Hof 's-Hertogenbosch, 09-01-2020, nr. 000000-19
ECLI:NL:GHSHE:2020:196
- Instantie
Hof 's-Hertogenbosch
- Datum
09-01-2020
- Zaaknummer
000000-19
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHSHE:2020:196, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 09‑01‑2020; (Hoger beroep, Raadkamer, Beschikking)
ECLI:NL:GHSHE:2019:4113, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 31‑10‑2019; (Hoger beroep, Raadkamer, Beschikking)
ECLI:NL:GHSHE:2019:3857, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 17‑10‑2019; (Hoger beroep, Raadkamer, Beschikking)
ECLI:NL:GHSHE:2019:3295, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 05‑09‑2019; (Hoger beroep, Raadkamer, Beschikking)
- Wetingang
art. 282 Wetboek van Strafvordering; art. 87 Wetboek van Strafvordering; art. 406 Wetboek van Strafvordering; art. 66 Wetboek van Strafvordering
art. 71 Wetboek van Strafvordering
- Vindplaatsen
NbSr 2019/349
NbSr 2019/328
NbSr 2019/288
Uitspraak 09‑01‑2020
Inhoudsindicatie
Verwijzen van de zaak door een rechtbank buiten het ressort van het hof 's-Hertogenbosch naar een andere rechtbank in het ressort van het hof 's-Hertogenbosch. De raadsvrouw voert een tweeledig formeel verweer. Het eerste deel houdt in dat de verwijzingsbeslissing een einduitspraak is, hetgeen inhoudt dat de voorlopige hechtenis geëxpireerd is nu er zestig dagen na de verwijzingsuitspraak zijn verstreken. Het tweede deel is een formeel verweer o.g.v. artikel 282 WvSv. Het hof wijst het verweer gemotiveerd af. Het hof verwijst daarbij ook naar eerdere jurisprudentie welke gepubliceerd is onder ECLI:NL:GHSHE:2019:3857.
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling strafrecht
Raadkamerappelnummer: [raadkamerappelnummer]
Parketnummer 1e aanleg: [arrondissementsparketnummer]
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft gezien de akte van de griffier van de [rechtbank 2] van [datum 3] , waarbij namens:
[Voornamen & achternaam verdachte]
geboren [geboortedatum, -plaats & -land]
wonende te [woonplaats]
thans verblijvende in [detentieplaats]
hoger beroep is ingesteld tegen de beschikking van de [rechtbank 2] van [datum 3] , bij welke beschikking het verzoek tot opheffing van de aan verdachte opgelegde voorlopige hechtenis werd afgewezen.
Het hof heeft kennis genomen van de akte rechtsmiddel waarbij namens verdachte tijdig beroep is aangetekend tegen de afwijzing van het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis welke afwijzing ter terechtzitting is gegeven.
Het hof heeft gezien de beschikking waarvan beroep.
Het hof heeft gehoord de advocaat-generaal en verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. J. Steenbrink.
Het hof heeft kennis genomen van het dossier.
Uit het dossier blijkt dat verdachte wordt verweten primair poging doodslag, subsidiair zware mishandeling en meer subsidiair mishandeling, alsmede bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht.
Naar het oordeel van het hof bevat het dossier voldoende ernstige bezwaren jegens verdachte ter zake hetgeen hem wordt verweten.
Het hof verwijst daartoe onder meer naar de verschillende verklaringen van getuigen die verdachte hebben herkend als zijnde de persoon die op [datum 1] in [plaats] mevrouw [slachtoffer] met een scherp voorwerp heeft gestoken alsmede naar de verklaringen van getuigen met betrekking tot de bedreiging door verdachte.
Voorts verwijst het hof naar de diverse anonieme meldingen onder meer naar aanleiding van oproepen door politie en justitie en tot slot naar de diverse processen-verbaal van bevindingen.
Het hof stemt ook in met het gevaar voor herhaling. Uit het dossier komt van de verdachte een beeld naar voren dat hij kennelijk problemen heeft met zijn agressiehuishouding. Voorts blijkt dat verdachte eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen voor geweldsdelicten en daar ook voor veroordeeld is.
Hetgeen verdachte onder 1 wordt verweten, betreft een strafbaar feit waar naar de wettelijke omschrijving twaalf jaar of meer gevangenisstraf op staat en waardoor de rechtsorde ernstig is geschokt.
Namens verdachte is betoogd dat de voorlopige hechtenis dient te worden opgeheven nu er geen titel meer zou zijn voor de vrijheidsbeneming aangezien er sprake is van, kort gezegd, schending van artikel 282 van het Wetboek van Strafvordering doordat de rechter niet bepaald heeft dat er klemmende redenen zijn om behandeling van de zaak langer dan dertig dagen te schorsen terwijl er niet binnen dertig dagen een voortgezette behandeling heeft plaatsgevonden.
Voorts heeft de raadsvrouw in raadkamer aangevoerd dat er sprake zou zijn van een einduitspraak door de [rechtbank 1] , waardoor de voorlopige hechtenis na zestig dagen zou expireren.
Het hof overweegt als volgt.
