Het cassatieverzoekschrift is op 4 december 2012, derhalve binnen de in art. 351 lid 5 Fw genoemde cassatietermijn van acht dagen, ter griffie van de Hoge Raad per fax ingekomen.
HR, 01-03-2013, nr. 12/05537
ECLI:NL:HR:2013:BZ0513
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
01-03-2013
- Zaaknummer
12/05537
- Conclusie
Mr. L. Timmerman
- LJN
BZ0513
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Insolventierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:BZ0513, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 01‑03‑2013; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ0513
ECLI:NL:PHR:2013:BZ0513, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 11‑01‑2013
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BZ0513
- Vindplaatsen
Uitspraak 01‑03‑2013
1 maart 2013
Eerste Kamer
12/05537
RM/IF
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.
Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaak 10/999 R van de rechtbank Breda van 8 oktober 2012;
b. de beschikking in de zaak HV 200.115.053/01 van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 28 november 2012.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op grond van art. 80a RO.
De advocaat van [verzoeker] heeft op 23 januari 2012 schriftelijk op dat standpunt gereageerd.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 2).
De Hoge Raad zal daarom - gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal - het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren C.E. Drion en A.H.T. Heisterkamp, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 1 maart 2013.
Conclusie 11‑01‑2013
Mr. L. Timmerman
Partij(en)
12/05537
Mr. L. Timmerman
Parket: 11 januari 2013
Conclusie inzake:
[Verzoeker]
verzoeker tot cassatie
1.
Bij vonnis van 20 december 2010 is ten aanzien van [verzoeker] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken. Bij vonnis van 8 oktober 2012 heeft de rechtbank Breda het verzoek van de bewindvoerder d.d. 13 juli 2012 tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling toegewezen op de grond dat [verzoeker] een of meer van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt of door zijn doen of nalaten de uitvoering van de schuldsaneringsregeling anderszins belemmert dan wel frustreert en tracht zijn schuldeisers te benadelen. Op het hiertegen ingestelde beroep heeft het hof 's-Hertogenbosch bij arrest van 28 november 2012 het vonnis bekrachtigd. Het hof komt kort gezegd en voor zover in cassatie van belang tot het oordeel dat 1. [verzoeker] in weerwil van zijn spontane informatieplicht tegenover de bewindvoerder heeft verzwegen dat hij zowel vóór als tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling over een lange periode heeft samengewoond met een partner die over een eigen inkomen beschikte, en dat (2) [verzoeker] in hoger beroep niet weersproken heeft dat hij zonder toestemming van de bewindvoerder gedurende een periode permanent in België heeft gewoond (rov. 3.4.2). Deze schendingen van de informatieverplichting vormen volgens het hof voldoende grond om de schuldsaneringsregeling te beëindigen (rov. 3.4.3). Daarbij komt evenwel dat (3) [verzoeker] gedurende langere tijd bepaalde werkzaamheden in een parenclub heeft verricht zonder dit aan de bewindvoerder te melden, hetgeen eveneens een grond vormt om de schuldsaneringsregeling wegens schending van de informatieplicht te beëindigen. [Verzoeker] diende hiervan melding te maken, zelfs al zouden de werkzaamheden een vriendendienst in de privésfeer hebben betroffen, teneinde de bewindvoerder en de rechter-commissaris in staat te stellen om in het licht van de op [verzoeker] in het kader van de schuldsaneringsregeling rustende verplichtingen (waaronder in het algemeen ook de arbeidsplicht) zelfstandig te beoordelen, wat het karakter en de omvang van deze werkzaamheden is en of deze werkzaamheden zich met de aard van de schuldsaneringsregeling verdragen. Overigens overweegt het hof dat ook al zou [verzoeker] slechts werkzaamheden hebben verricht om de entree van de parenclub te kunnen betalen zodat het slechts om fictieve inkomsten zou gaan, het daarmee feitelijk nog wel steeds om werkzaamheden en inkomsten gaat. Dat die inkomsten vervolgens zouden zijn besteed aan een bepaald doel, maakt nog niet dat het daarmee geen inkomen is. Inherent aan het hebben van inkomen is nu juist dat het aan bepaalde doelen kan worden besteed. [Verzoeker] had met het oog op de belangen van zijn schuldeisers er voor kunnen en moeten kiezen om door middel van werk daadwerkelijk inkomen te genereren. Daarmee zou hij blijk hebben gegeven van een saneringsgezinde houding.
2.
Van dit arrest is [verzoeker] tijdig1. in cassatie gekomen. Het eerste cassatiemiddel komt op tegen 's hofs oordeel dat het niet melden van het samenwonen met zijn partner en van de "inkomsten" uit werkzaamheden in de parenclub, schendingen vormen van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende informatieplicht. Het middel, dat betoogt dat dit oordeel in strijd komt met verschillende grondrechten, kan klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden. Inherent aan de schuldsaneringsregeling is immers dat degene die toelating verzoekt, zich tot op zekere hoogte een inbreuk op zijn privéleven moet laten welgevallen. Aangezien de beëindiging van de schuldsaneringsregeling zelfstandig wordt gedragen door de schending van de informatieplicht terzake van de voornoemde werkzaamheden en de tegen dat oordeel gerichte klacht geen doel treft, heeft [verzoeker] geen belang meer bij bespreking van de overige klachten.
Conclusie
3.
Deze conclusie strekt tot het niet ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op grond van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 11‑01‑2013
Het cassatieverzoekschrift is op 4 december 2012, derhalve binnen de in art. 351 lid 5 Fw genoemde cassatietermijn van acht dagen, ter griffie van de Hoge Raad per fax ingekomen.