Hof Leeuwarden, 01-11-2006, nr. 0600146
ECLI:NL:GHLEE:2006:AZ3970
- Instantie
Hof Leeuwarden
- Datum
01-11-2006
- Magistraten
Mrs. Melssen, Smedes, Postma, Streppel
- Zaaknummer
0600146
- LJN
AZ3970
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Verzekeringsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHLEE:2006:AZ3970, Uitspraak, Hof Leeuwarden, 01‑11‑2006
Uitspraak 01‑11‑2006
Mrs. Melssen, Smedes, Postma, Streppel
Partij(en)
Beschikking in de zaak van
[appellante],
wonende te [woonplaats],
appellante,
hierna te noemen: [appellante],
procureur mr. P.C. Keuning,
tegen
de naamloze vennootschap GOUDSE SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,
rechtsopvolgster van Tiel Utrecht Schadeverzekering N.V. te Utrecht,
gevestigd te Gouda,
geïntimeerde,
hierna te noemen: de Goudse,
procureur mr. J.V. van Ophem,
advocaat mr. H.A. Kragt.
Het geding in eerste aanleg
Bij beschikking van 20 maart 2006 heeft de rechtbank te Leeuwarden een deskundigenbericht bevolen en de vragenlijsten van de zijde van de Goudse en [appellante] vastgesteld. Voorts heeft de rechtbank R. Kuiper, werkzaam bij AAB BV Arbeidsdeskundig Adviesbureau, benoemd tot arbeidsdeskundige en A.A.Th.M. Hagelaars-Rooijakkers, werkzaam bij het Nederlands Rekencentrum Letselschade (NRL), benoemd tot rekenkundige. De rechtbank heeft tevens bevolen dat indien en wanneer door de arbeidsdeskundige wordt vastgesteld dat sprake is van enige schade, door de rekenkundige een deskundigenbericht zal worden uitgebracht en de dan van belang zijnde onderzoeksvragen zullen worden vastgesteld. Vervolgens heeft de rechtbank de voorschotten van de arbeidsdeskundige en rekenkundige begroot en bepaald dat de voorschotten door [appellante] zullen worden voldaan in afwachting van de uitkomst in de hoofdzaak. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat de procureur van [appellante] de relevante stukken aan de deskundigen doet toekomen. Ten slotte heeft de rechtbank het anders of meer verzochte afgewezen.
Het geding in hoger beroep
Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 6 april 2006, heeft [appellante] verzocht de beschikking van 20 maart 2006 te vernietigen voor zover het betreft de door de rechtbank vastgestelde vragenlijsten van de zijde van de Goudse en [appellante] welke beantwoord dienen te worden door de arbeidsdeskundige R. Kuiper, de bepaling van de rechtbank dat de voorschotten van beide deskundigen door [appellante] zullen worden voldaan in afwachting van de uitkomst in de hoofdzaak en de bepaling van de rechtbank dat de procureur van [appellante] de relevante stukken aan de deskundigen doet toekomen en opnieuw beslissende te bepalen dat door de arbeidsdeskundige antwoord zal worden gegeven op de vragenlijst zoals door [appellante] opgesteld in haar inleidend verzoekschrift. [appellante] heeft voorts verzocht opnieuw te bepalen dat de voorschotten van de beide deskundigen door de Goudse zullen worden voldaan in afwachting van de uitkomst in de hoofdzaak en te bepalen dat die voorschotten binnen twee weken na de uitspraak in hoger beroep door de Goudse moeten worden gestort op het daartoe aan te wijzen rekeningnummer.
Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 28 april 2006, heeft de Goudse het verzoek bestreden en verzocht [appellante] niet-ontvankelijk te verklaren, althans de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen desnoods onder aanvulling van gronden en aldus de grieven van [appellante] af te wijzen als zijnde ongegrond en/of onbewezen, met veroordeling van [appellante] in de kosten van de procedure, een en ander uitvoerbaar bij voorraad.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken van het geding.
Ter zitting van 3 augustus 2006 is de zaak behandeld.
De beoordeling
Inleiding
1
Op 8 september 1995 is [appellante], als passagier van een personenauto Ford Sierra, betrokken geweest bij een kop-staartbotsing, waarbij een Peugeot personenauto achter op voormelde Ford botste. De bestuurder van voornoemde Peugeot was tegen wettelijke aansprakelijkheid conform de WAM verzekerd bij Tiel Utrecht Schadeverzekering N.V. De Goudse is de rechtsopvolgster van voornoemde maatschappij.
