Zie onder meer: HR 30 november 2007, NJ 2007, 640.
HR, 06-02-2009, nr. 08/00814
ECLI:NL:HR:2009:BG6719, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
06-02-2009
- Zaaknummer
08/00814
- LJN
BG6719
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2009:BG6719, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 06‑02‑2009
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSHE:2007:BB9576
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BG6719
ECLI:NL:HR:2009:BG6719, Uitspraak, Hoge Raad, 06‑02‑2009; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BG6719
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2007:BB9576, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Beroepschrift, Hoge Raad, 22‑02‑2008
- Vindplaatsen
Conclusie 06‑02‑2009
Inhoudsindicatie
Familierecht. Kinderalimentatie; door de onderhoudsplichtige zelf teweeggebrachte, niet voor herstel vatbare inkomensvermindering die voor diens draagkracht buiten beschouwing moet blijven, mag niet ertoe leiden dat zijn inkomen beneden het niveau van 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm zakt (HR 23 januari 1998, nr. 8987, NJ 1998, 707).
Nr. 08/00814
Mr. D.W.F. Verkade
Parket 12 december 2008
Conclusie inzake:
[Verzoeker]
(hierna: de man)
tegen:
1. [Verweerster 1]
(hierna: de vrouw)
2. [Verweerder 2]
3. [Verweerster 3]
4. [Verweerster 4]
(2 t/m 4: hierna: de kinderen)
1. Inleiding
1.1. In deze zaak heeft de man om nihilstelling van de door hem te betalen kinderalimentatie verzocht.
1.2. Het hof heeft de man, die geruime tijd beneden bijstandsniveau heeft geleefd, aangerekend dat hij geen aanvullende bijstandsuitkering heeft aangevraagd. Naar het oordeel van het hof kan niet worden uitgegaan van een fictief inkomen van de man lager dan 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Het hof heeft vervolgens de door de man te betalen onderhoudsbijdrage voor de kinderen op 10% van die bijstandsnorm gesteld.
1.3. Niet zonder tegenzin moet ik concluderen tot gegrondbevinding van de daartegen door de man gerichte klacht.
2. Feiten(1) en procesverloop
2.1. De man en de vrouw zijn van 4 augustus 1980 tot 10 juni 1988 met elkaar gehuwd geweest. Uit hun huwelijk zijn drie thans meerderjarige kinderen geboren: [verweerder 2] ([geboortedatum] 1983); [verweerster 3] ([geboortedatum] 1984); en [verweerster 4] ([geboortedatum] 1986).
2.2. In een eerdere procedure zijn de door de man - die geen verweer had gevoerd - voor de kinderen te betalen onderhoudsbijdragen, voor zover thans van belang, door de rechtbank Arnhem bij beschikking van 29 augustus 2000 met ingang van 1 november 1999 vastgesteld op ƒ 300 (€ 136,13) per kind per maand. De man heeft tegen die beschikking hoger beroep ingesteld. Op 19 februari 2002 heeft het gerechtshof te Arnhem die beschikking bekrachtigd. Het hof heeft daartoe, kort weergegeven, overwogen dat de man onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn financiële omstandigheden in de gehele periode vanaf 1 november 1999. De man heeft vervolgens beroep in cassatie ingesteld. Bij beschikking van 6 juni 2003 (nr. R02/083) heeft de Hoge Raad dat beroep met toepassing van art. 81 RO verworpen.
2.3. Bij inleidend verzoekschrift, gedateerd 29 december 2005, heeft de man de rechtbank Breda verzocht te bepalen dat de kinderen geen behoefte meer hebben aan kinderalimentatie. Voor zover er behoefte bestaat aan betaling van kinderalimentatie, heeft de man verzocht deze met ingang van 1 november 1999, dan wel 1 februari 2002, dan wel met ingang van de datum van indiening van het verzoek, op nihil te stellen op grond van het ontbreken van draagkracht aan de zijde van de man.
