Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/3
3 De dimensies van het vertrouwensbeginsel: Inleiding
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS452169:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie de cassaties in belang der wet van 28 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY6631, ECLI:NL:HR:2006:AY6633 en ECLI:NL:HR:2006:AY6634, m.nt. Klip onder het eerstgenoemde arrest (NJ 2007, 489).
Niet zonder meer ook op de daaropvolgende tenuitvoerlegging van een eventuele sanctie. Bij de uitlevering van onderdanen wordt immers vaak gegarandeerd dat de opgeëiste persoon de eventuele straf na overdracht van executie weer in eigen land mag uitzitten.
Opgemerkt wordt dat hier niet zo zeer de doeleinden van een strafrechtelijke procedure worden beschreven als wel enkele basale, maar fundamentele kenmerken daarvan.
Hiermee worden bedoeld de vormen van rechtshulp in de zin van de verscheidene rechtshulpinstrumenten, maar ook vormen van rechtshulp op grond van al dan niet dwingende rechtshulpverdragen of juist zonder grondslag in een rechtshulpverdrag.
In het voorgaande hoofdstuk is inzichtelijk gemaakt dat het vertrouwensbeginsel een belangrijke rol speelt bij interstatelijke strafrechtelijke samenwerking. Het vertrouwensbeginsel kan daarbij verschillende functies vervullen. Het kan een descriptieve functie vervullen, maar ook normatief werken. Die laatste werking is tweeledig: het kan gaan om de norm dat samenwerking alleen dient plaats te vinden wanneer daadwerkelijk voldoende vertrouwen bestaat in de vreemde staat (de normatief-voorwaardelijke werking van het vertrouwensbeginsel), maar het kan ook gaan om de norm dat gegeven het uitgangspunt van vertrouwen de ene staat terughoudend is bij de toetsing van een verzoek tot rechtshulpverlenging of de resultaten daarvan (de normatief-beperkende werking van het vertrouwensbeginsel). Buiten deze vrij basale aanduiding van het begrip ‘vertrouwensbeginsel’ kan een verdiepende bespreking van dat vertrouwensbeginsel het best plaatsvinden aan de hand van een typologie bestaande uit verschillende dimensies van het vertrouwensbeginsel. Het gaat dan om de volgende dimensies:
de functie van het vertrouwen, dus de rol die het vertrouwen speelt en de reden waarom van vertrouwen moet worden uitgegaan: principieel, praktisch, ordenend;
de juridische grondslag van het vertrouwen, dus waarop is het vertrouwen gebaseerd: verdragen;
de chronologie van het vertrouwen, dus vertrouwen betreffende een gebeurtenis in het verleden of aangaande een toekomstige gebeurtenis: retrospectief en prospectief;
het object van het vertrouwen, dus hetgeen waarin men vertrouwen heeft: gedragingen, beweringen, verplichtingen;
de verwachting bij het vertrouwen, dus de prestatie die men van de andere staat verwacht: inspanning en resultaat;
de ratio van het voorschrift dat in het geding is, dus het rechtsgoed of rechtsbelang dat dat voorschrift beoogt te beschermen;
de betrokken staat; en
de invloed van mensenrechtelijke normen.
In het navolgende zullen deze dimensies eerst afzonderlijk en daarna in samenhang aan de orde komen. Het zijn deze dimensies die de inhoud en werking van het vertrouwensbeginsel in juridische zin bepalen. De uiteindelijke toepassing van het vertrouwensbeginsel in de rechtspraktijk kan uiteraard ook worden beïnvloed door niet-juridische factoren. De ‘menselijke factor’ kan bij die praktijktoepassing om de hoek komen kijken, hetgeen kan leiden tot het op oneigenlijke gronden inroepen van bijvoorbeeld weigeringsgronden bij een algemeen gebrek aan vertrouwen. De vroegere lijn van de Rechtbank Amsterdam om in overleveringszaken op humanitaire gronden de territorialiteitsexceptie van artikel 13 Overleveringswet in te roepen, kan daarvan als voorbeeld dienen.1 Hoewel deze menselijke factor op een enkele plaats in dit boek op de achtergrond mede een rol speelt, zoals bij het vertrouwen op beweringen en bij de bespreking van de uitwisseling van rechterlijke functionarissen als onderdeel van de vertrouwensagenda van de EU in het derde deel van dit boek, zal ik het als zelfstandige factor buiten beschouwing laten omdat het in dit boek uiteindelijk gaat om het vertrouwensbeginsel in juridische zin.
