij de dienst Justis. Vervolgens wordt daarop bij Koninklijk Besluit beslist (artikel 1:7 BW).
4.2.
Op 1 januari 2024 is de Wet Introductie Gecombineerde Geslachtsnaam (hierna: WIGG) in werking getreden. Sindsdien biedt artikel 1:5 BW een extra keuzemogelijkheid aan ouders voor wat betreft de geslachtsnaam van hun kind. Ouders kunnen ervoor kiezen om hun kind dat op of na 1 januari 2024 is geboren een dubbele geslachtsnaam te geven die bestaat uit een combinatie van de geslachtsnamen van beide ouders. Deze extra keuzemogelijkheid geldt tijdelijk ook voor ouders van een kind dat op of na 1 januari 2016 is geboren.
Het overgangsrecht van de WIGG bepaalt dat ouders gedurende heel 2024 een hernieuwde naamskeuze kunnen uitbrengen als hun enige of oudste kind is geboren op of na 1 januari 2016. Er moet dan aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:
- a.
de ouders verklaren gezamenlijk dat de kinderen een geslachtsnaam behoren te krijgen die bestaat uit een combinatie van de geslachtsnamen van beide ouders in een door hen eensluidend gekozen volgorde;
- b.
het oudste kind dat in familierechtelijke betrekking tot beide ouders staat, is geboren op of na 1 januari 2016 en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet;
- c.
de verklaring betreft alle kinderen van dezelfde ouders.
5. 5. De beoordeling
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat een juridische grondslag ontbreekt voor het verzoek van de moeder strekkende tot het verlenen van vervangende toestemming voor een gecombineerde geslachtsnaam. De rechtbank komt daardoor niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek. De rechtbank zal de moeder daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
5.2.
Er bestaat geen wettelijke grondslag om in de situatie dat één van beide ouders niet meewerkt aan de keuze voor een (gecombineerde) geslachtsnaam aan de andere ouder vervangende toestemming hiervoor te verlenen. Artikel 1:5 BW voorziet daar niet in. Het is ook geen gezagsgeschil in de zin van artikel 1:253a BW. Voor het doen van een naamskeuze is immers niet vereist dat ouders samen gezag over hun kind hebben.
Uit het overgangsrecht en de parlementaire geschiedenis van de WIGG volgt dat het moet gaan om een naamskeuze van ouders gezamenlijk. Dat is ook in lijn met het wettelijke systeem van artikel 1:5 BW dat uitgaat van een naamskeuze van beide ouders gezamenlijk. Van belang is dat de wetgever voor wat betreft de naamskeuze er bewust van heeft afgezien om een mogelijkheid te creëren om geschillen over de geslachtsnaam aan de rechter voor te leggen (zie de conclusie van de AG, ECLI:NL:PHR:2006:AU9239, r.o. 3.5-3.9). Dat betekent onder meer, dat als de vader bij de geboorte van [minderjarige] geen toestemming had gegeven voor een dubbele geslachtsnaam, indien dit toen wel mogelijk was geweest, ook geen gang naar de rechter open had gestaan.
Zie hierover ook het antwoord van Minister Weerwind tijdens de algemene beraadslaging Wet introductie gecombineerde geslachtsnaam van 7 september 2022, TK 105, waar de vader tijdens de zitting naar heeft verwezen.
“Hoe werkt de overgangsregeling? Staat het ouders vrij om een verzoek in te dienen bij de rechter voor vervangende toestemming voor een keuze van een dubbele naam? Dat was een vraag van de heer Van Nispen. De regeling van het naamrecht biedt geen mogelijkheid om onenigheid tussen ouders over de naam voor te leggen aan de rechter, of om vervangende toestemming te vragen. Ik vind zelfs een geschillenregeling niet wenselijk. Niet alleen legt dit een extra druk op de rechterlijke macht, ook is een objectieve belangenafweging — bij uitstek een taak van de rechter — hierbij mijns inziens niet goed te maken, zeker nu daarbij vaak geen zakelijke, maar eerder emotionele argumenten een rol kunnen spelen. Van de rechter wordt dan in feite gevraagd om te beslissen als zou het lot hebben beslist.”
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat het gegeven dat er geen expliciet vangnet in de WIGG is opgenomen, niet maakt dat hierin een taak voor de rechter is weggelegd. De rechtbank is namelijk net als de rechtbank Overijssel (vindplaats ECLI:NL:RBOVE:2024:2030) van oordeel dat het in het belang van het kind is dat het kind, bij gebrek aan een gezamenlijke keuze, de geslachtsnaam houdt die het al heeft.
