NJB 2025/938
Betekening (uitreiking) dagvaarding bij inschrijving in de BRP na betekening maar voor aanvang onderzoek ter terechtzitting. In casu kon het hof gelet op art. 36e lid 2, aanhef en onder b, Sv oordelen dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend, in aanmerking genomen dat de verdachte op het moment van de betekening niet als ingezetene was ingeschreven in de BRP en van hem op dat moment ook geen (feitelijke) woon- of verblijfplaats bekend was. Voor het aanwezigheidsrecht van de verdachte is echter van belang dat de mogelijkheid bestaat dat achteraf moet worden vastgesteld dat aan het recht van de verdachte om in zijn aanwezigheid te worden berecht, is tekortgedaan. Dit kan zich voordoen als de verdachte na de rechtsgeldige betekening van de dagvaarding aan een medewerker van het openbaar ministerie, maar voor de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting alsnog in de BRP is ingeschreven, zonder dat dit de rechter bekend was. Gelet hierop is het oordeel van het hof dat van de verdachte geen inschrijving in de BRP en ook geen (feitelijke) woon- of verblijfplaats bekend was, verstek kon worden verleend tegen de niet-verschenen verdachte en met de behandeling van de zaak kon worden voortgegaan, achteraf bezien onjuist.
HR 22-04-2025, ECLI:NL:HR:2025:642
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
22 april 2025
- Magistraten
Mrs. M.J. Borgers, A.L.J. van Strien, C. Caminada
- Zaaknummer
22/03742
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:642, Uitspraak, Hoge Raad, 22‑04‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:168, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 11‑02‑2025
- Wetingang
(art. 36e Sv)
Essentie
Betekening (uitreiking) dagvaarding bij inschrijving in de BRP na betekening maar voor aanvang onderzoek ter terechtzitting. In casu kon het hof gelet op art. 36e lid 2, aanhef en onder b, Sv oordelen dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend, in aanmerking genomen dat de verdachte op het moment van de betekening niet als ingezetene was ingeschreven in de BRP en van hem op dat moment ook geen (feitelijke) woon- of verblijfplaats bekend was. Voor het aanwezigheidsrecht van de verdachte is echter van belang dat de mogelijkheid bestaat dat achteraf moet worden vastgesteld dat aan ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.