Procestaal: Engels.
HvJ EU, 23-04-2026, nr. C-457/23 P
ECLI:EU:C:2026:331
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
23-04-2026
- Magistraten
C. Lycourgos, O. Spineanu-Matei, S. Rodin, N. Piçarra, N. Fenger
- Zaaknummer
C-457/23 P
- Roepnaam
Deutsche Lufthansa/Ryanair and Condor Flugdienst
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2026:331, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 23‑04‑2026
Uitspraak 23‑04‑2026
Inhoudsindicatie
Hogere voorziening — Staatssteun — Artikel 107, lid 3, onder b), VWEU — Duitse markt voor luchtvervoer — Steun die door de Bondsrepubliek Duitsland in het kader van de COVID-19-pandemie aan een luchtvaartmaatschappij is toegekend — Tijdelijke kaderregeling inzake staatssteun — Herkapitalisatie van Deutsche Lufthansa AG — Besluit van de Europese Commissie om geen bezwaar te maken — Steun die bestemd is om een ernstige verstoring van de economie te verhelpen
C. Lycourgos, O. Spineanu-Matei, S. Rodin, N. Piçarra, N. Fenger
Partij(en)
In zaak C-457/23 P *
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 20 juli 2023,
Deutsche Lufthansa AG, gevestigd te Keulen (Duitsland), aanvankelijk vertegenwoordigd door J. Burger, H.-J. Niemeyer, C. Sielmann en C. Wilken, Rechtsanwälte, en vervolgens door P. Heuser, H.-J. Niemeyer, C. Sielmann en M. Wilken, Rechtsanwälte,
rekwirante,
andere partijen in de procedure:
Ryanair DAC, gevestigd te Swords (Ierland), aanvankelijk vertegenwoordigd door F.-C. Laprévote en E. Vahida, avocats, D. Pérez de Lamo en S. Rating, abogados, en vervolgens door F.-C. Laprévote en E. Vahida, avocats, en S. Rating, abogado,
Condor Flugdienst GmbH, gevestigd te Neu-Isenburg (Duitsland), aanvankelijk vertegenwoordigd door A. Israel en J. Lang, Rechtsanwälte, G. J. Dietrich, barrister, E. Wright, avocate, vervolgens door A. Israel en J. Lang, Rechtsanwälte, en G. J. Dietrich, barrister, vervolgens door A. Israel en J. Lang, Rechtsanwälte, T. Peevska, avocate, en ten slotte door A. Israel en J. Lang, Rechtsanwälte, en M. Álvarez-Requejo Heredero, abogada,
verzoeksters in eerste aanleg,
Europese Commissie, vertegenwoordigd door L. Flynn, J. Carpi Badía en F. Tomat als gemachtigden,
verweerster in eerste aanleg,
Bondsrepubliek Duitsland, aanvankelijk vertegenwoordigd door J. Möller en P.-L. Krüger, en vervolgens door J. Möller, als gemachtigden,
Franse Republiek,
interveniënten in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: C. Lycourgos, kamerpresident, O. Spineanu-Matei, S. Rodin (rapporteur), N. Piçarra en N. Fenger, rechters,
advocaat-generaal: A. Biondi,
griffier: M. Longar, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 7 mei 2025,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 oktober 2025,
het navolgende
Arrest
1
Met haar hogere voorziening verzoekt Deutsche Lufthansa AG (hierna: ‘DLH’) om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 10 mei 2023, Ryanair en Condor Flugdienst/Commissie (Lufthansa; COVID-19) (T-34/21 en T-87/21, EU:T:2023:248; hierna: ‘bestreden arrest’), waarbij het Gerecht besluit C(2020) 4372 final van de Commissie van 25 juni 2020 betreffende steunmaatregel SA.57153 (2020/N) — Duitsland — COVID-19 — Steunmaatregel ten gunste van Lufthansa, zoals gerectificeerd bij besluit C(2021) 9606 final van de Commissie van 14 december 2021 (hierna: ‘litigieus besluit’) nietig heeft verklaard.
Toepasselijke bepalingen
Verordening nr. 95/93
2
Artikel 2 van verordening (EEG) nr. 95/93 van de Raad van 18 januari 1993 betreffende gemeenschappelijke regels voor de toewijzing van ‘slots’ op communautaire luchthavens (PB 1993, L 14, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 793/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 (PB 2004, L 138, blz. 50), bepaalt:
‘In deze verordening wordt verstaan onder:
- a)
‘slot’: door een coördinator overeenkomstig deze verordening gegeven toestemming om op een welbepaalde datum en tijd de gehele voor de uitvoering van een luchtdienst noodzakelijke luchthaveninfrastructuur op een gecoördineerde luchthaven te gebruiken om te landen of op te stijgen, zoals toegewezen door een coördinator overeenkomstig deze verordening;
[…]’
Tijdelijke kaderregeling
3
Mededeling (2020/C 91 I/01) van de Europese Commissie betreffende de tijdelijke kaderregeling inzake staatssteun ter ondersteuning van de economie vanwege de huidige COVID-19-uitbraak (PB 2020, C 91 I, blz. 1) is op 20 maart 2020 bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en daarna zeven keer gewijzigd. De punten 44, 49, 51, 54, 59, 60 tot en met 63, 67 tot en met 70 en 72 van deze mededeling, zoals gewijzigd bij mededeling (2020/C-164/03) van de Commissie van 8 mei 2020 (PB 2020, C 164, blz. 3) (hierna: ‘tijdelijke kaderregeling’), bepaalden het volgende:
‘3.11. Herkapitalisatiemaatregelen
- 44.
Deze tijdelijke kaderregeling stelt op grond van de EU-staatssteunregels de criteria vast op basis waarvan de lidstaten in de vorm van eigenvermogens- en/of hybride kapitaalinstrumenten overheidssteun mogen verschaffen aan ondernemingen die als gevolg van de COVID‐19-uitbraak met financiële moeilijkheden worden geconfronteerd. Doel ervan is te voorkomen dat ondernemingen die vóór de COVID‐19-uitbraak levensvatbaar waren, door de disruptie van de economie de markt verlaten terwijl dat eigenlijk niet hoefde. Herkapitalisaties mogen dus niet hoger zijn dan het minimum dat noodzakelijk is om de levensvatbaarheid van de begunstigde ervan te garanderen, en mogen niet verder gaan dan het herstel van de kapitaalstructuur van de begunstigde zoals die bestond vóór de COVID‐19uitbraak. Grote ondernemingen moeten verslag uitbrengen over de wijze waarop de ontvangen steun hun activiteiten ondersteunt in overeenstemming met de EU-doelstellingen en nationale verplichtingen met betrekking tot de groene en digitale transformatie, waaronder de EU-doelstelling van klimaatneutraliteit tegen 2050.
[…]
3.11.2. Voorwaarden om in aanmerking te komen en toegangsvoorwaarden
- 49.
De COVID-19-herkapitalisatiemaatregel moet aan de volgende voorwaarden voldoen:
- a)
zonder de maatregel van de Staat zou de begunstigde failliet gaan of ernstige moeilijkheden ondervinden om zijn activiteiten te handhaven. Deze moeilijkheden mogen worden aangetoond door de verslechtering van met name de verhouding tussen het vreemd en het eigen vermogen van de begunstigde of vergelijkbare indicatoren;
[…]
- c)
de begunstigde is niet in staat om tegen betaalbare voorwaarden financiering op de markten te vinden en de horizontale maatregelen die in de betrokken lidstaat bestaan om liquiditeitsbehoeften te dekken, zijn ontoereikend om zijn levensvatbaarheid te garanderen, […]
[…]
[…]
- 51.
De voorschriften van dit punt en van de punten 3.11.4, 3.11.5, 3.11.6 en 3.11.7 zijn zowel op regelingen als op individuele steunmaatregelen voor COVID‐19-herkapitalisatie van toepassing. Bij de goedkeuring van een regeling zal de Commissie verlangen dat individuele steun boven de drempel van 250 miljoen EUR afzonderlijk wordt aangemeld. Met betrekking tot dergelijke aanmeldingen zal de Commissie beoordelen of de bestaande financiering op de markt of de horizontale maatregelen ter dekking van liquiditeitsbehoeften ontoereikend zijn om de levensvatbaarheid van de onderneming te garanderen; of de gekozen herkapitalisatie-instrumenten en de daaraan verbonden voorwaarden geschikt zijn om de ernstige moeilijkheden van de begunstigde aan te pakken; of de steun evenredig is; en of aan de voorwaarden in dit punt en in de punten 3.11.4, 3.11.5, 3.11.6 en 3.11.7 is voldaan.
[…]
3.11.4. Bedrag van de herkapitalisatie
- 54.
Om de evenredigheid van de steun te waarborgen, mag het bedrag van de COVID‐19herkapitalisatie niet meer bedragen dan het minimum dat nodig is om de levensvatbaarheid van de begunstigde te garanderen, en mag het niet verder gaan dan het herstellen van de kapitaalstructuur van de begunstigde tot die van vóór de COVID‐19-uitbraak, d.w.z. de situatie op 31 december 2019. Bij de beoordeling van de evenredigheid van de steun moet rekening worden gehouden met staatssteun die in de context van de COVID-19-uitbraak ontvangen of gepland is.
[…]
3.11.5. Vergoeding en exit van de staat
Algemene beginselen
[…]
- 59.
Als alternatief voor de hieronder vastgestelde vergoedingsmethoden mogen de lidstaten regelingen of individuele maatregelen aanmelden waarin de vergoedingsmethode is aangepast aan de kenmerken en de rang van het kapitaalinstrument, op voorwaarde dat deze alles bij elkaar genomen tot een soortgelijke uitkomst leiden wat de stimulerende effecten op de exit van de Staat betreft, en tot een vergelijkbare algemene impact op de vergoeding van de Staat.
Vergoeding voor eigenvermogensinstrumenten
- 60.
Een kapitaalinjectie door de Staat, of een gelijkwaardige maatregel, moet plaatsvinden tegen een prijs die niet hoger is dan de gemiddelde koers van het aandeel van de begunstigde in de 15 dagen die voorafgaan aan het verzoek om de kapitaalinjectie. Als de begunstigde geen beursgenoteerde onderneming is, moet een schatting van zijn marktwaarde worden gemaakt door een onafhankelijke deskundige of op een andere evenredige manier.
- 61.
Elke herkapitalisatiemaatregel moet een verhogingsmechanisme met oplopende vergoeding van de Staat omvatten, zodat de begunstigde ertoe wordt gestimuleerd de kapitaalinjecties van de Staat terug te kopen. Deze verhoging van de vergoeding kan plaatsvinden door aan de Staat extra aandelen toe te kennen, of door middel van andere mechanismen, en moet overeenstemmen met een verhoging van de vergoeding van de Staat met ten minste 10 % (voor de door de COVID‐19eigenvermogensinjectie door de Staat verkregen deelneming die niet is terugbetaald), voor elk van de oplopende trappen:
- a)
als de Staat vier jaar na de COVID‐19-eigenvermogensinjectie niet ten minste 40 procent van zijn door deze eigenvermogensinjectie verkregen deelneming in het eigen vermogen heeft verkocht, zal het verhogingsmechanisme worden geactiveerd;
- b)
als de Staat zes jaar na de COVID‐19-eigenvermogensinjectie zijn door deze eigenvermogensinjectie verkregen deelneming in het eigen vermogen nog niet volledig heeft verkocht, zal het verhogingsmechanisme opnieuw worden geactiveerd.
Als de begunstigde geen beursgenoteerde onderneming is, mogen de lidstaten besluiten elk van de twee stappen één jaar later uit te voeren, namelijk vijf jaar respectievelijk zeven jaar na de toekenning van de COVID‐19-eigenvermogensinjectie.
- 62.
De Commissie kan alternatieve mechanismen aanvaarden, op voorwaarde dat deze alles bij elkaar genomen tot een soortgelijke uitkomst leiden wat de stimulerende effecten op de exit van de Staat betreft, en tot een vergelijkbare algemene impact op de vergoeding van de Staat.
- 63.
De begunstigde moet te allen tijde de mogelijkheid hebben om het eigenvermogensbelang dat de Staat heeft verworven, terug te kopen. Om te garanderen dat de Staat een passende vergoeding voor de investering ontvangt, moet de terugkoopprijs het hoogste bedrag zijn van i) de nominale investering door de Staat, vermeerderd met een jaarlijkse rentevergoeding die 200 basispunten hoger is dan vermeld in de onderstaande tabel, of ii) de marktprijs op het moment van de terugkoop.
[…]
Vergoeding voor hybride kapitaalinstrumenten
[…]
- 67.
De omzetting van hybride kapitaalinstrumenten in eigen vermogen moet plaatsvinden tegen 5 procent of meer onder TERP (Theoretical Ex-Rights Price — theoretische ex-rechten prijs) op het moment van de omzetting.
- 68.
Na de omzetting in eigen vermogen moet in een verhogingsmechanisme worden voorzien met oplopende vergoeding van de Staat, zodat de begunstigden ertoe worden aangezet om de kapitaalinjecties door de Staat terug te kopen. Als het door de COVID‐19-maatregel door de Staat verkregen eigen vermogen twee jaar na de omzetting in eigen vermogen nog altijd in handen is van de Staat, moet de Staat een extra eigendomsbelang in de begunstigde ontvangen bovenop zijn resterende deelneming als gevolg van de omzetting door de Staat van de COVID‐19-hybride kapitaalinstrumenten. Dit extra eigendomsbelang moet ten minste 10 procent bedragen van de resterende deelneming als gevolg van de omzetting door de Staat van de COVID‐19-hybride kapitaalinstrumenten. De Commissie kan alternatieve verhogingsmechanismen aanvaarden, op voorwaarde dat deze hetzelfde stimulerende effect en een vergelijkbare algemene impact op de vergoeding van de Staat hebben.
- 69.
De lidstaten mogen een beprijzingsformule kiezen die daarnaast ook aanvullende clausules voor oplopende vergoedingen of terugbetaling bevat. Deze kenmerken moeten zodanig worden ontworpen dat zij de begunstigde ertoe aanzetten om de herkapitalisatiesteun van de Staat vroegtijdig te beëindigen. De Commissie kan ook alternatieve beprijzingsmethoden aanvaarden, op voorwaarde dat deze resulteren in vergoedingen die hoger zijn dan, of vergelijkbaar met, de volgens de bovenstaande methode berekende vergoedingen.
- 70.