Op de terechtzitting van [datum 2] van de [rechtbank 1] is beslist dat de zaak dient te worden verwezen naar de [rechtbank 2] . Tevens blijkt uit het proces-verbaal van de zitting dat de officier van justitie na het voordragen van de zaak heeft meegedeeld dat er een Pro-Justitiadubbelrapportage is aangevraagd en dat het rapport [datum 4] wordt verwacht. Daarna zal er een reclasseringsrapport moeten worden opgemaakt, aldus de officier van justitie.
Vervolgens is namens verdachte een verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis ingediend op welk verzoek op [datum 3] is beslist.
De rechtbank heeft het verzoek afgewezen op gronden die deze afwijzing kunnen dragen. Anders dan de raadsvrouw, is het hof van oordeel dat de verwijzingsbeslissing van de [rechtbank 1] uitsluitend een verwijzing betreft en geen einduitspraak is, weshalve de expiratie van zestig dagen niet aan de orde is. Voorts, zoals door dit hof eerder is beslist (ECLI:NL:GHSHE:2019:3857, Nieuwsbrief Strafrecht 2019, nr. 328) kan een schending van artikel 282 van het Wetboek van Strafvordering door het niet vermelden van klemmende redenen en of het niet bepalen dat de zaak voor langer dan dertig dagen zal worden aangehouden, de verdachte niet baten. Immers, aan de enkele niet vermelding van de klemmende redenen en of het niet vermelden van een aanhouding langer dan dertig dagen, zijn geen dwingende consequenties verbonden. Wel dient blijkens de rechtsgeschiedenis, wil de rechter het onderzoek voor langer dan dertig dagen aanhouden, uit andere bronnen van de daarvoor geldende klemmende redenen te blijken. Klemmende redenen zijn al die redenen die noodzakelijk zijn voor het onderzoek. In de onderhavige zaak gaat het om het opmaken van een Pro-Justitiadubbelrapportage gevolgd door een reclasseringsrapport. Dat aanvullend onderzoek is vermeld in het proces-verbaal van de terechtzitting van [datum 2] , zodat de procespartijen geacht kunnen worden bekend te zijn met het bestaan van klemmende redenen om de zaak voor langer dan dertig dagen aan te houden. Sedert [datum 2] zijn thans nog geen drie maanden verstreken. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de voorlopige hechtenis niet van rechtswege is geëindigd, terwijl er voorts geen reden is om de voorlopige hechtenis op te heffen.
Het hof wijst af het beroep.
BESCHIKKENDE IN HOGER BEROEP:
Wijst af het hoger beroep.
Bevestigt de beschikking waarvan beroep.
Aldus gedaan op 9 januari 2020
door mr. J. Nederlof, voorzitter, mr. A.C. van der Schans en mr. G.P.M.F. Mols, raadsheren, in tegenwoordigheid van mw. B. Yazi-Koçyilmaz, griffier.
mr. A.C. van der Schans is buiten staat om deze beschikking mede te ondertekenen.
De advocaat-generaal bij dit Gerechtshof brengt vorenstaande beschikking ter kennis van verdachte.
's-Hertogenbosch, 9 januari 2020
Gezien d.d.
De directeur van de [detentieplaats]
Uitspraak 31‑10‑2019
Inhoudsindicatie
Het hof past de maatstaf toe zoals het hof deze eerder heeft overwogen in ECLI:NL:GHSHE:2019:2366. Verdachte verhuurt een (gedeelte) van zijn loods. Daarin is een laboratorium voor de productie van synthetische drugs aangetroffen. Verdachte heeft aannemelijke en controleerbare verklaringen afgelegd over de identiteit van de huurder van de loods, over het doel van het gebruik van die ruimte door de huurder, heeft een huurcontract overgelegd met daarin vermeld hetgeen doorgaans in huurcontracten vermeld wordt waaronder de naam van de huurder en heeft bankafschriften overlegd waaruit blijkt van de betaling van de overeengekomen huurpenningen. Ook heeft verdachte zich tussentijds vergewist van het gebruik van de loods waarbij hem niets bijzonders is opgevallen. Het hof concludeert tot onvoldoende ernstige bezwaren en heft het bevel tot voorlopige hechtenis op.
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling strafrecht
Raadkamerappelnummer: [raadkamerappelnummer]
Parketnummer 1e aanleg: [arrondissementsparketnummer]
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft gezien de akte van de griffier van de [rechtbank] van [datum] , waarbij namens:
[Naam verdachte]
geboren [geboortedatum & -plaats]
wonende te [woonplaats]
thans verblijvende in de [detentieplaats]
hoger beroep is ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank [rechtbank] van [datum] , bij welke beschikking de gevangenhouding van verdachte werd bevolen.
Het hof heeft kennis genomen van de akte rechtsmiddel waarbij namens verdachte tijdig beroep is aangetekend tegen het bevel gevangenhouding voor de duur van negentig dagen.
Het hof heeft gezien de beschikking waarvan beroep.
Het hof heeft gehoord de advocaat-generaal en verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. R. van 't Land.
Het hof heeft kennis genomen van het dossier.
Uit het dossier blijkt dat verdachte wordt verweten kort gezegd betrokkenheid bij een laboratorium voor de productie van synthetische drugs.
Naar het oordeel van het hof bevat het dossier thans onvoldoende ernstige bezwaren jegens verdachte ter zake hetgeen verdachte wordt verweten.
