NJB 2025/2396:Uitvoer van F-35-onderdelen naar Israël. Vanuit Nederland worden onderdelen voor F-35-gevechtsvliegtuigen geleverd aan diverse landen op basis van een in 2016 verleende algemene vergunning. Naar aanleiding van de gebeurtenissen in Israël en Gaza na 7oktober 2023 heeft de minister herbeoordeeld of de vergunning voor uitvoer naar Israël kon worden gehandhaafd. De minister heeft besloten niet in te grijpen. In dit kortgeding vorderen Oxfam Novib c.s. dat de rechter de Staat beveelt de uitvoer van F-35-onderdelen naar Israël te staken. De voorzieningenrechter heeft de vordering afgewezen. Het hof heeft de vordering alsnog toegewezen. Hoge Raad: 1. Beslissing in deze zaak. De minister moet de herbeoordeling van de uitvoervergunning van F-35-onderdelen naar Israël opnieuw doen. Bij die herbeoordeling moet de minister het criterium toepassen of met het verlenen van de vergunning een duidelijk risico bestaat op ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht. 2. Uitleg verdragen en Unierecht. De uitleg van het Wapenhandelsverdrag moet plaatsvinden aan de hand van de maatstaven van het WVV. De Unierechtelijke uitlegmaatstavenstemmen daar voor een groot deel mee overeen. 3. Herbeoordeling. Geen verplichting. Maatstaf. Het Wapenhandelsverdrag en het EUGS kennen een aanmoediging, maar geen verplichting tot herbeoordeling wanneer nieuwe relevante informatie beschikbaar komt. Bij een (onverplichte) herbeoordeling moet de minister, met inachtneming van de nieuw beschikbare informatie, beoordelen of nog steeds kan worden gezegd dat zich geen dwingende weigeringsgrond voordoet, en als wordt vastgesteld dat zo’n weigeringsgrond zich (inmiddels) voordoet, mag het gebruik van de vergunning niet langer worden toegestaan. 4. Buitenlands beleid en veiligheid. Geen prejudiciële vragen. De Hoge Raad ziet in dit kort geding geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU over de uitleg van het EUGS, nog daargelaten of het HvJ EU bevoegd is om vragen daarover te beantwoorden.5. Relativiteit. Verbod en bevel. Bij de beantwoording van de vraag of de rechtsplicht waarvan naleving wordt gevorderd strekt tot bescherming van het belang waarin de eiser is of dreigt te worden aangetast, komt het aan op het doel en de strekking van de rechtsplicht, aan de hand waarvan moet worden onderzocht tot welke personen en tot welke belangen de daarmee beoogde bescherming zich uitstrekt. 6. Doelstelling regelgeving over de wapenhandel. De internationale regelgeving heeft ten doel bij een gewapend conflict burgers te beschermen die niet aan de vijandelijkheden deelnemen. De nationale regelgeving beoogt niet alleen de handhaving van het internationaal humanitair recht in algemene zin te bevorderen, maar ook te voorkomen dat individuele burgers het slachtoffer worden van wapengebruik in strijd met het internationaal humanitair recht. 7. Taakverdeling burgerlijke rechter-bestuursrechter. De inrichting van het stelsel van bestuursrechtelijke rechtsbescherming doet geen afbreuk aan de aanspraak op rechtsbescherming van individuele burgers die als gevolg van de niet-naleving door de Staat van zijn verplichtingen het slachtoffer dreigen te worden van wapengebruik in strijd met het internationaal humanitair recht. Daarvoor staat de weg naar de burgerlijke rechter open. 8. Buitenlands beleid en veiligheid. Rechterlijke toetsing. Grote terughoudendheid. De rechter dient, zeker in kort geding, het handelen van de Staat op het gebied van buitenlands beleid en (nationale en internationale) veiligheid met grote terughoudendheid te toetsen. Dat brengt in dit geval mee dat de rechter niet zelf oordeelt over de vraag of een duidelijk risico bestaat op ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht, maar dat de rechter de minister in de gelegenheid stelt om de verrichte (her)beoordeling opnieuw uit te voeren. De uitkomst van die (her)beoordeling kan aan de burgerlijke rechter worden voorgelegd.