2.4. De vrouw heeft, mede namens de kinderen, een verweerschrift ingediend.
2.5. Het verzoek is op 21 december 2006 ter terechtzitting behandeld in aanwezigheid van beide partijen en hun raadslieden.
2.6. Bij beschikking van 9 januari 2007 heeft de rechtbank bepaald dat de bij bovengenoemde beschikking van 29 augustus 2000 vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding, respectievelijk in de kosten van levensonderhoud en studie van [verweerder 2] met ingang van 1 september 2003 en van [verweerster 3] met ingang van 1 december 2003 nader wordt vastgesteld op nihil en het meer of anders verzochte afgewezen.
De rechtbank overwoog daartoe dat voor [verweerder 2] en [verweerster 3] geen behoefte meer bestaat aan een door de man te betalen bijdrage en dat de behoefte van [verweerster 4] door de man niet langer is weersproken en daarmee vaststaat. De rechtbank overwoog dat de man zijn stellingen over zijn draagkracht onvoldoende met bescheiden heeft onderbouwd.
2.7. De man is van deze beschikking in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Daarbij heeft de man drie grieven aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank dat de man onvoldoende heeft gesteld dat het hem aan draagkracht ontbreekt.
2.8. De vrouw en de kinderen hebben een verweerschrift ingediend en tevens incidenteel appel ingesteld. De man heeft in het incidenteel appel verweer gevoerd.
2.9. De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft op 20 september 2007 plaatsgevonden in aanwezigheid van de man en zijn advocaat alsmede de advocaat van de vrouw en de kinderen.
2.10. Het hof heeft bij beschikking van 29 november 2007 (LJN BB9576) de beschikking van de rechtbank, voor zover daarbij het door de man meer of anders verzochte werd afgewezen, vernietigd en in zoverre opnieuw rechtdoende, met wijziging van de eerdergenoemde beschikking van 29 augustus 2000, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding/levensonderhoud en studie van:
- [verweerder 2] over de periode van 1 november 1999 tot 1 september 2003,
- [verweerster 3] over de periode van 1 november 1999 tot 1 december 2003,
- [verweerster 4] over de periode van 1 november 1999 tot 1 april 2007,
nader vastgesteld op in totaal € 6.952,40 en voorts het beroep in het incidenteel appel verworpen. De overwegingen van het hof luiden ten deze:
'4.6. Op grond van de inhoud van voormelde aangiften tot en met 2004 stelt het hof vast dat het gemiddelde inkomen van de man vanaf november 1999 in aanzienlijke mate beneden bijstandsniveau heeft gelegen.
Van belang is dat de man zeer geruime tijd beneden bijstandsniveau heeft geleefd, terwijl niet is gebleken dat hij geld heeft geleend of gekregen om mede in de kosten van zijn levensonderhoud te voorzien en hij evenmin een aanvullende bijstandsuitkering heeft aangevraagd en ontvangen omdat hij, zoals hij desgevraagd tegenover het hof heeft verklaard, deze niet heeft willen aanvragen aangezien hij zich daarbij niet prettig zou hebben gevoeld.
Een en ander heeft bij het hof de vraag opgeroepen waarvan de man vanaf november 1999 heeft geleefd, temeer omdat hij geen, althans op volstrekt onvoldoende wijze inzicht heeft gegeven in zijn lasten vanaf dat tijdstip.
Vragen van de vrouw en van het hof dienaangaande heeft de man niet genoegzaam beantwoord. Het hof heeft de man tijdens de mondelinge behandeling vervolgens voorgehouden dat uit een en ander slechts kan worden geconcludeerd dat zijn behoefte dan kennelijk heel laag moet zijn geweest. De man heeft dat ontkend noch bevestigd; hij heeft slechts gezegd dat hij "moeizaam" heeft geleefd.