Aangezien hybride instrumenten sterk van aard uiteenlopen, biedt de Commissie geen richtsnoeren voor alle soorten instrumenten. Hybride instrumenten moeten in elk geval de bovenvermelde beginselen volgen en de verschuldigde vergoeding moet het risico van het specifieke instrument weerspiegelen.
[…]
- 72.
Als de begunstigde van een COVID‐19-herkapitalisatiemaatregel van meer dan 250 miljoen EUR een onderneming is met aanzienlijke marktmacht op ten minste één van de relevante markten waarop zij actief is, moeten de lidstaten aanvullende maatregelen voorstellen om de daadwerkelijke mededinging op die markten te vrijwaren. […]’
Voorgeschiedenis van het geding en litigieus besluit
4
De voorgeschiedenis van het geding, zoals deze blijkt uit het bestreden arrest, kan als volgt worden samengevat.
5
DLH is de moedermaatschappij die aan het hoofd staat van de Lufthansa-groep, die onder meer de luchtvaartmaatschappijen Lufthansa Passenger Airlines, Brussels Airlines SA/NV, Austrian Airlines AG, Swiss International Air Lines Ltd en Edelweiss Air AG omvat.
6
Op 12 juni 2020 heeft de Bondsrepubliek Duitsland bij de Commissie overeenkomstig artikel 108, lid 3, VWEU een ontwerp van een individuele steunmaatregel in de vorm van een herkapitalisatie van 6 miljard EUR ten gunste van DLH aangemeld (hierna: ‘maatregel in kwestie’).
7
De maatregel in kwestie, die was gebaseerd op artikel 107, lid 3, onder b), VWEU en de tijdelijke kaderregeling, had tot doel de balanspositie en de liquiditeit van de ondernemingen van de Lufthansa-groep te herstellen in de uitzonderlijke situatie die het gevolg was van de COVID-19-pandemie. De steun werd voor de Duitse regering gefinancierd en beheerd door het Wirtschaftsstabilisierungsfonds
(economisch stabilisatiefonds, Duitsland; hierna: ‘WSF’), een overheidsinstantie die financiële kortetermijnsteun verleende aan Duitse bedrijven die door de COVID-19-pandemie waren getroffen.
8
De maatregel in kwestie omvatte de volgende drie bestanddelen:
- —
een deelneming in het kapitaal van 306 044 326,40 EUR (hierna: ‘deelneming in het kapitaal’);
- —
een ‘stille deelneming’ van 4 693 955 673,60 EUR, een hybride instrument dat volgens internationale boekhoudnormen wordt behandeld als eigen vermogen (hierna: ‘stille deelneming I’);
- —
een ‘stille deelneming’ van 1 miljard EUR met de kenmerken van een converteerbare obligatie (hierna: ‘stille deelneming II’).
9
De maatregel in kwestie maakte deel uit van een reeks verdergaande steunmaatregelen ten gunste van de Lufthansa-groep, die ten tijde van de vaststelling van het litigieuze besluit als volgt kunnen worden samengevat:
- —
een staatsgarantie van 80 % die de Bondsrepubliek Duitsland voor een lening van 3 miljard EUR aan DLH wilde toekennen in het kader van een steunregeling die reeds door de Commissie was goedgekeurd [besluit C(2020) 1886 final van de Commissie van 22 maart 2020 betreffende steunmaatregel SA.56714 (2020/N) — Duitsland — COVID-19-maatregelen];
- —
een staatsgarantie van 90 % die de Republiek Oostenrijk voor een lening van 300 miljoen EUR aan Austrian Airlines wilde toekennen in het kader van een steunregeling die reeds door de Commissie was goedgekeurd [besluit C(2020) 2354 final van de Commissie van 8 april 2020 betreffende steunmaatregel SA.56840 (2020/N), Oostenrijk COVID-19: Oostenrijkse liquiditeitssteunregeling];
- —
een lening van 150 miljoen EUR die de Republiek Oostenrijk wilde verstrekken aan Austrian Airlines ter vergoeding van de schade die deze luchtvaartmaatschappij had geleden door de annulering of omboeking van haar vluchten ten gevolge van de COVID-19-pandemie;
- —
250 miljoen EUR aan liquiditeiten en een lening van 40 miljoen EUR die het Koninkrijk België voornemens was toe te kennen aan Brussels Airlines, en
- —
een staatsgarantie van 85 % die de Zwitserse Bondsstaat voor een lening van 1,4 miljard EUR heeft toegekend aan Swiss International Air Lines en aan Edelweiss Air.
10
Op 25 juni 2020 heeft de Commissie het litigieuze besluit vastgesteld. Daarbij heeft zij — na tot de slotsom te zijn gekomen dat de maatregel in kwestie staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU vormde en te hebben onderzocht of deze steun verenigbaar was met de interne markt in het licht van de tijdelijke kaderregeling — vastgesteld dat de steunregeling verenigbaar was met de interne markt, overeenkomstig artikel 107, lid 3, onder b), VWEU, en er bijgevolg geen bezwaar tegen gemaakt.
Beroepen bij het gerecht en bestreden arrest
11
Bij verzoekschriften die op respectievelijk 22 januari en 12 februari 2021 bij de griffie van het Gerecht zijn ingediend, hebben Ryanair DAC (hierna: ‘Ryanair’) en Condor Flugdienst GmbH (hierna: ‘Condor’) beroepen ingesteld tot nietigverklaring van het litigieuze besluit.
12
Ter ondersteuning van haar beroep in zaak T-34/21 heeft Ryanair vijf middelen aangevoerd: ten eerste, onjuiste toepassing van de tijdelijke kaderregeling en misbruik van bevoegdheid, ten tweede, onjuiste toepassing van artikel 107, lid 3, onder b), VWEU, ten derde, schending van een aantal bepalingen van het VWEU en van algemene Unierechtelijke beginselen, ten vierde, verzuim van de Commissie om de formele onderzoeksprocedure van artikel 108, lid 2, VWEU in te leiden en ten vijfde, niet-nakoming van de motiveringsplicht.
13
Ter ondersteuning van haar beroep in zaak T-87/21 heeft Condor drie middelen aangevoerd: ten eerste, niet-nakoming door de Commissie van haar verplichting om de formele onderzoeksprocedure van artikel 108, lid 2, VWEU in te leiden, ten tweede, een kennelijke beoordelingsfout doordat de Commissie heeft geoordeeld dat de maatregel in kwestie op grond van artikel 107, lid 3, onder b), VWEU verenigbaar was met de interne markt, en ten derde, niet-nakoming van de motiveringsplicht.
14
Het Gerecht heeft om te beginnen in de punten 15 tot en met 67 van het bestreden arrest de beroepen van Ryanair en Condor ontvankelijk verklaard, aangezien zij ten eerste belanghebbenden waren die een belang hadden bij de waarborging van de procedurele rechten die zij ontlenen aan artikel 108, lid 2, VWEU, en ten tweede hadden aangetoond dat zij rechtstreeks en individueel zijn geraakt door het litigieuze besluit in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU, zodat zij de materiële rechtmatigheid van dat besluit konden betwisten.
15
Vervolgens heeft het Gerecht in de punten 68 tot en met 503 van het bestreden arrest de beroepen ten gronde onderzocht. In een eerste fase heeft het Gerecht, in de punten 70 en 71 van dat arrest, de middelen gegroepeerd die zijn aangevoerd ter ondersteuning van de beroepen, en daarbij met name vastgesteld dat alle vragen die zijn opgeworpen in het eerste middel van het beroep in de zaak T-34/21 en het eerste en het tweede middel van het beroep in de zaak T-87/21 konden worden ingedeeld in zes thematieken, die betrekking hadden op, ten eerste, de vraag of DLH voor de steun in aanmerking kwam, ten tweede, het bestaan van andere geschiktere en minder mededingingsverstorende maatregelen, ten derde, het bedrag van de steun, ten vierde, de vergoeding en de exit van de staat, ten vijfde, het verbod op commerciële uitbreiding die door de maatregel in kwestie wordt gefinancierd en, ten zesde, het bestaan van een aanmerkelijke marktmacht van de begunstigde op de betrokken markten en de structurele toezeggingen.
16
In een tweede fase heeft het Gerecht in de punten 73 tot en met 87 van het bestreden arrest inleidende opmerkingen gemaakt over, ten eerste, de intensiteit waarmee de rechterlijke instanties van de Unie de ingewikkelde economische beoordelingen controleren die de Commissie verricht op het gebied van staatssteun wanneer zij onderzoekt of steunmaatregelen verenigbaar zijn met de interne markt overeenkomstig artikel 107, lid 3, VWEU, en ten tweede, de bewijswaarde van de deskundigenverslagen waarop Ryanair zich heeft gebaseerd in het kader van het beroep in zaak T-34/21.
17
In een derde fase heeft het Gerecht in de punten 88 tot en met 503 van het bestreden arrest de in punt 15 van het onderhavige arrest bedoelde middelen en thematieken onderzocht en geoordeeld dat het litigieuze besluit beoordelingsfouten rechtens bevatte in verband met:
- —
de vraag of de betrokken begunstigde in aanmerking kwam voor de maatregel in kwestie uit hoofde van punt 49, onder c), van de tijdelijke kaderregeling, zoals aangevoerd in het eerste onderdeel van het eerste middel in zaak T-34/21 en tweede onderdeel van het eerste middel in zaak T-87/21 (punten 112–138 van het bestreden arrest);
- —
het ontbreken van een verhogingsmechanisme met oplopende vergoeding van de staat of een soortgelijk mechanisme overeenkomstig de punten 61, 62, 68 en 70 van de tijdelijke kaderregeling, zoals aangevoerd in het vierde onderdeel van het eerste middel in zaak T-34/21 (punten 242–271 van het bestreden arrest);
- —
de prijs van de aandelen bij de omzetting van stille deelneming II overeenkomstig punt 67 van de tijdelijke kaderregeling, zoals aangevoerd in het vierde onderdeel van het eerste middel in zaak T-34/21 (punten 272–288 van het bestreden arrest);
- —
het bestaan van een aanmerkelijke marktmacht op de luchthavens waar DLH een basis heeft (hierna: ‘relevante luchthaven’) andere dan de luchthavens van Frankfurt (Duitsland) en München (Duitsland), en in elk geval de luchthavens van Düsseldorf (Duitsland) en Wenen (Oostenrijk) tijdens het IATA-zomerseizoen 2019, zoals bedoeld in het vijfde onderdeel van het eerste middel in zaak T-34/21 en het eerste onderdeel van het eerste middel in zaak T-87/21 (punten 373–412 van het bestreden arrest), en
- —
aspecten van de toezeggingen, zoals aangevoerd in het vijfde onderdeel van het eerste middel in zaak T-34/21 en eerste onderdeel van het eerste middel in zaak T-87/21 (punten 467–480 en 494–502 van het bestreden arrest).
18
Nadat het Gerecht in punt 505 van het bestreden arrest had geoordeeld dat elk van deze fouten op zichzelf voldoende was om de nietigverklaring van het litigieuze besluit te rechtvaardigen, heeft het dit besluit dan ook nietig verklaard, zonder de overige door verzoeksters aangevoerde middelen en grieven te onderzoeken.
Conclusies van partijen in hogere voorziening
19
Met haar hogere voorziening verzoekt DLH het Hof:
- —
het bestreden arrest te vernietigen;
- —
de beroepen in eerste aanleg te verwerpen, en
- —
Ryanair en Condor te verwijzen in de kosten in verband met de procedure in eerste aanleg en de hogere voorziening.
20
Ryanair en Condor verzoeken het Hof:
- —
de hogere voorziening af te wijzen, en
- —
rekwirante te verwijzen in de kosten.
21
De Commissie verzoekt het Hof:
- —
het bestreden arrest te vernietigen, en
- —
Ryanair en Condor te verwijzen in de kosten in verband met de procedure in eerste aanleg en de hogere voorziening.
22
De Bondsrepubliek Duitsland verzoekt het Hof:
- —
het bestreden arrest te vernietigen;
- —
Ryanair en Condor te verwijzen in de kosten van de procedure in hogere voorziening, en
- —
Ryanair te verwijzen in de kosten van de procedure in eerste aanleg in zaak T-34/21.
Hogere voorziening
23
Ter onderbouwing van haar hogere voorziening voert DLH zes middelen aan. Het eerste middel is ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting, een onjuiste opvatting van de feiten en een schending door het Gerecht van de grenzen van zijn rechterlijke toetsing, doordat het ten onrechte heeft geoordeeld dat de Commissie punt 49, onder c), van de tijdelijke kaderregeling heeft geschonden. Met het tweede middel wordt aangevoerd dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Commissie de punten 62 en 68 van de tijdelijke kaderregeling niet in acht heeft genomen omdat zij niet had geëist dat de deelneming in het kapitaal en stille deelneming II gepaard gaan met een verhogingsmechanisme met oplopende vergoeding van de staat of een soortgelijk mechanisme. Met het derde middel wordt aangevoerd dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Commissie punt 67 van de tijdelijke kaderregeling had geschonden. Het vierde middel houdt in dat het Gerecht in zijn arrest blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen en de grenzen van zijn rechterlijke toetsing heeft overschreden door te oordelen dat de Commissie niet correct had beoordeeld of DLH over een aanmerkelijke marktmacht beschikte op de relevante luchthavens. Met het vijfde middel wordt aangevoerd dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout had begaan doordat zij de concurrenten die reeds een basis hadden op de luchthavens van Frankfurt en München had uitgesloten van de eerste fase van de procedure voor het afstaan van vrij te maken slots. Het zesde middel houdt in dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Commissie haar motiveringsplicht niet is nagekomen omdat zij niet heeft aangegeven waarom het afstaan van de slots van DLH tegen betaling moest gebeuren en geen invloed had op de aantrekkelijkheid van de toezeggingen met betrekking tot de slots.
Eerste middel
Argumenten van partijen
24
Met haar eerste middel, dat bestaat uit drie onderdelen, verwijt DLH het Gerecht, dat het in de punten 112 tot en met 138 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, de feiten onjuist heeft opgevat en de grenzen van de rechterlijke toetsing te buiten is gegaan door te oordelen dat de Commissie punt 49, onder c), van de tijdelijke kaderregeling heeft geschonden omdat zij heeft vastgesteld dat DLH niet in staat was om financiering op de markten te vinden tegen betaalbare voorwaarden, en geen rekening heeft gehouden met alle relevante factoren dienaangaande.
