Procestaal: Italiaans.
HvJ EU, 16-07-2015, nr. C-184/14
ECLI:EU:C:2015:479
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
16-07-2015
- Magistraten
M. Ilešič, A. Ó Caoimh, C. Toader, E. Jarašiūnas, C.G. Fernlund
- Zaaknummer
C-184/14
- Conclusie
Y. Bot
- Roepnaam
alimentatieverordening
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2015:479, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 16‑07‑2015
ECLI:EU:C:2015:240, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie (Advocaat-Generaal), 16‑04‑2015
Uitspraak 16‑07‑2015
M. Ilešič, A. Ó Caoimh, C. Toader, E. Jarašiūnas, C.G. Fernlund
Partij(en)
In zaak C-184/14,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Corte suprema di cassazione (Italië) bij beslissing van 25 februari 2014, ingekomen bij het Hof op 14 april 2014, in de procedure
A
tegen
B,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: M. Ilešič, kamerpresident, A. Ó Caoimh, C. Toader (rapporteur), E. Jarašiūnas en C. G. Fernlund, rechters,
advocaat-generaal: Y. Bot,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
A, vertegenwoordigd door C. Rimini, avvocato,
- —
B, vertegenwoordigd door S. Callegaro, avvocato,
- —
de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door G. Palatiello, avvocato dello Stato,
- —
de Griekse regering, vertegenwoordigd door M. Germani en I. Kotsoni als gemachtigden,
- —
de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Moro en M. Wilderspin als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 april 2015,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3, onder c), en d), van verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen (PB 2009, L 7, blz. 1).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen A en zijn echtgenote B inzake een verzoek betreffende een onderhoudsverplichting ten behoeve van hun twee minderjarige kinderen, dat samengaat met een procedure tot scheiding van tafel en bed tussen beide ouders, die is ingediend in een andere lidstaat dan die waar deze kinderen hun gewone verblijfplaats hebben.
Unierecht
Verdrag inzake de internationale inning van levensonderhoud ten behoeve van kinderen en andere familieleden
3
De preambule van het Verdrag van 's Gravenhage van 23 november 2007 inzake de internationale inning van levensonderhoud ten behoeve van kinderen en andere familieleden (hierna: ‘Haags Verdrag van 2007’), dat uit naam van de Europese Unie is goedgekeurd bij besluit 2011/432/EU van de Raad van 9 juni 2011 (PB L 192, blz. 39), herinnert eraan dat bij alle maatregelen betreffende kinderen het belang van het kind de eerste overweging vormt.
4
Artikel 20, lid 1, onder f), van dit verdrag bepaalt:
‘Een beslissing gegeven in een verdragsluitende staat (‘de staat van herkomst’) wordt in de andere verdragsluitende staten erkend en ten uitvoer gelegd indien:
[…]
- f)
de beslissing is gegeven door een autoriteit die bevoegd is inzake een kwestie van de persoonlijke staat of van de ouderlijke verantwoordelijkheid, tenzij deze bevoegdheid alleen was gebaseerd op de nationaliteit van een van de partijen.’
Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken
5
Artikel 5 van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (PB L 304, blz. 1, hierna: ‘Executieverdrag’), luidde als volgt:
‘De verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende staat, kan in een andere verdragsluitende staat voor de navolgende gerechten worden opgeroepen:
[…]
- 2)
ten aanzien van onderhoudsverplichtingen: voor het gerecht van de plaats, waar de tot onderhoud gerechtigde woonplaats of zijn gewone verblijfplaats heeft of, indien het een bijkomende eis is welke verbonden is met een vordering betreffende de staat van personen, voor het gerecht dat volgens zijn eigen recht bevoegd is daarvan kennis te nemen, behalve in het geval dat deze bevoegdheid uitsluitend berust op de nationaliteit van een der partijen;
[…]’
Verordening (EG) nr. 44/2001
6
Artikel 5, punt 2, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1), staat in afdeling 2 van deze verordening, met het opschrift ‘Bijzondere bevoegdheid’. Dit artikel bepaalt:
‘Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:
[…]
- 2)
ten aanzien van onderhoudsverplichtingen: voor het gerecht van de plaats waar de tot onderhoud gerechtigde woonplaats of zijn gewone verblijfplaats heeft of, indien het een bijkomende eis is die verbonden is met een vordering betreffende de staat van personen, voor het gerecht dat volgens zijn eigen recht bevoegd is daarvan kennis te nemen, behalve in het geval dat deze bevoegdheid uitsluitend berust op de nationaliteit van een der partijen;
[…]’
Verordening (EG) nr. 2201/2003
7
De overwegingen 5 en 12 van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 (PB L 338, blz. 1), luiden:
- ‘(5)
Teneinde de gelijke behandeling van alle kinderen te waarborgen is deze verordening van toepassing op alle beslissingen betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid, inclusief maatregelen ter bescherming van het kind, los van ieder verband met een procedure in huwelijkszaken.
[…]
- (12)
De in deze verordening opgenomen bevoegdheidsregels met betrekking tot ouderlijke verantwoordelijkheid zijn zodanig opgezet dat zij in het belang van het kind zijn, en met name beantwoorden aan het criterium van de nauwe verbondenheid. Dit betekent dat de bevoegdheid in de eerste plaats bij de gerechten van de lidstaat van de gewone verblijfplaats van het kind moet berusten, behalve in bepaalde gevallen waarin het kind van verblijfplaats is veranderd of wanneer er een overeenkomst bestaat tussen de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen.’
8
Artikel 1 van deze verordening, met het opschrift ‘Toepassingsgebied’, bepaalt:
- ‘1.
Deze verordening is, ongeacht de aard van het gerecht, van toepassing op burgerlijke zaken betreffende:
- a)
echtscheiding, scheiding van tafel en bed en nietigverklaring van het huwelijk;
- b)
de toekenning, de uitoefening, de overdracht, de beperking of de beëindiging van de ouderlijke verantwoordelijkheid.
[…]
- 3.
Deze verordening is niet van toepassing op:
[…]
- e)
onderhoudsverplichtingen;
[…].’
9
Artikel 2, punt 7, van deze verordening definieert de ouderlijke verantwoordelijkheid als ‘alle rechten en verplichtingen die ingevolge een beslissing, van rechtswege of bij een rechtsgeldige overeenkomst aan een natuurlijke persoon of aan een rechtspersoon zijn toegekend met betrekking tot de persoon of het vermogen van een kind’, waarbij deze rechten en verplichtingen ‘onder meer het gezagsrecht en het omgangsrecht’ omvatten.
10
Artikel 8, lid 1, van deze verordening bepaalt:
‘Ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid zijn bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.’
Verordening nr. 4/2009
11
Volgens de overwegingen 1 tot en met 3 van verordening nr. 4/2009, hebben deze verordening en met name de verordeningen nr. 44/2001 en 2201/2003 tot doel maatregelen aan te nemen op het gebied van de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken met grensoverschrijdende gevolgen, die onder meer de verenigbaarheid van de in de lidstaten geldende regels voor collisie-jurisdictiegeschillen moeten bevorderen.