2
De Goudse heeft als WAM-verzekeraar van de bestuurder van de Peugot namens deze de aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval aanvaard.
3
Bij beschikking van 21 juni 2001 van de rechtbank te Leeuwarden, in de zaak tussen [appellante] en Tiel Utrecht Schadeverzekeringen N.V., is het verzoek van [appellante], inhoudende een voorlopig deskundigenbericht te bevelen teneinde de medische beperkingen die [appellante] ondervindt als gevolg van het ongeval te bepalen, integraal toegewezen. De rechtbank heeft drs E.R.P. Brunt, neuroloog te Groningen, alsmede het Instituut voor Arbeid benoemd tot deskundigen.
4
Uit het rapport ter zake van het op 10 juli 2001 verrichte medische onderzoek ten aanzien van [appellante] door drs Brunt blijkt dat er ten aanzien van de klachten van [appellante] sprake is van een eindtoestand en dat [appellante] lijdt aan een postwhiplashsyndroom. Voorts blijkt uit voornoemd rapport dat de blijvende functionele invaliditeit van [appellante] als gevolg van het ongeval door drs Brunt wordt gewaardeerd op 5%.
5
In de rapportage van T.J. Visser, werkzaam bij het Instituut voor Arbeid, welke rapportage bij brief van 22 augustus 2001 aan de rechtbank is verzonden, is geconcludeerd dat [appellante] voor wat betreft de belastbaarheid beperkingen ondervindt.
6
Bij vonnis van 22 december 2004 van de rechtbank te Leeuwarden is de Goudse veroordeeld tot vergoeding aan [appellante] van de schade met betrekking tot het verlies van verdiencapaciteit, nader op te maken bij staat. Voorts heeft de rechtbank voor recht verklaard dat bij de vaststelling van het verlies van verdiencapaciteit dient te worden uitgegaan van de beperkingen, zoals deze blijken uit de deskundigenberichten van drs Brunt en het Instituut voor Arbeid in de zaak tussen [appellante] en Tiel Utrecht Schadeverzekeringen N.V.
7
Bij inleidend verzoekschrift heeft [appellante] in het kader van een in te stellen schadestaatprocedure onder meer verzocht een voorlopig deskundigenbericht te bevelen teneinde het verlies van arbeidsvermogen te berekenen alsmede het verlies aan zelfwerkzaamheid en de eventuele noodzaak tot huishoudelijke hulp. Voorts heeft [appellante] verzocht om aansluitend op voornoemd onderzoek een actuarieel onderzoek te doen naar de vraag tot welke schade het verlies aan verdienvermogen leidt. [appellante] heeft ten slotte verzocht de Goudse in de kosten te veroordelen nu reeds vaststaat dat de Goudse aansprakelijk is voor de schade van [appellante]. In voornoemd inleidend verzoekschrift heeft [appellante] de door haar gewenste vraagstelling ter zake van het door haar verzochte voorlopig deskundigenbericht opgenomen.
8
Bij verweerschrift heeft de Goudse het verzoek van [appellante] bestreden en vervolgens een conceptvraagstelling harerzijds overgelegd.
9
Bij beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank beslist als hiervoor weergegeven onder het kopje ‘Het geding in eerste aanleg’. Tegen deze beschikking is het hoger beroep van [appellante] gericht met uitzondering van de beslissing van de rechtbank omtrent de benoeming van de arbeidsdeskundige en de rekenkundige, de voorwaardelijke vraagstelling aan de rekenkundige alsmede de begroting van de voorschotten ter zake van de deskundigenkosten.
Overwegingen
* De ontvankelijkheid van het hoger beroep
10
Bij beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank het verzoek van [appellante] om de Goudse in de kosten verbonden aan het voorlopig deskundigenbericht te veroordelen afgewezen. Het hof is van oordeel dat [appellante] ontvankelijk is in het door haar ingestelde hoger beroep voor zover het haar verzoek betreft om Goudse alsnog te veroordelen in de kosten van het voorlopig deskundigenbericht nu er ten aanzien van voormeld verzoek geen appelverbod geldt.