25
Met het eerste onderdeel van het eerste middel betoogt DLH dat het Gerecht de argumenten van de Commissie onjuist heeft opgevat door in punt 125 van het bestreden arrest te oordelen dat overweging 22 van het litigieuze besluit gebaseerd was ‘op het onjuiste uitgangspunt dat de financiering die op de markten kan worden verkregen, noodzakelijkerwijze alle behoeften van de begunstigde diende te dekken’. Alleen op basis van de bewoordingen van deze overweging kan niet worden geconcludeerd dat de Commissie van mening was dat financiering op de particuliere markt noodzakelijkerwijs altijd alle behoeften van de begunstigde diende te dekken.
26
Met het tweede onderdeel van het eerste middel verwijt DLH het Gerecht dat het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 125 en volgende van het bestreden arrest te oordelen dat de Commissie in het stadium van het onderzoek naar de voorwaarden om voor steun in aanmerking te komen op grond van punt 49, onder c), van de tijdelijke kaderregeling diende vast te stellen of een niet-onbelangrijk deel van de financieringsbehoeften van de begunstigde kon worden gedekt door financiering op de markten.
27
Ten eerste is een dergelijke uitlegging in strijd zijn met de ruime en open formulering van punt 49, onder c), van de tijdelijke kaderregeling.
28
Ten tweede blijkt uit deze bewoordingen dat het toepasselijke juridische criterium erin bestaat te beoordelen of de begunstigde niet in staat is om tegen betaalbare voorwaarden financiering op de markten te vinden en of de nationale maatregelen om zijn liquiditeit te herstellen ontoereikendheid zijn om zijn levensvatbaarheid te waarborgen. Er moet dus rekening worden gehouden met alle liquiditeitsbehoeften die de begunstigde heeft aangegeven.
29
Ten derde is het Gerecht in punt 129 van het bestreden arrest voorbijgegaan aan de doelstelling van punt 49, onder c), van de tijdelijke kaderregeling, namelijk het overmatige gebruik van overheidsmiddelen beletten, en heeft het in punt 130 van het bestreden arrest ten onrechte het beginsel van het noodzakelijke minimum, dat typisch is voor de toetsing van de evenredigheid van de maatregel, toegepast in de fase van het onderzoek naar de voorwaarden om voor steun in aanmerking te komen. Daarenboven heeft het Gerecht zijn arrest tegenstrijdig gemotiveerd door in de punten 150 tot en met 217 ervan alle argumenten van de verzoeksters in eerste aanleg in verband met het bedrag van de steun van de hand te wijzen, en in de punten 208 en 217 van het arrest tegelijkertijd te oordelen dat het totaalbedrag van 6 miljard EUR beperkt was tot het minimum dat noodzakelijk was om de levensvatbaarheid van de begunstigde te waarborgen. Tot slot is de uitlegging die het Gerecht van punt 49, onder c), van de tijdelijke kaderregeling heeft gegeven eveneens is strijd met zijn eigen rechtspraak in andere zaken en schendt zij dus het beginsel van gelijke behandeling.
30
Met het derde onderdeel van het eerste middel verwijt DLH het Gerecht ten eerste dat het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en de grenzen van zijn rechterlijke toetsing heeft overschreden door in de punten 117 en 131 tot en met 135 van het bestreden arrest te oordelen dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met alle factoren die vereist zijn in het kader van het onderzoek naar de voorwaarde van punt 49, onder c), van de tijdelijke kaderregeling. Ten tweede heeft het Gerecht in punt 120 van het bestreden arrest het litigieuze besluit, het verweerschrift van de Commissie en de memorie in interventie van DLH onjuist opgevat door te verklaren dat de Commissie en DLH niet de juistheid en de betrouwbaarheid hadden betwist van de gegevens die de deskundige Oxera van Ryanair had voorgelegd in zijn eerste rapport van 21 januari 2021 met als titel ‘Assessment of the Commission's analysis of the proportionality of the aid to DLH’ (beoordeling van het door de Commissie uitgevoerde onderzoek naar de evenredigheid van de aan DLH toegekende steun).
31
De Bondsrepubliek Duitsland en de Commissie sluiten zich in wezen aan bij de argumentatie die DLH in het kader van haar eerste middel heeft aangevoerd en zijn van mening dat dit middel gegrond moet worden verklaard.
32
Ryanair en Condor betwisten dit betoog en stellen dat het eerste middel moet worden afgewezen omdat het, althans gedeeltelijk, niet-ontvankelijk is wat betreft het derde onderdeel van dit middel en, wat Ryanair betreft, ook wat betreft het eerste onderdeel. Volgens deze partijen moet dit middel in elk geval ongegrond worden verklaard. Zij verzoeken in essentie om bevestiging van de gronden van het bestreden arrest waarop dit middel betrekking heeft, aangezien het Gerecht met name de grenzen van zijn rechterlijke toetsing niet heeft overschreden.
Beoordeling door het Hof
33
Vooraf moet worden opgemerkt dat volgens punt 49, onder c), van de tijdelijke kaderregeling een herkapitalisatiemaatregel slechts mogelijk is indien, ten eerste, de begunstigde van een herkapitalisatiemaatregel niet in staat is om tegen betaalbare voorwaarden financiering op de markten te vinden, en dat de horizontale maatregelen die in de betrokken lidstaat bestaan ter dekking van liquiditeitsbehoeften, ontoereikend zijn om zijn levensvatbaarheid te waarborgen.
34
Uit een gezamenlijke lezing van de punten 125 tot en met 132 van het bestreden arrest blijkt dat het Gerecht punt 49, onder c), aldus heeft uitgelegd dat de Commissie bij de beoordeling van de vraag of een begunstigde voldoet aan deze voorwaarde moet onderzoeken of hij een niet-onbelangrijk deel van zijn behoeften kan financieren op de markten of via die horizontale maatregelen.
35
Ter ondersteuning van deze redenering heeft het Gerecht ten eerste in punt 129 van het bestreden arrest in herinnering gebracht dat met punt 49, onder c), van de tijdelijke kaderregeling werd beoogd om de tussenkomst van de staat te beperken tot louter die gevallen waarin de begunstigde niet in staat is om tegen betaalbare voorwaarden financiering op de markten te vinden, en ten tweede in punt 130 van dat arrest in herinnering gebracht dat die bepaling moet worden uitgelegd in het licht van het evenredigheidsbeginsel. Hieruit vloeit volgens het Gerecht voort dat de Commissie verplicht is om te onderzoeken of de begunstigde een niet-onbelangrijk deel van de noodzakelijke financiering op de markten kan aantrekken.
36
In dat verband volgt ten eerste uit een letterlijke uitlegging van punt 49, onder c), van de tijdelijke kaderregeling in zijn geheel dat daarmee wordt beoogd om ondernemingen die zonder een herkapitalisatiemaatregel of dankzij de bestaande horizontale maatregelen in de betrokken lidstaat in staat zijn om daadwerkelijk een afdoende financiering op de markten te verkrijgen, uit de sluiten van de kring van begunstigden van een dergelijke maatregel.
37
Ten tweede moet worden opgemerkt dat dit punt is opgenomen in onderafdeling 3.11.2 van de tijdelijke kaderregeling, die betrekking heeft op de voorwaarden om voor steun in aanmerking te komen en de toegangsvoorwaarden. De in punt 33 van het onderhavige arrest omschreven voorwaarde sluit daarmee aan bij andere voorwaarden, zoals de voorwaarde in punt 49, onder a), van de tijdelijke kaderregeling, volgens welke de begunstigde zonder de maatregel van de staat failliet zou gaan of ernstige moeilijkheden zou ondervinden om zijn activiteiten te handhaven. Bijgevolg moet worden geoordeeld dat de in punt 49, onder c), van de tijdelijke kaderregeling neergelegde voorwaarde verband houdt met het bestaan van een financieringsbehoefte om de levensvatbaarheid van de onderneming te garanderen, die niet tegen betaalbare voorwaarden op de markt of via nationale horizontale maatregelen kan worden gedekt.
38
Deze uitlegging vindt steun in de derde volzin van punt 51 van de tijdelijke kaderregeling, die — hoewel deze alleen betrekking heeft op kennisgevingen van lidstaten betreffende individuele steunmaatregelen met een bedrag boven de drempel van 250 000 000 EUR — de voorwaarde uit punt 49, onder c), van de tijdelijke kaderregeling overneemt en verduidelijkt door aan te geven dat de financieringsmogelijkheden van de begunstigde van de steun of de bestaande horizontale maatregelen om in zijn liquiditeitsbehoeften te voorzien, ontoereikend moeten zijn om zijn levensvatbaarheid te waarborgen.
39
Ten derde volgt uit punt 54 van de tijdelijke kaderregeling, dat is opgenomen in onderafdeling 3.11.4 ervan, met als opschrift ‘Bedrag van de herkapitalisatie’, dat het bedrag van de maatregel om het evenredigheidsbeginsel te eerbiedigen niet hoger mag zijn dan het minimum dat noodzakelijk is om de levensvatbaarheid van de begunstigde te garanderen. De vraag of de begunstigde in aanmerking komt in het licht van de in punt 49 van de tijdelijke kaderregeling vastgestelde voorwaarden moet worden onderscheiden van de toetsing van de evenredigheid van het bedrag van de steun, die wordt verricht krachtens artikel 54 van die kaderregeling. Punt 51 van de tijdelijke kaderregeling maakt overigens een expliciet onderscheid tussen enerzijds de toelatingsvoorwaarde, op grond waarvan de financieringsmogelijkheden van de begunstigde van de steun of de bestaande horizontale maatregelen om zijn liquiditeit te herstellen ontoereikend moeten zijn om zijn levensvatbaarheid te garanderen, en anderzijds het vereiste dat de steun evenredig moet zijn.
40
Uit een letterlijke en contextuele uitlegging van punt 49, onder c), van de tijdelijke kaderregeling volgt dan ook dat dit punt aldus moet worden uitgelegd dat een onderneming slechts in aanmerking kan komen voor een herkapitalisatiemaatregel indien er een financieringsbehoefte bestaat, waarbij het in dit stadium van de beoordeling door de Commissie niet vereist is dat zij het precieze bedrag van de financiering die via een dergelijke maatregel moet worden verstrekt evalueert, en dus evenmin dat zij vaststelt of de begunstigde zich kan wenden tot de markten of een beroep kan doen op horizontale maatregelen om een al dan niet onbelangrijk deel van haar financieringsbehoeften te dekken.
41
Het Gerecht heeft weliswaar terecht opgemerkt dat punt 49, onder c), van de tijdelijke kaderregeling tot doel heeft de herkapitalisatiemaatregelen uitsluitend ten goede laten komen aan ondernemingen die geen financiering kunnen vinden, maar de overwegingen in de punten 129 en 130 van het bestreden arrest, volgens welke dit doel zou worden bedreigd als publieke middelen zouden worden ingezet om behoeften te financieren die gedeeltelijk op de markten kunnen worden gefinancierd, hebben betrekking op de beoordeling van het bedrag van de steun, en niet op de beoordeling van de vraag of de begunstigde voor de steun in aanmerking kwam. Dit geldt eveneens voor de overwegingen in verband met het evenredigheidsbeginsel.
42
Hieruit volgt dat het Gerecht blijkt heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 132 en 137 van het bestreden arrest te oordelen dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met alle factoren die relevant zijn voor het onderzoek van de voorwaarde van punt 49, onder c), van de tijdelijke kaderregeling omdat zij niet heeft onderzocht of de begunstigde de noodzakelijke financiering — al was het maar deels — kon verkrijgen op de markten.
43
Daarenboven heeft het Gerecht in de punten 123 en 124 van het bestreden arrest weliswaar geoordeeld dat de Commissie niet heeft onderzocht of er garanties bestonden waardoor DLH op de markten een financiering kon verkrijgen die aan haar behoeften voldeed, maar volgt uit de feitelijke vaststellingen in punt 119 van het bestreden arrest dat DLH hoe dan ook, door haar vliegtuigen en reserveonderdelen als onderpand te gebruiken, slechts een bedrag van 1 tot 3,7 miljard EUR had kunnen verkrijgen op de markten ter dekking van liquiditeitsbehoeften, die, zoals vermeld in punt 115 van het bestreden arrest, in het litigieuze besluit waren geschat op bijna 9 miljard EUR. In die omstandigheden is het feit dat de Commissie niet zou hebben onderzocht of er garanties bestonden op basis waarvan DLH een financiering kon verkrijgen op de markten in casu irrelevant voor het onderzoek van de vraag of de begunstigde op grond van punt 49, onder c), van de tijdelijke kaderregeling in aanmerking kwam voor de steun.
44
Uit het voorgaande volgt dat het tweede onderdeel van het eerste middel gegrond is. Bijgevolg moet dit middel worden toegewezen, zonder dat het nodig is de overige onderdelen ervan te onderzoeken, en dus evenmin de daarmee samenhangende ontvankelijkheidsvragen.
Tweede middel
Argumenten van partijen
45
Met het tweede middel, dat uit twee onderdelen bestaat, betoogt DLH dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 242 tot en met 271 van het bestreden arrest te oordelen dat de Commissie met name de punten 61, 62, 68 en 70 van de tijdelijke kaderregeling niet in acht heeft genomen omdat zij niet heeft geëist dat de deelneming in het kapitaal en stille deelneming II gepaard gingen met een verhogingsmechanisme met oplopende vergoeding of een soortgelijk mechanisme.
46
Met het eerste onderdeel van het tweede middel betoogt DLH dat de Commissie, anders dan het Gerecht heeft geoordeeld in de punten 252 tot en met 263 van het bestreden arrest, terecht heeft vastgesteld dat de deelneming in het kapitaal — gelet op de globale structuur van de herkapitalisatiemaatregelen en hun onderling samenhangende bestanddelen — gepaard ging met een soortgelijk mechanisme als het verhogingsmechanisme met oplopende vergoeding van de staat.
47
Ten eerste is de benadering van het Gerecht dienaangaande wat betreft de uitlegging van punt 62 van de tijdelijke kaderregeling onjuist en formalistisch, omdat het met name in punt 263 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat de Commissie geen rekening kon houden met de gecombineerde gevolgen van de herkapitalisatiemaatregelen voor de stimulerende effecten op de exit van de staat uit het kapitaal van DLH. Deze uitlegging is in strijd met punt 59 van de tijdelijke kaderregeling, waarin met name ‘[alternatieven] voor de hieronder vastgestelde vergoedingsmethoden’ worden toegestaan. Door een dergelijke uitlegging te hanteren is het Gerecht voorbijgegaan aan de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de Commissie beschikt bij complexe economische beoordelingen, en heeft het de grenzen van zijn rechterlijke toetsing overschreden.
