Hof Arnhem-Leeuwarden, 17-07-2018, nr. 200.222.426/01
ECLI:NL:GHARL:2018:6718
- Instantie
Hof Arnhem-Leeuwarden
- Datum
17-07-2018
- Zaaknummer
200.222.426/01
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHARL:2018:6718, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 17‑07‑2018; (Hoger beroep)
ECLI:NL:GHARL:2018:2549, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 13‑03‑2018; (Tussenuitspraak)
- Vindplaatsen
Prg. 2018/225
PFR-Updates.nl 2018-0233
JERF Actueel 2018/308
PFR-Updates.nl 2018-0113
Uitspraak 17‑07‑2018
Inhoudsindicatie
Aanvulling registers burgerlijke stand met akte van geboorte en akte van overlijden van in 1976 geboren en op dezelfde zag overleden kind.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.222.426/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/153176 / FA RK 17-143)
beschikking van 17 juli 2018
inzake
1. [verzoekster] ,
verder te noemen: [verzoekster] of [verzoekster] ,
2. [verzoeker],
verder te noemen: [verzoeker] ,
beiden wonende te [A] ,verzoekers in hoger beroep,
verder gezamenlijk te noemen: verzoekers,
advocaat: mr. A.L. van Onna te Franeker.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Súdwest-Fryslân,
gevestigd te Sneek,
verder te noemen: de ambtenaar van de burgerlijke stand.
1. Het verloop van het geding in hoger beroep
1.1
Voor het verloop van het geding tot 13 maart 2018 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.
1.2
Ingevolge voormelde tussenbeschikking heeft op 29 mei 2018 en op 6 juni 2018 een getuigenverhoor plaatsgevonden. De hiervan opgemaakte processen-verbaal bevinden zich bij de processtukken.
1.3
Het verdere verloop blijkt uit:
- een journaalbericht van mr. Van Onna van 26 maart 2018 met productie(s);
- een brief van de heer [B] (broer van [verzoekster] , namens getuige [C] en echtgenoot) van 2 mei 2018;
- een journaalbericht van mr. Van Onna van 8 mei 2018;
- een journaalbericht van mr. Van Onna van 18 juni 2018 met productie(s).
1.4
Bij laatstgenoemd journaalbericht hebben verzoekers hun verzoek gewijzigd.
2. De motivering van de beslissing
2.1
Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de (tussen)beschikking van
13 maart 2018, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.
2.2
In die beschikking heeft het hof de behandeling van de zaak aangehouden en met toepassing van artikel 284 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een getuigenverhoor bevolen, ten bewijze van het feit dat [in] 1976 een dochter is geboren uit [verzoekster] , en dat (indien bewezen) deze dochter diezelfde dag is overleden.
2.3
Het hof heeft als getuigen gehoord de heer [D] , de zwager van [verzoekster] , en mevrouw [C] (hierna: [C] ), de moeder van [verzoekster] .
2.4
Voor zover hier van belang heeft [C] als volgt verklaard:
Ik ben de moeder van [verzoekster] . Ik heb in totaal met mijn man vijf kinderen gekregen: achtereenvolgens [E] , [verzoekster] , [F] , [B] en [G] . Toen [verzoekster] in de opleiding tot ziekenverzorging, of een dergelijke opleiding, zat kwam zij op enig moment naar ons huis. Ergens in het begin van het jaar, welk jaar weet ik niet meer, zaten alle kinderen beneden in de achterkamer en op enig moment ging [verzoekster] naar haar kamer. Na ongeveer een half uur ben ik naar boven gegaan en ik zag dat [verzoekster] in de douche lag. Er was veel bloed en [verzoekster] moest bevallen.
Ik heb toen haar naar haar bed begeleid en op dat bed is ze bevallen van een meisje. Dat meisje leefde toen. Het baby'tje is heel snel geboren. Ik heb de navelstreng behandeld. Dat weet ik zeker. Hoe ik dat gedaan heb weet ik niet meer. Ik heb het kindje in een dekentje gewikkeld en in een doos in het kamertje naast de slaapkamer van [verzoekster] gelegd. Dat was de kamer van de twee jongste zoons. Of het kindje toen nog leefde weet ik niet.
Ik heb niemand ingelicht over deze gebeurtenis en ben beneden verdergegaan met mijn dagelijkse werkzaamheden. 's Avonds heb ik de doos tijdens het uitlaten van de hond in het water gegooid. [verzoekster] weet dat ook. Ik denk dat het de [a-vaart] is. [verzoekster] is nog twee dagen thuisgebleven.
Mijn man was tijdens de bevalling op herhaling en kwam ongeveer veertien dagen later thuis. Ik heb toen aan hem verteld dat [verzoekster] een kind had gekregen en dat het niet levensvatbaar was. Hij heeft daar niets over gevraagd en ik heb het er ook nooit meer met iemand over gehad.