Verdachte is weliswaar eigenaar en verhuurder van de loods waar een laboratorium voor de productie van synthetische drugs is aangetroffen, maar naar het oordeel van het hof heeft verdachte aannemelijke en controleerbare verklaringen afgelegd over de identiteit van de huurder van de loods alsmede over het doel van het gebruik van die ruimte door de huurder, waarbij hij tevens een huurcontract heeft overgelegd met daarin vermeld hetgeen doorgaans in huurcontracten vermeld wordt waaronder de naam van de huurder en bankafschriften waaruit blijkt van de betaling van de overeengekomen huurpenningen. Ook heeft hij zich tussentijds vergewist van het gebruik van de loods waarbij hem niets bijzonders is opgevallen. Het dossier bevat voorts geen althans onvoldoende aanwijzingen om zijn verklaring op dit punt in twijfel te trekken.
Gelet op het vorenstaande zal het hof het beroep toewijzen en de voorlopige hechtenis opheffen.
Het hof wijst toe het beroep, vernietigt de beschikking waarvan beroep en heft op de voorlopige hechtenis.
BESCHIKKENDE IN HOGER BEROEP:
Wijst toe het hoger beroep.
Vernietigt de beschikking waarvan beroep.
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.
Aldus gedaan op 31 oktober 2019
door mr. R.A.T.M. Dekkers, voorzitter, mr. F.J.M. Walstock en mr. G.P.M.F. Mols, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. R. van Maaren, griffier.
De advocaat-generaal bij dit Gerechtshof brengt vorenstaande beschikking ter kennis van verdachte.
's-Hertogenbosch, 31 oktober 2019
Gezien d.d.
De directeur van de [detentieplaats]
Uitspraak 17‑10‑2019
Inhoudsindicatie
Appel tegen een afgewezen verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis. Het formele verweer van de raadsman dat is gestoeld op artikel 282 Wetboek van Strafvordering wordt gemotiveerd verworpen. Verdachte wordt verdacht van betrokkenheid bij productie van synthetische drugs en overtreding van de Wet Wapens en Munitie. Het hof gaat uitgebreid in op de ernstige bezwaren jegens verdachte, de gronden voor de voorlopige hechtenis en voorziet de afwijzing van het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis van een uitgebreide motivering.
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling strafrecht
Raadkamerappelnummer: [raadkamerappelnummer]
Parketnummer 1e aanleg: [arrondissementsparketnummer]
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft gezien de akte van de griffier van de [rechtbank] van [datum 1] , waarbij namens:
[Voornamen & achternaam verdachte]
geboren [geboortedatum, -plaats & -land]
wonende te [woonplaats]
thans verblijvende in de [detentieplaats]
hoger beroep is ingesteld tegen de beslissing van de [rechtbank] van [datum 1] , bij welke beslissing het verzoek tot opheffing van de aan verdachte opgelegde voorlopige hechtenis werd afgewezen.
Het hof heeft kennis genomen van de akte rechtsmiddel waarbij namens verdachte tijdig beroep is aangetekend tegen de afwijzing van het verzoek tot opheffing, gegeven ter terechtzitting.
Het hof heeft gezien de beslissing waarvan beroep.
Het hof heeft gehoord de advocaat-generaal en verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. J. van Wijk.
De raadsman van verdachte heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte onmiddellijk in vrijheid dient te worden gesteld, omdat de rechtbank tijdens de Pro-formazitting van [datum 1] , anders dan in het proces-verbaal van die zitting is opgenomen, niet op grond van het bepaalde in artikel 282 van het Wetboek van Strafvordering heeft beslist dat het onderzoek niet langer dan drie maanden zal worden geschorst omdat er sprake is van klemmende redenen op grond waarvan de zaak niet binnen één maand weer op zitting kan worden behandeld. Dit betekent dat de voorlopige hechtenis van de verdachte op [datum 2] is geëxpireerd, aldus de raadsman. Ter onderbouwing hiervan heeft de raadsman verwezen naar de correspondentie dienaangaande met de voorzitter van de meervoudige kamer mr. A.H.J.J. van de Wetering van respectievelijk [datum 3 & 4] .
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer geen doel treft, gelet op de inhoud van het proces-verbaal van de Pro-formazitting.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Blijkens het proces-verbaal van de pro forma zitting van [datum 1] , dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend, heeft de rechtbank het onderzoek ter terechtzitting geschorst, waarbij de termijn van deze schorsing op langer dan één maand na heden, doch een termijn van drie maanden niet te boven gaande, wordt bepaald om de klemmende redenen dat er nog getuigenverhoren in de zaken tegen verdachte en zijn medeverdachte moeten plaatsvinden en omdat alle binnen één maand na heden te houden terechtzittingen reeds zijn geappointeerd en geen ruimte bieden om deze zaak alsdan te behandelen. Met de vaststelling van de ondertekening geven de ondertekenaars te kennen dat zij gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor de juistheid en volledigheid van het proces-verbaal. De rechtbank heeft vooralsnog geen aanleiding gezien om het proces-verbaal op het door de raadsman opgeworpen punt te verbeteren. Het hof gaat derhalve uit van de juistheid van het proces-verbaal.