12
Overweging 8 van verordening nr.4/2009 herinnert eraan dat in het kader van deze verordening onder andere rekening moet worden gehouden met het Haagse Verdrag van 2007.
13
Overweging 15 van deze verordening luidt als volgt:
‘Teneinde de behartiging van de belangen van onderhoudsgerechtigden te waarborgen en een goede rechtsbedeling in de Europese Unie te bevorderen, dienen de bevoegdheidsregels die voortvloeien uit verordening [nr. 44/2001] te worden aangepast […]’.
14
Artikel 3 van deze verordening, dat in hoofdstuk II met de titel ‘Bevoegdheid’ staat, bepaalt:
‘In de lidstaten zijn op het gebied van onderhoudsverplichtingen bevoegd:
- a)
het gerecht van de plaats waar de verweerder zijn gewone verblijfplaats heeft, of
- b)
het gerecht van de plaats waar de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats heeft, of
- c)
het gerecht dat volgens het recht van het forum bevoegd is om kennis te nemen van een verzoek betreffende de staat van personen, indien het verzoek inzake een onderhoudsverplichting een nevenverzoek is dat verbonden is met [dit verzoek], tenzij deze bevoegdheid uitsluitend op de nationaliteit van een der partijen berust, of
- d)
het gerecht dat volgens het recht van het forum bevoegd is om kennis te nemen van een verzoek betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid, indien het verzoek inzake een onderhoudsverplichting een nevenverzoek is dat verbonden is met dit verzoek, tenzij deze bevoegdheid uitsluitend op de nationaliteit van een der partijen berust.’
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
15
A en zijn echtgenote B, alsmede hun twee minderjarige kinderen zijn Italiaanse staatsburgers en verblijven permanent in Londen (Verenigd Koninkrijk). De kinderen zijn aldaar op respectievelijk 4 maart 2004 en 5 augustus 2008 geboren.
16
Bij verzoekschrift van 28 februari 2012 heeft A het Tribunale di Milano (rechtbank te Milaan, Italië) verzocht de scheiding tussen hem en B uit te spreken, haar schuldig te verklaren aan deze scheiding, het ouderlijk gezag over de twee kinderen toe te wijzen aan hen beide, en te bepalen dat de kinderen bij hun moeder zullen wonen. A heeft tevens aangeboden een maandelijks bedrag van 4 000 EUR te betalen als bijdrage in de kosten voor opvoeding en levensonderhoud van de kinderen.
17
B heeft in reconventie ook verzocht om de scheiding van haar echtgenoot, hem schuldig te verklaren aan deze scheiding, en de toekenning van een maandelijkse toelage van 18 700 EUR. Zij wierp echter ook een exceptie van onbevoegdheid van de Italiaanse rechter op voor regelingen betreffende het gezagsrecht, de woonplaats, het recht op omgang met de kinderen en de bijdrage in hun onderhoud. Volgens B moest daarvoor op grond van verordening nr. 2201/2003 namelijk een Britse rechter bevoegd worden geacht, omdat A en B altijd in Londen hebben gewoond en hun minderjarige kinderen daar zijn geboren en verblijven.
18
Bij beschikking van 16 november 2012 heeft het Tribunale di Milano zich op grond van artikel 3 van verordening nr. 2201/2003 bevoegd verklaard om kennis te nemen van het scheidingsverzoek.
19
Deze rechter heeft echter uit artikel 8, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 afgeleid dat enkel de Britse gerechten bevoegd waren ter zake van de ‘ouderlijke verantwoordelijkheid’ in de zin van artikel 2, punt 7, van deze verordening, omdat de kinderen hun gewone verblijfplaats in Londen hebben.
20
A heeft voorts bij het High Court of Justice (England & Wales), Family Divison [Hooggerechtshof (Engeland & Wales), afdeling familierecht, Verenigd Koninkrijk] te Londen een beroep ingesteld om de wijzen van uitoefening van de ouderlijke verantwoordelijkheid vast te stellen.
21
Ook het Tribunale di Milano heeft een onderscheid gemaakt tussen de uitkeringen van levensonderhoud ten behoeve van B enerzijds en de minderjarige kinderen anderzijds. Zo heeft het zich bevoegd verklaard kennis te nemen van het verzoek om levensonderhoud voor B, op grond dat het een nevenverzoek is dat is verbonden met een verzoek betreffende de staat van personen, te weten de scheiding van tafel en bed, in de zin van artikel 3, onder c), van verordening nr. 4/2009. Deze rechter heeft op basis van artikel 3, onder d), van deze verordening daarentegen besloten dat hij onbevoegd was uitspraak te doen in het verzoek betreffende het onderhoud van de minderjarige kinderen, daar dit verzoek een nevenverzoek is dat is verbonden met het verzoek betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid. De Britse gerechten zouden dus ook bevoegd zijn om op dit verzoek te beslissen.
22
A heeft tegen deze beslissing van het Tribunale di Milano beroep ingesteld bij de Corte suprema di cassazione (hof van cassatie) onder aanvoering van slechts een middel, ontleend aan de schending van artikel 3, onder c), van verordening nr. 4/2009, daar de Italiaanse gerechten tevens bevoegd zouden zijn met betrekking tot de onderhoudsverplichtingen ten aanzien van de kinderen.
23
Volgens A is de uitlegging die het Tribunale di Milano heeft gegeven aan artikel 3, onder d), van verordening nr. 4/2009, op grond waarvan deze rechter zich onbevoegd verklaarde kennis te nemen van het verzoek betreffende de onderhoudsverplichtingen ten aanzien van de kinderen, onjuist, aangezien een dergelijke uitsluiting van bevoegdheid niet uit de bewoordingen van deze bepaling kan worden afgeleid.
24
Volgens de verwijzende rechter vereist de beslissing in cassatie dat wordt vastgesteld hoe artikel 8 van verordening nr. 2201/2003 en artikel 3 van verordening nr. 4/2009 zich onderling verhouden in het licht van meer bepaald de voorwaarden uit artikel 3, onder c) en d), van deze laatste verordening.
25
Daarop heeft de Corte suprema di cassazione de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
‘Kan op een verzoek betreffende het levensonderhoud van kinderen dat in het kader van een procedure tot scheiding van tafel en bed tussen echtgenoten is ingediend en daarmee samengaat, op basis van het preventiebeginsel zowel worden beslist door de rechter die bevoegd is voor de scheidingsprocedure als door de rechter bij wie het verzoek betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid aanhangig is, of moet daarop noodzakelijkerwijs door de laatstbedoelde rechter worden beslist omdat de twee onderscheiden criteria in de respectieve punten c en d van het artikel 3 van verordening nr. 4/2009 alternatief zijn, in die zin dat het ene noodzakelijkerwijs het andere uitsluit?’