48
Ten tweede betoogt DLH dat het Gerecht in de punten 254 tot en met 256 van het bestreden arrest ten onrechte heeft geoordeeld dat de aanzienlijke korting waarmee de staat een belang had genomen in het kapitaal van DLH geen voldoende nauw verband hield met het voorwerp en het doel van het verhogingsmechanisme met oplopende vergoeding van de staat. Het Gerecht heeft met name blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 255 van het bestreden arrest te oordelen dat het extra eigendomsbelang dat de staat had verworven in die onderneming en de corresponderende vergoeding niet in aanmerking konden worden genomen om de eenvoudige reden dat de oorspronkelijke aankoopprijs werd geregeld door punt 60 van de tijdelijke kaderregeling. Bovendien stelt DLH dat het Gerecht het doel van de punten 60 tot en met 62 van de tijdelijke kaderregeling heeft verdraaid door in punt 256 van het bestreden arrest te overwegen dat andere verhogingsmechanismen met oplopende vergoeding van de staat ook systematisch een vergoeding moeten omvatten die in de tijd toeneemt en de tijdige exit van de staat ex post moeten stimuleren. DLH voegt daaraan toe dat een verhogingsmechanisme met oplopende vergoeding van de staat zoals opgenomen in punt 61 van de tijdelijke kaderregeling, niet als zodanig op de deelneming in het kapitaal kon worden toegepast. Bovendien heeft het Gerecht volgens DLH blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 260 van het bestreden arrest tot de slotsom te komen dat de Commissie bij haar beoordeling op grond van punt 62 van de tijdelijke kaderregeling geen rekening mocht houden met de stijgende rentevoeten van de stille deelnemingen I en II. Tot slot heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door op soortgelijke wijze vast te stellen dat de in onderafdeling 3.11.6 van de tijdelijke kaderregeling bedoelde gedragstoezeggingen niet in aanmerking konden worden genomen bij de beoordeling op grond van punt 62 van de tijdelijke kaderregeling.
49
Met het tweede onderdeel van het tweede middel betoogt DLH dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 265 en volgende van het bestreden arrest te oordelen dat stille deelneming II na omzetting ervan in eigen vermogen evenmin gepaard ging met een ‘ander verhogingsmechanisme met oplopende vergoeding van de staat’ in de zin van punt 68 van de tijdelijke kaderregeling. In dit verband heeft het Gerecht met name in punt 266 van het bestreden arrest ten onrechte geoordeeld dat punt 70 van de tijdelijke kaderregeling in casu niet relevant was. Volgens DLH wordt in dat punt bepaald dat de Commissie de in de andere punten van de tijdelijke kaderregeling neergelegde algemene beginselen moet naleven en dat zij — gelet op de zeer uiteenlopende aard van de hybride instrumenten en de ruime beoordelingsbevoegdheid die de Commissie heeft om deze te onderzoeken — eveneens geval per geval het risico van de hybride instrumenten moet beoordelen.
50
Hoe dan ook had de Commissie in overweging 161 van het litigieuze besluit rechtsgeldig kunnen vaststellen dat de bedragen van de vergoedingen voor de stille deelnemingen I en II, de aanzienlijke korting waarin zowel de effecten van een ‘ongewenst’ hoger eigendomsbelang als de extra stimulerende effecten op de uitstap waren verwerkt, het risico weerspiegelden in verband met stille deelneming II na de omzetting ervan in eigen vermogen, en dat deze onderling verbonden bestanddelen van de herkapitalisatiemaatregel een ‘alternatief mechanisme’ in de zin van punt 68 van de tijdelijke kaderregeling vormden, ook wat betreft stille deelneming II.
51
De Bondsrepubliek Duitsland en de Commissie sluiten zich in wezen aan bij de argumentatie die DLH in het kader van haar tweede middel heeft aangevoerd en zijn van mening dat dit middel gegrond moet worden verklaard.
52
Ryanair en Condor betwisten dat betoog, waarbij Condor stelt dat het tweede middel op zijn minst gedeeltelijk niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat, anders dan DLH beweert, de Commissie geen ruime beoordelingsbevoegdheid heeft op grond van de tijdelijke kaderregeling en dat er hoe dan ook geen ingewikkelde economische evaluatie moest worden verricht. Ten gronde moet dit middel volgens deze partijen als ongegrond worden afgewezen. Zij verzoeken in essentie om bevestiging van de gronden van het bestreden arrest waarop dit middel betrekking heeft, aangezien het Gerecht met name de grenzen van de rechterlijke toetsing die hij moet uitoefenen niet heeft overschreden.
Beoordeling door het Hof
53
Om te beginnen moet de grief van Condor die is gebaseerd op de gedeeltelijke niet-ontvankelijkheid van het tweede middel worden afgewezen. In essentie verwijt DLH het Gerecht met dit middel namelijk dat het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in te grijpen in de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de Commissie volgens DLH beschikt. De vraag of de Commissie al dan niet over een dergelijke beoordelingsbevoegdheid beschikte en in het kader daarvan ingewikkelde economische evaluaties moest verrichten, betreft het onderzoek ten gronde van die aangevoerde onjuiste rechtsopvatting, waarvoor het Hof bevoegd is in het stadium van de hogere voorziening. Hieruit volgt dat het tweede middel in zijn geheel ontvankelijk is.
54
Ten gronde moet worden benadrukt dat wat eigenvermogensinstrumenten betreft, uit punt 61 van de tijdelijke kaderregeling volgt dat elke herkapitalisatiemaatregel een verhogingsmechanisme met oplopende vergoeding van de staat moet omvatten, zodat de begunstigde wordt gestimuleerd om de kapitaalinjecties van de staat terug te kopen. Dit mechanisme kan de vorm aannemen van aan de staat toegekende extra aandelen, of andere vormen, en moet overeenstemmen met een verhoging van ten minste 10 % van de vergoeding voor de staat bij elke verhoging, vier jaar na de kapitaalinjectie indien de staat niet ten minste 40 % van zijn deelneming heeft verkocht, en zes jaar na de kapitaalinjectie indien de staat niet zijn volledige met de kapitaalinjectie overeenstemmende deelneming heeft verkocht. Overeenkomstig punt 62 van de tijdelijke kaderregeling kan de Commissie alternatieve mechanismen aanvaarden, op voorwaarde dat deze alles bij elkaar genomen tot een soortgelijke uitkomst leiden wat de stimulerende effecten op de exit van de staat betreft, en tot een vergelijkbare algemene impact op de vergoeding van de staat.
55
Wat betreft de hybride instrumenten volgt uit punt 68 van de tijdelijke kaderregeling dat na de omzetting in eigen vermogen moet worden voorzien in een verhogingsmechanisme met oplopende vergoeding van de staat, zodat de begunstigden ertoe worden aangezet om de kapitaalinjecties door de staat terug te kopen. Als het door de maatregel door de staat verkregen eigen vermogen twee jaar na de omzetting in eigen vermogen nog altijd in handen is van de staat, moet de staat een belang in de begunstigde ontvangen bovenop zijn resterende deelneming als gevolg van de omzetting door de staat van de hybride kapitaalinstrumenten. Dit extra eigendomsbelang moet ten minste 10 % bedragen van de resterende deelneming. In dit punt wordt eveneens gepreciseerd dat de Commissie andere verhogingsmechanismen met oplopende vergoeding van de staat kan aanvaarden, op voorwaarde dat deze hetzelfde stimulerende effect en een vergelijkbare algemene impact op de vergoeding van de staat hebben.
56
In dit verband blijkt uit vaste rechtspraak, waarnaar het Gerecht in de punten 74 en 75 van het bestreden arrest verwijst, dat de Commissie om de verenigbaarheid van steunmaatregelen met de interne markt te beoordelen op grond van artikel 107, lid 3, VWEU over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt, waarvan de uitoefening ingewikkelde economische en sociale beoordelingen met zich meebrengt (zie arrest van 19 juli 2016, Kotnik e.a., C-526/14, EU:C:2016:570, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
57
Daaruit volgt dat de rechterlijke toetsing op dit punt beperkt moet blijven tot het onderzoek of de procedurevoorschriften en de motiveringsplicht in acht zijn genomen, de feiten materieel juist zijn, en of er geen sprake is van een kennelijk verkeerde beoordeling of misbruik van bevoegdheid (zie in die zin arrest van 22 december 2008, Régie Networks, C-333/07, EU:C:2008:764, punt 78 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
58
Door gedragsregels aan te nemen, zoals die welke zijn opgenomen in de tijdelijke kaderregeling, om de criteria vast te stellen op grond waarvan de Commissie de verenigbaarheid met de interne markt van door de lidstaten voorgenomen steunmaatregelen wenst te beoordelen, en door via de publicatie daarvan te kennen te geven dat deze voortaan op de betrokken gevallen zullen worden toegepast, stelt deze instelling evenwel grenzen aan de uitoefening van de beoordelingsbevoegdheid die haar in dit verband toekomt, met name op grond van artikel 107, lid 3, onder b), VWEU en kan zij in beginsel niet van deze regels afwijken zonder dat hieraan in voorkomend geval een sanctie wordt verbonden wegens schending van algemene rechtsbeginselen zoals het gelijkheids- of het vertrouwensbeginsel (zie in die zin arresten van 19 juli 2016, Kotnik e.a., C-526/14, EU:C:2016:570, punten 39 en 40, en 31 januari 2023, Commissie/Braesch e.a., C-284/21 P, EU:C:2023:58, punt 90).
59
Uit de rechtspraak van het Hof blijkt eveneens dat de Commissie op het gebied van staatssteun weliswaar gebonden is door de gedragsregels die zij vaststelt, zoals de tijdelijke kaderregeling, maar dat de vaststelling van die regels de Commissie niet bevrijdt van haar verplichting om de uitzonderlijke specifieke omstandigheden te onderzoeken op basis waarvan een lidstaat in een concreet geval verzoekt om rechtstreekse toepassing van artikel 107, lid 3, onder b), VWEU. Bijgevolg behouden de lidstaten de mogelijkheid om voorgenomen staatssteun die niet aan de in deze gedragsregels genoemde criteria voldoet bij de Commissie aan te melden, en kan de Commissie dergelijke voorgenomen steun in uitzonderlijke omstandigheden goedkeuren (zie in die zin arresten van 31 januari 2023, Commissie/Braesch e.a., C-284/21 P, EU:C:2023:58, punten 92 en 93, en 7 november 2024, Ryanair/Commissie, C-588/22 P, EU:C:2024:935, punten 59 en 60).
60
Ofschoon de Commissie zichzelf ingevolge de in punt 58 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak van het Hof beperkingen heeft opgelegd bij de uitoefening van haar beoordelingsbevoegdheid door de tijdelijke kaderregeling vast te stellen, moet toch worden vastgesteld dat die kaderregeling in de punten 62 en 68 niet alleen voorziet in het bestaan van verhogingsmechanismen met oplopende vergoeding van de staat die in die kaderregeling nader worden omschreven, maar ook uitdrukkelijk in de mogelijkheid om een beroep te doen op alternatieven met een vergelijkbare algemene impact.
61
In het licht van het aldus in de tijdelijke kaderregeling vastgestelde vereiste van een vergelijkbare algemene impact kan niet worden geëist dat een alternatief mechanisme qua opzet of qua effecten identiek is aan het mechanisme waarin de tijdelijke kaderregeling voorziet.
62
Bovendien volgt uit de rechtspraak waarnaar in de punten 56 en 57 van dit arrest wordt verwezen, dat een beoordelingsfout van de Commissie met betrekking tot de vraag of een alternatief mechanisme een vergelijkbare algemene impact heeft als de verhogingsmechanismen met oplopende vergoeding van de staat die in de punten 61 en 68 van de tijdelijke kaderregeling nader worden omschreven, slechts kan leiden tot de nietigverklaring van een besluit van deze instelling door een rechterlijke instantie van de Unie indien het gaat om een kennelijke fout.
63
Bij een dergelijke oefening kan een kennelijke fout worden aangetoond door elementen die afbreuk doen aan de aannemelijkheid van de beoordeling van de feiten die de Commissie in haar besluit heeft verricht. Het middel moet daarentegen worden verworpen wanneer, ondanks de door de verzoekende partijen aangevoerde elementen, de ter discussie gestelde beoordeling geen blijk geeft van een dergelijke fout (zie in die zin arrest van 7 mei 2020, BTB Holding Investments en Duferco Participations Holding/Commissie, C-148/19 P, EU:C:2020:354, punt 72).
64
De Unierechter dient evenwel niet alleen de materiële juistheid van de aangevoerde bewijselementen en hun betrouwbaarheid en coherentie te controleren, maar hij moet ook nagaan of die elementen het relevante feitenkader vormen voor de beoordeling van een complexe situatie, en of zij de daaruit getrokken conclusies kunnen schragen (arrest van 24 oktober 2013, Land Burgenland e.a./Commissie, C-214/12 P, C-215/12 P en C-223/12 P, EU:C:2013:682, punt 79 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
65
Bovendien, en meer in het algemeen, mag het Gerecht zijn eigen motivering niet in de plaats stellen van die van de instelling die de bestreden handeling heeft verricht (zie in die zin arrest van 28 september 2023, Ryanair/Commissie, C-320/21 P, EU:C:2023:712, punt 117 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
66
Het Gerecht heeft in de punten 267 en 268 van het bestreden arrest geoordeeld dat de deelneming in het kapitaal en stille deelneming II bij de omzetting ervan in eigen vermogen niet gepaard gingen met een verhogingsmechanisme met oplopende vergoeding van de staat of een soortgelijk mechanisme op grond van de punten 62 en 68 van de tijdelijke kaderregeling, waarvan de inhoud in de punten 54 en 55 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht.
67
In dit verband blijkt uit punt 248 van het bestreden arrest dat de Commissie zich, om vast te stellen dat de algemene opzet van het mechanisme overeenkomstig punt 62 van de tijdelijke kaderregeling een mechanisme vormde dat vergelijkbaar is met een verhogingsmechanisme met oplopende vergoeding van de staat als bedoeld in punt 61 van die kaderregeling, gebaseerd heeft op, ten eerste, de aanzienlijke korting waarmee de Bondsrepubliek Duitsland de aandelen van DLH heeft verworven, ten tweede, het feit dat de deelname van de staat in het kapitaal van DLH voor de begunstigde onwenselijk was, ten derde, het feit dat aan de stille deelnemingen I en II stijgende rentevoeten waren verbonden en dat de waarschijnlijkheid van omzetting van een deel van stille deelneming II in eigen vermogen mettertijd zou toenemen, waardoor de bestaande deelnemingen ten gunste van de staat zouden verwateren, en ten vierde, bepaalde gedragstoezeggingen, met name het verbod op dividenduitkeringen, die van kracht bleven tot de steun volledig was terugbetaald.