Doch al ware dit anders dan mag dit verdachte niet baten. Immers, aan de enkele niet vermelding van de klemmende redenen in het proces-verbaal zijn, gelet op het bepaalde in artikel 282 van het Wetboek van Strafvordering, geen dwingende consequenties verbonden. Wel dient blijkens de rechtsgeschiedenis, wil de rechter het onderzoek voor langer dan een maand aanhouden, uit andere bronnen van de daarvoor geldende klemmende redenen te blijken (Zie voorts: ECLI:NL:GHAMS:2018:4729). Klemmende redenen zijn al die redenen die noodzakelijk zijn voor het onderzoek, bijvoorbeeld, zoals hier het geval is, het verrichten van verder onderzoek zoals het horen van getuigen en de bezetting van het zittingsrooster, zoals daarvan eveneens blijkt uit het meergenoemde proces-verbaal. Daarbij komt dat de zaak opnieuw op zitting zal komen [datum 5] , welke datum valt binnen de hiervoor genoemde termijn van drie maanden, gerekend vanaf de zitting van [datum 1] . Dat brengt mee dat de voorlopige hechtenis niet op enig tijdstip van rechtswege is geëindigd.
Het hof verwerpt het verweer.
Het hof heeft verder kennis genomen van het dossier. Uit het dossier blijkt onder meer het volgende.
Verdachte wordt verweten kort gezegd betrokkenheid bij de productie van synthetische drugs en overtreding van de Wet Wapens en Munitie.
Naar het oordeel van het hof bevat het dossier voldoende ernstige bezwaren jegens verdachte ter zake hetgeen hem wordt verweten. Het hof verwijst daartoe voor de feiten betreffende de overtreding van de Opiumwet onder meer naar de verklaring van de getuige [achternaam getuige] , tevens eigenaar van de loods waar ketels en andere voorwerpen voor de productie van synthetische drugs zijn aangetroffen, alsmede een grote hoeveelheid chemisch afval en onder meer ruim 1500 kilo caustic soda, 600 liter zoutzuur, 270 liter mierenzuur, 350 liter formamide, 2 liter methanol en 2,6 liter amfetamine.
Voor wat betreft de overtredingen van de Wet Wapens en Munitie verwijst het hof naar het proces-verbaal doorzoeking van de woning van verdachte, naar het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het onderzoek aan de wapens en munitie en naar de bekennende verklaring van de verdachte.
Uit het dossier blijkt voorts dat verdachte over veel contant geld zou hebben beschikt terwijl tot op heden niet duidelijk is wat de legale bron van deze gelden is, nu verdachte zich ten aanzien hiervan op zijn zwijgrecht beroept.
Het hof stemt ook in met het gevaar voor herhaling.
Jegens verdachte bestaan ernstige bezwaren ter zake van betrokkenheid bij de productie van synthetische drugs. De productie van synthetische drugs is een zeer lucratieve bezigheid en verdachte is kennelijk gezwicht voor de verleiding om in zeer korte tijd veel geld te verdienen. Dat stelt degene die zich met de productie van synthetische drugs in staat om een zeer luxueus leven te leiden zoals het houden van luxe vakanties in verre oorden en het luxe inrichten van woningen. Daarnaast vindt betrokkenheid bij de productie van synthetische drugs doorgaans in georganiseerd verband plaats, aan welk verband men zich maar moeilijk kan onttrekken wanneer het laboratorium voor de productie van synthetische drugs door de politie is ontmanteld. Verdachte wordt voorts verdacht van het bezit van vuurwapens en munitie. Verdachte heeft dat ook bekend. Verdachte heeft verklaard de vuurwapens te hebben aangeschaft ter bescherming van zijn familie, nu in zijn omgeving een poging tot liquidatie heeft plaatsgevonden. Verdachte is eerder met politie en justitie in aanraking gekomen voor wapenbezit en is daar ook voor veroordeeld.
Het hof is van oordeel dat deze feiten en omstandigheden toereikend zijn voor de ernstige vrees dat verdachte, wanneer hij zich niet voorlopige hechtenis bevindt, zich schuldig zal maken aan een strafbaar feit als bedoeld in artikel 67a, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering, meer in het bijzonder aan overtreding van de Wet Wapens en Munitie nu niet gebleken is dat de aanleiding voor verdachte om over vuurwapens te beschikken niet voorbij is en verdachte zich kennelijk weinig of niets gelegen laat liggen aan een eerdere veroordeling tot gevangenisstraf wegens overtreding van de Wet Wapens en Munitie. Voorts moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte zich schuldig zal maken aan overtreding van de Opiumwet en een misdrijf zal plegen waardoor de gezondheid van personen in gevaar kan worden gebracht. Daartoe overweegt het hof als volgt.