11
Bij beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank het verzoek van [appellante] om een voorlopig deskundigenbericht te gelasten toegewezen. De rechtbank heeft zich aangesloten bij de door [appellante] in haar inleidend verzoekschrift opgestelde vragenlijst en heeft mede de door de Goudse bij verweerschrift in eerste aanleg overgelegde vragenlijst overgenomen. De rechtbank heeft in haar beslissing de vragenlijst van de Goudse centraal gesteld en bepaald dat de door de rechtbank benoemde arbeidsdeskundige ook dient in te gaan op de door [appellante] aangedragen vragen, tenzij naar de inschatting van voornoemde arbeidsdeskundige daarop al is ingegaan bij de beantwoording van de vragenlijst van de Goudse.
12
De in rechtsoverweging 10 vermelde enkele omstandigheid dat [appellante] ontvankelijk is in het door haar ingestelde hoger beroep voor zover het haar verzoek betreft om de Goudse alsnog in de kosten verbonden aan het voorlopig deskundigenbericht te veroordelen, brengt naar het oordeel van het hof niet mee dat [appellante] zonder meer ontvankelijk is het door haar ingestelde hoger beroep ter zake van de beslissing van de rechtbank ten aanzien van het voorlopig deskundigenbericht.
13
Ingevolge artikel 204 lid 2 Rv is namelijk geen hogere voorziening toegelaten voor zover het verzoek om een voorlopig bericht of verhoor van deskundigen te bevelen is toegewezen.
14
Voornoemd appelverbod is echter niet absoluut. Volgens vaste jurisprudentie worden appel- en cassatieverboden opzij gezet, voor zover erover wordt geklaagd dat de rechter met zijn beslissing buiten het toepassingsgebied van de betreffende bepaling is getreden, de beslissing ten onrechte, dan wel met verzuim van essentiële vormen heeft toegepast of deze ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten.
15
[appellante] stelt in hoger beroep dat de rechtbank de vraagstelling van [appellante], tegen de wens van [appellante] in, heeft gewijzigd en wel zodanig dat de door de Goudse bij haar verweerschrift in eerste aanleg overgelegde vragenlijst voorop is gesteld en de vragenlijst van [appellante] aanvullend is geworden.
16
Het hof begrijpt voornoemd standpunt van [appellante] aldus dat de rechtbank door het geven van voornoemde beslissing buiten het toepassingsgebied is getreden van het bepaalde in artikel 202 Rv
17
Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat [appellante] eveneens ontvankelijk dient te worden verklaard in het door haar ingestelde hoger beroep voor zover zij daarbij in hoger beroep opkomt tegen de beslissing van de rechtbank om de door de Goudse bij haar verweerschrift in eerste aanleg overgelegde vraagstelling (bij voorrang) voor te leggen aan de door de rechtbank benoemde arbeidsdeskundige.
* De door de deskundige te beantwoorden vragen
18
Een voorlopig deskundigenonderzoek kan ertoe dienen een partij de mogelijkheid te verschaffen aan de hand van het uit te brengen deskundigenbericht zekerheid te verkrijgen omtrent voor de beslissing van het geschil relevante feiten en omstandigheden en aldus beter te kunnen beoordelen of het raadzaam is de procedure voort te zetten dan wel aan te vangen.
19
De rechter komt ter zake van een verzoek tot een voorlopig deskundigenbericht geen discretionaire bevoegdheid toe. In beginsel dient het verzoek tot voorlopig deskundigenbericht te worden gehonoreerd, mits het verzoek ter zake dienend en voldoende concreet is en feiten betreft die door middel van een deskundigenbericht bewezen kunnen worden. Dit is echter anders indien zich feiten en/of omstandigheden voordoen die duiden op strijd met de goede procesorde, misbruik van bevoegdheid, afstand van recht of rechtsverwerking.
20
Gelet op de inhoud van het inleidend verzoekschrift van [appellante] is het hof van oordeel dat het verzoek van [appellante] tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht voldoende concreet is. Voorts is het hof van oordeel dat het verzoek feiten betreft die door middel van een deskundigenbericht bewezen kunnen worden nu niet anders is gesteld of gebleken.
21
Nu de Goudse bij vonnis van 22 december 2004 de rechtbank te Leeuwarden heeft veroordeeld tot vergoeding aan [appellante] van de schade met betrekking tot haar verlies van verdiencapaciteit, welke schade nader bij staat dient te worden opgemaakt, is het hof van oordeel dat het verzoek van [appellante] om de werkelijk door [appellante] als gevolg van het ongeval geleden schade middels een voorlopig deskundigenbericht te bepalen, ter zake dienend is.