68
Dienaangaande heeft het Gerecht ten eerste in de punten 253 tot en met 257 van het bestreden arrest vastgesteld dat de korting van 71,9 % van de prijs van de aandelen, waarmee volgens het litigieuze besluit een hogere vergoeding kan worden aangeboden dan deze die de Bondsrepubliek Duitsland zou kunnen hebben gekregen zonder korting, indien alleen het verhogingsmechanisme met oplopende vergoeding als bedoeld in punt 61 van de tijdelijke kaderregeling zou zijn toegepast, geen voldoende nauw verband vertoont met het voorwerp en het doel van het verhogingsmechanisme met oplopende vergoeding van de staat. Ten tweede heeft het Gerecht in punt 258 van het bestreden arrest het argument dat de deelneming in het kapitaal ‘onwenselijk’ zou zijn terzijde geschoven als een subjectieve en niet-relevante factor. Ten derde heeft het Gerecht in de punten 260 en 262 van het bestreden arrest geoordeeld dat het feit dat de rentevoet ter vergoeding van de stille deelnemingen I en II in de loop van de tijd steeg en dat DLH zich aan bepaalde gedragstoezeggingen moest houden, viel onder andere voorschriften van de tijdelijke kaderregeling. Wat stille deelneming II betreft heeft het Gerecht in punt 265 van het bestreden arrest de argumenten van de Commissie om dezelfde redenen van de hand gewezen en in punt 266 van dat arrest geoordeeld dat de Commissie niet genoegzaam had aangetoond dat de maatregel in kwestie gepaard ging met een alternatief mechanisme dat vergelijkbare effecten kon hebben als het verhogingsmechanisme met oplopende vergoeding van de staat.
69
Daarmee heeft het Gerecht alle argumenten die de Commissie in het litigieuze besluit heeft vermeld verworpen omdat zij niet voldoende verband hielden met het beoogde verhogingsmechanisme met oplopende vergoeding, of omdat zij onder andere voorschriften van de tijdelijke kaderregeling vielen.
70
De omstandigheid dat sommige van de factoren waarmee de Commissie overeenkomst de punten 62 en 68 van de tijdelijke kaderregeling rekening heeft gehouden, ook onder andere voorschriften van die kaderregeling zouden vallen, betekent echter niet als zodanig dat deze factoren daardoor elke relevantie zouden verliezen. Er kan namelijk niet worden uitgesloten dat een onderdeel van een maatregel dat rechtstreeks voldoet aan een van de voorschriften van de tijdelijke kaderregeling eveneens kan bijdragen aan de verwezenlijking van de specifieke doelstelling van een ander voorschrift van die regeling.
71
In deze context heeft het Gerecht, bij de vaststelling in de punten 251 en 252 van het bestreden arrest dat er geen verhogingsmechanisme met oplopende vergoeding van de staat of alternatieve mechanismen overeenkomstig de punten 62 en 68 van de tijdelijke kaderregeling bestaan, niet aangetoond dat de Commissie zich betreffende de doeltreffendheid van de verschillende elementen waarop deze instelling zich in het litigieuze besluit heeft gebaseerd zodanig eeft vergist dat haar analyse van de vergelijkbare algemene impact van het onderzochte alternatieve mechanisme elke plausibiliteit verliest.
72
Meer bepaald volgt uit de punten 253 tot en met 257 van het bestreden arrest niet dat de conclusie dat de aanzienlijke korting waarmee de Bondsrepubliek Duitsland de aandelen van DLH heeft verworven stimulerende effecten op de exit van de staat kan hebben, niet plausibel is.
73
Uit de punten 258 tot en met 269 van het bestreden arrest volgt evenmin dat de progressieve verhoging van de rentevoet ter vergoeding van de stille deelnemingen I en II, de omstandigheid dat de omzetting van een deel van stille deelneming II in eigen vermogen mettertijd waarschijnlijker wordt of de omstandigheid dat DLH zou moeten voldoen aan gedragstoezeggingen kennelijk geen effecten kunnen sorteren die algemeen vergelijkbaar zijn met de mechanismen bedoeld in punt 61 en in punt 68, eerste en tweede volzin, van de tijdelijke kaderregeling.
74
Bovendien heeft het Gerecht geen rekening gehouden met de cumulatieve effecten van de verschillende factoren die de Commissie in aanmerking heeft genomen om het bestaan vast te stellen van een alternatief voor een verhogingsmechanisme met oplopende vergoeding van de staat overeenkomstig de punten 62 en 68 van de tijdelijke kaderregeling, terwijl de Commissie zich juist heeft gebaseerd op de gecombineerde effecten van de verschillende factoren waarnaar wordt verwezen in de twee vorige punten.
75
Bijgevolg heeft het Gerecht niet aangetoond dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door vast te stellen dat de maatregel in kwestie, zowel wat betreft de deelneming in het kapitaal als stille deelneming II, gepaard ging met alternatieve mechanismen die voldeden aan het vereiste van algemene vergelijkbaarheid met een verhogingsmechanismen met oplopende vergoeding van de staat. Derhalve heeft het Gerecht in zijn arrest blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
76
Uit het voorgaande volgt dat het tweede middel van de hogere voorziening in beide onderdelen moet worden toegewezen.
Derde middel
Argumenten van partijen
77
Met het derde middel verwijt DLH het Gerecht dat het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 272 tot en met 288 van het bestreden arrest te oordelen dat de Commissie punt 67 van de tijdelijke kaderregeling heeft geschonden met de vaststelling dat een deel van stille deelneming II, namelijk stille deelneming II-A, kon worden omgezet in aandelen tegen een vaste prijs van 2,56 EUR per aandeel, terwijl een ander deel van stille deelneming II, namelijk stille deelneming II-B, kon worden omgezet tegen de marktprijs van de aandelen op het tijdstip van omzetting, verminderd met 10 % of 5,25 %, afhankelijk van de aanleiding voor de omzetting.
78
In dit verband is het Gerecht er volgens DLH aan voorbijgegaan dat de Commissie op grond van punt 59 van de tijdelijke kaderregeling een ‘alternatief’ kan aanvaarden ‘voor de [in die kaderregeling] vastgestelde vergoedingsmethoden’, en dus voor de oplossing in punt 67 van die kaderregeling. Aangezien in de onderhavige zaak geen ‘TERP’ (Theoretical Ex-Rights Price; hierna: ‘TERP’), dat wil zeggen de theoretische marktprijs van de aandelen na een nieuwe uitgifte van rechten, kon worden berekend, was een alternatief noodzakelijk. DLH stelt dat de emittent teneinde de kapitaalmarkt ertoe aan te zetten zijn intekeningsrechten uit te oefenen, een korting toepast op de marktprijs van de aandelen waarop kan worden ingetekend bij de uitgifte van parallelle rechten. De TERP wordt dan berekend op basis van de marktprijs na verwatering door de uitgifte van de rechten. In de context van een conversierecht zoals het recht waarin is voorzien in het kader van stille deelneming II bestaat er evenwel geen extra parallelle uitgifte van rechten (met korting) op de markt die kan worden gebruikt als referentie bij de berekening van de uitgifteprijs van de omzettingsrechten.
79
DLH zet uiteen dat de Bondsrepubliek Duitsland, omdat het onmogelijk was om een TERP te berekenen, heeft voorgesteld om uit te gaan van, ten eerste, de minimum uitgifteprijs van 2,56 EUR die van toepassing was op DLH voor de omzetting van stille deelneming II-A, en ten tweede, de marktprijs van DLH met een korting van 5,25 % of 10 % afhankelijk van de aanleiding voor de omzetting van stille deelneming II-B. Volgens DLH was het, gelet op de concrete omstandigheden, net zoals in het litigieuze besluit is overwogen, te verwachten dat beide omzettingsprijzen zouden voldoen aan het vereiste van punt 67 van de tijdelijke kaderregeling.
80
Anders dan het Gerecht heeft geoordeeld in de punten 276 tot en met 279 van het bestreden arrest was het dus onmogelijk om uit te gaan van een TERP zodat de Commissie terecht overeenkomstig punt 59 van de tijdelijke kaderregeling een alternatieve vergoeding heeft aanvaard die hetzelfde resultaat oplevert als wanneer een TERP in aanmerking had kunnen worden genomen.
81
DLH betoogt dat, anders dan het Gerecht heeft vastgesteld in de punten 280 tot en met 285 van het bestreden arrest, aan deze conclusie niet wordt afgedaan door het feit dat het litigieuze besluit in overweging 58 eiste dat de Bondsrepubliek Duitsland zich ertoe verbond de Commissie om toestemming te verzoeken om haar conversierecht uit te oefenen indien de omzetting niet plaatsvond tegen 5 % of meer onder TERP. Het risico van niet-overeenstemming was namelijk slechts theoretisch en de toestemming van de Commissie had tot doel om een maximale overeenstemming te waarborgen. Als kritiek op punt 283 van het bestreden arrest, betoogt DLH in het bijzonder dat de doelstelling niet erin bestond om ‘af te wijken’ van punt 67 van de tijdelijke kaderregeling of om een besluit dienaangaande op te schorten, maar om een extra veiligheidsmarge te bieden en ervoor te zorgen dat de Bondsrepubliek Duitsland aan haar verplichting voldeed bij een omzetting die noodzakelijkerwijs na de herkapitalisatie (ex post) zou plaatsvinden.
82
De Bondsrepubliek Duitsland en de Commissie sluiten zich in wezen aan bij de argumentatie die DLH in het kader van haar derde middel heeft aangevoerd en zijn van mening dat dit middel gegrond moet worden verklaard.
83
Ryanair en Condor betwisten dit betoog en stellen dat het derde middel moet worden afgewezen omdat het, althans gedeeltelijk, niet-ontvankelijk is omdat ermee wordt beoogd feitelijke vaststellingen van het Gerecht in vraag te stellen. Volgens deze partijen moet dit middel in elk geval ongegrond worden verklaard. Zij verzoeken in essentie om bevestiging van de gronden van het bestreden arrest waarop dit middel betrekking heeft, aangezien het Gerecht met name de grenzen van de rechterlijke toetsing die het moet uitoefenen niet heeft overschreden.
Beoordeling door het Hof
84
Wat betreft de vergoeding van hybride instrumenten moet worden benadrukt dat de omzetting van dergelijke instrumenten in eigen vermogen volgens punt 67 van de tijdelijke kaderregeling plaatsvindt tegen minstens 5 % onder de TERP-koers op het moment van de omzetting.
85
In punt 275 van het bestreden arrest heeft het Gerecht om te beginnen in herinnering gebracht dat de Commissie in het litigieuze besluit heeft vastgesteld dat een deel van stille deelneming II, namelijk stille deelneming II-A, kon worden omgezet in aandelen tegen een vaste prijs van 2,56 EUR per aandeel, terwijl een ander deel van stille deelneming II, namelijk stille deelneming II-B, kon worden omgezet tegen de marktprijs van de aandelen op het tijdstip van omzetting, verminderd met 10 % of 5,25 %, afhankelijk van de aanleiding voor de omzetting. Het litigieuze besluit vermeldde eveneens dat ‘naar verwachting […] al die omzettingsprijzen [zouden] stroken met het vereiste van punt 67 van de tijdelijke kaderregeling’, maar dat ‘een beurskoers [kon] voorkomen waaronder niet aan het vereiste van punt 67 van de tijdelijke kaderregeling [werd] voldaan’, en dat in dat geval de Bondsrepubliek Duitsland zich ertoe verbond de Commissie om toestemming te verzoeken alvorens haar omzettingsrecht uit te oefenen.
86
In de punten 276 tot en met 278 van het bestreden arrest heeft het Gerecht vervolgens vastgesteld dat de prijs van de aandelen ten tijde van de omzetting niet werd bepaald op basis van de TERP. Dit geldt zowel voor stille deelneming II-A, omdat de vastgestelde vaste prijs per aandeel niet overeenkwam met de in punt 67 van de tijdelijke kaderregeling omschreven methode, als voor stille deelneming II-B, waarvoor de prijs gebaseerd was op de marktprijs ten tijde van de omzetting.
87
Tot slot heeft het Gerecht vastgesteld dat de Commissie de keuze om een alternatieve berekeningsmethode toe te passen niet heeft gerechtvaardigd en dat zij door een regime van toestemming achteraf in te voeren in het geval van een onjuiste prijs haar besluit in strijd met punt 67 alleen maar heeft uitgesteld.
88
In dit verband moet worden verduidelijkt dat, overeenkomstig punt 59 van de tijdelijke kaderregeling, de lidstaten als alternatief voor de in de punten 60 tot en met 70 van die kaderregeling vastgestelde vergoedingsmethoden, steunregelingen of individuele maatregelen mogen aanmelden waarin de vergoedingsmethode van de staat is aangepast met inachtneming van de kenmerken en de rang van het kapitaalinstrument, op voorwaarde dat deze alles bij elkaar genomen tot een soortgelijke uitkomst leiden wat de stimulerende effecten op de exit van de staat betreft, en tot een vergelijkbare algemene impact op de vergoeding van de staat.
89
DLH kon dus terecht stellen dat het de Commissie vrijstond om zich, zonder daarvoor een specifieke reden of een uitzonderlijke omstandigheid te hoeven aanvoeren, te baseren op een alternatief voor het mechanisme dat in punt 67 van de tijdelijke kaderregeling wordt beschreven. Een dergelijk alternatief mechanisme kan evenwel alleen in overeenstemming zijn met de voorschriften van de tijdelijke kaderregeling als het alles bij elkaar genomen tot een soortgelijke uitkomst leidt als het in punt 67 omschreven mechanisme.
90
Uit de punten 277, 278 en 280 tot en met 286 van het bestreden arrest volgt evenwel dat het Gerecht heeft vastgesteld dat de in overweging 158 van het litigieuze besluit omschreven alternatieve berekeningsmethode kon resulteren in een prijsbepaling die niet overeenstemt met de prijzen die worden vastgesteld bij toepassing van de in punt 67 van de tijdelijke kaderregeling omschreven methode. Om tot die conclusie te komen heeft het Gerecht zich met name gebaseerd op de bewoordingen zelf van het litigieuze besluit, die in punt 85 van het onderhavige arrest in herinnering zijn gebracht.