Beantwoording van de prejudiciële vraag
26
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3, onder c) en d), van verordening nr. 4/2009 aldus moet worden uitgelegd dat wanneer een verzoek betreffende de scheiding of de verbreking van de huwelijksband tussen de ouders van een minderjarig kind is ingediend bij een gerecht in een lidstaat, en een verzoek betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid met betrekking tot dit kind is ingediend bij een gerecht in een andere lidstaat, op een verzoek betreffende het levensonderhoud van dit kind kan worden beslist door zowel de rechter die bevoegd is kennis te nemen van het verzoek tot scheiding of de verbreking van de huwelijksband, als zijnde een met een verzoek betreffende de staat van personen in de zin van artikel 3, onder c), van deze verordening verbonden nevenverzoek, als door de rechter die bevoegd is kennis te nemen van het verzoek betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid, als zijnde een met dit verzoek verbonden nevenverzoek in de zin van artikel 3, onder d), van die verordening, dan wel dat noodzakelijkerwijze op een dergelijk verzoek moet worden beslist door deze laatste rechter.
27
Met andere woorden: deze rechter wil vaststellen of de criteria voor toekenning van de bevoegdheid in artikel 3, onder c) en d), van verordening nr. 4/2009, gelet op het hierin vermelde voegwoord ‘of’ elkaar uitsluiten, dan wel dit voegwoord inhoudt dat bij beide rechters die respectievelijk bevoegd zijn kennis te nemen van het verzoek tot scheiding van tafel en bed en het verzoek betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid, een verzoek betreffende de onderhoudsverplichting met betrekking tot minderjarige kinderen kan worden ingediend.
28
In dat verband moet worden opgemerkt dat een dergelijke vraag echter pas rijst wanneer een verzoek betreffende een onderhoudsverplichting met betrekking tot een minderjarig kind wordt beschouwd als zowel een nevenverzoek dat is verbonden met een ‘verzoek betreffende de staat van personen’ als een nevenverzoek dat is verbonden met ‘een verzoek betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid’ in de zin van deze bepalingen, en niet met slechts een van deze verzoeken.
29
Vastgesteld moet dus worden wat de strekking is van het begrip ‘nevenverzoek’ in artikel 3, onder c) en d), van verordening nr. 4/2009.
30
In dat verband moet worden opgemerkt dat ofschoon de nationale rechter zich op grond van deze bepalingen uitdrukkelijk bevoegd mag verklaren om in een grensoverschrijdende context kennis te nemen van een verzoek inzake een onderhoudsverplichting wanneer hij volgens het recht van het forum bevoegd is om kennis te nemen van respectievelijk verzoeken betreffende staat van personen of verzoeken betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid, de strekking van het in deze bepalingen bedoelde begrip ‘nevenverzoek’ niet mag worden overgelaten aan de beoordeling van de gerechten van iedere lidstaat op basis van hun nationale recht.
31
Uit het vereiste van de eenvormige toepassing van het Unierecht vloeit namelijk voort dat, daar artikel 3, onder c) en d), van verordening nr. 4/2009 niet verwijst naar het recht van de lidstaten voor de vaststelling van de betekenis en de strekking van dit begrip, deze strekking in de gehele Unie autonoom en uniform moet worden uitgelegd (zie in die zin arrest Kásler en Káslerné Rábai, C-26/13, EU:C:2014:282, punt 37).
32
Bij deze uitlegging moet rekening worden gehouden met de bewoordingen van de betrokken bepaling en de context ervan, en met het doel van de betrokken regeling (zie in die zin arrest A, C-523/07, EU:C:2009:225, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33
Op basis van een letterlijke uitlegging van artikel 3, onder c) en d), van verordening nr. 4/2009 moet worden vastgesteld dat deze bepalingen een onderscheid maken tussen de verzoeken betreffende de staat van personen en de verzoeken betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid.
34
Ofschoon de hierin bepaalde criteria voor de toekenning van de bevoegdheid alternatief zijn in die zin dat zij zijn verbonden door het voegwoord ‘of’, kan op grond van dit woord echter niet zonder meer worden vastgesteld of het feit dat zij alternatief zijn inhoudt dat de verzoeken betreffende onderhoudsverplichtingen voor een kind enkel zijn verbonden met een verzoek betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid, of dat deze verzoeken ook kunnen worden beschouwd als zijnde verbonden met een verzoek betreffende de staat van personen.
35
Wat de context van deze bepaling betreft, moet worden vastgesteld dat het onderscheid dat uit de tekst ervan blijkt, vergelijkbaar is met het onderscheid dat wordt gemaakt door het bepaalde in verordening nr. 2201/2003.
36
Deze verordening, die volgens overweging 5 ervan, van toepassing is op alle beslissingen betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid, inclusief maatregelen ter bescherming van het kind en los van ieder verband met een procedure in huwelijkszaken, teneinde de gelijke behandeling van alle kinderen te waarborgen, maakt een uitdrukkelijk onderscheid tussen de geschillen met betrekking tot de echtscheiding, scheiding van tafel en bed en nietigverklaring van het huwelijk enerzijds, en die met betrekking tot de toekenning, de uitoefening, de overdracht, de beperking of de beëindiging van de ouderlijke verantwoordelijkheid anderzijds.
37
De rechterlijke bevoegdheid voor de echtscheiding, scheiding van tafel en bed en nietigverklaring van het huwelijk is overeenkomstig artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 2201/2003 verdeeld op basis van criteria die hoofdzakelijk rekening houden met de huidige of eerdere verblijfplaats van de echtgenoten of van een van hen, terwijl de bevoegdheidsregels op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid, volgens overweging 12 van die verordening, zodanig zijn opgezet dat zij in het belang van het kind zijn, en met name beantwoorden aan het criterium van de nauwe verbondenheid.
38
Het bepaalde in artikel 3, onder c) en d), van verordening nr. 4/2009 maakt ten aanzien van de hierin genoemde criteria voor de bevoegdheidstoekenning, onderscheid tussen de gerechtelijke procedures naargelang deze betrekking hebben op de rechten en de verplichtingen tussen echtgenoten, dan wel op de rechten en de verplichtingen van de ouders ten aanzien van een of meerdere van hun kinderen.
39
Een verzoek betreffende onderhoudsverplichtingen met betrekking tot minderjarige kinderen houdt verband met laatstbedoeld type procedure, aangezien dit gaat om de vaststelling van onderhoudsverplichtingen voor de ene dan wel de andere ouder ten aanzien van hun kinderen, om in de kosten van levensonderhoud en opvoeding van deze laatsten te voorzien.
40
Een verzoek inzake de onderhoudsverplichtingen betreffende de minderjarige kinderen is naar de aard ervan intrinsiek verbonden met het verzoek betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid.
41
Wat betreft de door verordening nr. 4/2009 nagestreefde doelstellingen, moet er aan worden herinnerd dat deze verordening volgens overweging 15 ervan tot doel heeft de belangen van onderhoudsgerechtigden te waarborgen en een goede rechtsbedeling in de Unie te bevorderen.