22
Gelet op het vorenstaande is voldaan aan de in rechtsoverweging 17 vermelde vereiste voor toewijzing van het verzoek van [appellante] om een voorlopig deskundigenonderzoek te bevelen.
23
Op grond van het voorgaande dient het hof thans enkel nog te oordelen of zich feiten en/of omstandigheden voordoen die duiden op strijd met de goede procesorde, misbruik van bevoegdheid, afstand van recht of rechtsverwerking.
24
Indien van voornoemde feiten en/of omstandigheden sprake is, zal dit enkel kunnen leiden tot de beslissing dat het verzoek van [appellante] om een voorlopig onderzoek te bevelen dient te worden afgewezen. De Goudse heeft niet gesteld en evenmin is gebleken dat één of meer van deze feiten en/of omstandigheden in het onderhavige geval aanwezig is/zijn.
25
Het voorgaande brengt mee dat het verzoek van [appellante] om een voorlopig deskundigenonderzoek te bevelen —naar het oordeel van het hof— dient te worden toegewezen.
26
Nu de rechter ter zake van een verzoek tot een voorlopig deskundigenbericht geen discretionaire bevoegdheid toekomt, wordt aan de rechter niet de ruimte geboden om het verzoek van [appellante]—daaronder mede verstaan de door [appellante] opgestelde vragenlijst— om een voorlopig deskundigenbericht te bevelen aan te vullen.
27
Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank —naar het oordeel van het hof— zonder een daartoe strekkende bevoegdheid in haar beschikking waarvan beroep de beslissing genomen dat de door de Goudse in haar verweerschrift in eerste aanleg opgestelde vragenlijst mede dient te worden beantwoord door de eveneens bij voornoemde beschikking benoemde arbeidsdeskundige. Het hof merkt hierbij op dat de rechtbank zodanige beslissing enkel had kunnen nemen indien de Goudse een zelfstandig verzoek tot een voorlopig deskundigenverhoor bij de rechtbank, had ingediend, waarvan in het onderhavige geval evenwel geen sprake is.
28
Op grond van het voorgaande zal het hof de door de Goudse bij haar verweerschrift in eerste aanleg overgelegde vragenlijst buiten beschouwing laten en zal het hof de door het hof te benoemen arbeidsdeskundige —zoals hierna is vermeld in rechtsoverweging 45— bevelen uitsluitend de door [appellante] in haar inleidend verzoekschrift opgestelde vragenlijst te beantwoorden.
* Kennelijke verschrijving
29
Nu het hof in de voornoemde rechtsoverweging 27 heeft overwogen dat de door de Goudse bij haar verweerschrift in eerste aanleg overgelegde vragenlijst niet in het voorlopig deskundigenbericht zal worden meegenomen, zal het hof het standpunt van de Goudse dat de rechtbank in de beschikking waarvan beroep de eerste vraag van de Goudse niet volledig heeft overgenomen buiten beschouwing laten.
* De kosten ter zake van het voorschot van de deskundige(n)
30
Als uitgangspunt heeft te gelden dat een voorschot ter zake van deskundigenkosten ten laste komt van de partij die een verzoek doet tot een (voorlopig) deskundigenbericht. De rechter kan evenwel in de omstandigheden van het geding aanleiding vinden het voorschot ten laste van de tegenpartij te brengen of van beide partijen gezamenlijk.
31
Bij vonnis van 22 december 2004 heeft de rechtbank te Leeuwarden de Goudse veroordeeld tot vergoeding aan [appellante] van de schade met betrekking tot het verlies van verdiencapaciteit, welke schade nader bij staat dient te worden opgemaakt. Een voorlopig deskundigenverhoor biedt de mogelijkheid om inzicht te verkrijgen in de omvang van de door [appellante] geleden schade als gevolg van het ongeval.
32
Gelet op het vorenstaande acht het hof het redelijk om het voorschot dat is gemoeid met vorenbedoeld deskundigenbericht voor rekening van de Goudse te laten komen.
33
In het voorgaande ziet het hof aanleiding om —in afwijking van het in rechtsoverweging 28 vermelde uitgangspunt— de kosten —zowel in als buiten rechte— die gemoeid zijn om inzicht te verkrijgen in de omvang van de door [appellante] geleden schade ten laste van de Goudse te laten komen.
