Procestaal: Tsjechisch.
HvJ EU, 08-02-2024, nr. C-566/22
ECLI:EU:C:2024:123
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
08-02-2024
- Magistraten
A. Arabadjiev, T. von Danwitz, P. G. Xuereb, A. Kumin, I. Ziemele
- Zaaknummer
C-566/22
- Conclusie
J. richard de la tour
- Roepnaam
Inkreal
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2024:123, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 08‑02‑2024
ECLI:EU:C:2023:768, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 12‑10‑2023
Uitspraak 08‑02‑2024
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken — Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken — Verordening (EU) nr. 1215/2012 — Werkingssfeer — Artikel 25 — Forumkeuzebeding — Partijen bij een overeenkomst die woonplaats hebben in dezelfde lidstaat — Toewijzing aan de gerechten van een andere lidstaat van de bevoegdheid om kennis te nemen van geschillen die ontstaan uit deze overeenkomst — Grensoverschrijdend aspect
A. Arabadjiev, T. von Danwitz, P. G. Xuereb, A. Kumin, I. Ziemele
Partij(en)
In zaak C-566/22,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Nejvyšší soud (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Tsjechië) bij beslissing van 14 juni 2022, ingekomen bij het Hof op 26 augustus 2022, in de procedure
Inkreal s. r. o.
tegen
Dúha reality s. r. o.,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: A. Arabadjiev, kamerpresident, T. von Danwitz, P. G. Xuereb, A. Kumin (rapporteur) en I. Ziemele, rechters,
advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Dúha reality s. r. o., vertegenwoordigd door J. Mráz, advokát,
- —
de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek, A. Edelmannová en J. Vláčil als gemachtigden,
- —
de Zwitserse regering, vertegenwoordigd door M. Kähr en L. Lanzrein als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Noë en K. Walkerová als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 oktober 2023,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 25, lid 1, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Inkreal s. r. o. en Dúha reality s. r. o. over de vaststelling van de rechterlijke instantie die territoriaal bevoegd is om kennis te nemen van een vordering tot betaling op grond van twee schuldvorderingen van FD op Dúha reality die door Inkreal zijn overgenomen krachtens een overeenkomst tot cessie van schuldvorderingen.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
De overwegingen 3, 15, 19, 21, 22 en 26 van verordening nr. 1215/2012 luiden als volgt:
- ‘(3)
De [Europese] Unie heeft zich ten doel gesteld een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te handhaven en te ontwikkelen en de toegang tot de rechter te vergemakkelijken, onder meer door het beginsel van wederzijdse erkenning van gerechtelijke en buitengerechtelijke beslissingen in burgerlijke zaken. Met het oog op de geleidelijke totstandbrenging van die ruimte dient de Unie maatregelen te nemen op het gebied van de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken met grensoverschrijdende gevolgen, met name wanneer dat nodig is voor de goede werking van de interne markt.
[…]
- (15)
De bevoegdheidsregels moeten in hoge mate voorspelbaar zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder. De bevoegdheid moet altijd op die grond kunnen worden gevestigd, behalve in een gering aantal duidelijk omschreven gevallen waarin het voorwerp van het geschil of de autonomie van de partijen een ander aanknopingspunt wettigt. […]
[…]
- (19)
De autonomie van de partijen bij een andere overeenkomst dan een verzekerings-, consumenten- of arbeidsovereenkomst, waarvoor slechts een beperkte autonomie geldt met betrekking tot de keuze van het bevoegde gerecht, moet worden geëerbiedigd, behoudens de exclusieve bevoegdheidsgronden die in deze verordening zijn neergelegd.
[…]
- (21)
Met het oog op een harmonische rechtsbedeling moeten parallel lopende processen zo veel mogelijk worden beperkt en moet worden voorkomen dat in verschillende lidstaten onverenigbare beslissingen worden gegeven. Er moet een duidelijke en afdoende regeling zijn om problemen op het gebied van aanhangigheid en samenhang op te lossen, alsook om problemen te verhelpen die voortvloeien uit de tussen de lidstaten bestaande verschillen ten aanzien van de datum waarop een zaak als aanhangig wordt beschouwd. […]
- (22)
Om evenwel de doeltreffendheid van overeenkomsten inzake exclusieve forumkeuze te verbeteren en misbruik van procesrecht te voorkomen, moet een uitzondering op de algemene litispendentieregel worden getroffen met het oog op een bevredigende oplossing voor bepaalde situaties waarin zich een samenloop van procedures kan voordoen. Dat is het geval wanneer een ander dan het bij exclusieve forumkeuze aangewezen gerecht is aangezocht, en vervolgens tussen dezelfde partijen vorderingen voor het aangewezen gerecht worden aangebracht die hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten. […]
[…]
- (26)
Op grond van het wederzijdse vertrouwen in de rechtsbedeling in de Unie is het in beginsel gerechtvaardigd dat in een lidstaat gegeven beslissingen worden erkend in alle lidstaten zonder dat daarvoor een speciale procedure nodig is. Bovendien rechtvaardigt het doel, namelijk de grensoverschrijdende geschillenbeslechting minder tijdrovend en goedkoper te maken, dat de verklaring van uitvoerbaarheid die vóór de tenuitvoerlegging in de aangezochte lidstaat moet worden gevraagd, wordt afgeschaft. Bijgevolg moet een beslissing die door de gerechten van een lidstaat is gegeven, op dezelfde manier worden behandeld als een beslissing die in de aangezochte lidstaat is gegeven.’
4
Artikel 25, lid 1, van deze verordening bepaalt:
‘Indien de partijen, ongeacht hun woonplaats, een gerecht of de gerechten van een lidstaat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, is dit gerecht of zijn de gerechten van die lidstaat bevoegd, tenzij de overeenkomst krachtens het recht van die lidstaat nietig is wat haar materiële geldigheid betreft. Deze bevoegdheid is exclusief, tenzij de partijen anders zijn overeengekomen. De overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht wordt gesloten:
- a)
hetzij bij een schriftelijke overeenkomst of bij een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst;
- b)
hetzij in een vorm die wordt toegelaten door de handelwijzen die tussen de partijen gebruikelijk zijn geworden;
- c)
hetzij, in de internationale handel, in een vorm die overeenstemt met een gewoonte waarvan de partijen op de hoogte zijn of hadden behoren te zijn en die in de internationale handel algemeen bekend is en door partijen bij dergelijke overeenkomsten in de betrokken handelsbranche doorgaans in acht wordt genomen.’
Tsjechisch recht
5
§ 11, lid 3, van zákon č. 99/1963 Sb., občanský soudní řád (wet nr. 99/1963 inzake het wetboek van burgerlijke rechtsvordering) (hierna: ‘wetboek van burgerlijke rechtsvordering’) luidt als volgt:
‘Wanneer een zaak onder de bevoegdheid van de rechterlijke instanties van de Tsjechische Republiek valt maar niet is voldaan aan de voorwaarden omtrent territoriale bevoegdheid of niet kan worden vastgesteld of hieraan is voldaan, wijst de Nejvyšší soud [(hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Tsjechië)] de rechterlijke instantie aan die bevoegd is om de zaak te behandelen en het geding te beslechten.’
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
6
FD, die in Slowakije woont, en Dúha reality s. r. o., een vennootschap naar Slowaaks recht die woonplaats heeft in Slowakije, de ene als kredietgever en de andere als kredietnemer, hebben twee leningsovereenkomsten gesloten, de eerste op 29 juni 2016 en de tweede op 11 maart 2017.
7
Beide leningsovereenkomsten bevatten een identiek forumkeuzebeding dat bepaalt dat een eventueel geschil dat niet door middel van een onderhandeling kan worden beslecht, wordt ‘beslecht in een procedure voor de Tsjechische rechterlijke instantie die materieel en territoriaal bevoegd is’.
8
Krachtens een overeenkomst tot cessie van schuldvorderingen van 8 december 2021 heeft FD de vorderingen uit hoofde van beide leningsovereenkomsten voor een totaalbedrag van 153 740 EUR overgedragen aan Inkreal, een in Slowakije gevestigde vennootschap naar Slowaaks recht.
9
Aangezien Dúha reality in gebreke is gebleven de leningen terug te betalen heeft Inkreal op 30 december 2021 bij de Nejvyšší soud, de verwijzende rechter, een vordering ingesteld, ten eerste, tot betaling van de door Dúha reality verschuldigde bedragen en, ten tweede, tot vaststelling van de Tsjechische rechterlijke instantie die overeenkomstig § 11, lid 3, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering territoriaal bevoegd is om het geschil te beslechten, op basis van het in beide leningsovereenkomsten opgenomen beding tot aanwijzing van de bevoegde rechter.
10
In dit verband betoogt Inkreal dat het gaat om een geldige overeenkomst tot aanwijzing van de bevoegde rechter die voldoet aan de vereisten van artikel 25, lid 1, van verordening nr. 1215/2012, en dat er op grond van deze verordening overigens geen andere rechterlijke instantie een bijzondere of exclusieve bevoegdheid heeft.
11
Dienaangaande merkt de verwijzende rechter op dat verordening nr. 1215/2012 volgens de rechtspraak van het Hof enkel toepasselijk is indien er sprake is van een grensoverschrijdend aspect. De verwijzende rechter vraagt zich af of deze verordening van toepassing is op de situatie in het hoofdgeding, waar het enige grensoverschrijdende aspect een overeenkomst tot aanwijzing van de bevoegde rechter is ten gunste van de rechterlijke instanties van een andere lidstaat dan die waarin de contractpartijen zijn gevestigd. Zowel de rechtsleer als de nationale rechtspraak van de lidstaten geven hieromtrent uiteenlopende oplossingen.
12
Volgens de verwijzende rechter zijn met name de noodzaak van een eenvormige uitlegging van verordening nr. 1215/2012 en de wil van de Uniewetgever om de contractuele autonomie van de partijen te eerbiedigen weliswaar argumenten voor de toepasselijkheid van deze verordening, maar kan een situatie zoals die in het hoofdgeding desalniettemin als een louter interne situatie worden aangemerkt omdat de enkele wil van de partijen niet volstaat om hun contractuele relatie een internationaal karakter te geven.