42
Wat de doelstelling inzake de goede rechtsbedeling betreft, zij opgemerkt dat een verzoek dat betrekking heeft op de ouderhoudsverplichtingen ten behoeve van minderjarige kinderen, niet noodzakelijkerwijze verband houdt met een verzoek betreffende de echtscheiding of scheiding. Bij een dergelijke procedure worden bovendien niet per se onderhoudsverplichtingen ten aanzien van een minderjarig kind vastgesteld.
43
De rechter die bevoegd is kennis te nemen van verzoeken betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid, zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 7, van verordening nr. 2201/2003, verkeert daarentegen in de beste positie om het belang van het verzoek betreffende een onderhoudsverplichting ten behoeve van een kind concreet te beoordelen en de hoogte van deze verplichting, die is bedoeld als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en opvoeding van het kind, vast te stellen door deze aan te passen afhankelijk van de toewijzing van eenhoofdig dan wel gezamenlijk gezag, de omgangsregeling, de duur van dit recht en andere feitelijke gegevens inzake de uitoefening van de ouderlijke verantwoordelijkheid die aan hem zijn voorgelegd.
44
Ook is het belang van de onderhoudsgerechtigde gewaarborgd, omdat ten eerste het minderjarige kind eenvoudig een beslissing betreffende zijn levensonderhoud kan krijgen van de rechter die de beste kennis heeft van de gegevens die essentieel zijn voor de beoordeling van zijn verzoek.
45
Anderzijds wordt de rechter die bevoegd is kennis te nemen van het verzoek betreffende levensonderhoud aangewezen op basis van de bevoegdheidsregels van het Unierecht die zijn vastgesteld in verordening nr. 2201/2003, teneinde te bepalen bij welke rechter verzoeken betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid kunnen worden ingediend, welke regels, zoals in punt 37 van dit arrest is benadrukt, zijn opgezet in het belang van het kind.
46
Benadrukt moet namelijk worden dat bij de uitlegging van de in artikel 3, onder c) en d) van verordening nr. 4/2009 vastgestelde bevoegdheidsregels rekening moet worden gehouden met het belang van het kind. Dit geldt des te meer daar verordening nr. 4/2009 moet worden uitgevoerd in overeenstemming met artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat bepaalt dat de belangen van het kind bij alle handelingen in verband met kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen, een essentiële overweging vormen.
47
Uit de bewoordingen, de nagestreefde doelstellingen en de context van artikel 3, onder c) en d), van verordening nr. 4/2009 komt dus naar voren dat wanneer enerzijds een verzoek betreffende de scheiding of de verbreking van de huwelijksband tussen echtgenoten die ouders zijn van minderjarige kinderen is ingediend bij een gerecht, en een ander verzoek betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid voor deze kinderen is ingediend bij een ander gerecht, een verzoek inzake een onderhoudsverplichting ten behoeve van deze kinderen niet kan worden beschouwd als nevenverzoek bij zowel het verzoek betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid in de zin van artikel 3, onder d), van deze verordening, als het verzoek betreffende de staat van personen in de zin van artikel 3, onder c), van die verordening. Dit verzoek kan slechts worden beschouwd als nevenverzoek bij een verzoek op het gebied van de ouderlijke verantwoordelijkheid.
48
Derhalve moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 3, onder c) en d), van verordening nr. 4/2009 aldus moet worden uitgelegd dat wanneer bij een gerecht van een lidstaat een verzoek is ingediend met betrekking tot de scheiding of de verbreking van de huwelijksband tussen de ouders van een minderjarig kind, en bij een gerecht in een andere lidstaat een verzoek is ingediend betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid voor hetzelfde kind, een verzoek betreffende een onderhoudsverplichting met betrekking tot dit kind uitsluitend een nevenverzoek is bij het verzoek betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid in de zin van artikel 3, onder d), van deze verordening.
Kosten
49
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 3, onder c) en d), van verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008, betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen, moet aldus worden uitgelegd dat wanneer bij een gerecht van een lidstaat een verzoek is ingediend met betrekking tot de scheiding of de verbreking van de huwelijksband tussen de ouders van een minderjarig kind, en bij een gerecht in een andere lidstaat een verzoek is ingediend betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid voor hetzelfde kind, een verzoek betreffende een onderhoudsverplichting met betrekking tot dit kind uitsluitend een nevenverzoek is bij het verzoek betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid in de zin van artikel 3, onder d), van deze verordening.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 16‑07‑2015
Conclusie 16‑04‑2015
Y. Bot
Partij(en)
Zaak C-184/141.
A
tegen
B
[verzoek van de Corte suprema di cassazione (Italië) om een prejudiciële beslissing]
1.
Voor de eerste keer wordt het Hof gevraagd uitlegging te geven aan artikel 3, onder c) en d), van verordening nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen.2.
2.
Hierin is bepaald dat in de lidstaten op het gebied van onderhoudsverplichtingen bevoegd is het gerecht dat volgens het recht van het forum bevoegd is om kennis te nemen van een verzoek betreffende de staat van personen indien het verzoek inzake de onderhoudsverplichting daaraan bijkomstig is, of het gerecht dat volgens het recht van het forum bevoegd is om kennis te nemen van een verzoek betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid indien het verzoek inzake de onderhoudsverplichting daaraan bijkomstig is.
3.
In de zaak die hier voorligt, wenst de Corte suprema di cassazione (cassatierechter, Italië) van het Hof te vernemen of een verzoek betreffende het levensonderhoud van minderjarige kinderen dat is ingediend in het kader van een echtscheidingsprocedure, tegelijk bijkomstig kan zijn aan het verzoek betreffende de staat van personen en het verzoek betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid. Die mogelijkheid zou tot gevolg hebben dat twee gerechten in verschillende lidstaten bevoegd zijn, te weten het Italiaanse, waar de scheiding van tafel en bed aanhangig is gemaakt, en het Engelse, dat bevoegd is inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid.
4.
In deze conclusie zal ik uiteenzetten waarom ik meen dat artikel 3 van verordening nr. 4/2009 aldus moet worden uitgelegd dat wanneer een hoofdverzoek tot scheiding van tafel en bed aanhangig is waarin een verzoek betreffende onderhoudsverplichtingen jegens minderjarige kinderen wordt ingediend, de rechter die het scheidingsverzoek behandelt in beginsel bevoegd is kennis te nemen van het verzoek betreffende de onderhoudsverplichting. Deze beginselbevoegdheid moet echter wijken wanneer het belang van het kind dat vereist. In deze zaak vereist het belang van het kind dat de relatieve bevoegdheid wordt bepaald volgens het criterium van nauwe verbondenheid.
I — Toepasselijke bepalingen
A — Handvest
5.
Ingevolge artikel 24, lid 2, van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie3. vormen ‘[b]ij alle handelingen in verband met kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen, de belangen van het kind […] een essentiële overweging’.
B — Verordening nr. 4/2009
6.