91
In het kader van de onderhavige hogere voorziening wordt niet opgekomen tegen de vaststelling van het Gerecht dat het resultaat na de toepassing van die alternatieve methode verschilt van het resultaat na de toepassing van de in punt 67 van de tijdelijke kaderregeling omschreven methode.
92
In dit verband kan het betoog van rekwirante dat het in de onderhavige zaak onmogelijk is een TERP te berekenen, niet slagen.
93
Dit betoog is niet alleen in tegenspraak met het litigieuze besluit, waarin expliciet sprake is van een vergelijking tussen het resultaat van de alternatieve berekeningsmethode en het resultaat dat zou worden verkregen bij toepassing van de op de TERP gebaseerde methode, maar is, zoals Ryanair en Condor aanvoeren, uiteindelijk erop gericht het Hof ertoe te brengen zelf feitelijke vaststellingen te doen, zonder dat wordt beweerd dat het Gerecht het voorgelegde bewijsmateriaal zou hebben verdraaid.
94
Uit vaste rechtspraak volgt evenwel dat het Hof in het geval van een hogere voorziening niet bevoegd is om de feiten vast te stellen en evenmin, in beginsel, om het bewijsmateriaal te onderzoeken dat het Gerecht tot staving van die feiten in aanmerking heeft genomen. De toetsingsbevoegdheid van het Hof ten aanzien van de feitelijke vaststellingen van het Gerecht strekt zich met name uit tot de onjuiste opvatting van de feiten, dat wil zeggen het geval dat uit de processtukken blijkt dat deze vaststellingen feitelijk onjuist zijn, de verdraaiing van de bewijzen en de juridische kwalificatie daarvan, en tot de vraag of de regels inzake de bewijslast en de bewijsvoering in acht zijn genomen [arrest van 11 september 2025, Oostenrijk/Commissie (Kerncentrale Paks II), C-59/23 P, EU:C:2025:686, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
95
Het derde middel is derhalve niet-ontvankelijk aangezien het Hof met dit middel wordt verzocht om vast te stellen dat het bestreden arrest een fout bevat omdat er geen rekening mee is gehouden dat het onmogelijk was een TERP te berekenen in de onderhavige zaak.
96
Daarenboven volstaat, anders dan de Commissie stelt, de verplichting van de Bondsrepubliek Duitsland om, wanneer de omzettingsprijs van de hybride instrumenten niet in overeenstemming is met het voorschrift van punt 67 van de tijdelijke kaderregeling, de Commissie om toestemming te verzoeken, zoals bepaald in overweging 158 van het litigieuze besluit, niet om de verenigbaarheid van deze overweging met dat voorschrift te verzekeren.
97
Zoals het Gerecht heeft opgemerkt in punt 284 van het bestreden arrest is de Bondsrepubliek Duitsland namelijk niet de verbintenis aangegaan om erop toe te zien dat de prijs in elk geval wordt vastgesteld overeenkomstig het voorschrift dat is neergelegd in punt 67 van de tijdelijke kaderregeling, maar uitsluitend om de toestemming van de Commissie te verkrijgen wat betreft het bedrag van de vastgestelde prijs. Nergens is nader aangegeven volgens welke criteria de Commissie in voorkomend geval een project van omzetting van hybride instrumenten van de Bondsrepubliek Duitsland moet onderzoeken wanneer niet is voldaan aan de voorschriften van punt 67 van de tijdelijke kaderregeling. Hieruit volgt dat er geen enkele garantie bestaat die ervoor kan zorgen dat aan deze voorschriften wordt voldaan.
98
Eveneens moet worden geoordeeld, zoals het Gerecht heeft gedaan in de punten 280 tot en met 286 van het bestreden arrest, dat staatssteun onderworpen is aan een regeling van voorafgaande toestemming op grond van artikel 108, lid 3, VWEU, zodat een steunmaatregel voorafgaand aan de uitvoering ervan verenigbaar moet worden verklaard met de interne markt. Derhalve kan de Commissie de beoordeling van een aspect dat rechtstreeks verband houdt met het onderzoek naar de verenigbaarheid van een steunmaatregel niet uitstellen naar een datum die valt na de vaststelling van haar besluit omtrent die verenigbaarheid. De Commissie diende dus in het litigieuze besluit een standpunt in te nemen over de wijze waarop de prijs wordt vastgesteld in het geval van omzetting van de betrokken hybride instrumenten. Daarbij kon zij zich niet beperken tot het aanvaarden van een berekeningsmethode waarbij niet altijd gewaarborgd is dat aan het vereiste van punt 67 van de tijdelijke kaderregeling wordt voldaan.
99
Wat betreft het argument van de Commissie dat overweging 158 van het litigieuze besluit de maatregel in kwestie uitsluitend toestaat op voorwaarde dat de omzettingsprijs uiteindelijk in overeenstemming is met punt 67 van de tijdelijke kaderregeling, moet worden vastgesteld dat deze bewering geen steun vindt in deze overweging, die voorziet in een ex post controle, zonder de parameters van die controle te omschrijven.
100
Bijgevolg moet het derde middel deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond worden verklaard.
Vierde middel
Argumenten van partijen
101
Met het vierde middel, dat twee onderdelen bevat, verwijt DLH het Gerecht dat het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en de grenzen van zijn rechterlijke toetsing heeft overschreden door in de punten 373 tot en met 412 van het bestreden arrest te oordelen dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt bij de verificatie of DLH over een aanmerkelijke marktmacht beschikte op de relevante luchthavens.
102
Met het eerste onderdeel van het vierde middel betoogt DLH in essentie dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en de grenzen van zijn rechterlijke toetsing heeft overschreden door in de punten 373 tot en met 387 van het bestreden arrest te oordelen dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt omdat zij uitsluitend rekening heeft gehouden met criteria die in essentie verband houden met de drempels voor de toegang en de uitbreiding van nieuwe concurrenten en met de ‘capaciteit van de luchthaven’, zonder rekening te houden met alle factoren die in casu relevant zijn voor de beoordeling of DLH een aanmerkelijke marktmacht had op de desbetreffende luchthavens.
103
Wat dat betreft betoogt DLH dat de vaststelling dat er sprake is van een aanmerkelijke marktmacht een complexe economische beoordeling inhoudt waarbij de Commissie over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt, en dat het Gerecht de grenzen te buiten is gegaan van de rechterlijke toetsing die het kan verrichten van het besluit dat de Commissie in deze context heeft vastgesteld. Meer bepaald is de redenering van het Gerecht in punt 385 van het bestreden arrest te vaag en wordt de mogelijke relevantie van de marktaandelen van de begunstigde ‘uitgedrukt in aantal vluchten en aangeboden zitplaatsen van en naar de relevante luchthavens’ slechts kort genoemd om tot de slotsom te komen dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met alle relevante aspecten. Wat dat betreft heeft de Commissie volgens DLH terecht geen rekening gehouden met dit laatste aspect. De criteria die zijn toegepast volstonden namelijk in casu om de gevolgen van de maatregel in kwestie nauwkeurig te onderzoeken overeenkomstig punt 72 van de tijdelijke kaderregeling, en zijn in overeenstemming met het beoordelingskader dat de Commissie hanteert in dossiers inzake concentraties waarbij luchtvaartmaatschappijen betrokken zijn. Meer nog, de potentiële gevolgen van de maatregel in kwestie voor de concurrentie betroffen niet een vliegroute in het bijzonder maar veeleer het vermogen van DLH om de slots die het op de betreffende luchthavens in bezit had, te behouden of zelfs uit te breiden. Het gaat er dus om te beoordelen of de steun met de mededingingssituatie in haar geheel verenigbaar is.
104
Daarenboven stelt DLH dat de overwegingen van het Gerecht in punt 379 van het bestreden arrest niet aantonen dat het onderzoek van de marktaandelen, uitgedrukt in aantal vluchten en aangeboden zitplaatsen, nuttiger zou zijn geweest om het bestaan van een aanmerkelijke marktmacht te beoordelen dan de criteria die de Commissie met het oog daarop heeft toegepast. DLH leidt hieruit af dat deze instelling niet verplicht was om bij de analyse van de marktaandelen aanvullend een schatting van de marktaandelen te maken uitgedrukt in aantal vluchten en aangeboden zitplaatsen, of om rekening te houden met alle andere ‘relevante factoren’.
105
Met het tweede onderdeel van het vierde middel betoogt DLH in essentie dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en de grenzen van zijn rechterlijke toetsing heeft overschreden door in de punten 388 tot en met 412 van het bestreden arrest te oordelen dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door vast te stellen dat DLH geen aanmerkelijke marktmacht had op de luchthavens van Düsseldorf en Wenen.
106
Wat dat betreft betoogt DLH dat de Commissie over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt om de marktgegevens te onderzoeken bij de beoordeling of er een aanmerkelijke marktmacht bestaat, zodat het Gerecht de grenzen van zijn rechterlijke toetsing heeft overschreden door zijn eigen beoordeling van die gegevens in de plaats te stellen van die van de Commissie. Meer bepaald is de redenering van het Gerecht in punt 411 van het bestreden arrest wat dat betreft te vaag voor zover daarin wordt gesteld dat de Commissie ten onrechte heeft vastgesteld dat DLH niet over een aanmerkelijke marktmacht beschikte op de luchthavens van Düsseldorf en Wenen ‘althans niet wat het IATA-zomerseizoen 2019 betreft’. Een dergelijke motivering is niet afdoende om vast te stellen dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt, aangezien ook andere perioden relevant zijn, zoals het IATA-winterseizoen 2019/2020.
107
Volgens DLH heeft de Commissie terecht vastgesteld dat zij geen aanmerkelijke marktmacht bezat op de luchthavens van Düsseldorf en Wenen. DLH benadrukt dat de beoordelingscriteria voor een aanmerkelijke marktmacht voor deze twee luchthavens wezenlijk verschillen van die voor de luchthavens van Frankfurt en München en dat op basis van deze criteria daadwerkelijk kan worden aangetoond dat DLH geen aanmerkelijke marktmacht bezat op de luchthavens van Düsseldorf en Wenen. In dat verband komt DLH met name op tegen punt 397 van het bestreden arrest en voert zij gegevens en cijfers aan, met name over de slots waarover zij beschikte op de luchthavens van Düsseldorf, Wenen, Frankfurt en München, om aan te tonen dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat de Commissie niet tot de slotsom kon komen dat DLH geen aanmerkelijke marktmacht bezat op de luchthavens van Düsseldorf en Wenen.
108
De Bondsrepubliek Duitsland en de Commissie sluiten zich in wezen aan bij de argumentatie die DLH in het kader van haar vierde middel heeft aangevoerd en zijn van mening dat dit middel gegrond moet worden verklaard.
109
Ryanair en Condor betwisten dit betoog en stellen dat het tweede onderdeel van het vierde middel moet worden afgewezen omdat het, althans gedeeltelijk, niet-ontvankelijk is omdat DLH daarmee beoogt feitelijke vaststellingen van het Gerecht in vraag te stellen. Ryanair is bovendien van mening dat de argumenten van DLH betreffende de ontoereikende motivering van het bestreden arrest en de argumenten die zijn ontleend aan de rechtspraak en de besluitvormingspraktijk van de Commissie, niet-ontvankelijk zijn. Volgens deze partijen moet dit middel in elk geval ongegrond worden verklaard. Zij verzoeken in essentie om bevestiging van de gronden van het bestreden arrest waarop dit middel betrekking heeft, aangezien het Gerecht met name de grenzen van de rechterlijke toetsing die hij moet uitoefenen niet heeft overschreden.
Beoordeling door het Hof
110
Wat betreft het eerste onderdeel van het vierde middel moet worden opgemerkt dat het Gerecht in de punten 373 tot en met 387 van het bestreden arrest de criteria heeft onderzocht die de Commissie heeft gehanteerd om te beoordelen of DLH over een aanmerkelijke marktmacht beschikte op de relevante luchthavens.
111
Het Gerecht heeft in punt 373 van het bestreden arrest allereerst in herinnering gebracht dat de Commissie in punt 179 van het litigieuze besluit had aangegeven zich daartoe op drie criteria te baseren: ten eerste het slotaandeel dat de groep waartoe DLH behoort heeft op de betrokken luchthavens, dat in punt 376 van dat arrest wordt omschreven als de verhouding tussen het aantal slots waarover een luchtvaartmaatschappij (of luchtvaartmaatschappijen die tot dezelfde groep behoren) op een luchthaven beschikt en het totale aantal op die luchthaven beschikbare slots; ten tweede het ‘congestieniveau’ van deze luchthavens, dat, zoals in essentie blijkt uit dit punt van het bestreden arrest, wordt beoordeeld aan de hand van de verhouding tussen de slots die aan alle luchtvaartmaatschappijen op de betrokken luchthaven zijn toegewezen en de totale capaciteit van die luchthaven op het gebied van slots, en ten derde het aandeel in de slots waarover de concurrenten van de begunstigde beschikken. Volgens het Gerecht hielden deze criteria dus in wezen verband met de ‘capaciteit van de luchthaven’ en de toegang tot de infrastructuur.
112
In punt 378 van het bestreden arrest heeft het Gerecht evenwel geoordeeld dat andere factoren in verband met de marktaandelen van de begunstigde en haar concurrenten op de markt voor luchtvervoersdiensten voor passagiers relevant waren voor de beoordeling van het bestaan van een aanmerkelijke marktmacht. In dat verband heeft het Gerecht in punt 379 van dit arrest met name verduidelijkt dat ten eerste het aantal door luchtvaartmaatschappijen aangeboden zitplaatsen binnen een bepaald slot aanzienlijk kan verschillen door de verschillende grootte van de vliegtuigen die zij inzetten in de hun toegewezen slots, en ten tweede dat luchtvaartmaatschappijen tijdens een bepaald slot een verschillend aantal vluchten kunnen uitvoeren. De informatie die met deze aanvullende criteria wordt verkregen, maakt het mogelijk om de omvang van het marktaandeel van de betrokken luchtvaartmaatschappijen te beoordelen. In casu heeft het Gerecht in punt 380 van het bestreden arrest vastgesteld dat de marktaandelen van DLH uitgedrukt in aantal vluchten en aangeboden zitplaatsen van en naar de relevante luchthavens — soms aanzienlijk — groter waren dan de in het litigieuze besluit vermelde slotaandelen.