13
In die omstandigheden heeft de Nejvyšší soud de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Kan de toepassing van [verordening nr. 1215/2012] vanuit het oogpunt van het bestaan van een grensoverschrijdend aspect, dat een noodzakelijke voorwaarde is voor de toepassing van deze verordening, gegrond worden op de enkele omstandigheid dat twee partijen die zijn gevestigd in dezelfde lidstaat overeenkomen dat een rechterlijke instantie van een andere Unielidstaat bevoegd is?’
Beantwoording van de prejudiciële vraag
14
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 25, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat een forumkeuzebeding waarbij de partijen bij een overeenkomst die woonplaats hebben in dezelfde lidstaat overeenkomen dat de gerechten van een andere lidstaat bevoegd zijn om kennis te nemen van geschillen die uit deze overeenkomst zijn ontstaan, onder deze bepaling valt, zelfs als die overeenkomst geen ander aanknopingspunt met die andere lidstaat heeft.
15
Voor de beantwoording van deze vraag moet er vooraf aan worden herinnerd dat bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening moet worden gehouden met haar bewoordingen, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen en het oogmerk van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arrest van 22 juni 2023, Pankki S, C-579/21, EU:C:2023:501, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
16
Wat de bewoordingen van artikel 25, lid 1 van verordening nr. 1215/2012 betreft, blijkt hieruit eerst en vooral dat indien de partijen, ongeacht hun woonplaats, een gerecht of de gerechten van een lidstaat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, die gerechten bevoegd zijn, tenzij de overeenkomst tot aanwijzing van de bevoegde rechter krachtens het recht van die lidstaat nietig is wat haar materiële geldigheid betreft. Vervolgens geeft deze bepaling aan dat deze bevoegdheid exclusief is, tenzij de partijen anders zijn overeengekomen. Ten slotte bepaalt ditzelfde artikel in de punten a) tot en met c) ervan hoe de overeenkomst tot aanwijzing van de bevoegde rechter moet worden gesloten.
17
In dit verband moet worden vastgesteld dat de bewoordingen van artikel 25, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 er niet aan in de weg staan dat een forumkeuzebeding waarbij de partijen bij een overeenkomst die woonplaats hebben in dezelfde lidstaat overeenkomen dat de gerechten van een andere lidstaat bevoegd zijn om kennis te nemen van geschillen die ontstaan uit deze overeenkomst, onder deze bepaling valt, zelfs als die overeenkomst geen ander aanknopingspunt met die andere lidstaat heeft.
18
Wat de context van artikel van artikel 25, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 betreft, is voor de toepassing van de bevoegdheidsregels van deze verordening volgens vaste rechtspraak een grensoverschrijdend aspect vereist (zie in die zin arresten van 1 maart 2005, Owusu, C-281/02, EU:C:2005:120, punt 25, en 8 september 2022, IRnova, C-399/21, EU:C:2022:648, punten 27 en 29).
19
Dienaangaande dient te worden opgemerkt dat in de overwegingen 3 en 26 van verordening nr. 1215/2012 weliswaar respectievelijk de uitdrukkingen ‘burgerlijke zaken met grensoverschrijdende gevolgen’ en ‘grensoverschrijdende geschillen’ worden gebruikt, maar dat deze verordening geen definitie bevat van het grensoverschrijdende aspect waarvan het bestaan een voorwaarde is voor de toepasselijkheid ervan (zie in die zin arrest van 3 juni 2021, Generalno konsulstvo na Republika Bulgaria, C-280/20, EU:C:2021:443, punt 30).
20
Artikel 3, lid 1, van verordening (EG) nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure (PB 2006, L 399, blz. 1) definieert het overeenkomstige begrip ‘grensoverschrijdende zaak’ als een zaak waarin ten minste één van de partijen haar woonplaats of gewone verblijfplaats heeft in een andere lidstaat dan de lidstaat van het aangezochte gerecht (arrest van 3 juni 2021, Generalno konsulstvo na Republika Bulgaria, C-280/20, EU:C:2021:443, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
21
Aangezien beide verordeningen onder de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken met grensoverschrijdende gevolgen vallen, dient een geharmoniseerde uitlegging te worden gegeven aan de overeenkomstige begrippen die de Uniewetgever in deze verordeningen heeft gebruikt (arrest van 3 juni 2021, Generalno konsulstvo na Republika Bulgaria, C-280/20, EU:C:2021:443, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
22
Er zij tevens op gewezen dat uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat er ook sprake is van een grensoverschrijdend aspect wanneer de situatie van het betrokken geschil de vaststelling van de bevoegdheid van de gerechten in internationaal verband aan de orde kan stellen (zie in die zin arrest van 8 september 2022, IRnova, C-399/21, EU:C:2022:648, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
23
In casu dient ten eerste te worden vastgesteld dat het hoofdgeding onder het in punt 20 van het onderhavige arrest genoemde begrip ‘grensoverschrijdende zaak’ valt, aangezien de partijen in dat geschil gevestigd zijn in een andere lidstaat dan die van het krachtens het betrokken forumkeuzebeding aangezochte gerecht.
24
Ten tweede stelt het hoofdgeding, zoals de Tsjechische regering en de Europese Commissie hebben betoogd, een vraag aan de orde betreffende de vaststelling van de bevoegdheid van de gerechten in internationaal verband, met name de vraag of de rechterlijke instanties van de Tsjechische Republiek dan wel die van de Slowaakse Republiek, de lidstaat waar beide contractpartijen gevestigd zijn, bevoegd zijn om kennis te nemen van dat geschil.
25
In die omstandigheden bevat een juridische situatie zoals in het hoofdgeding een grensoverschrijdend aspect zoals bedoeld in de in punt 18 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, aangezien het feit dat de contractpartijen een forumkeuzebeding hebben opgenomen ten gunste van de gerechten van een andere lidstaat dan die waarin zij gevestigd zijn, op zichzelf aantoont dat het hoofdgeding grensoverschrijdende gevolgen heeft.
26
Artikel 25 van verordening nr. 1215/2012 moet overigens worden uitgelegd in het licht van de in de overwegingen 15, 19 en 22 van deze verordening genoemde doelstellingen van eerbiediging van de autonomie van de partijen en verbetering van de doeltreffendheid van overeenkomsten inzake exclusieve forumkeuze.
27
Wat het doel van verordening nr. 1215/2012 betreft, heeft het Hof bovendien herhaaldelijk geoordeeld dat dit gericht is op het creëren van eenvormigheid van de regels inzake jurisdictiegeschillen in burgerlijke en handelszaken bij wege van bevoegdheidsregels die in hoge mate voorspelbaar zijn, en deze verordening dus een doelstelling van rechtszekerheid nastreeft die de rechtsbescherming van de in de Europese Unie gevestigde personen wil vergroten door te verzekeren dat de eiser gemakkelijk kan bepalen welk gerecht hij kan aanzoeken en de verweerder redelijkerwijs kan voorzien voor welk gerecht hij kan worden opgeroepen (arrest van 14 september 2023 EXTÉRIA, C-393/22, EU:C:2023:675, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In die context verlangt het doel van rechtszekerheid dat de nationale rechter zich gemakkelijk over zijn eigen bevoegdheid kan uitspreken, zonder dat hij de zaak ten gronde hoeft te onderzoeken (arrest van 28 januari 2015, Kolassa, C-375/13, EU:C:2015:37, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
28
In dat opzicht dient te worden opgemerkt dat de uitlegging van artikel 25, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 volgens welke een forumkeuzebeding zoals dit in het hoofdgeding onder de toepassing van deze bepaling valt, beantwoordt aan het doel van rechtszekerheid dat deze verordening nastreeft.
29
Ten eerste is het namelijk zo dat de mogelijkheid voor in eenzelfde lidstaat gevestigde partijen bij een overeenkomst om geldig overeen te komen dat de gerechten van een andere lidstaat bevoegd zullen zijn om kennis te nemen van geschillen die uit deze overeenkomst ontstaan, zonder dat die overeenkomst enig ander aanknopingspunt met die andere lidstaat hoeft te bevatten, ertoe bijdraagt dat de eiser weet welk gerecht hij kan aanzoeken, dat de verweerder kan voorzien voor welk gerecht hij kan worden opgeroepen, en dat de aangezochte rechter zich gemakkelijk over zijn eigen bevoegdheid kan uitspreken.
30
Ten tweede zorgt de toepasselijkheid van artikel 25, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 op een forumkeuzebeding zoals in het hoofdgeding ervoor dat er minder kans is op parallel lopende processen en dat wordt voorkomen dat in verschillende lidstaten onverenigbare beslissingen worden gegeven, zoals het in overweging 21 van deze verordening genoemde oogmerk van een harmonische rechtsbedeling vereist.
31
Indien de bevoegde rechter in de onderhavige zaak niet zou worden aangewezen overeenkomstig de bepalingen van verordening nr. 1215/2012 maar volgens de nationale regels van internationaal privaatrecht van de betrokken lidstaten, dan zou er immers een groter gevaar zijn voor bevoegdheidsconflicten die nadelig zouden zijn voor de rechtszekerheid, aangezien de toepassing van die nationale regels tot uiteenlopende oplossingen kan leiden.
32
Hieraan dient te worden toegevoegd dat het doel van rechtszekerheid ook in gevaar zou komen mocht artikel 25, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 in omstandigheden zoals die van het hoofdgeding slechts toepasbaar zijn op voorwaarde dat er naast het forumkeuzebeding ten gunste van de gerechten van een andere lidstaat nog aanvullende elementen zijn waaruit kan blijken dat het betrokken geschil grensoverschrijdende gevolgen heeft.
33
Aangezien een dergelijke voorwaarde veronderstelt dat de aangezochte rechter moet nagaan of er in de betrokken zaak sprake is van dergelijke aanvullende elementen en dient te beoordelen of deze relevant zijn, zullen de contractpartijen namelijk minder gemakkelijk kunnen bepalen welk gerecht bevoegd is om kennis te nemen van hun geschil, en zal het voor de aangezochte rechter ook moeilijker worden om zijn eigen bevoegdheid na te gaan.