De productie van en handel in synthetische drugs is een groot maatschappelijk probleem, meer in het bijzonder in het ressort van dit gerechtshof. De centrale en lokale overheid investeert veel geld en menskracht in het bestrijden van de productie van en de handel in synthetische drugs, niet alleen vanwege het gevaar voor de volksgezondheid, maar ook omdat deze overtredingen van de Opiumwet vaak gepaard gaan met andere ernstige vormen van criminaliteit, zoals bedreiging met geweld, ook van overheidsdienaren, en daadwerkelijk levensdelicten zoals liquidaties, verontreiniging van het milieu op grote schaal doordat chemisch afval afkomstig uit deze laboratoria in de publieke ruimte wordt gedumpt, en witwassen op grote schaal. Daardoor wordt de samenleving in ernstige mate ondermijnd. Dat alles zijn feiten van algemene bekendheid en desondanks heeft de verdachte niet de verleiding kunnen of willen weerstaan om uit persoonlijk winstbejag zich kennelijk in te laten met de productie van synthetische drugs. Daaruit blijkt dat verdachte kennelijk over een mentaliteit beschikt waarbij hij zich weinig gelegen laat liggen aan de belangen van derden. Dat doet vrezen voor herhaling.
Namens verdachte is aangevoerd dat er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 67a, derde lid van het Wetboek van Strafvordering. Het hof is van oordeel dat deze situatie zich thans niet voordoet.
Het hof wijst af het beroep.
Namens verdachte is verzocht de voorlopige hechtenis te schorsen. Het hof overweegt als volgt.
De verdachte heeft in beginsel het recht zijn berechting in vrijheid af te wachten. Dat kan anders zijn wanneer, zoals in de onderhavige zaak, er sprake is van gevaar voor herhaling. In dat geval zal de rechter, op grond van het subsidiariteitsbeginsel, dienen na te gaan of niet ook op andere, voor de verdachte minder bezwarende wijze, tegemoet kan worden gekomen aan het belang dat de samenleving heeft bij voortzetting van de voorlopige hechtenis. Dat belang is gelegen in het verschoond blijven van een of meer strafbare feiten, gepleegd door verdachte.
Jegens verdachte bestaan ernstige bezwaren ter zake van betrokkenheid bij de productie van synthetische drugs en vuurwapenbezit. Verdachte is [in 2016] door dit hof veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden voor overtreding van de Wet Wapens en Munitie. Kennelijk heeft die veroordeling geen zoden aan de dijk gezet nu verdachte bekent nadien wederom in het bezit te zijn geweest van thans meer vuurwapens en munitie. Dat gegeven, alsmede de omstandigheid dat verdachte die vuurwapens in zijn bezit heeft gehad, zoals hij zelf verklaart, ter bescherming van zijn familie nu er in zijn nabijheid een poging tot liquidatie heeft plaatsgevonden, doen ernstig vrezen voor herhaling alleen al aangezien de kennelijke bedreiging, zoals door verdachte ervaren, niet voorbij is.
Het hof ziet thans en vooralsnog niet welke voorwaarden aan een schorsing moeten worden verbonden om de kans op herhaling terug te brengen tot op een voor de samenleving aanvaardbaar niveau.
Voor wat betreft de kans op herhaling van overtreding van de Opiumwet overweegt het hof als volgt.
Zoals hierboven overwogen moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte, wanneer hij zich niet in voorlopige hechtenis bevindt, zich schuldig zal maken een strafbaar feit als bedoeld in artikel 67a, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering, meer in het bijzonder aan een misdrijf als bedoeld in de Opiumwet. Het hof ziet, gelet op de aard van hetgeen verdachte thans verweten wordt, thans en vooralsnog niet welke voorwaarden aan een schorsing moeten worden verbonden om de kans op herhaling terug te brengen tot op een voor de samenleving aanvaardbaar niveau.
Namens de verdachte is ter onderbouwing van het verzoek tot schorsing aangevoerd dat de echtgenote van verdachte lichamelijke en psychische klachten heeft die verband houden met de detentie van verdachte (en haar zoon), terwijl er geen familie of sociaal netwerk is waar zij op kan terugvallen. Deze klachten zouden aanzienlijk verlicht kunnen worden als verdachte zijn berechting in vrijheid zou kunnen afwachten. Voorts is aangevoerd dat de dochter van verdachte, die zwanger is, behoefte heeft aan ondersteuning bij de bevalling. De raadsman heeft ter onderbouwing stukken overgelegd.
Het hof overweegt als volgt.
Verdachte wordt verweten betrokken te zijn bij de productie van synthetische drugs. Er bestaan jegens hem ter zake dit verwijt ernstige bezwaren. Zoals het hof hiervoor heeft overwogen betreft de productie van synthetische drugs een groot maatschappelijke probleem, meer in het bijzonder in het ressort van dit gerechtshof. De overheid investeert veel geld en menskracht in de bestrijding van de productie van en de handel in synthetische drugs, niet alleen vanwege het gevaar voor de volksgezondheid, maar ook omdat er sprake is van strafbaar gedrag dat vaak gepaard gaat met andere ernstige vormen van criminaliteit waardoor de samenleving in ernstige mate ondermijnd wordt. Gelet hierop is dit hof van oordeel dat het voor de samenleving niet te begrijpen zou zijn en het zou door die samenleving ook niet geaccepteerd worden, wanneer de persoon jegens wie ernstige bezwaren bestaan dat hij zich aan de productie van synthetische drugs schuldig heeft gemaakt, niet onverwijld in voorlopige hechtenis wordt genomen en voorlopig wordt gehouden. Dat zou tot maatschappelijke onrust kunnen leiden. Dat betekent naar het oordeel van het hof, dat er in beginsel slechts ruimte is voor schorsing van de voorlopige hechtenis, wanneer er sprake is van bijzondere zwaarwichtige, de persoon van de verdachte betreffende omstandigheden op grond waarvan het belang dat de samenleving heeft bij voortzetting van de voorlopige hechtenis, dient te wijken voor het persoonlijk belang van de verdachte. Hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht, ziet het hof niet als dergelijke bijzondere zwaarwichtige omstandigheden, terwijl het hof ook anderszins niet van het bestaan ervan is gebleken.