Waar hierna van een vorm van vertrouwen wordt gesproken, gaat het enkel om de mogelijke werking van het vertrouwensbeginsel op een bepaald punt; tenzij uitdrukkelijk anders geformuleerd betekent het aanhalen van een bepaalde vorm van vertrouwen of van het vertrouwensbeginsel niet dat het vertrouwen in de praktijk ook altijd op die wijze wordt aangenomen en zeker niet dat het er zonder meer voor zorgt dat bepaalde aspecten niet of slechts terughoudend worden getoetst. Zo kan het voorkomen dat, om het concept of de mogelijke werking van een dimensie te illustreren, wordt gesproken van het vertrouwensbeginsel dat ziet op een voorschrift dat wel of niet in het belang van de verdachte of justitiabele is geschreven. Die formulering betekent niet meteen dat er bijvoorbeeld geen toetsing plaatsvindt. Zij dient enkel om de dimensie te schetsen. Pas bij nadere concretisering van het toepasselijke voorschrift of het toepasselijke feitencomplex en niet voordat meerdere dimensies zijn besproken en met elkaar in verband gebracht, kunnen specifiekere conclusies worden getrokken over de concrete uitwerking van het vertrouwensbeginsel.
Deze dimensies geven telkens een zekere invulling aan het vertrouwensbeginsel als beginsel van interstatelijke strafrechtelijke samenwerking. Zo zal nog blijken dat het vertrouwensbeginsel anders van karakter is wanneer het gaat om de toetsing van een toekomstige situatie, de detentieomstandigheden na uitlevering bijvoorbeeld, dan wanneer het iets in het verleden betreft, zoals de vraag of de betrokkene in verband met de zaak waar het verzoek op ziet is gefolterd in de verzoekende staat.
De invulling van het vertrouwensbeginsel door elk van deze dimensies krijgt gestalte wanneer zij wordt gerelateerd aan het doel van internationale rechtshulp in de betekenis van interstatelijke samenwerking in strafzaken. Hoewel de verschillende vormen van rechtshulp een gefragmenteerd beeld geven, heb ik in hoofdstuk 1 het doel van interstatelijke samenwerking in strafzaken omschreven als het vergemakkelijken, vervolledigen, eerlijker maken dan wel mogelijk maken van een afgeronde strafrechtelijke procedure in de ene staat door het verlenen van bijstand door de andere staat op één of meer van de hoofdonderdelen van de strafprocedure, te weten de opsporing, de vervolging, de berechting of de tenuitvoerlegging van een sanctie.
Ik herhaal hier hetgeen ik in dit verband in hoofdstuk 1 ook al opmerkte. Omdat deze doelomschrijving alle vormen van rechtshulp omvat is zij betrekkelijk algemeen. Per vorm van rechtshulp is het doel concreter te omschrijven. Zo ziet uitlevering ter fine van vervolging vooral op de vervolging en berechting,2 en zien uitlevering ter executie of overdracht van executie van een sanctie enkel op de tenuitvoerlegging van een sanctie. Dit boek echter laat die klassieke indeling naar vorm van rechtshulp zo veel mogelijk los. De kenmerken van een optimale vorm van interstatelijke samenwerking in strafzaken worden via deze doelomschrijving mede bepaald door de kenmerken van een optimale strafrechtelijke procedure. Waar immers een strafrechtelijke procedure dient plaats te vinden binnen een redelijke termijn, met inachtneming van de aan de verdachte geboden waarborgen teneinde hem een eerlijk proces te bieden en in beginsel is gericht op het vinden van de materiële waarheid,3 daar dient interstatelijke samenwerking bij voorkeur zo spoedig mogelijk plaats te vinden, rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van de verdachte en bij te dragen aan de waarheidsvinding. De opsomming van deze essentiële onderdelen van een strafproces is niet uitputtend, maar beoogt te illustreren hoe interstatelijke samenwerking een verlengstuk is van de reguliere strafrechtspleging en hoe de wezenskenmerken van interstatelijke samenwerking mede worden bepaald door die van de strafrechtspleging zelf.
De dimensies van het vertrouwensbeginsel die hierna worden geformuleerd, kunnen telkens worden gerelateerd aan het doel van interstatelijke samenwerking en aan de kenmerken waaraan die samenwerking in haar verschillende vormen4 dient te voldoen. Op die manier kan inzichtelijk worden gemaakt hoe deze dimensies zich tot de interstatelijke samenwerking in strafzaken en tot elkaar verhouden en of (een bepaalde toepassing van) het vertrouwensbeginsel bijdraagt aan het verwezenlijken van dat doel.