De rechtbank is daarbij van oordeel dat dit ook volgt uit de opzet van de wet. Als één van beide ouders niet meewerkt aan de keuze voor een gecombineerde geslachtsnaam, biedt het overgangsrecht van de WIGG geen mogelijkheid voor wijziging van de geslachtsnaam van het kind.
De rechtbank ziet gelet op het voorgaande niet in waarom dit een andere situatie is dan bij een latere erkenning (waarbij expliciet is bepaald dat het kind de geslachtsnaam van de moeder houdt, tenzij ouders hierin een andere keuze maken).
5.4.
Naar het oordeel van de rechtbank is de stelling van de moeder dat “alle ouders deze rechtsingang gaan krijgen” feitelijk onjuist. Zoals hiervoor overwogen, bestaat er geen juridische grondslag voor een verzoek tot verlening van vervangende toestemming voor een andere geslachtsnaam van een kind. Dat geldt zowel voor een kind dat geboren is op of na 1 januari 2016 als voor een kind dat geboren is op of na 1 januari 2024. In beide gevallen moet het gaan om een keuze van ouders gezamenlijk.
5.5.
De rechtbank is van oordeel dat het wettelijke systeem van artikel 1:5 BW (waaronder ook de WIGG en het overgangsrecht daarvan) niet in strijd is met de door de moeder genoemde bepalingen uit het IVRK en het EVRM. De rechtbank verwijst daartoe naar het arrest van de Hoge Raad van 14 april 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AU9239) waarin de Hoge Raad het volgende heeft overwogen:
“De uiteindelijke keuze van de wetgever voor het stelsel van art. 1:5 lid 2 BW, dat meebrengt dat een gezamenlijke keuze van de ouders van een kind dat door erkenning of gerechtelijke vaststelling van het vaderschap in familierechtelijke betrekking tot zijn vader komt te staan, wordt gerespecteerd maar dat bij gebreke van zo'n gezamenlijke keuze het kind de geslachtsnaam houdt die het al bij zijn geboorte heeft gekregen, valt binnen de grenzen van de beoordelingsvrijheid die het EVRM de nationale wetgever op het onderhavige rechtsgebied laat. Wanneer ouders het niet met elkaar erover eens zijn of hun kind de geslachtsnaam van de ene dan wel van de andere ouder zal hebben, brengt noch art. 8 noch art. 14 EVRM mee dat de rechter de voor dat geval gemaakte, in art. 1:5 lid 2 BW neergelegde, keuze van de wetgever op basis van een belangenafweging opzij moet kunnen zetten en bepalen dat het kind de geslachtsnaam van de vader zal hebben.”
Van belang is daarnaast de uitspraak van het EHRM in de zaak Bijleveld tegen Nederland, waarin het Nederlandse systeem niet in strijd is geacht met het EVRM: de gehuwde ouders hebben een keuze voor de naam van de moeder of de vader, bij geen keuze krijgt het kind de naam van de vader. Daarbij wordt aangegeven dat de keuze niet bij het kind ligt maar alleen bij de ouders: zij hebben het recht om gezamenlijk een geslachtsnaam te kiezen voor het kind. Doen zij dat niet, dan geldt de vangnetnorm. Deze regel is volgens het Europese hof niet discriminatoir (zie Application no. 42973/98 onder 4, 4e alinea). Juist het níet krijgen van een geslachtsnaam is in strijd met artikel 7 IVRK (recht op een naam en nationaliteit).
Naar het oordeel van de rechtbank is dit in het geval van [minderjarige] niet anders. Partijen hadden ten tijde van zijn geboorte kunnen kiezen voor de achternaam van de moeder, maar wilden dat niet, zoals zij tijdens de mondelinge behandeling hebben verteld.
Naar het oordeel van de rechtbank geldt het voorgaande ook in de situatie dat ouders het niet met elkaar eens zijn over de vraag of hun kind een gecombineerde geslachtsnaam dan wel de geslachtsnaam van één beide ouders moet hebben.
5.6.
Proceskosten
5.6.1.
De proceskosten van deze procedure zullen worden gecompenseerd in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.
6. De beslissing
De rechtbank
6.1.
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoeken;
6.2.
compenseert de proceskosten tussen partijen aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. I.S. Verstraelen, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 14 juni 2024. | ||
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS! | !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER! | |
Conc: IVV | ||
Tegen deze beschikking kan, voor zover het een eindbeslissing betreft, -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof 's-Hertogenboscha. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraakb. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS! |
Uitspraak 12‑04‑2024
Inhoudsindicatie
De rechtbank heeft vastgesteld dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen.