34
Het Hof heeft in dit verband echter reeds geoordeeld dat de keuze van het aangewezen gerecht in een forumkeuzebeding slechts kan worden getoetst aan de vereisten van artikel 25 van verordening nr. 1215/2012, en dat overwegingen betreffende de banden tussen het aangewezen gerecht en de betrokken rechtsbetrekking of de geldigheid van het forumkeuzebeding losstaan van deze vereisten (zie in die zin arrest van 16 maart 1999, Castelletti, C-159/97, EU:C:1999:142, punt 5 van het dictum).
35
Voorts dient te worden onderstreept dat de toepasselijkheid van artikel 25, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 op een forumkeuzebeding zoals dit in het hoofdgeding uitdrukking geeft aan het in overweging 26 van deze verordening beoogde wederzijdse vertrouwen in de rechtsbedeling in de Unie, en aldus bijdraagt tot het handhaven en ontwikkelen van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, en het vergemakkelijken van de toegang tot de rechter, zoals bedoeld in overweging 3 van die verordening.
36
Ten slotte leidt de regel van artikel 1, lid 2, van het Haags Verdrag van 30 juni 2005 inzake bedingen van forumkeuze, dat is opgenomen in bijlage I bij besluit 2009/397/EG van de Raad van 26 februari 2009 betreffende de ondertekening namens de Europese Gemeenschap van het Verdrag inzake bedingen van forumkeuze (PB 2009, L 133, blz. 1), en is goedgekeurd bij besluit 2014/887/EU van de Raad van 4 december 2014 (PB 2014, L 353, blz. 5), niet tot enige andere conclusie. Volgens deze bepaling ‘is een situatie internationaal tenzij de partijen in dezelfde verdragsluitende staat hun verblijfplaats hebben en de betrekkingen tussen de partijen en alle andere voor het geschil ter zake doende elementen, ongeacht de plaats van het aangewezen gerecht, uitsluitend met die staat verbonden zijn’.
37
Dienaangaande dient te worden opgemerkt dat de regel van artikel 1, lid 2, van dit verdrag een keuze weergeeft die de opstellers ervan hebben gemaakt omdat zij een oplossing moesten bieden die internationaal een breed draagvlak zou hebben.
38
Anders dan de opstellers van dat verdrag heeft de Uniewetgever echter de keuze gemaakt om geen soortgelijke regel op te nemen in verordening nr. 1215/2012, maar heeft hij in overweging 3 ervan wel het doel benadrukt om een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te handhaven en te ontwikkelen door maatregelen te nemen op het gebied van de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken met grensoverschrijdende gevolgen.
39
Gelet op alle voorgaande overwegingen dient op de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 25, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat een forumkeuzebeding waarbij de partijen bij een overeenkomst die woonplaats hebben in dezelfde lidstaat overeenkomen dat de gerechten van een andere lidstaat bevoegd zijn om kennis te nemen van geschillen die ontstaan uit deze overeenkomst, onder deze bepaling valt, zelfs als die overeenkomst geen ander aanknopingspunt met die andere lidstaat heeft.
Kosten
40
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
Artikel 25, lid 1, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken
moet aldus worden uitgelegd dat
een forumkeuzebeding waarbij de partijen bij een overeenkomst die woonplaats hebben in dezelfde lidstaat overeenkomen dat de gerechten van een andere lidstaat bevoegd zijn om kennis te nemen van geschillen die ontstaan uit deze overeenkomst, onder deze bepaling valt, zelfs als die overeenkomst geen ander aanknopingspunt met die andere lidstaat heeft.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 08‑02‑2024
Conclusie 12‑10‑2023
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken — Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken — Verordening (EU) nr. 1215/2012 — Werkingssfeer — Artikel 25 — Forumkeuzebeding — Partijen bij een overeenkomst die woonplaats hebben in dezelfde lidstaat en overeenkomen dat de gerechten van een andere lidstaat bevoegd zijn om kennis te nemen van geschillen die uit deze overeenkomst zijn ontstaan — Grensoverschrijdend aspect
J. richard de la tour
Partij(en)
Zaak C-566/221.
Inkreal s. r. o.
tegen
Dúha reality s. r. o.
[verzoek van de Nejvyšší soud (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Tsjechië) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
Het verzoek om een prejudiciële beslissing heeft in wezen betrekking op de uitlegging van artikel 25, lid 1, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken2..
2.
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen twee in dezelfde lidstaat gevestigde vennootschappen over de vaststelling van de rechterlijke instantie die relatief bevoegd is om kennis te nemen van een vordering tot betaling van schulden die voortvloeien uit de niet-nakoming van twee in die lidstaat gesloten leningsovereenkomsten waarin is vastgelegd dat een rechterlijke instantie van een andere lidstaat bevoegd is in geval van een geschil.
3.
De verwijzende rechter heeft de nog niet eerder aan het Hof voorgelegde vraag gesteld of het bestaan van een forumkeuzebeding op zich een grensoverschrijdend aspect is dat volstaat om de toepassing van artikel 25, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 mee te brengen.
4.
Op basis van een analyse van de verschillende argumenten in de rechtsleer en van de argumenten in de rechtspraak van een aantal Europese rechterlijke instanties geef ik het Hof in overweging om deze vraag ontkennend te beantwoorden en te specificeren op welk tijdstip moet worden beoordeeld of aan de voorwaarde dat er sprake is van een internationaal aspect is voldaan.
II. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
5.
Overweging 3 van verordening nr. 1215/2012 luidt:
‘De [Europese] Unie heeft zich ten doel gesteld een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te handhaven en te ontwikkelen en de toegang tot de rechter te vergemakkelijken, onder meer door het beginsel van wederzijdse erkenning van gerechtelijke en buitengerechtelijke beslissingen in burgerlijke zaken. Met het oog op de geleidelijke totstandbrenging van een dergelijke ruimte moet de Unie maatregelen nemen op het gebied van de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken met grensoverschrijdende gevolgen, met name wanneer dit nodig is voor de goede werking van de interne markt.’3.
6.
In artikel 25, lid 1, van die verordening4. is bepaald:
‘Indien de partijen, ongeacht hun woonplaats, een gerecht of de gerechten van een lidstaat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, is dit gerecht of zijn de gerechten van die lidstaat bevoegd, tenzij de overeenkomst krachtens het recht van die lidstaat nietig is wat haar materiële geldigheid betreft. Deze bevoegdheid is exclusief, tenzij de partijen anders zijn overeengekomen. […]’
B. Tsjechisch recht
7.
§ 11, lid 3, van zákon č. 99/1963 Sb., občanský soudní řád (wet nr. 99/1963 inzake het wetboek van burgerlijke rechtsvordering) (hierna: ‘wetboek van burgerlijke rechtsvordering’) luidt als volgt:
‘Wanneer een zaak onder de bevoegdheid van de rechterlijke instanties van de Tsjechische Republiek valt maar niet is voldaan aan de voorwaarden omtrent relatieve bevoegdheid of niet kan worden vastgesteld of hieraan is voldaan, wijst de Nejvyšší soud [(hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Tsjechië)] de rechterlijke instantie aan die bevoegd is om de zaak te behandelen en het geding te beslechten.’
III. Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vraag
8.
FD, die in Slowakije woont, als kredietgever, en Dúha reality s. r. o., een vennootschap die woonplaats heeft in Slowakije5., als kredietneemster, hebben twee leningsovereenkomsten gesloten, de eerste op 29 juni 2016 en de tweede op 11 maart 2017.
9.
Krachtens een overeenkomst tot cessie van schuldvorderingen van 8 december 2021 heeft FD zijn vorderingen uit hoofde van deze leningsovereenkomsten overgedragen aan Inkreal, een vennootschap die woonplaats heeft in Slowakije.
10.
In elk van beide overeenkomsten zijn de partijen het volgende overeengekomen: ‘Onduidelijkheden of litigieuze kwesties die voortvloeien uit en verband houden met deze overeenkomst, worden in eerste instantie door middel van onderhandeling beslecht met het doel tot een voor beide contractpartijen aanvaardbare oplossing te komen. Indien de contractpartijen niet tot een oplossing komen, wordt dit geschil beslecht in een procedure voor de Tsjechische rechterlijke instantie die volgens de toepasselijke versie van het [wetboek van burgerlijke rechtsvordering] absoluut en relatief bevoegd is.’
11.
Aangezien Dúha reality de leningen niet had afgelost, heeft Inkreal zich op 30 december 2021 krachtens dat beding tot de Nejvyšší soud gewend. Volgens Inkreal zijn de Tsjechische rechtbanken op grond van dat beding bevoegd om kennis te nemen van geschillen die uit de leningsovereenkomsten voortvloeien. De vorderingen van Inkreal strekken ten eerste tot betaling van primair haar schuldvorderingen en ten tweede tot vaststelling van de Tsjechische rechterlijke instantie die uit hoofde van § 11, lid 3, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering relatief bevoegd is om het geschil te beslechten.
12.
Tot staving van de laatstgenoemde vordering betoogt Inkreal dat zij overeenkomstig artikel 25, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 handelt op grond van een forumkeuzebeding dat van toepassing is op een privaatrechtelijke rechtsbetrekking met een grensoverschrijdend aspect, aangezien er op grond van die verordening geen andere rechterlijke instantie een bijzondere of exclusieve bevoegdheid heeft.
13.
Gelet op de rechtspraak van het Hof6. betwijfelt de verwijzende rechter of verordening nr. 1215/2012, en bijgevolg ook artikel 25, lid 1, ervan, van toepassing is in een situatie waarin het enige als internationaal te beschouwen aspect het feit is dat de contractpartijen, die woonplaats hebben in dezelfde lidstaat, overeenkomen dat de rechterlijke instanties van een andere lidstaat bevoegd zijn.
14.