De kwestie van onderhoudsverplichtingen is zeker niet nieuw binnen de Europese Unie; al aan het eind van de jaren 50 bestonden hierover verdragen tussen verschillende oprichtingsstaten van de Unie.4. De onderhandelaars over het Verdrag van 27 september 19685. betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken wensten de lijn van deze verdragen daarin voort te zetten.6. Artikel 5, punt 2, van het Executieverdrag bepaalde dat de verweerder die op het grondgebied van een verdragsluitende staat woonde ten aanzien van onderhoudsverplichtingen in een andere verdragsluitende staat kon worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar de tot onderhoud gerechtigde zijn woonplaats of zijn gewone verblijfsplaats had of, als het een verzoek betrof dat bijkomstig was aan een verzoek betreffende de staat van personen, voor het gerecht dat volgens het recht van het forum bevoegd was er kennis van te nemen, tenzij deze bevoegdheid uitsluitend berustte op de nationaliteit van een der partijen.
7.
Deze regel werd overgenomen in verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.7.
8.
Voor de handhaving en ontwikkeling van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht bedient de Unie zich met name van instrumenten op het gebied van gerechtelijke samenwerking in burgerlijke zaken met grensoverschrijdende gevolgen. Zo heeft zij verordening nr. 4/2009 vastgesteld die het gemakkelijk moet maken om, zonder enige andere formaliteit, in een andere lidstaat een beslissing over een onderhoudsvordering te verkrijgen.8.
9.
Deze verordening treedt, volgens overweging 44 ervan, in de plaats van de bepalingen van verordening nr. 44/2001 die betrekking hebben op onderhoudsverplichtingen. Verordening nr. 4/2009 vormt dus een ‘lex specialis’ ten opzichte van verordening nr. 44/2001.
10.
Verordening nr. 4/2009 is krachtens artikel 1, lid 1, van toepassing ‘op onderhoudsverplichtingen die voortvloeien uit familiebetrekkingen, bloedverwantschap, huwelijk of aanverwantschap’. Overweging 11 ervan preciseert in dit verband dat het begrip ’onderhoudsverplichting’ autonoom moet worden geïnterpreteerd.
11.
Deze verordening voorziet daartoe in een systeem van gemeenschappelijke regels voor, met name, jurisdictiegeschillen, dat berust op algemene bevoegdheidsregels voor onderhoudsverplichtingen.
12.
Artikel 3 van genoemde verordening luidt als volgt:
‘In de lidstaten zijn op het gebied van onderhoudsverplichtingen bevoegd:
- a)
het gerecht van de plaats waar de verweerder zijn gewone verblijfplaats heeft, of
- b)
het gerecht van de plaats waar de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats heeft, of
- c)
het gerecht dat volgens het recht van het forum bevoegd is om kennis te nemen van een verzoek betreffende de staat van personen, indien het verzoek inzake een onderhoudsverplichting een met [dit verzoek] verbonden nevenverzoek is, tenzij deze bevoegdheid uitsluitend op de nationaliteit van een der partijen berust, of
- d)
het gerecht dat volgens het recht van het forum bevoegd is om kennis te nemen van een verzoek betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid, indien het verzoek inzake een onderhoudsverplichting een nevenverzoek is dat verbonden is met dit verzoek, tenzij deze bevoegdheid uitsluitend op de nationaliteit van een der partijen berust.’
13.
Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, dat niet heeft deelgenomen aan de vaststelling van verordening nr. 4/2009, heeft later alsnog de toepassing ervan geaccepteerd.9.
C — Verordening (EG) nr. 2201/2003
14.
Verordening (EG) nr. 2201/200310. heeft tot doel binnen de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht de regels van internationaal bevoegdheidsrecht inzake echtscheiding, scheiding van tafel en bed, nietigverklaring van het huwelijk en ouderlijke verantwoordelijkheid te uniformiseren.
15.
Verordening nr. 2201/2003 is overeenkomstig artikel 1, lid 3, onder e), niet van toepassing op onderhoudsverplichtingen.
16.
Krachtens artikel 3, lid 1, onder b), van deze verordening zijn inzake echtscheiding, scheiding van tafel en bed en nietigverklaring van het huwelijk bevoegd de gerechten van de lidstaat waarvan beide echtgenoten de nationaliteit bezitten of, in het geval van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, waar beide echtgenoten hun ‘domicilie’ hebben.
17.
Overweging 12 van genoemde verordening luidt:
‘De in deze verordening opgenomen bevoegdheidsregels met betrekking tot ouderlijke verantwoordelijkheid zijn zodanig opgezet dat zij in het belang van het kind zijn, en met name beantwoorden aan het criterium van de nauwe verbondenheid. Dit betekent dat de bevoegdheid in de eerste plaats bij de gerechten van de lidstaat van de gewone verblijfplaats van het kind moet berusten, behalve in bepaalde gevallen waarin het kind van verblijfplaats is veranderd of wanneer er een overeenkomst bestaat tussen de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen.’
18.
Krachtens artikel 8, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 zijn ‘[t]er zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid […] bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het ogenblik dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt’.
II — Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vraag
19.
De heer A en mevrouw B bezitten de Italiaanse nationaliteit, zijn gehuwd en hebben twee minderjarige kinderen die eveneens de Italiaanse nationaliteit bezitten. De vier leden van het gezin hebben hun gewone verblijfsplaats in Londen (Verenigd Koninkrijk). De kinderen wonen bij hun moeder.
20.
Bij verzoekschrift van 28 februari 2012 heeft A het Tribunale di Milano verzocht de scheiding tussen hem en zijn echtgenote uit te spreken, haar schuldig te verklaren aan de scheiding, het ouderlijk gezag over de twee kinderen aan beide ouders toe te wijzen, en te bepalen dat de kinderen bij hun moeder zullen wonen. A heeft tevens aangeboden een maandelijkse alimentatie van 4 000 EUR te betalen voor het onderhoud van de kinderen.
21.
B heeft datzelfde gerecht in reconventie verzocht A bij uitsluiting schuldig te verklaren aan de scheiding, het ouderlijk gezag over de kinderen aan haar toe te wijzen en A te gelasten haar een maandelijkse toelage van 18 700 EUR te betalen. Verder beriep zij zich op onbevoegdheid van de Italiaanse rechter met betrekking tot het ouderlijk gezag, de toewijzing van de woonplaats van de kinderen, de omgangsregeling met de kinderen, en de bijdrage aan hun onderhoud. Zij is van mening dat krachtens verordening nr. 2201/2003 de Engelse rechter bevoegd is voor deze kwesties, daar de echtelieden steeds in Londen hebben gewoond en hun kinderen er zijn geboren en wonen.
22.
Bij beschikking van 16 november 2012 oordeelde het Tribunale de Milano dat de Italiaanse rechter overeenkomstig artikel 3 van verordening nr. 2201/2003 bevoegd is kennis te nemen van het verzoek tot scheiding van tafel en bed, maar dat ingevolge artikel 8, lid 1, van deze verordening de Engelse rechter bevoegd is te oordelen over de verzoeken met betrekking tot de ouderlijke verantwoordelijkheid over de twee kinderen, omdat die hun gewone verblijfplaats in Londen hebben.
23.