2.5
[verzoekster] heeft ter zitting van 5 februari 2018 verklaard dat zij zeker weet dat [H] is geboren en overleden [in] 1976, omdat je zo'n datum nu eenmaal nooit meer vergeet. [verzoekster] stelt dat zij destijds verlof had van haar opleiding in verband met kerst en oud en nieuw en dat zij daarom bij haar ouders was.
2.6
Op grond van het vorenstaande, in combinatie met de stelling van verzoekers zoals opgenomen onder 5.2 van de tussenbeschikking van 13 maart 2018, is het hof van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat [verzoekster] [in] 1976 is bevallen van een dochter die zij [H] heeft genoemd en dat [H] diezelfde dag is overleden.
3. De slotsom
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slagen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en beslissen overeenkomstig het gewijzigde verzoek.
4. De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, van 17 mei 2017, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:
gelast de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Súdwest-Fryslân dat de registers van geboorten en overlijden worden aangevuld met een akte houdende geboorte en een akte houdende overlijden van [H] , geboren en overleden [in]
1976 te [I] .
Deze beschikking is gegeven door mrs. G. Jonkman, E.B.E.M. Rikaart-Gerard en I.M. Dölle, bijgestaan door mr. D.M. Welbergen als griffier, en is op 17 juli 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Uitspraak 13‑03‑2018
Inhoudsindicatie
Aanvulling register burgerlijke stand. Bewijsopdracht dat op een bepaalde datum een minderjarige kind is geboren en op dezelfde dag is overleden.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.222.426/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/153176 / FA RK 17-143)
beschikking van 13 maart 2018
inzake
1. [verzoekster] ,
verder te noemen: [verzoekster] ,
2. [verzoeker],
verder te noemen: [verzoeker] ,
beiden wonende te [A] ,verzoekers in hoger beroep,
verder gezamenlijk te noemen: verzoekers,
advocaat: mr. A.L. van Onna te Franeker.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Súdwest-Fryslân,
gevestigd te Sneek ,
verder te noemen: de ambtenaar van de burgerlijke stand.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 17 mei 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2. Het geding in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 15 augustus 2017;
- een op 12 september 2017 rechtstreeks van de rechtbank ontvangen proces-verbaal van de zitting van 6 april 2017;
- een journaalbericht van mr. van Onna van 18 september 2017 met productie(s);
- een brief van de ambtenaar van de burgerlijke stand van 6 november 2017.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 5 februari 2018 plaatsgevonden. Verzoekers zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaat. De ambtenaar van de burgerlijke stand heeft bij genoemd schrijven van 6 november 2017 medegedeeld niet ter zitting aanwezig te zullen zijn.
3. De feiten
3.1
Verzoekers zijn getrouwd [in] 1977.
3.2
[in] 2016 heeft [verzoekster] aangifte gedaan tegen haar moeder, [B] (hierna: [B] ), van doodslag/moord op [C] , de dochter van [verzoekster] , gepleegd in 1976 te [D] .
3.3
Bij verzoekschrift van 31 januari 2017 hebben verzoekers de rechtbank verzocht - voor zover hier van belang - aan de ambtenaar van de burgerlijke stand te gelasten dat de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Súdwest-Fryslân worden verbeterd met een akte houdende geboorte en overlijden van [C] , geboren en overleden [in]
1976 te [D] .
3.4
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard in genoemd verzoek en het verzoek van [verzoekster] afgewezen.
4. De omvang van het geschil
4.1
Verzoekers zijn met twee grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van
17 mei 2017. De eerste grief ziet op de ontvankelijkheid van [verzoeker] in het verzoek ten aanzien van [C] en de tweede grief ziet op de afwijzing van het verzoek ten aanzien van [C] . De verzoekers verzoeken de beschikking van de rechtbank van 17 mei 2017 te vernietigen voor zover daarbij een beslissing is genomen over [C] en hun verzoek tot verbetering van de Registers van de Burgerlijke Stand van de Gemeente Súdwest-Fryslân, voor zover dit ziet op de geboorte en het overlijden van beider dochter [C] , geboren en overleden te [D] [in] 1976, met uitvoerbaarheid bij voorraad, alsnog toe te wijzen.
4.2
De ambtenaar van de burgerlijke stand heeft geen verweer gevoerd.
5. De motivering van de beslissing
5.1
Ingevolge artikel 1:24 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan op verzoek van belanghebbenden (of van het openbaar ministerie) aanvulling van een register van de burgerlijke stand met een daarin ontbrekende akte of latere vermelding worden gelast door de rechtbank.