113
Het Gerecht heeft in punt 386 van het bestreden arrest daaruit afgeleid dat, gelet op het in punt 383 van het bestreden arrest in herinnering gebrachte belang van de marktaandelen bij de beoordeling van het bestaan van een aanmerkelijke marktmacht, de Commissie niet alle relevante factoren in aanmerking had genomen, omdat zij geen rekening had gehouden met die factor.
114
Wat dat betreft moet ten eerste worden benadrukt dat uit de definitie van het begrip ‘slot’ in artikel 2, onder a), van verordening nr. 95/93, zoals gewijzigd bij verordening nr. 793/2004, volgt dat dit begrip slaat op de ‘door een coördinator […] gegeven toestemming om op een welbepaalde datum en tijd de gehele voor de uitvoering van een luchtdienst noodzakelijke luchthaveninfrastructuur op een gecoördineerde luchthaven te gebruiken om te landen of op te stijgen, zoals toegewezen door een coördinator’.
115
Uit deze definitie volgt in wezen dat een slot het recht is om een vlucht uit te voeren. De Commissie heeft dan ook terecht in het litigieuze besluit een rechtstreeks verband gelegd tussen het aantal slots die de begunstigde van de maatregel in kwestie had en het aantal vluchten die deze kan organiseren, terwijl het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van het begrip ‘slots’ door in punt 379 van het bestreden arrest te oordelen dat de luchtvaartmaatschappijen tijdens een bepaald slot meerdere vluchten kunnen uitvoeren. Anders dan het Gerecht heeft geoordeeld betekent dit dat het criterium van het aantal vluchten niet onmisbaar is om te kunnen beoordelen in welke mate een luchtvaartmaatschappij daadwerkelijk in staat is om te concurreren met DLH op een bepaalde luchthaven.
116
Wat betreft ten tweede de in artikel 380 van het bestreden arrest genoemde criteria inzake het aantal vluchten en aangeboden zitplaatsen, die de Commissie volgens het Gerecht in aanmerking had moeten nemen, kan weliswaar niet worden uitgesloten dat deze criteria kunnen bijdragen aan de beoordeling van het vermogen van een luchtvaartmaatschappij om diensten te verlenen vanaf een bepaalde luchthaven, maar die omstandigheid kan op zich niet aantonen dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft begaan in de zin van de in de punten 56 en 57 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak, aangezien dit vermogen, dat de Commissie als doorslaggevend heeft aangemerkt bij de beoordeling van het bestaan van een aanmerkelijke marktmacht op een luchthaven, ook kan worden vastgesteld op basis van een gelijkwaardig criterium, zoals de verdeling van de slots onder de luchtvaartmaatschappijen.
117
Aangezien het Gerecht niet afdoende heeft aangetoond dat het door de Commissie gekozen criterium, namelijk de verdeling van de slots, kennelijk niet geschikt was om dit vermogen naar behoren te evalueren om te beoordelen of er sprake was van een aanmerkelijke marktmacht, en de door de Commissie verrichte analyse ongeloofwaardig maakte, heeft het de Commissie in de punten 380 en 382 van het bestreden arrest bijgevolg ten onrechte verweten dat deze instelling in het litigieuze besluit het vermogen van een luchtvaartmaatschappij om diensten te verlenen niet had geëvalueerd op basis van een criterium dat verband houdt met het aantal vluchten en aangeboden zitplaatsen, dus een ander criterium dan het criterium dat de Commissie in dit besluit heeft toegepast.
118
Ten derde heeft het Gerecht evenmin aangetoond, in de punten 373 tot en met 387 van het bestreden arrest, dat de Commissie niet rechtsgeldig kon oordelen dat het congestieniveau van een luchthaven en de verdeling van de slots tussen de verschillende luchtvaartmaatschappijen die actief zijn vanaf deze luchthaven geschikte parameters waren om de mate waarin een luchtvaartmaatschappij een luchthaven gebruikt, alsook het vermogen van een luchtvaartmaatschappij om meer vluchten vanaf die luchthaven te organiseren gedurende de relevante periode te bepalen. Bijgevolg heeft het Gerecht niet aangetoond dat de Commissie zich niet op deze verschillende parameters kon baseren om zowel de feitelijke als de potentiële concurrentie te beoordelen waaraan DLH gedurende die periode was blootgesteld.
119
Anders dan het Gerecht in punt 386 van het bestreden arrest heeft geoordeeld, heeft het derhalve niet afdoende aangetoond overeenkomstig de in de punten 56 tot en met 64 van dit arrest in herinnering gebrachte rechtspraak van het Hof dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door haar analyse inzake een aanmerkelijke marktmacht te baseren op de in punt 111 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte criteria, zonder bij haar beoordeling rekening te houden met de marktaandelen uitgedrukt in aantal vluchten en aangeboden zitplaatsen. Hieruit volgt dat het eerste onderdeel van het vierde middel moet worden aanvaard.
120
Wat het tweede onderdeel van het vierde middel betreft, moet, wat de ontvankelijkheid ervan betreft, om te beginnen worden opgemerkt dat de schending door het Gerecht van de motiveringsplicht en de grenzen van zijn rechterlijke toetsing rechtsvragen zijn waarvoor het Hof bevoegd is in het stadium van de hogere voorziening (arresten van 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie, C-204/00 P, C-205/00 P, C-211/00 P, C-213/00 P, C-217/00 P en C-219/00 P, EU:C:2004:6, punt 47, en 26 mei 2016, Rose Vision/Commissie, C-224/15 P, EU:C:2016:358, punt 26 aldaar aangehaalde rechtspraak). De vraag of de argumenten van DLH wat betreft de schending van de motiveringsplicht voldoende onderbouwd zijn, of wat betreft de schending van de grenzen van de rechterlijke toetsing in strijd zijn met de rechtspraak of de besluitvormingspraktijk van de Commissie, valt onder het betoog ten gronde en is irrelevant voor de ontvankelijkheid.
121
Voorts moet, aangezien het Hof, zoals in herinnering is gebracht in punt 94 van het onderhavige arrest, niet bevoegd is om de feiten vast te stellen, worden opgemerkt dat voor zover DLH het Hof verzoekt om in het licht van de door haar aan het Hof voorgelegde feitelijke gegevens na te gaan of de Commissie terecht heeft vastgesteld dat DLH geen aanmerkelijke marktmacht had op de luchthavens van Düsseldorf en Wenen, dan wel of het Gerecht de feiten onjuist heeft vastgesteld, het tweede onderdeel van het vierde middel niet-ontvankelijk is, aangezien DLH geen onjuiste voorstelling van de feiten door het Gerecht heeft aangevoerd.
122
Ten gronde moet worden opgemerkt dat het Gerecht in punt 410 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met alle relevante criteria en derhalve een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt, en vervolgens in punt 411 van dat arrest daaraan heeft toegevoegd dat de Commissie louter op basis van de door haar vastgestelde criteria hoe dan ook niet op goede gronden tot de conclusie komen dat de Lufthansa-groep niet over een aanmerkelijke marktmacht beschikte op de luchthavens van Düsseldorf en Wenen, althans niet wat het IATA-zomerseizoen 2019 betreft.
123
Om tot die conclusie te komen wat de luchthaven van Düsseldorf betreft, heeft het Gerecht in punt 397 van het bestreden arrest eerst vastgesteld dat het gemiddelde slotaandeel van de Lufthansa-groep op die luchthaven tijdens het IATA-zomerseizoen 2019, namelijk tussen 40 en 50 %, boven de drempel van 40 % lag, wat een eerste aanwijzing had moeten zijn waarmee rekening moest worden gehouden bij de vaststelling van het bestaan van een aanmerkelijke marktmacht. Vervolgens heeft het Gerecht in punt 398 van het bestreden arrest opgemerkt dat het gemiddelde congestieniveau op die luchthaven tijdens het IATA-zomerseizoen zeer hoog was, namelijk tussen 80 en 90 %, en tussen 90 en 100 % tijdens de piekuren, terwijl een congestieniveau van meer dan 60 % reeds problematisch zou zijn geweest. Tot slot heeft het Gerecht in punt 399 van het bestreden arrest benadrukt dat de concurrentie tussen de op deze luchthaven aanwezige luchtvaartmaatschappijen zwak was, waarbij het die vaststelling onderbouwde met een opsomming van het aantal luchtvaartuigen waarover elk van hen beschikte. Daaruit heeft het Gerecht in punt 401 van het bestreden arrest afgeleid dat de Commissie op basis van uitsluitend deze criteria niet op goede gronden tot de slotsom kon komen dat de Lufthansa-groep niet over een aanmerkelijke marktmacht beschikte op de luchthaven van Düsseldorf, althans niet wat het IATA-zomerseizoen 2019 betrof.
124
Om redenen die, mutatis mutandis, vergelijkbaar zijn met die welke in het vorige punt zijn genoemd, heeft het Gerecht in punt 408 van het bestreden arrest vastgesteld dat de Commissie niet op goede gronden tot de conclusie kon komen dat de Lufthansa-groep niet over een aanmerkelijke marktmacht beschikte op de luchthavens van Wenen, althans niet wat het IATA-zomerseizoen 2019 betreft.
125
Daarbij heeft het Gerecht de redenen die zijn vermeld in de overwegingen 203, 204, 211 en 212 van het litigieuze besluit niet onderzocht. Die redenen verduidelijkten echter waarom de Commissie de gegevens waarover zij beschikte in die zin had uitgelegd dat op basis daarvan niet kon worden aangetoond dat de Lufthansa-groep op de luchthavens van Düsseldorf en Wenen een aanmerkelijke marktmacht had. Wat de luchthaven van Düsseldorf betreft, was de Commissie met name van mening dat het aandeel van de slots van DLH in geen enkel tijdsblok meer dan 55 tot 65 % bedroeg, wat betekent dat de concurrenten van DLH een belangrijke portefeuille van slots konden vormen door gebruik te maken van de slots die niet aan de Lufthansa-groep waren toegewezen, en dat, wat de omvang van de gebruikte vloot betreft, de concurrenten van DLH zich in Düsseldorf in een betere positie bevonden dan in Frankfurt of München. Wat de luchthaven van Wenen betreft, heeft de Commissie zich eveneens gebaseerd op de omstandigheid dat het aandeel van de slots van DLH in geen enkel tijdsblok meer dan 50 tot 60 % bedroeg, dat slots beschikbaar bleven, dat twee relatief sterke concurrenten op die locatie gevestigd waren en dat het voor de concurrenten van DLH mogelijk was om een aanzienlijk aantal slots te verwerven door gebruik te maken van de slots die niet aan de Lufthansa-groep waren toegewezen. De Commissie was dan ook van mening dat, ongeacht de min of meer vergelijkbare congestieniveaus op deze vier luchthavens, het aandeel van de slots van DLH in Frankfurt en München aanzienlijk hoger was dan in Düsseldorf en Wenen, en dat de positie van de concurrenten van DLH omgekeerd sterker was in Düsseldorf en Wenen dan in Frankfurt en München.
126
In de punten 396 tot en met 408 van het bestreden arrest heeft het Gerecht evenwel, op basis van dezelfde gegevens als de Commissie, een nieuwe analyse daarvan verricht om uiteindelijk, op basis van een algehele beoordeling daarvan, tot een andere conclusie te komen dan die van de Commissie, zonder daarbij de vaststellingen van de Commissie in het litigieuze besluit ter discussie te stellen.
127
Bijgevolg heeft het Gerecht niet alleen getoetst of de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft begaan overeenkomstig de in de punten 56 tot en met 64 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, maar heeft het in een situatie waarin de Commissie nochtans over een ruime beoordelingsmarge beschikt, zijn eigen beoordeling in de plaats van die van deze instelling gesteld.
128
Hieruit volgt dat het tweede onderdeel van het vierde middel, en bijgevolg het vierde middel in zijn geheel, gegrond moet worden verklaard.
Vijfde middel
Argumenten van partijen
129
Met het vijfde middel verwijt DLH het Gerecht dat het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 467 tot en met 480 van het bestreden arrest te oordelen dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door bepaalde concurrenten die reeds gevestigd waren op de luchthavens van Frankfurt en München uit te sluiten van de procedure voor het afstaan van slots in de eerste fase van die procedure.
130
Wat dat betreft betoogt DLH dat het Gerecht weliswaar heeft erkend dat de Commissie over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikte om te beoordelen of voorgestelde toezeggingen volstonden, maar dat het is voorbijgegaan aan zijn eigen rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 13 mei 2015, Niki Luftfahrt/Commissie (T-162/10, EU:T:2015:283, punt 295), volgens welke het feit dat ook andere toezeggingen hadden kunnen worden aanvaard of dat deze voor de mededinging zelfs gunstiger zouden zijn geweest, niet tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie kan leiden indien de Commissie redelijkerwijze kon oordelen dat de in dat besluit opgenomen toezeggingen de ernstige twijfel konden wegnemen. Het Gerecht heeft aldus inbreuk gemaakt op de beoordelingsbevoegdheid van de Commissie door een toezegging af te wijzen op grond dat een andere toezegging volgens het Gerecht gunstiger zou zijn geweest voor de mededinging. Daarmee heeft het Gerecht zijn eigen beoordeling in de plaats gesteld van die van deze instelling.
131
DLH voert aan dat, zoals het Gerecht in punt 421 van het bestreden arrest heeft opgemerkt, de mogelijke effecten van staatssteun indirecter zijn dan die van concentraties, aangezien de begunstigde geen concurrent overneemt en daarmee concurrentiedruk wegneemt, maar de extra overheidsmiddelen waarover hij beschikt kan aanwenden om zijn marktpositie te handhaven of te versterken. Ingevolge de tijdelijke kaderregeling waren er toezeggingen nodig om dit risico op te vangen op de luchthavens waar DLH een aanmerkelijke marktmacht had.
132
Anders dan het Gerecht heeft vastgesteld in punt 472 van het bestreden arrest, heeft de Commissie in de overwegingen 226 en 227 van het litigieuze besluit uitdrukkelijk aangegeven dat het gunstig zou zijn om de procedure voor het afstaan van slots te beperken tot nieuwkomers, aangezien dit structurele concurrentie met de Lufthansa-groep mogelijk zou maken. De Commissie heeft met name rekening gehouden met de concurrentieproblemen die verband houden met herkapitalisatiesteun op basis van haar eerdere ervaring in concentraties en kartelzaken in de luchtvaartsector en is tot de slotsom gekomen dat de toezegging van de Lufthansa-groep om een deel van haar activiteiten over te dragen om concurrenten de mogelijkheid te bieden voet aan de grond te krijgen, de meest doeltreffende maatregel was om ongerechtvaardigde concurrentieverstoring te voorkomen.