Wat meer in het bijzonder de verzoeken inzake het levensonderhoud van de echtelieden en de kinderen betreft verwees het Tribunale di Milano naar verordening nr. 4/2009 en met name naar artikel 3 ervan. Het verklaarde zich bijgevolg bevoegd te beslissen op het verzoek van B met betrekking tot haar levensonderhoud, daar dit verzoek bijkomstig is aan het verzoek betreffende de staat van personen, maar onbevoegd kennis te nemen van het verzoek met betrekking tot het levensonderhoud van de kinderen, omdat dit verzoek naar zijn oordeel niet bijkomstig is aan het verzoek betreffende de staat van personen, maar aan het verzoek betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid, waarvoor de Engelse rechter bevoegd is.
24.
Tegen deze onbevoegdverklaring van de Italiaanse rechter heeft A beroep ingesteld bij de Corte suprema di cassazione, zich baserend op slechts één middel, te weten dat de bevoegdheid van de Italiaanse rechter overeenkomstig artikel 3, onder c), van verordening nr. 4/2009 ook als bijkomstig aan het verzoek tot scheiding van tafel en bed kan worden beschouwd.
25.
Aangezien de Corte suprema di cassazione twijfelt over de uitlegging die aan deze verordening moet worden gegeven, heeft het de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag voorgelegd:
‘Kan op een verzoek betreffende het levensonderhoud van kinderen dat in het kader van een procedure tot scheiding van tafel en bed tussen echtgenoten is ingediend en daaraan bijkomstig is, op basis van het preventiebeginsel zowel worden beslist door de rechter die bevoegd is voor de scheidingsprocedure als door de rechter bij wie het verzoek inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid aanhangig is, of moet daarop noodzakelijkerwijs door de laatstbedoelde rechter worden beslist omdat de twee onderscheiden criteria in de punten c en d van het reeds herhaaldelijk aangehaalde artikel 3 dus alternatief zijn (in die zin dat het ene noodzakelijkerwijs het andere uitsluit)?’
III — Analyse
26.
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen van het Hof te vernemen of artikel 3, onder c) en d), van verordening nr. 4/2009 in die zin moet worden uitgelegd dat een verzoek betreffende onderhoudsverplichtingen ten gunste van minderjarige kinderen dat is ingediend in een procedure tot scheiding van tafel en bed, zowel kan worden behandeld door het gerecht dat bevoegd is zich uit te spreken over het verzoek betreffende de staat van personen als door het gerecht dat bevoegd is inzake ouderlijke de verantwoordelijkheid.
27.
Het antwoord op die vraag veronderstelt dat eerst de volgende vragen zijn beantwoord. Allereerst, ingeval er thuiswonende kinderen zijn, is het verzoek tot vaststelling en verdeling van de onderhoudsverplichting onlosmakelijk verbonden met het scheidingsverzoek van hun ouders? En vervolgens, welke consequenties heeft dat voor de bevoegdheid van het gerecht waar dat scheidingsverzoek is ingediend?
28.
Het begrip van het belang van het kind is mijns inziens bepalend voor de aard van het antwoord dat aan de verwijzende rechter moet worden gegeven. Met het oog op dit grondbeginsel heb ik gekozen voor een herformulering van de vraag die het kind in het middelpunt van deze problematiek plaatst.
29.
Uit zowel de wetgeving als de rechtspraak van het Hof volgt immers onomstotelijk dat dit begrip het familierecht op dwingende wijze doordrenkt, zodra de situatie van het kind wordt beïnvloed door het geschil in het hoofdgeding.
30.
Ik herinner eraan dat artikel 24, lid 2, van het Handvest bepaalt dat ‘[b]ij alle handelingen in verband met kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen, […] de belangen van het kind, een essentiële overweging [vormen]’. Het Handvest is hier ontegenzeglijk van toepassing.
31.
Het Hof heeft bovendien bij herhaling herinnerd aan het grote belang van dit beginsel.
32.
Zo stelde het in het arrest Rinau11. dat verordening nr. 2201/2003 uitgaat van de opvatting dat het belang van het kind moet voorgaan.12. Meer recent oordeelde het Hof dat het bij de vaststelling van de gewone verblijfplaats van het kind noodzakelijk is het belang van het kind te beschermen.13.
33.
Het Hof zorgt er ook in het bijzonder voor dat de uitlegging van de bepalingen van verordening nr. 2201/2003 strookt met artikel 24 van het Handvest en met name met het belang van het kind. In het arrest Aguirre Zarraga14. oordeelde het Hof immers dat ‘aangezien [deze] verordening […] niet strijdig mag zijn met het Handvest, […] de bepalingen van artikel 42 van genoemde verordening, die het recht van het kind om te worden gehoord ten uitvoer brengen, [moeten] worden uitgelegd in het licht van artikel 24 van [het] Handvest’.15.
34.
In het arrest McB16. gaat het Hof zelfs nog verder door na te gaan of artikel 24 van het Handvest zich verzet tegen de uitlegging die het zelf zojuist aan verordening nr. 2201/2003 heeft gegeven.17. In dit arrest stelt het Hof dat uit overweging 33 van deze verordening volgt dat zij de grondrechten erkent en in overeenstemming is met de beginselen die zijn erkend bij het Handvest, waarbij zij in het bijzonder beoogt de grondrechten van het kind zoals die in artikel 24 van het Handvest zijn erkend, ten volle te eerbiedigen. De bepalingen van de genoemde verordening kunnen dus niet worden uitgelegd op een wijze die strijdig is met het grondrecht van het kind om regelmatig persoonlijke betrekkingen met zijn beide ouders te onderhouden, waarvan de eerbiediging onbetwistbaar in het belang van het kind is.18. Daaruit leidt het af dat in die omstandigheden moet worden nagegaan of artikel 24 van het Handvest, waarvan het Hof de eerbiediging waarborgt, zich verzet tegen de in punt 44 van het arrest uiteengezette uitlegging van verordening nr. 2201/2003.19.
35.
De conclusie die mijns inziens uit deze overwegingen moet worden getrokken is helder. Bij de toepassing en uitlegging van de bepalingen van Unierecht moet het belang van het kind de leidraad vormen. Dit is bijzonder passend verwoord door het Comité voor de Rechten van het Kind bij het Hoge Commissariaat voor de Mensenrechten van de Verenigde Naties, dat stelt dat ‘[het belang van het kind] een standaard, een doel, een gedragslijn en een gidsbegrip is dat alle regels, ieder beleid, alle interne besluiten en alle budgetten betreffende kinderen moet verlichten, bewonen en doordrenken’.20.
36.
De rechtspraak met betrekking tot verordening nr. 2201/2003 is uiteraard ook toepasbaar op verordening nr. 4/2009. Het zou immers onbegrijpelijk zijn als de intensiteit van dit beginsel, dat deel uitmaakt van de grondrechten van het kind, zou kunnen variëren naargelang van het betrokken onderdeel van het familierecht, terwijl het kind er, ongeacht welk onderdeel het betreft, rechtstreeks door blijft geraakt.