34
Op grond van het voorgaande zal het hof bepalen dat de voorschotten ter zake van de kosten van de deskundige(n) door de Goudse dienen te worden voldaan.
* Het beschikbaar stellen van informatie aan de deskundige(n)
35
Ter zitting in hoger beroep heeft [appellante], bij monde van haar raadsman, te kennen gegeven dat zij aan de deskundige alle door hem benodigde gegevens zal verschaffen.
36
[appellante] heeft in haar beroepschrift aangegeven dat zij een voorlopig deskundigenbericht wenst om op die wijze duidelijkheid te verkrijgen omtrent haar procespositie. Gelet hierop is het hof van oordeel dat het in het belang van [appellante] is dat het voorlopig deskundigenbericht op basis van alle relevante feiten en omstandigheden tot stand komt en zo min mogelijk aanleiding zal geven tot verdere discussie tussen partijen en nadere rapportages.
37
Op grond van het voorgaande zal het hof bepalen dat [appellante] het volledige procesdossier, zoals het thans aan het hof voorligt, aan de deskundige(n) doet toekomen en zal [appellante] voorts opdragen alle door de deskundige(n) nader verzochte benodigde gegevens terstond aan de deskundige(n) ter beschikking te stellen.
38
Hierbij heeft het hof mede in aanmerking genomen dat naast [appellante] ook de Goudse —mede gelet op het in rechtsoverweging 32 vermelde oordeel van het hof dat de voorschotten ter zake van de kosten van de deskundigen(n) door de Goudse dienen te worden voldaan— er belang bij heeft dat het voorlopig deskundigenbericht zo volledig mogelijk is.
39
Voor zover [appellante] als bezwaar heeft willen aanvoeren dat zij niet wenst dat de Goudse de beschikking krijgt over de door haar aan de deskundige te verstrekken gegevens, merkt het hof, voor wat betreft de gegevens welke zijn vermeld in het procesdossier, op dat de Goudse thans op de hoogte is van de inhoud van het procesdossier en de Goudse zodoende niet meer informatie verkrijgt dan waarvan zij thans op de hoogte is.
40
Ten aanzien van de door [appellante] (eventueel) aan de deskundige nader te verstrekken gegevens —welke niet deel uitmaken van het procesdossier— heeft de rechtbank naar het oordeel van het hof terecht opgemerkt dat aan [appellante] het blokkaderecht toekomt. Het blokkaderecht houdt in dat de Goudse voor het eerst de beschikking kan krijgen over de door [appellante] aan de deskundige verstrekte gegevens indien [appellante] na het uitbrengen van het concept-rapport door de deskundige zich niet op het haar toekomende blokkaderecht beroept.
41
Gelet op het vorenstaande voorkomt het aan [appellante] toekomende blokkaderecht dat de door haar aan de deskundige nader te verstrekken gegevens, tegen de wil van [appellante] in, in handen komen van de Goudse.
Slotsom
42
Op grond van het voorgaande dient de beschikking waarvan beroep — om doelmatigheidsredenen geheel — te worden vernietigd. Er zal opnieuw worden beslist als na te melden.
43
Bij brief van 4 september heeft het NRL, in antwoord op een brief van 1 september 2006 van het hof, kenbaar gemaakt dat de heer E.M. Budwilowitz bereid is om in de onderhavige zaak als rekenkundige op te treden en dat het voorschot, dat is gemoeid met het door hem (eventueel) op te maken deskundigenbericht, voorlopig dient te worden bepaald op € 5.000,- (inclusief BTW).
44
Bij brief van 6 september 2006 heeft R. Kuiper zich, in antwoord op een brief van 1 september 2006 van het hof, bereid verklaard om in de onderhavige zaak op te treden als arbeidsdeskundige en aangegeven dat het voorschot ter zake van het door hem op te maken deskundigenbericht, overeenkomstig de opgave in eerste aanleg, voorlopig dient te worden bepaald op € 3.570,- (inclusief BTW).
45
Gelet op het vorenstaande en mede in aanmerking genomen dat partijen in eerste aanleg hebben verklaard zich te kunnen verenigen met benoeming van R. Kuiper tot arbeidsdeskundige en de Goudse kenbaar heeft gemaakt geen bezwaar te hebben tegen de door [appellante] verzochte benoeming van een rekenkundige werkzaam bij het NRL, zal het hof de heer R. Kuiper tot arbeidsdeskundige benoemen en de heer E.M. Budwilowitz tot rekenkundige.