De belangrijkste argumenten die ervoor pleiten dat deze verordening van toepassing is, worden met name ontleend aan de nadruk op de contractuele autonomie van de partijen, de uniforme uitlegging en de geharmoniseerde toepassing van artikel 25 van die verordening en de onlogische of onredelijke gevolgen die ontstaan indien deze bepaling geen toepassing kan vinden.
15.
De conclusie dat die verordening juist niet van toepassing is, zou daarentegen worden ingegeven door het ontbreken van een grensoverschrijdend aspect, hetgeen tot gevolg heeft dat er sprake is van een zuiver nationale zaak. Die conclusie berust met name op de gedachte dat de enkele wil van de partijen om een rechterlijke instantie van een andere lidstaat als het bevoegde gerecht aan te wijzen, niet tot een ‘internationalisering’ van de betreffende situatie kan leiden.
16.
In die omstandigheden heeft de Nejvyšší soud, gelet op de uiteenlopende standpunten in de rechtsleer en de verschillen in de rechtspraak van een aantal hoogste rechterlijke instanties van andere lidstaten, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Kan de toepassing van [verordening nr. 1215/2012] vanuit het oogpunt van het bestaan van een grensoverschrijdend aspect, dat een noodzakelijke voorwaarde is voor de toepassing van deze verordening, gegrond worden op de enkele omstandigheid dat twee partijen die zijn gevestigd in dezelfde lidstaat overeenkomen dat een rechterlijke instantie van een andere Unielidstaat bevoegd is?’
17.
Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door Dúha reality, de Tsjechische en de Zwitserse regering en de Europese Commissie.
IV. Analyse
A. Opmerkingen vooraf
18.
In de eerste plaats moet erop worden gewezen dat de bepalingen inzake het door partijen aangewezen bevoegde gerecht van artikel 25 van verordening nr. 1215/2012 gedeeltelijk overeenkomen met de bepalingen van eerdere rechtsinstrumenten7.. Volgens vaste rechtspraak van het Hof geldt de uitlegging die het aan een van die instrumenten heeft gegeven, bijgevolg ook voor de andere instrumenten.8.
19.
Aangezien het geschil in het hoofdgeding betrekking heeft op een cessie van schuldvorderingen, lijkt het mij in de tweede plaats zinvol erop te wijzen dat het Hof eraan heeft herinnerd dat artikel 25, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 in het midden laat of een forumkeuzebeding buiten de kring van partijen bij een overeenkomst kan worden gecedeerd aan een derde, die partij is bij een latere overeenkomst en in alle of een deel van de rechten en verplichtingen van een van de partijen bij de oorspronkelijke overeenkomst treedt9.. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat enkel wanneer de derde overeenkomstig het ten gronde toepasselijke nationale recht in alle rechten en verplichtingen van de oorspronkelijke contractpartij is getreden, een forumkeuzebeding waarmee die derde niet heeft ingestemd hem niettemin kan binden10.. In casu volgt uit de door de verwijzende rechter uiteengezette procedure dat Inkreal, een derde bij de overeenkomsten die het forumkeuzebeding bevat, zich door dit beding gebonden acht.
B. Ten gronde
20.
Met zijn verzoek om een prejudiciële beslissing wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 25 van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat het in een zuiver nationale situatie van toepassing is vanwege het enkele feit dat de partijen, die in dezelfde lidstaat woonplaats hebben, een gerecht of gerechten van een andere lidstaat hebben aangewezen om kennis te nemen van geschillen die tussen hen zijn ontstaan of zullen ontstaan.
21.
Deze rechter heeft op goede gronden de twee tegengestelde opvattingen uiteengezet die in de rechtsleer zijn aangevoerd en door de gerechten van de lidstaten zijn overgenomen en die voortvloeien uit het feit dat artikel 25, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 geen voorwaarde met betrekking tot een grensoverschrijdend aspect bevat. Dat was voorheen ook niet het geval bij de artikelen die, wat forumkeuzebedingen betreft, na de inwerkingtreding van het Executieverdrag11., waarvoor verordening nr. 44/200112. in de plaats is gekomen, van toepassing waren.
22.
Aan de formulering van deze bepalingen kan namelijk geen enkel argument worden ontleend. Er kan alleen worden opgemerkt dat artikel 25, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 geen voorwaarde bevat dat ten minste één van de partijen woonplaats in een lidstaat heeft om een gerecht of gerechten van een lidstaat te kunnen aanwijzen. Verder is het zo dat een forumkeuzebeding zich enkel uitstrekt tot geschillen die zijn ontstaan in de rechtsbetrekking naar aanleiding waarvan het is overeengekomen.13.
23.
Voor de aanwijzing van een rechterlijke instantie van een lidstaat als bevoegd gerecht hoeft de keuze van de partijen derhalve aan geen enkel ander vereiste te voldoen dan met name het bestaan van een band tussen het aangewezen gerecht en het geschil.14. Het is voldoende dat het beding de objectieve elementen bevat op basis waarvan de partijen overeenstemming hebben bereikt over de keuze van het gerecht of de gerechten waaraan zij de ontstane of de toekomstige geschillen willen voorleggen. Die elementen moeten voldoende nauwkeurig zijn om de aangezochte rechter in staat te stellen te bepalen of hij bevoegd is.15.
24.
Deze soepelheid berust sinds het Executieverdrag op de beslissing om ten volle uitvoering te geven aan de partijautonomie16. op het gebied van de toekenning van bevoegdheid, maar vormt mijns inziens geen uitzondering op de toepassingsvoorwaarden van verordening nr. 1215/2012, waaronder het vereiste van een grensoverschrijdend aspect17..
25.
In dit verband kan er om te beginnen worden benadrukt dat verordening nr. 1215/2012, anders dan bepaalde andere verordeningen18., maar net als de meeste verordeningen die betrekking hebben op samenwerking op het gebied van familierecht, levensonderhoud of insolventie, geen enkele bepaling bevat over het internationale aspect van de betrokken situatie, terwijl die verordening alleen toepassing kan vinden indien er daar sprake van is19..
26.
In deze context heeft het Hof voorts verduidelijkt dat ‘voor de toepassing van de bevoegdheidsregels van het Executieverdrag een extraneïteitselement [is] vereist’20.. Dit beginsel is in verschillende andere arresten bevestigd met betrekking tot de verordeningen nr. 44/200121. en nr. 1215/201222..
27.
Ten slotte is een dergelijke uitlegging geboden gezien de rechtsgrondslagen van verordening nr. 1215/201223., ook al heeft de bij deze verordening aangebrachte herschikking van verordening nr. 44/2001 tot doel om het verkeer en de erkenning van beslissingen in de Europese rechtsruimte te bevorderen zonder dat er sprake is van beperkingen doordat een geschil internationaal is24., en, waar het gaat om overeenkomsten tot aanwijzing van een bevoegd gerecht, om ervoor te zorgen dat dergelijke overeenkomsten universeel worden toegepast, hetgeen nieuw is25..
28.
In lid 1, eerste volzin, van artikel 81 VWEU, dat de rechtsgrondslag van verordening nr. 1215/2012 vormt, is namelijk bepaald dat ‘[d]e Unie […] een justitiële samenwerking in burgerlijke zaken met grensoverschrijdende gevolgen [ontwikkelt], die berust op het beginsel van wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen en van beslissingen in buitengerechtelijke zaken’.26.
29.
Aangezien met deze verordening wordt beoogd om de regels inzake jurisdictiegeschillen op één lijn te brengen, en niet om de verordening in de plaats te stellen van de nationale regels van de lidstaten inzake nationale geschillen, is de verordening en dus artikel 25 ervan toepasselijk wanneer de betrokken situatie binnen de grenzen van het Unierecht een internationaal aspect heeft.27.
30.
Welke criteria moeten tegen deze achtergrond worden gehanteerd?
31.
Ik ben om vijf hoofdredenen voorstander van de opvatting die door diverse rechtsgeleerden in de Duitstalige28., Engelstalige29. en Franstalige30. literatuur is uiteengezet en die door de hoogste rechterlijke instanties van een aantal lidstaten31. is overgenomen, volgens welke een situatie die in een geschil aan de orde is, niet louter omdat partijen dat willen, een internationaal aspect kan hebben.
32.
In de eerste plaats zou het, indien ervan wordt uitgegaan dat een bepaling van verordening nr. 1215/2012 alleen mag worden ingeroepen wanneer een zaak een internationaal aspect heeft, niet logisch zijn om te aanvaarden dat in een zuiver nationale situatie door de enkele wil van de partijen a priori aan deze voorwaarde is voldaan. Met andere woorden, volgens een dergelijke uitlegging zou niet op basis van objectieve criteria te hoeven worden vastgesteld dat de voorwaarde met betrekking tot het internationale aspect is vervuld.32.
33.
In de tweede plaats is het in een grensoverschrijdende situatie, waarvoor per definitie de bijzondere bevoegdheidsregels van verordening nr. 1215/2012 gelden, zo dat de in artikel 25 van die verordening bedoelde aanwijzing door partijen van het bevoegde gerecht is opgevat als een middel waarmee de partijen er in onderlinge overeenstemming voor kunnen kiezen om van deze dwingende regels af te wijken.33. In een nationale situatie zou een dergelijke aanwijzing van het bevoegde gerecht dan tot doel of tot gevolg hebben dat wordt afgeweken van nationale regels inzake bevoegdheid en forumkeuze.34. Deze verordening is weliswaar vastgesteld in een context van versterking van het wederzijdse vertrouwen en uniformisering van de collisieregels35., maar zij mag niet tot gevolg hebben dat het onderscheid tussen nationale bevoegdheidsregels en onder het Unierecht vallende internationale bevoegdheidsregels komt weg te vallen36..
34.
Vier tekstuele of teleologische argumenten waarin het tegendeel wordt aangevoerd en die aan artikel 25 van verordening nr. 1215/2012 zijn ontleend, moeten mijns inziens dan ook worden afgewezen. Ten eerste kan, gelet op de voorwaarden voor de toepasselijkheid van deze verordening37., uit het feit dat een forumkeuzebeding kan worden overeengekomen zonder dat er vanwege de woonplaats van een van de partijen een band met een lidstaat bestaat38., niet worden afgeleid dat het enige door de Uniewetgever vereiste grensoverschrijdende aspect de keuze voor een gerecht van een lidstaat is.