37.
Gelet op hetgeen ik hiervoor heb opgemerkt, kan het antwoord op het eerste punt van de geherformuleerde vraag van de Corte suprema di cassazione nader worden uitgewerkt.
38.
Daartoe moet nu de uitlegging van artikel 3, onder c), van verordening nr. 4/2009 worden onderzocht.
39.
Volgens de Commissie heeft het aanknopingscriterium van artikel 3, onder d), van deze verordening slechts betrekking op onderhoudsverplichtingen voor minderjarige kinderen, die duidelijk samenhangen met de ouderlijke verantwoordelijkheid, terwijl het aanknopingscriterium van artikel 3, onder c), ervan slechts betrekking heeft op onderhoudsverplichtingen tussen echtgenoten en niet ook op onderhoudsverplichtingen voor minderjarige kinderen.
40.
Ik deel die opvatting niet, om de volgende redenen.
41.
De architectuur van artikel 3 van verordening nr. 4/2009 lijkt mij niet zonder betekenis. Artikel 3, onder a) en b), bevat twee bevoegdheidsgronden voor situaties waarin het verzoek betreffende onderhoudsverplichtingen het hoofdverzoek is. In dat geval wordt de bevoegdheid bepaald door de gewone verblijfsplaats van de verweerder of de onderhoudsgerechtigde.
42.
De twee bevoegdheidsgronden in artikel 3, onder c) en d), van die verordening hebben daarentegen betrekking op situaties waarin het verzoek betreffende onderhoudsverplichtingen bijkomstig is aan, respectievelijk, een verzoek betreffende de staat van personen of een verzoek betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid.
43.
Het is duidelijk dat de situaties van ongehuwde, gehuwde en (van tafel en bed) gescheiden personen vallen onder de staat van personen en gevolgen voor derden met zich brengen.
44.
Het is eveneens duidelijk dat bij de verbreking van de huwelijksband of samenleving, met een scheiding en het uiteenvallen van het gezin tot gevolg, de vaststelling van het levensonderhoud van thuiswonende kinderen en de verdeling van die verantwoordelijkheid niet slechts een automatisch opkomende, van gezond verstand getuigende vraag is, maar ook en nog meer een dwingende vraag waar het de puur juridische aspecten betreft. Het zou een ontkenning van de dagelijkse werkelijkheid van dit soort verzoeken zijn te willen betwijfelen, dat het één, de vaststelling van de kinderalimentatie en de verdeling van de verantwoordelijkheid daarvoor, het automatisch en natuurlijk gevolg is van het ander, het verbreken van de samenleving. Het bijkomstige karakter ervan, in de juridische zin van het woord, dat het eerste aan het tweede verbindt, lijkt mij derhalve onomstotelijk vastgesteld.
45.
Wat zijn de gevolgen van deze eerste conclusie? Daartoe moet nu het tweede punt van de geherformuleerde vraag worden onderzocht.
46.
Hier krijgt het belang van het kind zijn betekenis van leidend beginsel.
47.
Ik ben namelijk van mening dat iedere oplossing die een onderscheid maakt tussen enerzijds het verzoek tot ontbinding van het gezinsleven dat bij de rechter van de ene lidstaat aanhangig zou moeten worden gemaakt, en anderzijds het verzoek betreffende de kinderalimentatie dat onder de bevoegdheid van de rechter van een andere lidstaat zou vallen, volledig indruist tegen het belang van het kind.
48.
Daartoe volstaat het zich te realiseren dat de juridische logica van dit systeem zou betekenen dat de inzake alimentatie bevoegde rechter moet wachten tot de beslissing over de verbreking van het samenlevingsverband (scheiding van tafel en bed of scheiding) onherroepelijk is geworden, hetgeen onvermijdelijk in een latentieperiode zou resulteren waarin het lot van de kinderen onbeslist blijft.
49.
Zelfs als het gerecht waar het verzoek tot het verbreken van de huwelijksband aanhangig is gemaakt op deze punten maatregelen zou vaststellen die het als voorlopig beschouwt, blijven er bij de oplossing die uitgaat van een continuïteit tussen de verschillende fases van de procedure vertragingen ontstaan die gelet op de hierboven genoemde beginselen onacceptabel zijn: het zouden immers maatregelen voor onbepaalde tijd zijn, die worden genomen zonder inachtneming van het beginsel van het belang van het kind.
50.
Wellicht ten overvloede voeg ik daaraan toe dat deze overduidelijk nadelige situatie niet aan de orde is bij kinderen waarvan de ouders zijn blijven wonen in de lidstaat waarvan zij de nationaliteit bezitten. Met andere woorden, de uitoefening van de vrijheid van verkeer en vestiging door de ouders zou ten grondslag liggen aan een ongunstige situatie die zich niet voordoet bij kinderen van scheidende ouders die hun land van herkomst niet hebben verlaten.
51.
De noodzaak dringt zich derhalve op om zowel de bevoegdheid om kennis te nemen van het hoofdverzoek betreffende de verbreking van de samenleving als de bevoegdheid om te beslissen op de daaruit voortvloeiende bijkomstige, voor het kind essentiële verzoeken te concentreren bij hetzelfde gerecht. Rest de aanwijzing van het bevoegde gerecht, en ook daar behoort het begrip van het belang van het kind onze gedachten leiden. De eerste en eenvoudigste oplossing zou zijn om het geheel onder de bevoegdheid te brengen van het gerecht waar het scheidingsverzoek van de ouders aanhangig is.
52.
Achter de eenvoud van deze oplossing gaat echter een wezenlijk probleem schuil. Dit heeft te maken met artikel 3, lid 1, onder b), van verordening nr. 2201/2003, dat de ouders immers de keuze geeft hun zaak aanhangig te maken bij het gerecht dat slechts bevoegd is op basis van hun gezamenlijke nationaliteit, hetgeen zij in het onderhavige geval ook hebben gedaan. Artikel 3, onder c) en d), van verordening nr. 4/2009 sluit daarentegen een dergelijke bevoegdheid uitdrukkelijk uit, zowel voor het verzoek betreffende onderhoudsverplichtingen in het kader van een verzoek betreffende de staat van personen, als voor hetzelfde verzoek in het kader van een verzoek betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid.
53.
Deze vaststelling lijkt deze twee verordeningen dus frontaal tegenover elkaar te stellen en een oplossing op te dringen die de verzoeken opsplitst, hetgeen ik, zoals gezegd, ondenkbaar acht.
54.
In werkelijkheid is deze tegenstelling echter slechts schijn. Verordening nr. 2201/2003 kan zich immers niet onttrekken aan de dwingende werking die het in aanmerking nemen van het belang van het kind met zich brengt. Het volstaat in dit verband te verwijzen naar de rechtspraak van het Hof die ik in de punten 32 tot en met 34 van deze conclusie heb aangehaald.
55.