46
Nu het hof de door beide deskundigen opgegeven voorschotten ter zake van de kosten van de door hen op te maken deskundigenberichten niet onredelijk voorkomt, zal het hof de voorschotten ter zake van de op de maken deskundigenberichten overeenkomstig de in rechtsoverwegingen 43 en 44 vermelde opgaven van de deskundigen bepalen.
47
Bij brief van 6 september 2006 heeft de heer R. Kuiper eveneens aangegeven dat hij de eerste vraag van de door [appellante] opgestelde vragenlijst —welke door het hof is aangehecht bij de brief van 1 september 2006 van het hof aan de heer Kuiper— inhoudende het verlies van verdienvermogen, indien dit het geval is, uit te drukken in een jaarschade, slechts kan beantwoorden na onderzocht te hebben wat de restcapaciteit van [appellante] is op grond van haar ongeval gerelateerde belastbaarheid. Zoals de vraag door [appellante] in de door haar opgestelde vragenlijst geformuleerd is dient de heer Kuiper naar zijn mening enkel een onderzoek in te stellen naar het inkomen dat [appellante] zonder het haar overkomen ongeval zou hebben kunnen verwerven en niet naar de restcapaciteit van [appellante].
48
Bij afzonderlijke brieven van 4 oktober 2006 heeft het hof zowel [appellante] als de Goudse in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op voornoemde door de arbeidsdeskundige kenbaar gemaakte problematiek voortvloeiende uit de formulering van de door [appellante] opgestelde vragenlijst.
49
Bij faxbericht van 6 oktober 2006 heeft mr. [advocaat], namens [appellante], aangegeven dat naar hun mening de oorspronkelijk door [appellante] opgestelde eerste vraag van haar vragenlijst gehandhaafd kan blijven met dien verstande dat het laatste woord van de eerste vraag ‘‘jaarschade’ vervangen dient te worden door ‘jaarbedrag’ waarbij het de bedoeling is dat dit jaarbedrag weergeeft wat [appellante] had kunnen verdienen indien het ongeval wordt weggedacht.
50
Bij e-mailbericht van 9 oktober 2006 heeft mr. Keulen, namens de Goudse, aangegeven dat de vragen die de heer Kuiper mist wel degelijk gesteld en beantwoord dienen te worden om een volledig beeld van de situatie te verkrijgen.
51
Het hof begrijpt de inhoud van voornoemde brief van mr. [advocaat] aldus dat de eerste vraag van de door [appellante] opgestelde vragenlijst dient te luiden: ‘Wilt u naar redelijkheid vaststellen welk inkomen, gedurende welke periode [appellante] zich had kunnen verwerven, indien haar het onderhavige ongeval niet was overkomen, en kunt u dit inkomen uitdrukken in een jaarbedrag?’
52
Het hof zal de eerste vraag van de door [appellante] in haar beroepschrift opgestelde vragenlijst, welke door de arbeidsdeskundige beantwoord dient te worden, overeenkomstig hetgeen in voornoemde rechtsoverweging is overwogen wijzigen.
De beslissing
Het gerechtshof:
- —
vernietigt de beschikking van de rechtbank Leeuwarden d.d. 20 maart 2006, waarvan beroep;
en opnieuw beslissende:
- —
beveelt een voorlopig deskundigenbericht; teneinde een voorlopig onderzoek in te stellen en schriftelijk bericht uit te brengen omtrent de navolgende vragen:
- 1.
Wilt u naar redelijkheid vaststellen welk inkomen, gedurende welke periode [appellante] zich had kunnen verwerven, indien haar het onderhavige ongeval niet was overkomen, en kunt u dit inkomen uitdrukken in een jaarbedrag?
- 2a.
Wilt u vaststellen of er als gevolg van de beperkingen voortvloeiend uit het ongeval, zoals deze zijn vastgesteld in het vonnis van 22 december 2004, behoefte aan hulp in huishouding, tuin en ter vervanging van zelfwerkzaamheid voor [appellante] is ontstaan en zo ja, wilt u dat uitdrukken in uren en daarbij aangeven welke uurtarieven voor welke hulp als redelijk/marktconform dienen te worden beschouwd?
- 2b.
Wilt u uw bevindingen, voortvloeiend uit vraag 2a samenvatten in (een) schadebedrag(en) op jaarbasis en daarbij aangeven welke looptijd deze schade(s) redelijkerwijs zal (zullen) hebben?