Gelet op de omstandigheid dat het hof thans en vooralsnog niet ziet welke voorwaarden aan een schorsing van de voorlopige hechtenis moeten worden verbonden om de kans op herhaling van zowel overtreding van de Wet Wapens en Munitie als overtreding van de Opiumwet terug te brengen tot op een voor de samenleving aanvaardbaar niveau, terwijl er voorts geen sprake is van zodanige bijzondere zwaarwichtige omstandigheden die schorsing van de voorlopige hechtenis thans rechtvaardigen, zal het hof het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis afwijzen.
Het hof wijst af het verzoek.
BESCHIKKENDE IN HOGER BEROEP:
Wijst af het hoger beroep.
Bevestigt de beslissing waarvan beroep.
Wijst af het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis.
Aldus gedaan op 17 oktober 2019
door mr. R.A.T.M. Dekkers, voorzitter, mr. M.E.F.H. van Erve en mr. G.P.M.F. Mols, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. R. van Maaren, griffier.
De advocaat-generaal bij dit Gerechtshof brengt vorenstaande beschikking ter kennis van verdachte.
's-Hertogenbosch, 17 oktober 2019
Gezien d.d.
De directeur van de [detentieplaats]
Uitspraak 05‑09‑2019
Inhoudsindicatie
Appel van de OvJ n.a.v. toewijzing schorsing. Rechtbank heeft geoordeeld dat persoonlijk belang van verdachte zwaarder weegt en dat de doelen die met voorlopige hechtenis worden nagestreefd ook kunnen worden nagestreefd met aan een schorsing te verbinden voorwaarden. De verdachte heeft in beginsel het recht zijn berechting in vrijheid af te wachten. Dat kan anders zijn wanneer, zoals in de onderhavige zaak, er sprake is van gevaar voor herhaling. Dan zal de rechter, zo nodig ook ambtshalve, dienen na te gaan of niet ook op andere, voor de verdachte minder bezwarende wijze, tegemoet kan worden gekomen aan het belang dat de samenleving heeft bij voortzetting van de voorlopige hechtenis. Stelling van de OvJ dat het verzoek tot schorsing alleen al vanwege het gebrek aan onderbouwing had moeten worden afgewezen is onjuist. Schorsing en recidivegevaar. Het hof ziet omstandigheden die niet pleiten voor schorsing van de voorlopige hechtenis. Het hof heeft eerder beslist dat jeugdige personen met een verstandelijke beperking die beïnvloedbaar zijn, zo kort mogelijk in een omgeving moeten verblijven waar sprake is van veel negatieve invloed. De penitentiaire inrichting is naar het oordeel van het hof een dergelijke omgeving. Het is derhalve ook in het belang van de samenleving dat de voorlopige hechtenis van de verdachte wordt geschorst om verdere schade in de toekomst te voorkomen. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de rechtbank heeft kunnen beslissen tot schorsing van de voorlopige hechtenis onder de voorwaarden zoals opgenomen in het bevel schorsing. Volgt afwijzing van het appel.
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling strafrecht
Raadkamerappelnummer: [Raadkamerappelnummer]
Parketnummer 1e aanleg: [Arrondissementsparketnummer]
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft gezien de akte van de griffier van de [rechtbank] van [datum] , waarbij door de officier van justitie in de zaak tegen:
[Voornamen en achternaam verdachte]
geboren [Geboortedatum, -plaats & -land]
wonende te [Woonplaats]
hoger beroep is ingesteld tegen de beschikking van de [rechtbank] van [datum] , bij welke beschikking het verzoek tot schorsing van de aan verdachte opgelegde voorlopige hechtenis werd toegewezen.
Het hof heeft kennis genomen van de akte rechtsmiddel waarbij de officier van justitie tijdig hoger beroep heeft aangetekend tegen de schorsing van de voorlopige hechtenis.
Het hof heeft gezien de beschikking waarvan beroep.
Het hof heeft gehoord de advocaat-generaal en verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. J.W. Heemskerk.
Het hof heeft kennis genomen van het dossier.
Uit het dossier blijkt dat jegens verdachte ernstige bezwaren bestaan ter zake van mishandeling, meermalen gepleegd, van zijn vriendin en bedreiging, meermalen gepleegd, van diezelfde vriendin.
De rechtbank heeft op [datum] ter zake een bevel gevangenhouding voor de duur van dertig dagen gegeven. Op diezelfde dag heeft de rechtbank het bevel schorsing van de voorlopige hechtenis gegeven en heeft daartoe als volgt overwogen:
‘’De rechtbank is van oordeel dat het persoonlijk belang van de verdachte zwaarder weegt dan het strafvorderlijk belang. Daarbij komt dat de doelen die met de voorlopige hechtenis worden nagestreefd door het stellen van voorwaarden aan een schorsing ook kunnen worden bereikt.’’