Partij(en)
beschikking
RECHTBANK OOST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer : C/01/402939 / FA RK 24-1216
Uitspraak : 12 april 2024
Beschikking betreffende een machtiging tot het verlenen van verplichte zorg
van de rechtbank Oost-Brabant naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
hierna te noemen: betrokkene,
advocaat: mr. L. Stam.
Het procesverloop
Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 27 maart 2024, heeft de officier van justitie verzocht om een machtiging tot het verlenen van verplichte zorg. Bij het verzoekschrift zijn diversen bijlagen gevoegd, waaronder de medische verklaring van 20 maart 2024.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 12 april 2024, in het gerechtsgebouw te ’s-Hertogenbosch. De rechtbank heeft de volgende personen gehoord:- de advocaat van betrokkene;
- [(naam) curator]
- [(naam) psychiater] ;
- [(naam) sociaalpsychiatrisch verpleegkundige] ;
- de ouders van betrokkene, [(naam ouders)] .
De rechtbank heeft vastgesteld dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen. De rechtbank leidt dit af uit de volgende feiten en omstandigheden. Betrokkene is op juiste wijze opgeroepen, zij was op de hoogte van de mondelinge behandeling en zij is niet verschenen. Betrokkene laat zorgmijdend gedrag zien. Zo is zij eerder naar Frankrijk vertrokken nadat een zorgmachtiging is aangevraagd. Het is de onafhankelijke psychiater niet gelukt om in contact te komen met betrokkene, waarbij de onafhankelijke psychiater heeft gezien dat er berichten op de deur hangen dat betrokkene bij betreding van de woning aangifte zal doen. Zij heeft maatregelen getroffen om mensen buiten te houden. De rechtbank leidt hieruit af dat de verwachting gerechtvaardigd is dat het horen van betrokkene in haar verblijfsruimte niet tot een ander resultaat zal leiden.
De beoordeling
Uit de overgelegde stukken en wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken, is gebleken dat er ten aanzien van betrokkene sprake is van ernstig nadeel, door het bestaan van of het aanzienlijk risico op ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische schade, ernstige materiële schade, ernstige verwaarlozing, maatschappelijke teloorgang en de situatie dat betrokkene met haar hinderlijk gedrag agressie van een ander oproept.
Betrokkene veroorzaakt overlast in de omgeving, zij vertoont dreigend en agressief gedrag en zij verwaarloost zichzelf en haar woning. Zij is achterdochtig.
Het ernstige vermoeden bestaat dat dit nadeel wordt veroorzaakt door gedrag van betrokkene dat voortvloeit uit een psychische stoornis, in de vorm van een psychotische stoornis.
Betrokkene heeft zorg nodig om het ernstig nadeel af te wenden, de geestelijke gezondheid van betrokkene dusdanig te herstellen dat zij haar autonomie zoveel mogelijk herwint en de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren.
Gebleken is dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. Betrokkene is zorgmijdend en accepteert geen behandeling. Om die reden is verplichte zorg nodig.
De in het verzoekschrift genoemde vormen van zorg zijn gebaseerd op de medische verklaring, het zorgplan en het advies van de geneesheer-directeur. Deze vormen van zorg zijn door de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling besproken. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de volgende vormen van verplichte zorg noodzakelijk om het ernstig nadeel af te wenden:
- -
toedienen van medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
- -
beperken van bewegingsvrijheid;
- -
insluiten;
- -
uitoefenen van toezicht op betrokkene;
- -
aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
- -
opnemen in een accommodatie.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.De voorgestelde verplichte zorg is evenredig en naar verwachting effectief. Uit de stukken blijkt dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene. De psychiater heeft verklaard dat een gesloten opname aangewezen is om betrokkene met medicatie te kunnen behandelen.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De zorgmachtiging zal worden verleend voor de (verzochte) duur van 6 maanden, en geldt daarom tot en met 12 oktober 2024.
De beslissing
De rechtbank:
verleent een zorgmachtiging ten aanzien van:
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
inhoudende dat bij wijze van verplichte zorg de volgende maatregelen kunnen worden getroffen:
- -
toedienen van medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
- -
beperken van bewegingsvrijheid;
- -
insluiten;
- -
uitoefenen van toezicht op betrokkene;
- -
aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
- -
opnemen in een accommodatie.
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 12 oktober 2024;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. F. Kooijman, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 12 april 2024 in aanwezigheid van de griffier. | ||
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS! | !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER! | |
Conc: KPe | ||
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS! |