35.
Ten tweede plaats kan de autonomie van de partijen, die traditioneel de regel voor aanwijzing van het bevoegde gerecht in geval van forumkeuze rechtvaardigt, evenmin zo ruim worden ingeroepen dat partijen de werkingssfeer van deze verordening, die alleen internationale en geen zuiver nationale situaties omvat, in twijfel kunnen trekken.
36.
Ten derde is de in artikel 25 van verordening nr. 1215/2012 opgenomen verduidelijking van het recht dat van toepassing is op de materiële geldigheid van het forumkeuzebeding weliswaar van groot belang, maar kan deze verduidelijking de toepasselijkheid van dit artikel niet rechtvaardigen39., omdat de uitlegging dan op de uitkomst van de toepassing ervan wordt gebaseerd.
37.
Ten vierde kan weliswaar niet worden ontkend dat de Uniewetgever, toen hij bij verordening nr. 1215/2012 een wijziging doorvoerde in artikel 23 van verordening nr. 44/2001, voor ogen had om het gebruik van forumkeuzebedingen40. en de doeltreffendheid ervan te versterken met als doel de rechtszekerheid van de partijen te waarborgen41., maar kan dat niet rechtvaardigen dat partijen zonder enige beperking of zonder aanknopingspunt van nationale bevoegdheidsregels kunnen afwijken42.. In dit verband benadruk ik dat de verwijzende rechter, hoewel de situatie in het hoofdgeding samenhang kan vertonen met bankgeschillen43., uitdrukkelijk heeft aangegeven dat de keuze voor een gerecht van een andere lidstaat het enige grensoverschrijdende aspect van deze zaak vormt44..
38.
Wat in de derde plaats de rechtspraak van het Hof betreft volgens welke het grensoverschrijdende aspect kan voortvloeien uit het voorwerp van het geschil wanneer de betrokken situatie vragen kan doen rijzen over de vaststelling van de bevoegdheid van de gerechten in internationaal verband45., deel ik noch het standpunt van de Tsjechische regering noch dat van de Commissie over de gevolgen die zij daaraan verbinden. Die rechtspraak is namelijk gebaseerd op objectieve criteria (bijvoorbeeld een situatie waarin de litigieuze feiten in een derde staat hebben plaatsgevonden46. of de verweerder een vreemde nationaliteit en geen bekende vaste woonplaats heeft47.), waarbij ook de plaats van uitvoering van de verbintenis in aanmerking zou kunnen worden genomen48..
39.
Hieruit kan dus niet worden afgeleid dat deze rechtspraak, op de enkele grond dat de procedure in het hoofdgeding ertoe strekt vast te stellen welk gerecht bevoegd is gelet op de keuze voor een gerecht van een andere lidstaat dan die waar partijen woonplaats hebben, op die procedure van toepassing is. Mijns inziens moet de verwijzende rechter met het bij hem ingediende verzoek nagaan of artikel 25 van verordening nr. 1215/2012 van toepassing is. Met andere woorden, om zich uit te spreken over zijn internationale bevoegdheid, staat het aan de verwijzende rechter om te beoordelen of de betrokken situatie een internationaal aspect heeft, en niet om de rechtmatigheid van het betrokken beding te toetsen aan met name de beschermende bevoegdheidsregels van verordening nr. 1215/201249..
40.
Wat in de vierde plaats de vergelijking met andere rechtsinstrumenten betreft, deel ik ten eerste de mening van sommige auteurs dat artikel 3, lid 3, van de Rome I-verordening50., dat betrekking heeft op de keuze van het recht dat in een nationale situatie geldt, niet als leidraad mag dienen voor de uitlegging van artikel 25 van verordening nr. 1215/201251..
41.
Volgens artikel 1, lid 1, van de Rome I-verordening is het criterium namelijk een situatie ‘waarin uit het recht van verschillende landen moet worden gekozen’52., maar die op zich niet internationaal hoeft te zijn, zoals uit het voorwerp van artikel 3, lid 3, van die verordening53. blijkt. Voorts verandert er door deze bepaling niets in de aard van zuiver nationale situaties waarin voor het recht van een andere lidstaat is gekozen, aangezien de dwingende nationale bepalingen op die situaties van toepassing blijven. Artikel 25 van verordening nr. 1215/2012 garandeert echter geen specifiek forum. Samenvattend moet in nationale situaties onderscheid worden gemaakt tussen de Rome I-verordening, die betrekking heeft op een door partijen gewenste keuze uit het recht van verschillende landen en de daarmee samenhangende geschillen, en verordening nr. 1215/2012, die vanwege de toepassingsvoorwaarden ervan geen betrekking heeft op jurisdictiegeschillen die uit de rechtskeuze van partijen voortvloeien.
42.
Ten tweede schaar ik mij achter de mening dat het Hof bij zijn uitlegging rekening moet houden met de keuzes die zijn gemaakt in het Haags Verdrag van 30 juni 2005 inzake bedingen van forumkeuze54.. Gezien de wisselwerking tussen dit verdrag en verordening nr. 1215/2012, waarop in de overwegingen 4 en 5 van besluit 2014/887 wordt gewezen, moet een oplossing worden gekozen die aansluit op de regel van artikel 1, lid 2, van dat verdrag, volgens welke ‘een situatie internationaal [is] tenzij de partijen in dezelfde verdragsluitende staat hun verblijfplaats hebben en de betrekkingen tussen de partijen en alle andere voor het geschil ter zake doende elementen, ongeacht de plaats van het aangewezen gerecht, uitsluitend met die staat verbonden zijn’55..
43.
In de vijfde plaats kan een situatie in deze omstandigheden op basis van verschillende aspecten internationaal zijn56. en staat het daarom aan de aangezochte rechter om deze aspecten in elk concreet geval soepel of in ruime zin te beoordelen57..
44.
Op basis van al deze argumenten geef ik het Hof in overweging de verwijzende rechter te antwoorden dat artikel 25 van verordening nr. 1215/2012 alleen van toepassing is indien een zaak een grensoverschrijdend aspect heeft, aan welke voorwaarde niet is voldaan door de enkele keuze voor een gerecht van een lidstaat.
45.
Gelet op de gevolgen van die uitlegging in de praktijk moet in de motivering van de beslissing van het Hof mijns inziens tevens worden verduidelijkt op welk tijdstip moet worden beoordeeld of er sprake is van een internationale situatie58., zodat de doelstelling om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven, volledig wordt waargemaakt59..
46.
Het internationale aspect van een situatie kan in de loop van de tijd immers veranderen. Hier denk ik aan het geval waarin een situatie tijdens het geschil internationaal wordt.60. Ik stel vast dat verordening nr. 1215/2012 op dit punt evenmin duidelijkheid biedt61. en de analyses in de rechtsleer en de beslissingen van rechterlijke instanties van de lidstaten als gevolg daarvan uiteenlopen62..
47.
Ik heb opgemerkt dat de meeste auteurs ervoor pleiten dat de rechter de situatie beoordeelt zoals zij zich voordeed op het tijdstip waarop het forumkeuzebeding is overeengekomen63., en niet op het tijdstip waarop het door de partijen aangewezen gerecht is aangezocht64.. De argumenten inzake het contractuele karakter van de vaststelling van de bevoegdheid65. en de rechtszekerheid66. zijn naar mijn mening overtuigend, in tegenstelling tot het argument dat is ontleend aan de voorzienbaarheid67.. Ook heb ik kunnen vaststellen dat de rechtspraak van de lidstaten verdeeld is.68.
48.
Het criterium waarbij wordt onderzocht of een zaak op het tijdstip waarop de rechter werd aangezocht, een internationaal aspect had, sluit ik namelijk uit omdat het in mijn ogen niet aan de vereisten van rechtszekerheid voldoet en het risico van forum shopping vergroot, terwijl de betrokken situatie aanvankelijk zuiver nationaal was.69.
49.
Gelet op de procedurele aard van het beding, te weten de keuze voor een rechter in het kader van een Europese verordening en de doelstellingen van die verordening, is volgens mij echter een andere oplossing denkbaar.70. Zo zou kunnen worden aanvaard dat de partijen, in een nationale situatie die internationaal zou kunnen worden71., bij het sluiten van hun overeenkomst een gerecht van een lidstaat aanwijzen in voldoende nauwkeurige bewoordingen waaruit hun bedoeling blijkt72. en volgens welke alleen nationale gerechten bevoegd zijn wanneer er twijfel rijst over de vraag of er sprake is van een internationale situatie. Alleen zo wordt de rechtszekerheid mijns inziens gewaarborgd.73. Het zou dan aan de aangewezen rechter staan om op het moment dat de zaak bij hem aanhangig wordt gemaakt te beoordelen of de situatie die de partijen hadden voorzien, zich daadwerkelijk heeft voorgedaan.
V. Conclusie
50.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag van de Nejvyšší soud te beantwoorden als volgt:
‘Artikel 25 van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken
moet aldus worden uitgelegd dat
het in een zuiver nationale situatie niet vanwege het enkele feit dat de partijen, die in dezelfde lidstaat woonplaats hebben, een gerecht of gerechten van een andere lidstaat hebben aangewezen om kennis te nemen van geschillen die tussen hen zijn ontstaan of zullen ontstaan, toepassing kan vinden.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 12‑10‑2023
Oorspronkelijke taal: Frans.
PB 2012, L 351, blz. 1.
Cursivering van mij.
Zie de voetnoten 7, 11 en 12 van deze conclusie voor een overzicht van de bepalingen die aan dit artikel zijn voorafgegaan.
De verwijzende rechter verwijst naar de arresten van 1 maart 2005, Owusu (C-281/02, EU:C:2005:120, punten 25 en 26), en 7 mei 2020, Parking en Interplastics (C-267/19 en C-323/19, EU:C:2020:351, punten 30–35).