5.2
Verzoekers willen graag dat het bestaan(srecht) van [C] wordt erkend. Zij stellen dat [verzoekster] [in] 1976, toen zij 19 jaar was, in haar ouderlijk huis is bevallen van hun dochter [C] . Niemand wist destijds van die zwangerschap, ook [verzoeker] , de toenmalige vriend en latere echtgenoot van [verzoekster] , niet. Verzoekers voeren aan dat alleen [B] op het moment van de bevalling in het ouderlijk huis aanwezig was en dat zij zodoende kennis heeft gekregen van de zwangerschap en geboorte. Verzoekers stellen dat [B] direct na de bevalling [C] tweemaal met een hamer op het hoofd heeft geslagen en haar vervolgens in een laken en een tas heeft meegenomen waarna zij zich van het lichaam heeft ontdaan. [verzoekster] heeft tijdens de zwangerschap en bevalling geen medische zorg gehad en heeft binnen twee weken na de bevalling haar werk als, althans opleiding tot ziekenverzorgster hervat, aldus verzoekers. Enkele maanden na de bevalling heeft [verzoekster] [verzoeker] van het gebeuren op de hoogte gebracht die daarvan in datzelfde jaar aangifte heeft gedaan bij - de nadien overleden - rechercheur [E] van de politie in [D] . In de ogen van verzoekers is de zaak vervolgens in de doofpot gestopt, omdat genoemde rechercheur een verhouding had met [B] . Verzoekers stellen dat de strafzaak tegen [B] naar aanleiding van de hernieuwde aangifte in 2016 is geseponeerd wegens verjaring.
5.3
Onder belanghebbenden als bedoeld in artikel 1:24 lid 1 BW moeten worden verstaan degenen die in de akte genoemd worden en degenen die een zedelijk, maatschappelijk of geldelijk belang hebben. Het hof is van oordeel dat [verzoeker] als de gesteld biologische vader van [C] een zedelijk of maatschappelijk belang heeft bij het opmaken van haar geboorte- en overlijdensakte. Anders dan de rechtbank, is het hof daarom van oordeel dat [verzoeker] ontvankelijk is in zijn verzoek ten aanzien van [C] . Grief 1 slaagt.
5.4
Het hof stelt voorop dat de registers van de burgerlijke stand slechts na overtuigend bewijs kunnen worden aangevuld. Dit vloeit voort uit het publieke belang dat is gemoeid met een betrouwbare registratie van persoonsgegevens. In dit verband is het hof van oordeel dat bewezen moet worden dat op 7 januari 1976 een dochter is geboren uit [verzoekster] , en dat (indien bewezen) deze dochter diezelfde dag is overleden. Daartoe zal het hof met toepassing van artikel 284 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een getuigenverhoor bevelen van de volgende personen:
- [B] , geboren [in] 1931 te [D] , wonende te [D] ;
- [F] (de vader van [verzoekster] ), geboren [in] 1928 te [G] , wonende te [D] ;
- [H] (de zwager van [verzoekster] ), geboren [in] 1976 te [I] , wonende te [I] .
5.5
Verder zullen verzoekers in de gelegenheid worden gesteld om door het overleggen van - voor zover nog aanwezig - medische (gynaecologische) gegevens van [verzoekster] bewijs te leveren van de juistheid van hun stelling. Een en ander is ter zitting besproken en verzoekers hebben zich daartoe bereid verklaard.
5.6
Het hof wijst erop dat wanneer zou komen vast te staan dat op 7 januari 1976 een dochter is geboren uit [verzoekster] in de Registers van de Burgerlijke Stand niet de achternaam [verzoeker] , maar uitsluitend de achternaam [verzoekster] kan worden vermeld, omdat het een buiten huwelijk geboren kind betreft.
6. De beslissing
Het hof, alvorens verder te beslissen:
beveelt een getuigenverhoor ten bewijze van het feit dat [in] 1976 een dochter is geboren uit [verzoekster] , geboren [in] 1956 te [D] , en dat deze dochter diezelfde dag is overleden, en bepaalt dat als getuigen worden opgeroepen de volgende personen:
- [B] , geboren [in] 1931 te [D] , wonende te [D] ;
- [F] , geboren [in] 1928 te [G] , wonende te [D] ;
- [H] , geboren [in] 1976 te [I] , wonende te [I] ;
bepaalt dat het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, welk getuigenverhoor zal plaatsvinden in het paleis van justitie aan het Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden;
bepaalt dat verzoekers en hun advocaat binnen veertien dagen na het wijzen van deze beschikking hun verhinderdata in de eerstkomende drie maanden aan de griffier zullen doorgeven, waarna de raadsheer-commissaris dag en tijdstip van het getuigenverhoor zal vaststellen;
bepaalt dat de griffier zorg zal dragen voor oproeping van de getuigen;
bepaalt dat verzoekers bij het getuigenverhoor aanwezig dienen te zijn opdat hen naar aanleiding van de getuigenverklaringen vragen kunnen worden gesteld;
bepaalt dat verzoekers uiterlijk 24 april 2018 de onder 5.5. bedoelde medische (gynaecologische) gegevens van [verzoekster] in het geding dienen te brengen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G. Jonkman, E.B.E.M. Rikaart-Gerard en I.M. Dölle, bijgestaan door mr. D.M. Welbergen als griffier, en is op 13 maart 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.