De officier van justitie heeft zich in raadkamer verzet tegen schorsing, onder meer aangezien verdachte in een proeftijd liep ter zake van een mishandeling, verdachte de hem verweten mishandelingen ontkent en het NIFP nog zaken aan het uitzoeken is.
De verdachte heeft in raadkamer ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan de hem verweten mishandelingen en voorts te kennen gegeven dat hij het zwaar heeft in de penitentiaire inrichting en hij het contact met zijn vader, die volgens verdachte zwaar alcoholist is, wenst te verbreken en elders, zo nodig begeleid, wil gaan wonen.
In het dossier bevindt zich een rapport van de reclassering waarin onder meer wordt geconcludeerd dat het risico op herhaling en het risico op letselschade worden ingeschat als hoog. Dat geldt volgens de reclassering ook voor het zich onttrekken aan voorwaarden.
De [leeftijd] jarige verdachte is TOP X geprioriteerd binnen het Veiligheidshuis [Regio] waar hij inmiddels al enkele jaren geleden in beeld is gekomen als lid van een overlast gevende (criminele) jeugdgroep. Vanuit het Veiligheidshuis is – naast de strafrechtelijke aanpak – langdurig ingezet op het aanbieden van passende hulpverlening voor (onder andere) verdachte, maar gezien betrokkenes ongemotiveerde en doorlopend afhoudende houding is daar tot nu toe weinig tot niets van terecht gekomen. Het veiligheidshuis ziet afglijdend en zorgmijdend gedrag en adviseert bij nieuwe strafbare feiten (onder andere) het laten uitvoeren van een persoonlijkheidsonderzoek door het NIFP en een toezicht door de reclassering met – indien mogelijk/haalbaar – een (gesloten) plaatsing binnen een vierentwintiguurswoonvoorziening.
De reclassering adviseert negatief over schorsing maar heeft op uitdrukkelijk verzoek van de officier van justitie een aantal voorwaarden genoemd mocht de rechter toch tot schorsing van de voorlopige hechtenis besluiten.
In het dossier bevindt zich voorts een brief van de GZ-psycholoog van het NIFP waarin een Pro-Justitiaonderzoek door een psycholoog wordt geadviseerd teneinde meer duidelijkheid te krijgen over de vraag of en, zo ja, in welke mate er sprake is van scheefgroei in de persoonlijkheidsontwikkeling waarbij de mogelijke ADHD en autistische problematiek aanjagers zouden kunnen zijn (geweest).
Het hof heeft voorts kennis genomen van de schriftuur houdende de grieven van de officier van justitie tegen de schorsingsbeslissing van de rechtbank. Daarin schrijft de officier van justitie onder meer
‘’Uit het proces-verbaal verhoor verdachte van de raadkamer d.d. [datum] blijkt dat de raadsman subsidiair een verzoek heeft gedaan tot schorsing van de voorlopige hechtenis en ter onderbouwing enkel het volgende heeft aangevoerd:
“Er zijn vele voorwaarden gesteld door de reclassering, onder die voorwaarden kan cliënt geschorst worden. Hij kan ook bij mevrouw [achternaam] verblijven aan de [verblijfplaats] .”
Er is dan ook sprake van een niet onderbouwd verzoek tot schorsing waarbij niets is aangevoerd ten aanzien van de (zwaarwegende) persoonlijke belangen van verdachte. Alleen al hierom had het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis afgewezen moeten worden.
Bovendien bevond verdachte zich ten tijde van het plegen van de onderhavige feiten in een proeftijd van een hem [in 2017] voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor onder meer mishandeling. Aan deze voorwaardelijke jeugddetentie waren meerdere bijzondere voorwaarden verbonden. Gelet op de onderhavige zaak en de veroordeling van verdachte [in 2018] voor meerdere bedreigingen gepleegd [in 2018] , moet geconcludeerd worden dat voorwaarden verdachte niet lijken te weerhouden van het plegen van strafbare feiten.
Daarnaast is van belang dat uit het reclasseringsadvies van [datum] blijkt dat vanuit het Veiligheidshuis – naast de strafrechtelijke aanpak – langdurig ingezet is op het aanbieden van passende hulpverlening. Daar is echter weinig tot niets van terecht gekomen door verdachtes ongemotiveerde en doorlopend afhoudende houding. Verdachte kwam afspraken veelal niet na en waar hij dat wel deed, was er sprake van een negatieve beïnvloeding van de rest van de groep (kwetsbare) jongeren. Bovendien ziet het Veiligheidshuis afglijdend en zorg-mijdend gedrag.
De risico’s op recidive, letselschade en op het onttrekken aan voorwaarden worden door de reclassering als hoog ingeschat.
Gelet op het vorenstaande is de overweging van de rechtbank dat de doelen die met de voorlopige hechtenis worden nagestreefd door het stellen van voorwaarden aan een schorsing ook kunnen worden bereikt onbegrijpelijk, zeker nu de reclassering in eerder genoemd rapport heeft aangegeven nog geen “compleet en “opgetuigd” plan van aanpak” op te hebben kunnen stellen.