Zie artikel 17 van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32), ondertekend te Brussel op 27 september 1968, zoals gewijzigd bij de opeenvolgende verdragen inzake de toetreding van de nieuwe lidstaten tot dat verdrag (PB 1998, C 27, blz. 1) (hierna: ‘Executieverdrag’), en artikel 23 van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1).
Zie arrest van 24 november 2022, Tilman [C-358/21, EU:C:2022:923, punt 34, dat eveneens betrekking heeft op de consistentie van de gegeven uitlegging met die van de eensluidende bepalingen van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, dat op 30 oktober 2007 is ondertekend en waarvan de sluiting namens de Europese Gemeenschap is goedgekeurd bij besluit 2009/430/EG van de Raad van 27 november 2008 (PB 2009, L 147, blz. 1) (hierna: ‘Lugano II-Verdrag’)].
Zie met name arrest van 18 november 2020, DelayFix (C-519/19, EU:C:2020:933, punt 40).
Zie arrest van 18 november 2020, DelayFix (C-519/19, EU:C:2020:933, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie artikel 17, eerste alinea, eerste volzin, van het Executieverdrag, in de versie zoals gewijzigd bij artikel 11 van het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot dit Verdrag (PB 1978, L 304, blz. 1) en bij artikel 7 van het Verdrag van 26 mei 1989 inzake de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek tot dit Verdrag (PB 1989, L 285, blz. 1), dat als volgt luidt: ‘Wanneer de partijen, van wie er ten minste één woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende staat, een gerecht of de gerechten van een verdragsluitende staat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen welke naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, is dit gerecht of zijn de gerechten van die staat bij uitsluiting bevoegd.’
Zie artikel 23, lid 1, van die verordening, dat het volgende bepaalt: ‘Wanneer de partijen van wie er ten minste één woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, een gerecht of de gerechten van een lidstaat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, is dit gerecht of zijn de gerechten van die lidstaat bevoegd. Deze bevoegdheid is exclusief, tenzij de partijen anders zijn overeengekomen. […]’
Zie arresten van 21 mei 2015, CDC Hydrogen Peroxide (C-352/13, EU:C:2015:335, punt 68 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 8 maart 2018, Saey Home & Garden (C-64/17, EU:C:2018:173, punt 30).
Zie arresten van 17 januari 1980, Zelger (56/79, EU:C:1980:15, punt 4), en 16 maart 1999, Castelletti (C-159/97, EU:C:1999:142, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie evenwel dezelfde algemene regel die in de overwegingen 8 en 13 van respectievelijk de verordeningen nr. 44/2001 en nr. 1215/2012 wordt uiteengezet. Zie ter vergelijking artikel 5 van verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring (PB 2012, L 201, blz. 107). Zie in dezelfde zin artikel 7 van verordening (EU) 2016/1103 van de Raad van 24 juni 2016 tot uitvoering van de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van huwelijksvermogensstelsels (PB 2016, L 183, blz. 1).
Zie arresten van 9 november 2000, Coreck (C-387/98, EU:C:2000:606, punt 15), en 7 juli 2016, Hőszig (C-222/15, EU:C:2016:525, punt 43).
Zie de overwegingen 14 en 15 van verordening nr. 1215/2012 en arresten van 7 juli 2016, Hőszig (C-222/15, EU:C:2016:525, punt 44), en 18 november 2020, DelayFix (C-519/19, EU:C:2020:933, punt 38).
Zie ook, ter herinnering aan het feit dat het geschil onder burgerlijke en handelszaken in de zin van verordening nr. 1215/2012 moet vallen, Nourissat, C., ‘L'avenir des clauses attributives de juridiction d'après le règlement ‘Bruxelles I bis’’, Mélanges en l'honneur du professeur Bernard Audit: les relations privées internationales, Librairie générale de droit et de jurisprudence, Issy-les-Moulineaux, 2014, blz. 567–579, met name blz. 570.
Zie artikel 3, lid 1, van verordening (EG) nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure (PB 2006, L 399, blz. 1) en verordening (EG) nr. 861/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen (PB 2007, L 199, blz. 1). Zie voor verordening nr. 1896/2006 arrest van 7 mei 2020, Parking en Interplastics (C-267/19 en C-323/19, EU:C:2020:351, punt 33). Zie ter vergelijking verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) (PB 2008, L 177, blz. 6) (hierna: ‘Rome I-verordening’); verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (‘Rome II’) (PB 2007, L 199, blz. 40) (hierna: ‘Rome II-verordening’) en verordening (EU) nr. 1259/2010 van de Raad van 20 december 2010 tot nauwere samenwerking op het gebied van het toepasselijke recht inzake echtscheiding en scheiding van tafel en bed (PB 2010, L 343, blz. 10) (hierna: ‘Rome III-verordening’). Volgens artikel 1, lid 1, van de Rome I-verordening is zij van toepassing in gevallen waarin ‘uit het recht [Rome II: tussen de rechtsstelsels] van verschillende landen moet worden gekozen’ (en volgens artikel 1, lid 1, van de Rome III-verordening ‘in gevallen van een wetsconflict’). In de Duitse versie van deze bepalingen wordt het begrip ‘Verbindung zum Recht verschiedener Staaten’ gebruikt, dat wil zeggen de band met het recht van verschillende staten.
Zie arrest van 7 mei 2020, Parking en Interplastics (C-267/19 en C-323/19, EU:C:2020:351, punt 35).
Zie arrest van 1 maart 2005, Owusu (C-281/02, EU:C:2005:120, punt 25).
Zie arrest van 17 november 2011, Hypoteční banka (C-327/10, EU:C:2011:745, punt 29).
Zie arresten van 25 februari 2021, Markt24 (C-804/19, EU:C:2021:134, punt 32), en 8 september 2022, IRnova (C-399/21, EU:C:2022:648, punt 27).
Zie voor de doelstellingen van die verordening artikel 3, lid 2, VEU en artikel 67 VWEU.
In overweging 26 van verordening nr. 1215/2012 staat te lezen dat ‘een beslissing die door de gerechten van een lidstaat is gegeven, op dezelfde manier [moet] worden behandeld als een beslissing die in de aangezochte lidstaat is gegeven’.
Zie punt 22 van deze conclusie.
Cursivering van mij. Zie ook de overwegingen 3 en 5 van verordening nr. 1215/2012.
Zie Audit, B., en d'Avout, L., Droit international privé, 9e druk, Librairie générale de droit et de jurisprudence, Parijs, 2022, punt 625 (blz. 539 en 540) en punt 628 (blz. 544). Zie ook Gaudemet-Tallon, H., en Ancel, M.-E., Compétence et exécution des jugements en Europe, Règlements 44/2001 et 1215/2012, Conventions de Bruxelles (1968) et de Lugano (1998 et 2007), 6e druk, Librairie générale de droit et de jurisprudence, collection ‘Droit des affaires’, Parijs, 2018, punt 82 (blz. 117) en punt 141 (blz. 189). Zie met betrekking tot de noodzaak om deze voorwaarde te verduidelijken het onderzoek dat Milieu SRL voor de Commissie heeft verricht, met als titel ‘Study to support the preparation of a report on the application of Regulation (EU) no 1215/2012 on jurisdiction and the recognition and enforcement of judgments in civil and commercial matters (Brussels Ia Regulation)’ (hierna: ‘onderzoek voor de Commissie’), januari 2023, blz. 14, blz. 54–59 alsook blz. 263 en 264. Zie in aanvulling daarop de publicatie ‘Regulation Brussels Ia: a standard for free circulation of judgments and mutual trust in the European Union’ van 31 juli 2022. Dit is een uitvoerige analyse van de nationale praktijken in alle huidige lidstaten en in het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot de toepassing van artikel 25 van verordening nr. 1215/2012, die het Internationaal Juridisch Instituut in het kader van het door de Commissie gefinancierde JUDGTRUST-project heeft verricht op basis van dezelfde vragen als die van het onderzoek voor de Commissie (vragen 41–49), blz. 34–38 en blz. 163–176.
Zie Mankowski, P., ‘Artikel 25 Brüssel Ia-VO’, in Rauscher, T., en Leible, S., Europäisches Zivilprozess- und Kollisionsrecht: EuZPR/EuIPR: Kommentar. Band I, Brüssel Ia-Verordnung, 5e druk, Otto Schmidt, Keulen, 2021, met name de punten 32 en 35; Hausmann, R., ‘Gerichtsstands- und Schiedsvereinbarungen’, in Reithmann, C., en Martiny, D., Internationales Vertragsrecht, 9e druk, Otto Schmidt, Keulen, 2022, punten 7.19 e.v., en Dörner, H., ‘Artikel 25 [Zulässigkeit und Form von Gerichtsstandsvereinbarungen]’, in Saenger, I., Zivilprozessordnung: Familienverfahren, Gerichtsverfassung, Europäisches Verfahrensrecht: Handkommentar, 9e druk, Nomos, Baden-Baden, 2021, met name punt 6. Zie voor de tegenovergestelde opvatting Staudinger, H., ‘Gerichtsstands- und Schiedsvereinbarungen’, Internationale Zuständigkeit für Vertragsklagen; Gerichtsstands- und Schiedsvereinbarungen, De Gruyter, Berlijn, 2011, punt 241; Geimer, R., ‘Artikel 25 EuGVVO’, Zöller, R., Zivilprozessordnung, 33e druk, Otto Schmidt, Keulen, 2020, punt 3.
Zie Brosch, M., en Kahl, L.-M., ‘Article 25’, in Requejo Isidro, M., Brussels I bis: A Commentary on Regulation (EU) n o 1215/2012, Edward Elgar Publishing, Cheltenham, 2022, blz. 344–374, met name punt 25.03, en, in tegengestelde zin, Magnus, U., ‘Article 25’, in Magnus, U., en Mankowski, P., European Commentaries on Private International Law, Brussels Ibis Regulation, 2e druk, Otto Schmidt, Keulen, 2023, blz. 579–642, met name punt 25 (blz. 599).