- 3.
Heeft u overigens op- of aanmerkingen die voor een beoordeling van deze zaak van belang kunnen zijn?
- —
benoemt tot arbeidsdeskundige:
de heer R. Kuiper,
p/a AAB BV Arbeidsdeskundig Adviesbureau,
Immenweg 7,
6741 KP Lunteren;
- —
beveelt voorts een voorlopig deskundigenbericht; teneinde, indien en wanneer door de arbeidsdeskundige wordt vastgesteld dat sprake is van enige schade, een voorlopig onderzoek in te stellen en schriftelijk bericht uit te brengen omtrent de navolgende vragen:
- 1.
Wilt u het verlies van verdienvermogen van [appellante] vaststellen in een gekapitaliseerd bedrag, uitgaande van het hypothetisch inkomen, ongeval weggedacht, zoals vastgesteld door de arbeidsdeskundige en de gegevens die uit uw eigen onderzoek naar voren komen met betrekking tot het feitelijk door [appellante] gerealiseerde en te realiseren inkomen na het ongeval van 8 december 1995?
- 2.
Wilt u de jaarschades die voortvloeien uit de antwoorden op vragen 2a en 2b van de arbeidsdeskundige eveneens kapitaliseren?
- —
benoemt tot rekenkundige:
de heer E.M. Budwilowitz,
p/a Nederlands Rekencentrum Letselschade (NRL),
Postbus 341,
2501 CH Den Haag;
- —
benoemt mr. Melssen tot raadsheer-commissaris, tot wie de deskundigen zich door tussenkomst van de griffie dienen te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken, indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft;
- —
bepaalt dat de deskundigen bij hun voorlopig onderzoek partijen in de gelegenheid zullen stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen en dat daarvan uit het schriftelijk bericht zal blijken;
- —
bepaalt het voorschot ter zake de kosten van de arbeidsdeskundige voorlopig op € 3.570,- (inclusief BTW);
- —
bepaalt het voorschot ter zake de kosten van de rekenkundige voorlopig op € 5.000,- (inclusief BTW);
- —
wijst de Goudse aan als partij die deze voorschotten uiterlijk binnen twee weken na de datum van deze beschikking ter griffie van het hof zal deponeren door overmaking op rekeningnummer 19.23.06.103 van het MVJ arrondissement Leeuwarden (541), Postbus 1701, 8901 CA Leeuwarden o.v.v. ‘deskundigenkosten R 06/00146’;
- —
bepaalt dat de procureur van [appellante] het volledige procesdossier binnen twee weken na datum van deze beschikking in kopie aan de arbeidsdeskundige doet toekomen en binnen twee weken nadat de rekenkundige afschrift van de griffie van het hof heeft ontvangen omtrent de doorzending van het rapport van de arbeidsdeskundige aan de rekenkundige;
- —
draagt [appellante] op om de door de deskundige(n) nader verzochte benodigde gegevens terstond aan hem (hen) doet toekomen;
- —
bepaalt de termijn waarbinnen de arbeidsdeskundige R. Kuiper, werkzaam bij AAB B.V. Arbeidsdeskundig Adviesbureau te Lunteren, zijn schriftelijke bericht ter griffie van het hof moet inleveren op tweeëneenhalve maand na de kennisgeving betreffende de ontvangst van het depot door de griffie, met dien verstande dat voornoemde deskundige niet eerder met het onderzoek dient aan te vangen dan nadat hij vorenbedoelde kennisgeving heeft ontvangen;
- —
bepaalt de termijn waarbinnen de rekenkundige A.A. Th. M. Hagelaars-Rooijakkers, werkzaam bij het Nederlands rekencentrum Letselschade (NRL) te Den Haag, zijn schriftelijk bericht ter griffie van het hof moet inleveren op tweeëneenhalve maand na de kennisgeving betreffende de ontvangst van het depot door de griffie, met dien verstande dat voornoemde deskundige niet eerder met het onderzoek dient aan te vangen dan nadat hij zowel vorenbedoelde kennisgeving heeft ontvangen als het rapport van de arbeidsdeskundige;
- —
wijst af het meer of anders verzochte.
Aldus gegeven door mrs. Melssen, voorzitter, Smedes en Postma, raden, en uitgesproken door mr. Streppel, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Mellink als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 1 november 2006.