Het gevaar op herhaling kan op dit moment dan ook niet, althans onvoldoende, worden ondervangen door het stellen van voorwaarden. Hierdoor moet het maatschappelijk belang zwaarder wegen dan eventuele persoonlijke belangen van verdachte zodat het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis had moeten worden afgewezen.’’
Het hof overweegt als volgt.
De verdachte heeft in beginsel het recht zijn berechting in vrijheid af te wachten. Dat kan anders zijn wanneer, zoals in de onderhavige zaak, er sprake is van gevaar voor herhaling. Dan zal de rechter, zo nodig ook ambtshalve, dienen na te gaan of niet ook op andere, voor de verdachte minder bezwarende wijze, tegemoet kan worden gekomen aan het belang dat de samenleving heeft bij voortzetting van de voorlopige hechtenis. Dat belang van de samenleving is gelegen in het verschoond blijven van een of meer strafbare feiten, gepleegd door verdachte. In zoverre volgt het hof de officier van justitie niet waar zij stelt dat het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis reeds had moeten worden afgewezen omdat het onvoldoende onderbouwd zou zijn, aangezien de rechter op grond van het subsidiariteitsbeginsel, ook gehouden is ambtshalve na te gaan of er sprake is van een alternatief voor opsluiting van de verdachte.
In deze zaak gaat het om de vraag of met het stellen van algemene en bijzondere voorwaarden aan een schorsing van de voorlopige hechtenis, in voldoende mate tegemoet kan worden gekomen aan het belang van de samenleving. Daarbij gaat het niet om een garantie dat verdachte zich niet schuldig zal maken aan een of meer strafbare feiten, maar om het terugbrengen van het gevaar voor herhaling tot op een voor de samenleving aanvaardbaar niveau. Bij de beantwoording van deze vraag kan de aard en de ernst van het strafbaar feit waarvan herhaling wordt gevreesd, een rol spelen. Naarmate dat feit ernstiger is zal er meer worden verwacht van de preventieve werking van de aan de schorsing van de voorlopige hechtenis te stellen voorwaarden. Daarnaast speelt de persoon van de verdachte een rol, waaronder mede begrepen de vraag of er mogelijk sprake is van een criminogene gedragsstoornis. Tot slot kan van belang zijn de vraag of verdachte eerder voor soortgelijke feiten met politie en justitie in aanraking is gekomen en daar ook voor veroordeeld is.
In deze zaak gaat het om eenvoudige mishandeling en bedreiging. Verdachte is eerder voor dergelijke feiten met politie en justitie in aanraking gekomen, en is daar ook voor veroordeeld. Verdachte liep zelfs nog in een proeftijd naar aanleiding van een veroordeling [in 2017] tot een jeugddetentie van twee weken, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, voor onder meer mishandeling. Er is eerder aan verdachte hulp en steun geboden maar door de kennelijk ongeïnteresseerde houding van verdachte heeft dat weinig of niets opgeleverd. Er is bij verdachte mogelijk sprake van een stoornis die relevant zou kunnen zijn voor de feiten die hem thans verweten worden.
Dat alles pleit niet voor schorsing van de voorlopige hechtenis.
Daar staat het volgende tegenover.
Verdachte maakt kennelijk deel uit van een overlastgevende groep. Van deze groep gaat, zoals de officier van justitie in haar appelschriftuur optekent, een negatieve invloed uit op verdachte. Verdachte is blijkens het rapport van de reclassering verstandelijk beperkt. Het hof heeft eerder beslist dat jeugdige personen met een verstandelijke beperking die beïnvloedbaar zijn, zo kort mogelijk in een omgeving moeten verblijven waar sprake is van veel negatieve invloed. De penitentiaire inrichting is naar het oordeel van het hof een dergelijke omgeving. Het is derhalve ook in het belang van de samenleving dat de voorlopige hechtenis van de verdachte wordt geschorst om verdere schade in de toekomst te voorkomen. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de rechtbank heeft kunnen beslissen tot schorsing van de voorlopige hechtenis onder de voorwaarden zoals opgenomen in het bevel schorsing. Daarbij heeft het hof in het bijzonder ook gelet op het feit dat verdachte door middel van de bijzondere voorwaarden onder toezicht is gesteld van de reclassering, en dat verdachte elders dan waar hij woonachtig was en zo nodig in een instelling voor beschermd wonen moet verblijven. Naar het oordeel van het hof zijn de aan verdachte opgelegde algemene en bijzondere voorwaarden toereikend om de kans op herhaling in dit geval terug te brengen tot op een voor de samenleving aanvaardbaar niveau.
Het hof wijst af het beroep en bevestigt de beschikking waarvan beroep.
BESCHIKKENDE IN HOGER BEROEP:
Wijst af het hoger beroep.
Bevestigt de beschikking waarvan beroep.
Aldus gedaan op 5 september 2019
door mr. J.T.F.M. van Krieken, voorzitter, mr. M.A.M. Wagemakers en mr. G.P.M.F. Mols, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. R. van Maaren, griffier.
De advocaat-generaal bij dit Gerechtshof brengt vorenstaande beschikking ter kennis van verdachte.
's-Hertogenbosch, 5 september 2019