Daar komt bij dat de tekst zelf van overweging 12 van deze verordening aangeeft dat ‘[d]e in deze verordening opgenomen bevoegdheidsregels met betrekking tot ouderlijke verantwoordelijkheid […] zodanig [zijn] opgezet dat zij in het belang van het kind zijn, en met name beantwoorden aan het criterium van nauwe verbondenheid. Dit betekent dat de bevoegdheid in de eerste plaats bij de gerechten van de lidstaat van de gewone verblijfplaats van het kind moet berusten, behalve in bepaalde gevallen waarin het kind van verblijfplaats is veranderd of wanneer er een overeenkomst bestaat tussen de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen.’
56.
En juist dit criterium van nauwe verbondenheid moet in aanmerking worden genomen.
57.
Met dit criterium kunnen immers de verordeningen nrs. 2201/2003 en 4/2009 met elkaar in overeenstemming worden gebracht.
58.
Daar het criterium van nauwe verbondenheid rechtstreeks samenhangt het belang van het kind, noopt het ertoe de bevoegdheid voor het geheel neer te leggen bij het gerecht van de woonplaats van de kinderen. Dat verklaart waarom in verordening nr. 4/2009 de bevoegdheid die is gebaseerd op de enkele nationaliteit van de ouders, is uitgesloten voor zowel de onderhoudsverplichting als de ouderlijke verantwoordelijkheid, want anders zou het criterium van nauwe verbondenheid immers worden gepasseerd en daarmee eveneens het belang van het kind.
59.
Bovendien, en om dezelfde redenen, dwingt onder de bevoegdheidsgronden van artikel 3 van verordening nr. 2201/2003 ditmaal het criterium van nauwe verbondenheid, waarvan het overheersende karakter in overweging 12 ervan is uiteengezet, tot aanwijzing van het gerecht van de gewone verblijfplaats van de echtgenoten als bevoegdheidsgrond. Het is overigens niet zonder betekenis dat het criterium van de gewone verblijfplaats het eerste is van de lijst die artikel 3 van deze verordening opsomt.
60.
Dit criterium van de gewone verblijfplaats verwijst uiteraard naar de plaats waar het gezin, en dus ook de kinderen, voorafgaand aan de scheiding woonde.
61.
Aldus wordt aan het criterium van nauwe verbondenheid voldaan. Overigens, indien er nog twijfels zouden bestaan over de verenigbaarheid van verordening nr. 2201/2003 en verordening nr. 4/2009 op dit specifieke punt, volstaat het karakter van ‘lex specialis’ van verordening nr. 4/2009 om de discussie in het voordeel van de door mij voorgestelde uitlegging te beslechten.
62.
Samenvattend ben ik van mening dat in het kader van een echtscheiding of scheiding van tafel en bed van echtgenoten met thuiswonende kinderen de aanvankelijke vaststelling van de alimentatie en de verdeling van de bijdrage van de ouders in de kosten van levensonderhoud van de minderjarige kinderen ‒ evenals overigens de soortgelijke vragen betreffende het ouderlijk gezag ‒ moeten worden behandeld bij het gerecht waar de echtscheiding of de scheiding van tafel en bed aanhangig is gemaakt.
63.
Vanwege het dwingende karakter van het belang van het kind moet de bevoegdheid van dat gerecht het criterium van nauwe verbondenheid bij uitsluiting van elk ander criterium respecteren.
64.
In het hoofdgeding gebiedt het belang van het kind derhalve de bevoegdheid van de Italiaanse rechter af te wijzen ten gunste van de rechter van de lidstaat op het grondgebied waarvan de kinderen hun gewone verblijfplaats hebben, te weten de Engelse rechter, die overigens krachtens artikel 8, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 bevoegd is kennis te nemen van het verzoek betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid.
65.
Daaruit volgt dat in een situatie als in het hoofdgeding de vrijheid van partijen om tussen bevoegde gerechten te kiezen beperkt is. Dat is echter noch schokkend, noch in strijd met de fundamentele beginselen op dit gebied; de betrokken partijen zijn immers de ouders en de beperking van hun keuzemogelijkheid wordt hen opgelegd in het belang van hun kind(eren).
IV — Conclusie
66.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de vraag van de Corte suprema di cassazione als volgt te beantwoorden:
- ‘1)
Artikel 3 van verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen, moet aldus worden uitgelegd dat wanneer een hoofdverzoek tot scheiding van tafel en bed aanhangig is en in het kader van deze scheidingsprocedure een verzoek betreffende onderhoudsverplichtingen voor minderjarige kinderen wordt ingediend, het gerecht dat die procedure behandelt bevoegd is om van het verzoek betreffende onderhoudsverplichtingen kennis te nemen.
- 2)
Het belang van het kind gebiedt in dat geval dat de relatieve bevoegdheid wordt bepaald volgens het criterium van nauwe verbondenheid.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 16‑04‑2015
Oorspronkelijke taal: Frans.
PB 2009, L 7, blz. 1 met rectificatie in PB 2011, L 131, blz. 26.
Hierna: ‘Handvest’.
Verdrag van New York van 20 juni 1956 inzake het verhaal in het buitenland van uitkeringen tot onderhoud en het Haags verdrag van 15 april 1958 nopens de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen over onderhoudsverplichtingen jegens kinderen.
PB 1972, L 299, blz. 32. Verdrag zoals gewijzigd bij de achtereenvolgende verdragen betreffende de toetreding van de nieuwe lidstaten tot dit Verdrag (hierna: ‘Executieverdrag’).
Zie blz. 24 en 25 van het rapport van de heer Jenard over het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1979, C 59, blz. 1).
PB 2001, L 12, blz. 1. Zie artikel 5, punt 2, van verordening nr. 44/2001.
Zie overweging 9 van deze verordening.
Zie beschikking 2009/451/EG van de Commissie van 8 juni 2009 over het voornemen van het Verenigd Koninkrijk om deel te nemen aan verordening nr. 4/2009 (PB L 149, blz. 73).
Verordening van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 (PB L 338, blz. 1).
C-195/08 PPU, EU:C:2008:406.
Punt 51.
Zie arrest C (C-376/14 PPU, EU:C:2014:2268, punt 56). Zie voor het in aanmerking nemen van het belang van het kind bij de uitlegging van verordening nr. 2201/2003 door het Hof, arresten A (C-523/07, EU:C:2009:225), Detiček (C-403/09 PPU, EU:C:2009:810), Purrucker (C-256/09, EU:C:2010:437) en Mercredi (C-497/10 PPU, EU:C:2010:829).
C-491/10 PPU, EU:C:2010:828.
Punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak. Cursivering van mij.
C-400/10 PPU, EU:C:2010:582.
Zie in die zin Devers, A., ‘Les praticiens et le droit international privé européen de la famille’, Revue Europe, nr. 11, november 2013, étude 9, punten 22 e.v.
Punt 60.
Punt 61.
Zie ‘Article 3: Intérêt supérieur de l’enfant’, Revue Droit de la famille, nr. 11, november 2006, dossier 16, over artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, gesloten in New York op 20 november 1989 en geratificeerd door alle lidstaten. Dit artikel 3, lid 1, luidt: ‘Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging.’