Zie het rapport van Schlosser over het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, alsmede tot het Protocol betreffende de uitlegging daarvan door het Hof van Justitie (PB 1979, C 59, blz. 71), punt 174; Gothot, P., en Holleaux, D., La Convention de Bruxelles du 27 septembre 1968: compétence judiciaire et effets des jugements dans la CEE, Jupiter, Parijs, 1985, punt 167 (blz. 99); Gaudemet-Tallon, H., en Ancel, M.-E., op. cit., punt 141 (blz. 189); bij uitbreiding, Sindres, D., ‘Compétence judiciaire, Reconnaissance et Exécution des décisions en matière civile et Commerciale. — Compétence. — Règles ordinaires de compétence. — Dispositions générales. — Article 4 du règlement (UE) no 1215/2012’, JurisClasseur Droit international, LexisNexis, Parijs, 2 november 2021, deel 584-125, punt 27; Audit, B., en d'Avout, L., op. cit., punt 675 (blz. 587 en 588). Zie in tegengestelde zin het rapport van P. Jenard over het Executieverdrag (PB 1979, C 59, blz. 1), blz. 38; Droz, G., Compétence judiciaire et effets des jugements dans le Marché commun (Étude de la Convention de Bruxelles du 27 septembre 1968), Dalloz, Parijs, 1972, punt 207 (blz. 129 en 130); Beraudo, J.-P., en Beraudo, M.-J., ‘Convention de Bruxelles / Conventions de Lugano. Règlement (CE) no 44/2001 / Règlement (UE) no 1215/2012. — Généralités et champs d'application’, JurisClasseur procédure civile, LexisNexis, Parijs, 24 maart 2023, deel 2100-15, punt 46.
Voor zover ik weet, blijkt met name uit de volgende beslissingen dat een situatie op basis van verschillende elementen als internationaal kan worden aangemerkt: in Duitsland, in het kader van het op 16 september 1988 te Lugano gesloten Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1988, L 319, blz. 9), arrest van het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) van 23 juli 1998 (II ZR 286/97); in Frankrijk, arresten van de Cour de cassation (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Frankrijk), eerste civiele kamer, van 4 oktober 2005 (nr. 02–12.959) en 30 september 2020 (nr. 19-15.626); in Italië, arresten van de Corte suprema di cassazione (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Italië), verenigde kamers, van 30 december 1998 (nr. 12907); 14 februari 2011 (nr. 3568, punt 5.2), en 10 mei 2019 (nr. 12585, punt 5), alsook in Portugal, arresten van de Supremo Tribunal de Justiça (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Portugal) van 26 januari 2016 (540/14.4TVLSB.S1) en 4 februari 2016 (536/14.6TVLSB.L1.S1). In tegengestelde zin zijn de volgende beslissingen gegeven: in Oostenrijk, beschikkingen van het Oberste Gerichtshof (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Oostenrijk) van 5 juni 2007 (10 Ob 40/07s) en 29 juni 2020 (2 Ob 104/19m, punt 2), en in Nederland, arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 oktober 2015 (200.157.017/01, punten 3.10 en 3.12) en beslissing van de rechtbank Rotterdam van 1 april 2016 (4080627 CV EXPL 15-3441, punt 3.4). Zie evenwel de afwijkende beslissing van de rechtbank Amsterdam van 11 april 2019 (7342297 CV EXPL 18-25262, punten 9–11). De Hoge Raad der Nederlanden heeft hierover geen uitspraak gedaan.
Zie in dit verband Stark, L., L'internationalité en droit international privé, op 28 november 2020 verdedigd proefschrift, blz. 27 en 28.
Zie arresten van 24 juni 1986, Anterist (22/85, EU:C:1986:255, punt 13), en 8 maart 2018, Saey Home & Garden (C-64/17, EU:C:2018:173, punt 24).
Zie dienaangaande Stark, L., op. cit., blz 261, alsook in die zin Sindres, D., op. cit., punt 27.
Zie in dit verband Mailhé, F., ‘Convention attributive de juridiction’, Espace judiciaire civil européen, Arrêts de la CJUE et commentaires, Bruylant, Brussel, 2020, blz. 476–480, met name punt 571 (blz. 478), waarin wordt gesteld dat ‘de gerechten van de lidstaten nog steeds alleen ‘uitwisselbaar’ zijn in rechtsbetrekkingen die vanwege grensoverschrijdende aspecten als zodanig al niet meer onder de uitsluitende bevoegdheid van de gerechten van een lidstaat vallen’.
Zie punt 29 van deze conclusie.
Zie Magnus, U., op. cit., punt 25 (blz. 599).
Voor het door de Commissie aangevoerde belang van een ruime uitlegging van artikel 25 van verordening nr. 1215/2012, zodat deze norm uniform wordt toegepast, zie Magnus, U., op. cit., punten 25 en 26 (blz. 599 en 600). Met betrekking tot de toepassing van nationaal recht en internationale overeenkomsten die beperkt is tot forumkeuzebedingen voor gerechten van een derde staat, zie Mailhé, F., op. cit., punt 571 (blz. 477), waarin wordt uitgegaan van het geval waarin de voorwaarde omtrent het internationale aspect van het forumkeuzebeding is vervuld (zie punt 571, blz. 478). Zie ook Gaudemet-Tallon, H., en Ancel, M.-E., op. cit., punt 139 (blz. 185 en 186). Zie voor het argument inzake dit belang het onderzoek voor de Commissie, blz. 263 en 264.
Zie punt 27 van deze conclusie.
Zie punt 36 van deze conclusie.
Zie punt 33 van deze conclusie. Zie met betrekking tot de controle op eventueel rechtsmisbruik tevens Mankowski, P., op. cit., punt 35, alsook Stein, F., en Jonas, M., ‘Artikel 25’, Kommentar zur Zivilprozessordnung, deel 12 EuGVVO, 23e druk, 2022, Mohr Siebeck, Tübingen, punt 23.
Zie over de specificiteit van bedingen in het bankwezen Gaudemet-Tallon, H., ‘Conflit de juridiction. — Contrat de prêt. — Clause attributive de juridiction. — Validité. — Conditions’, Journal du droit international (Clunet), LexisNexis, Parijs, nr. 3, blz. 734–743, met name blz. 739 en 740. Zie ook Kleiner, C., ‘L'élection du for en matière bancaire et financière: entre clauses asymétriques, clauses modèles et quasi-réglementaires’, Les clauses attributives de compétence internationale: de la prévisibilité au désordre, bijdragen aan het colloquium van 21 november 2019 bij het Centre de recherche en droit international privé et du commerce international (centrum voor onderzoek op het gebied van internationaal privaatrecht en internationale handel) (CRDI), onder leiding van Laazouzi, M., éditions Panthéon-Assas, Parijs, 2021, blz. 47–73, met name blz. 48–55.
Zie punt 13 van deze conclusie.
Zie arresten van 1 maart 2005, Owusu (C-281/02, EU:C:2005:120, punt 26); 17 november 2011, Hypoteční banka (C-327/10, EU:C:2011:745, punt 30), en 8 september 2022, IRnova (C-399/21, EU:C:2022:648, punt 28).
Zie arresten van 1 maart 2005, Owusu (C-281/02, EU:C:2005:120, punt 26), en 8 september 2022, IRnova (C-399/21, EU:C:2022:648, punten 26 en 31).
Zie arrest van 17 november 2011, Hypoteční banka (C-327/10, EU:C:2011:745, punt 34). Te vergelijken met de arresten van 7 mei 2020, Parking en Interplastics (C-267/19 en C-323/19, EU:C:2020:351, punt 33), en 3 juni 2021, Generalno konsulstvo na Republika Bulgaria (C-280/20, EU:C:2021:443, punten 30–37), waarin in aanmerking is genomen dat de woonplaats of gewone verblijfplaats van ten minste één van de partijen zich niet in de lidstaat van het aangezochte gerecht bevindt.
Zie Droz, G., ‘Synthesis of the Discussions of 11 and 12 March 1991’, Civil Jurisdiction and Judgements in Europe, Proceedings of the Colloquium on the Interpretation of the Brussels Convention by the Court of Justice considered in the context of the European Judicial Area, Luxemburg, 11 en 12 maart 1991, Butterworths, Londen, 1992, blz. 253–271, met name blz. 263. Zie ook Gaudemet-Tallon, H., en Ancel, M.-E., op. cit., punt 142 (blz. 190).
Zie in die zin arrest van 17 november 2011, Hypoteční banka (C-327/10, EU:C:2011:745, punt 31).
Zie voor een overzicht van de discussie in de rechtsleer over dit artikel Stark, L., op. cit., blz. 137.
Zie Magnus, U., op. cit., punt 26 (blz. 599) en punt 40 (blz. 606), alsook Calvo Caravaca, A.-L., en Carrascosa González, J., Tratado de derecho internacional privado, deel II, Tirant lo Blanch, Valencia, 2020, blz. 2538. Zie in tegengestelde zin Francq, S., ‘La refonte du Règlement Bruxelles I: champ d'application et compétence’, Revue de droit commercial belge, 2013, blz. 307–333, met name blz. 319 en voetnoot 70.
Zie dienaangaande analyse van Stark, L., op. cit., met name blz. 47–49.
Verdrag dat als bijlage I is gehecht aan besluit 2009/397/EG van de Raad van 26 februari 2009 betreffende de ondertekening namens de Europese Gemeenschap van het Verdrag inzake bedingen van forumkeuze (PB 2009, L 133, blz. 1), dat is goedgekeurd bij besluit 2014/887/EU van de Raad van 4 december 2014 betreffende de goedkeuring namens de Europese Unie van het Haags Verdrag van 30 juni 2005 inzake bedingen van forumkeuze (PB 2014, L 353, blz. 5) en op 1 oktober 2015 in werking is getreden in de lidstaten, behalve in het Koninkrijk Denemarken (1 september 2018) (hierna: ‘Haags Verdrag van 2005’). Dat verdrag is te raadplegen op: https://www.hcch.net/en/instruments/conventions/full-text/?cid=98. Artikel 1, lid 1, van het Haags Verdrag van 2005 bepaalt dat dit verdrag in internationale situaties van toepassing is op exclusieve forumkeuzebedingen die zijn gemaakt in burgerlijke of handelszaken. Zie met betrekking tot de onderlinge samenhang tussen verordening nr. 1215/2012 en dat verdrag Magnus, U., op. cit., punt 10 (blz. 590–592).