133
De redenering van het Gerecht in de punten 472 tot en met 477 van het bestreden arrest gaat er evenwel volledig aan voorbij dat wanneer de Commissie moet kiezen tussen twee verschillende toezeggingsstructuren, zij over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt op grond waarvan zij minder ver gaande toezeggingen kan toepassen, voor zover zij redelijkerwijze tot de slotsom kan komen dat de voorgestelde toezeggingen afdoende zijn om het hoofd te bieden aan de risico's die in casu voortvloeien uit de aanmerkelijke marktmacht van DLH op de luchthavens van Frankfurt en München.
134
Door in de punten 473 tot en met 476 van het bestreden arrest de marktstructuur op de luchthavens van Frankfurt en München te analyseren en te verwijzen naar een andere structuur waarbij de bestaande concurrenten niet worden uitgesloten van de procedure voor het afstaan van slots, heeft het Gerecht eveneens zijn eigen beoordeling in de plaats gesteld van die van de Commissie, terwijl het ook hier ging over een complexe economische beoordeling.
135
Bovendien heeft het Gerecht volgens DLH, gelet op wat het in essentie heeft geoordeeld in de punten 452 en 463 van het bestreden arrest, zijn arrest tegenstrijdig gemotiveerd door in de punten 473 tot en met 476 van het bestreden arrest te oordelen dat de luchtvaartmaatschappijen die gevestigd zijn op een luchthaven zich in een betere positie bevinden om de daadwerkelijke mededinging te handhaven.
136
De Bondsrepubliek Duitsland en de Commissie sluiten zich in wezen aan bij de argumentatie die DLH in het kader van haar vijfde middel heeft aangevoerd en zijn van mening dat dit middel gegrond moet worden verklaard.
137
Ryanair en Condor betwisten dit betoog en stellen dat het vijfde middel moet worden afgewezen. Zij verzoeken in essentie om bevestiging van de gronden van het bestreden arrest waarop dit middel betrekking heeft, aangezien het Gerecht met name de grenzen van de rechterlijke toetsing die hij moet uitoefenen niet heeft overschreden.
Beoordeling door het Hof
138
Vooraf moet in herinnering worden gebracht dat punt 72 van de tijdelijke kaderregeling bepaalt dat wanneer de begunstigde van een herkapitalisatiemaatregel een aanmerkelijke marktmacht heeft op een markt, de lidstaat aanvullende maatregelen moet voorstellen om de daadwerkelijke mededinging op deze markt te vrijwaren. Wat dat betreft volgt uit de overwegingen 71 en 72 van het litigieuze besluit dat de Bondsrepubliek Duitsland zich ertoe heeft verbonden om de begunstigde van de betrokken herkapitalisatiemaatregel te verplichten om een bepaald aantal dagelijkse slots en bijkomende activa op de luchthavens van Frankfurt en München af te staan. Er werd toen in het vooruitzicht gesteld dat, indien de afgestane slots na drie seizoenen niet door een nieuwkomer zouden worden overgenomen, deze ter beschikking zouden worden gesteld aan andere concurrerende luchtvaartmaatschappijen die al gevestigd waren op die luchthavens.
139
In punt 479 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat de Commissie heeft nagelaten alle factoren te onderzoeken die betrekking hebben op de toezeggingen van de Bondsrepubliek Duitsland om daadwerkelijke mededinging op de betrokken markt te vrijwaren, en die, gelet op de structuur en de bijzondere kenmerken van de betrokken markten, relevant zijn. Meer bepaald heeft het Gerecht in de punten 472 tot en met 478 van het bestreden arrest geoordeeld dat het aan de Commissie stond om te onderzoeken of de aan nieuwkomers gegeven voorrang en de uitsluiting van reeds bestaande concurrenten in de eerste fase van de procedure van toewijzing van slots passend en noodzakelijk waren om de daadwerkelijke mededinging te vrijwaren.
140
Ter ondersteuning van deze conclusie heeft het Gerecht met name in de punten 474 tot en met 477 van het bestreden arrest aangegeven dat andere maatregelen, waarbij met name de betreffende slots onder andere voorwaarden dan de in de toezeggingen van de Bondsrepubliek Duitsland vastgelegde voorwaarden worden afgestaan aan reeds gevestigde concurrenten, beter geschikt zouden zijn om de daadwerkelijke mededinging te vrijwaren.
141
In dit verband moet worden benadrukt dat uit de in de punten 56 tot en met 64 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak van het Hof volgt dat de Commissie over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt om vast te stellen of met de door de lidstaten voorgestelde aanvullende maatregelen kan worden voldaan aan de voorschriften van punt 72 van de tijdelijke kaderregeling.
142
Bovendien wordt de Commissie, gelet op de bewoordingen van punt 72 en de beginselen die gelden voor staatssteun, in het kader van haar beoordeling niet verzocht om na te gaan of de voorgestelde aanvullende maatregelen de meest doeltreffende maatregelen zijn die kunnen worden genomen om de concurrentie op de betrokken markten te bevorderen, maar uitsluitend of die maatregelen afdoende zijn om de daadwerkelijke mededinging op deze markten te vrijwaren.
143
DLH stelt dan ook terecht dat de omstandigheid dat andere maatregelen dan die welke in het litigieuze besluit zijn vermeld zouden kunnen zorgen voor meer concurrentie op de relevante markten, hoe dan ook niet kon resulteren in de onrechtmatigheid van dat besluit.
144
Daaruit volgt dat het Gerecht niet op goede gronden tot de slotsom kon komen dat er sprake was van een kennelijk onjuiste beoordeling in het litigieuze besluit omdat de Commissie geen beoordeling heeft verricht van de mogelijke positieve effecten van een procedure voor het afstaan van de slots waarbij de bestaande concurrenten niet zouden zijn uitgesloten, terwijl een dergelijk mechanisme de mededinging meer zou hebben bevorderd, zonder dat het Gerecht binnen de perken van de te verrichten controle had vastgesteld dat de in het litigieuze besluit vermelde toezeggingen niet afdoende waren om de daadwerkelijke mededinging op de betrokken markten te vrijwaren.
145
Bijgevolg moet het vijfde middel worden aanvaard.
Zesde middel
Argumenten van partijen
146
Met het zesde middel verwijt DLH het Gerecht dat het met name in punt 501 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Commissie haar motiveringsplicht niet is nagekomen wat betreft haar vaststelling dat het afstaan van de slots tegen betaling moest gebeuren en dat die afstand geen invloed had op de doeltreffendheid van de toezeggingen met betrekking tot de slots.
147
DLH brengt in herinnering dat uit de rechtspraak van het Hof volgt dat een besluit als het litigieuze besluit, dat binnen een kort tijdsbestek wordt vastgesteld, enkel moet aangeven waarom de Commissie van mening is dat de maatregel die zij onderzoekt geen ernstige moeilijkheden lijkt op te leveren en dat het volstaat dat zij de feiten en de overwegingen rechtens uiteenzet die in het bestek van het betrokken besluit van wezenlijk belang zijn. Daaruit volgt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Commissie haar motiveringsplicht niet is nagekomen.
148
DLH stelt daarenboven dat het litigieuze besluit in het licht van de rechtspraak van het Hof op dit gebied afdoende was gemotiveerd, aangezien verzoeksters in eerste aanleg, gelet op het aantal argumenten dat zij hebben aangevoerd met betrekking tot elk onderdeel van de toezeggingen inzake de slots, die het Gerecht heeft onderzocht in de punten 413 tot en met 493 van het bestreden arrest, kennelijk de gegrondheid van het litigieuze besluit hebben kunnen betwisten, en voorts de bijzondere structuur van elke afstand van slots verschilt en zeer technische beoordelingen met zich meebrengt, waarvoor dus geen specifieke aanvullende motivering nodig is.
149
De Bondsrepubliek Duitsland en de Commissie sluiten zich in wezen aan bij de argumentatie die DLH in het kader van haar zesde middel heeft aangevoerd en zijn van mening dat dit middel gegrond moet worden verklaard.
150
Ryanair en Condor betwisten deze redenering en stellen dat het zesde middel moet worden verworpen. Zij verzoeken in essentie om bevestiging van de gronden van het bestreden arrest waarop dit middel betrekking heeft, aangezien het Gerecht met name de grenzen van de rechterlijke toetsing die hij moet uitoefenen niet heeft overschreden.
Beoordeling door het Hof
151
In herinnering dient te worden gebracht dat volgens vaste rechtspraak de door artikel 296, tweede alinea, VWEU vereiste motivering moet beantwoorden aan de aard van de handeling in kwestie en dat zij de redenering van de instelling die de handeling heeft vastgesteld duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking moet brengen, opdat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden voor de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen. De aan de motivering te stellen eisen moeten worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaten of andere personen die rechtstreeks en individueel door de handeling worden geraakt, bij een verklaring kunnen hebben. Het is niet vereist dat alle relevante feitelijke en juridische gegevens in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de beantwoording van de vraag of de motivering van een handeling voldoet aan de vereisten van artikel 296, tweede alinea, VWEU niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, maar ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betreffende materie regelen (arrest van 23 januari 2025, Neos/Ryanair en Commissie, C-490/23 P, EU:C:2025:32, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
152
Wat meer bepaald het geval betreft waarin het — zoals in casu — gaat om een op grond van artikel 108, lid 3, VWEU vastgesteld besluit om geen bezwaar te maken tegen een steunmaatregel, heeft het Hof reeds verduidelijkt dat in een dergelijk besluit, dat binnen een kort tijdsbestek wordt genomen, alleen moet worden vermeld waarom de Commissie van mening is dat er geen ernstige moeilijkheden bestaan om de verenigbaarheid van de steun in kwestie met de interne markt te beoordelen, en dat zelfs een beknopte motivering van dat besluit moet worden geacht te voldoen aan het motiveringsvereiste van artikel 296, tweede alinea, VWEU, mits deze motivering duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking brengt om welke redenen de Commissie van mening was dat dergelijke moeilijkheden zich niet voordeden, waarbij de vraag naar de gegrondheid van die motivering niets vandoen heeft met dat vereiste (zie naar analogie arrest van 23 januari 2025, Neos/Ryanair en Commissie, C-490/23 P, EU:C:2025:32, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
153
In het licht van die criteria moet worden onderzocht of het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te beslissen dat in het litigieuze besluit niet was voldaan aan de krachtens artikel 296, tweede alinea, VWEU op de Commissie rustende motiveringsplicht.
154
In casu heeft het Gerecht in de punten 498 tot en met 502 van het bestreden arrest geoordeeld dat het aan de Commissie stond om in het litigieuze besluit in detail de redenen uiteen te zetten waarom zij van mening was dat de slots moesten worden afgestaan tegen betaling veeleer dan kosteloos, aangezien de keuze voor een afstand tegen betaling ertoe zou kunnen leiden dat de aantrekkelijkheid van de aangeboden slots afneemt en daarmee ook de doeltreffendheid van de daarmee verband houdende toezeggingen.
155
Wat dat betreft verweet het Gerecht de Commissie in punt 501 van het bestreden arrest dat zij in het litigieuze besluit niet heeft gemotiveerd waarom een kosteloze afstand van de betrokken slots niet de voorkeur had gekregen boven de afstand tegen betaling, en heeft het van de Commissie geëist dat zij niet alleen positief rechtvaardigt waarom de keuze in het litigieuze besluit voor een afstand van de slots tegen betaling correct was, maar eveneens negatief, waarom de omgekeerde keuze, namelijk een kosteloze afstand, niet relevant was.
156
Aangezien, zoals blijkt uit punt 142 van het onderhavige arrest, de Commissie op grond van de tijdelijke kaderregeling uitsluitend moet onderzoeken of de voorgestelde aanvullende maatregelen afdoende zijn om de daadwerkelijke mededinging op de relevante markten te vrijwaren, kan van deze instelling op grond van haar motiveringsplicht niet worden verwacht dat zij onderzoekt of andere maatregelen de mededinging op deze markten nog beter kunnen bevorderen en dat zij uiteenzet waarom zij niet heeft geëist dat die andere maatregelen worden uitgevoerd.
157
Uit het voorgaande volgt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 501 van het bestreden arrest te oordelen dat de Commissie haar motiveringsplicht niet was nagekomen door niet uit te leggen waarom de betrokken slots tegen betaling moesten worden afgestaan in plaats van kosteloos.
158
Het zesde middel moet derhalve gegrond worden verklaard.
Conclusie
159
Zoals het Gerecht terecht heeft geoordeeld in punt 505 van het bestreden arrest, waartegen niet is opgekomen in het kader van de onderhavige hogere voorziening, was elk van de fouten in het litigieuze besluit, zoals deze in herinnering zijn gebracht in punt 504 van dat arrest, op zichzelf voldoende om de nietigverklaring van dat besluit te rechtvaardigen. Bijgevolg kan de vernietiging van het bestreden arrest alleen gerechtvaardigd zijn indien wordt aangetoond dat het Gerecht al deze fouten ten onrechte heeft vastgesteld. Hieruit volgt dat de hogere voorziening alleen kan slagen en het bestreden arrest alleen kan worden vernietigd indien alle door rekwirante aangevoerde middelen gegrond zijn.
160
Gezien het voorgaande moeten het eerste, het tweede en het vierde tot en met het zesde middel van de hogere voorziening worden toegewezen, maar moet het derde middel worden verworpen. Bijgevolg moet de hogere voorziening in haar geheel worden afgewezen.
Kosten
161
Artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt dat het Hof over de kosten beslist wanneer de hogere voorziening ongegrond is.
162
Volgens artikel 138, lid 1, van dat Reglement, dat op grond van artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd.
163
Aangezien Ryanair en Condor de verwijzing van DLH in de kosten hebben gevorderd en DLH in het ongelijk is gesteld, moet zij worden verwezen in haar eigen kosten en in die van Ryanair en Condor.
164
Aangezien de Bondsrepubliek Duitsland en de Commissie in het ongelijk zijn gesteld, maar Ryanair en Condor niet hebben verzocht dat zij in de kosten worden verwezen, dient te worden beslist dat de Bondsrepubliek Duitsland en de Commissie hun eigen kosten dragen.
Het Hof (Derde kamer) verklaart:
- 1)
De hogere voorziening wordt afgewezen.
- 2)
Deutsche Lufthansa AG wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van Ryanair DAC en Condor Flugdienst GmbH.
- 3)
De Bondsrepubliek Duitsland en de Europese Commissie dragen hun eigen kosten.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 23‑04‑2026