Zie over de vereiste samenhang arrest van 27 april 2023, A1 en A2 (Verzekering van een pleziervaartuig) (C-352/21, EU:C:2023:344, punt 46).
Zie in dit verband punt 38 van deze conclusie. Zie voor een aantal mogelijke criteria Stark, L., op. cit., blz. 33 en 34. Zie bijvoorbeeld grensoverschrijdende aspecten waarover de Supremo Tribunal de Justiça zijn derde prejudiciële vraag aan het Hof had voorgelegd in de zaak die heeft geleid tot de beschikking van de president van het Hof van 10 maart 2017, Sociedade Metropolitana de Desenvolvimento (C-136/16, niet gepubliceerd, EU:C:2017:237), doorgehaald in het register van het Hof, alsook de analyse van Kleiner, C., op. cit., blz. 59–61. Zie over de geharmoniseerde uitlegging van de verordeningen nr. 1896/2006 en nr. 1215/2012 arrest van 7 mei 2020, Parking en Interplastics (C-267/19 en C-323/19, EU:C:2020:351, punten 34 en 35).
Zie in die zin arrest van 14 november 2013, Maletic (C-478/12, EU:C:2013:735, punten 25–29). Zie ook analyse van dit arrest door Stark, L., op. cit., met name blz. 32 en 33. Zie ook Audit, B., en d'Avout, L., op. cit., blz. 586–596, met name punt 675 (blz. 588) en voetnoot 258. Zie tevens het onderzoek voor de Commissie, waarin een overzicht is opgenomen van de criteria die door een aantal rechterlijke instanties zijn gehanteerd, blz. 58 en 59.
Volgens Stark, L., op. cit., blz. 385, is de vaststelling van het moment waarop het internationale aspect moet worden beoordeeld ‘van het grootste belang’. Zie in dit verband de verduidelijkingen in artikel 3, lid 3, van de verordeningen nr. 1896/2006 en nr. 861/2007.
Ik wijs erop dat uit zaak C-136/16, die in voetnoot 56 van deze conclusie is aangehaald (en in het register van het Hof is doorgehaald), naar voren komt dat op dit punt een andere vraag kan rijzen. Dat is de vraag of een forumkeuzebeding buiten toepassing kan worden gelaten. In dat verzoek om een prejudiciële beslissing had de verwijzende rechter het geval voor ogen waarin de keuze voor de gerechten van een andere lidstaat dan die waarvan de partijen onderdaan zijn, voor een van die partijen ernstige nadelen oplevert en deze keuze door geen enkel belang voor de andere partij wordt gerechtvaardigd.
Zie bijvoorbeeld arrest van 30 september 2021, Commerzbank (C-296/20, EU:C:2021:784, punten 39 en 59).
Dit geldt ook voor verordening nr. 650/2012 (artikel 5) en verordening 2016/1103 (artikel 7), alsook voor het Haags Verdrag van 2005 (artikel 1). Zie met betrekking tot het ontbreken van consensus tijdens de onderhandelingen over dit verdrag, Ancel, M.-E., ‘L'internationalité à la lumière de la convention d'electio fori’, Le monde du droit: écrits rédigés en l'honneur de Jacques Foyer, Economica, Parijs, 2008, blz. 21–47, met name blz. 36, en met betrekking tot het ontbreken van opmerkingen op dit punt, Van Loon, H., ‘Quelques aspects de la mondialisation dans le domaine des conflits de juridictions’, Droit international privé: travaux du Comité français de droit international privé, 17e jaargang, 2004–2006, éditions A. Pedone, Parijs, 2008, blz. 227–253. Met betrekking tot verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen (PB 2009, L 7, blz. 1) daarentegen, zie artikel 4, lid 1, eerste en tweede alinea, waarin is bepaald dat de voorwaarden voor aanwijzing van het bevoegde gerecht moeten zijn vervuld op het tijdstip waarop de forumkeuzeovereenkomst wordt gesloten of op het tijdstip waarop de zaak aanhangig wordt gemaakt.
De discussies zijn van dezelfde orde als die welke betrekking hadden op het woonplaatsvereiste in de artikelen die voorafgingen aan artikel 25 van verordening nr. 1215/2012. Zie in dit verband Droz, G., ‘Synthesis of the Discussions of 11 and 12 March 1991’, op. cit., met name blz. 262, alsook Gaudemet-Tallon, H., en Ancel, M.-E., op. cit., punt 136 (blz. 181 en 182).
Zie Gaudemet-Tallon, H., en Ancel, M.-E., op. cit., punt 143 (blz. 191), en Kleiner, C., op. cit., blz. 61, alsook Henriques, S., Os Pactos de Jurisdição, no Regulamento (CE) no 44 de 2001, Coimbra Editora, Coimbra, 2006, blz. 60 en 61, en Ferreira Pinto, F. A., ‘Contractos de swap concluídos entre entidades com sede em território nacional — jurisdição e lei aplicável’, in Lobo Moutinho, J., Henrique, S., Vaz de Sequeira, E., en Garcia Marques, P., Homenagem ao Professor Doutor Germano Marques da Silva, deel I, Universidade Católica Editora, Lissabon, blz. 799–824, met name blz. 805.
Zie vóór dit criterium Hausmann, R., op. cit., punt 7.23 onder § 7, alsook Calvo Caravaca, A-L., en Carrascosa González, J., Tratado de Derecho internacional privado, deel I, op. cit., blz. 122 e.v. (volgens deze auteurs moet rekening worden gehouden met het wegvallen van het ‘internationale’ aspect nadat het beding is overeengekomen).
Zie in die zin arrest van 24 juni 1986, Anterist (22/85, EU:C:1986:255, punt 14).
Zie overweging 3 van verordening nr. 1215/2012 en arrest van 10 maart 1992, Powell Duffryn (C-214/89, EU:C:1992:115, punt 20). Is een internationale situatie in de loop van een geschil nationaal geworden, dan heeft het beding dus gevolgen.
Zie in die zin overweging 15 van verordening nr. 1215/2012, waarin staat te lezen dat ‘de autonomie van de partijen een ander aanknopingspunt wettigt’ dan de woonplaats van de verweerder, alsook Treppoz, E., ‘L'imprévisibilité du juge élu’, Les clauses attributives de compétence internationale: de la prévisibilité au désordre, op. cit., blz. 91–105, met name punt 1 en voetnoot 1. Zie evenwel arrest van 24 oktober 2018, Apple Sales International e.a. (C-595/17, EU:C:2018:854, punt 34).
Mijn mening stoelt op de volgende meest nauwkeurige beslissingen die ik heb kunnen vinden: arrest van de Cour de cassation van 4 oktober 2005 (nr. 02–12.959), alsook beschikking van de Sąd Apelacyjny w Katowicach (rechter in tweede aanleg Katowice, Polen) van 21 januari 2016 (V ACz 52/16). De volgende rechterlijke instanties hebben echter geoordeeld dat deze beoordeling moet worden verricht op het tijdstip waarop een zaak aanhangig is gemaakt: in Duitsland, beschikking van het Oberlandesgericht München (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Beieren, München, Duitsland) van 31 maart 1987 (6 W 788/87); in Oostenrijk, beschikking van het Oberste Gerichtshof van 5 juni 2007 (10 Ob 40/07s), naar aanleiding waarvan de desbetreffende rechtsregel (Rechtssatz) is vastgesteld; in Italië, arrest van de Corte suprema di cassazione, verenigde kamers, van 4 maart 2019 (nr. 6280), volgens het nationaalrechtelijke beginsel perpetuatio fori.
Zie voor een andersluidend standpunt Stark, L., op. cit., blz. 394. Indien voor het procedurele aspect van het beding wordt gekozen, zou een eventuele samenhang moeten worden onderzocht met het arrest van 13 november 1979, Sanicentral (25/79, EU:C:1979:255, punten 6 en 7, over de uitlegging van de overgangsbepalingen van het Executieverdrag), waarop de in de voetnoten 64 en 68 van deze conclusie bedoelde analyses en beslissingen zijn gebaseerd, en met het arrest van 24 november 2022, Tilman (C-358/21, EU:C:2022:923, punt 30, over de toepassing ratione temporis van het Lugano II-Verdrag in het Verenigd Koninkrijk). Wegens het voorwerp van deze beslissingen kan de draagwijdte ervan namelijk worden beperkt tot de uitlegging van de bepalingen inzake de toepassing ratione temporis van het Unierecht.
Zie met betrekking tot overwegingen in de rechtsleer in die zin Ancel, M.-E., op. cit., met name punt 18 in fine (blz. 36), en Stark, L., op. cit., met name blz. 393–396.
Zie Gaudemet-Tallon, H., en Ancel, M.-E., op. cit., punt 143 (blz. 191) met een verwijzing in voetnoot 67 naar Gothot, P., en Holleaux, D., op. cit., punt 168 (blz. 100).
Zie met betrekking tot het nauwkeurigheidsvereiste arrest van 16 maart 1999, Castelletti (C-159/97, EU:C:1999:142, punt 48), en in voetnoot 15 van deze conclusie aangehaalde rechtspraak. Zie bijvoorbeeld ook Kleiner, C., op. cit., blz. 61, waarin wordt gesteld dat een toekomstige gebeurtenis zoals de plaats van uitvoering van een verbintenis die niet is nagekomen, een relevant criterium kan zijn. Zie voor kritiek op deze oplossing Stark, L., op. cit., blz. 393.
Een dergelijke oplossing zou tegemoet kunnen komen aan de bezwaren van Geimer, R., ‘EuGVVO Art. 25’, in Geimer, R, en Schütze, R. A., Europäisches Zivilverfahrensrecht, 4e druk, C. H. Beck, München, 2020, met name punt 39.