De man had naar het oordeel van het hof moeten en kunnen beseffen dat van hem verlangd zou worden dat hij op genoegzame wijze inzicht zou bieden in zijn rechtens relevante lasten, opdat het hof een indruk zou kunnen krijgen van zijn draagkracht. Dat hij dat heeft nagelaten komt voor rekening en risico van de man.
4.7. Gelet op de dringende wettelijke verplichting van de man tot betaling van onderhoudsbijdragen voor de kinderen, had de man naar het oordeel van het hof niet mogen afzien van het recht op een aanvullende bijstandsuitkering. In ieder geval had van de man dan verwacht mogen worden dat hij zich meer zou inspannen om inkomen tenminste op bijstandsniveau te vergaren. Hij zou dan een ruimer financieel budget ter beschikking hebben gehad dan hij vanaf november 1999 daadwerkelijk heeft gehad, terwijl de financiële middelen die hem in feite ter beschikking hebben gestaan, zoals op grond van hetgeen hiervoor is overwogen moet worden aangenomen, kennelijk voldoende zijn geweest om in de noodzakelijke kosten van zijn bestaan te voorzien.
De man heeft de behoefte van zijn kinderen aan de door hem voor hen te betalen onderhoudsbijdragen niet, althans onvoldoende, betwist. Hij had er zich bewust van moeten zijn dat de verzorging en opvoeding respectievelijk het levensonderhoud en de studie van de kinderen zonder een bijdrage zijnerzijds in de kosten daarvan op een niveau zouden plaatsvinden dat duidelijk zou liggen beneden de behoefte van de kinderen. Dat hij, kennelijk weloverwogen, niettemin heeft nagelaten een aanvullende bijstandsuitkering aan te vragen, valt naar het oordeel van het hof dan ook slechts te kwalificeren als aan hem verwijtbaar gedrag.
4.8. Ook in de bijzondere omstandigheden van dit geval kan naar het oordeel van het hof niet worden uitgegaan van een fictief inkomen van de man, lager dan 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm (die voor een zelfstandig wonende alleenstaande).
Daarom zal het hof bepalen dat de man vanaf 1 november 1999 steeds 10% van de voor hem geldende bijstandsnorm aan onderhoudsbijdragen voor de kinderen had moeten besteden. Dat bedrag dient de man te betalen ongeacht het aantal onderhoudsgerechtigden, met andere woorden: van 1 november 1999 tot 1 september 2003 is de man dit bedrag verschuldigd voor drie onderhoudsgerechtigden, van 1 september 2003 tot 1 december 2003 voor twee onderhoudsgerechtigden en van 1 december 2003 tot 1 april 2007 voor één onderhoudsgerechtigde.
4.9. Het hof berekent het totaal van de door de man voor de kinderen te betalen bijdragen in de kosten van hun verzorging en opvoeding respectievelijk hun levensonderhoud en studie gedurende de periode van 1 november 1999 tot 1 april 2007 als volgt, waarbij de bedragen van de bijstandsnorm in guldens zijn omgerekend en afgerond op hele euro's en vervolgens gedeeld door 10:
november en december 1999 2 x € 67,60 = € 135,20
januari t/m juni 2000 6 x € 68,90 = € 413,40
juli t/m december 2000 6 x € 69,80 = € 418,80
januari t/m juni 2001 6 x € 73,60 = € 441,60
juli t/m december 2001 6 x € 74,70 = € 448,20
januari t/m juni 2002 6 x € 77,00 = € 462,00
juli t/m december 2002 6 x € 78,00 = € 468,00
januari t/m juni 2003 6 x € 79,60 = € 477,60
juli t/m december 2003 6 x € 79,70 = € 478,20
januari t/m juni 2004 6 x € 81,00 = € 486,00
juli t/m december 2004 6 x € 80,60 = € 483,60
januari t/m juni 2005 6 x € 80,50 = € 483,00
juli t/m december 2005 6 x € 80,80 = € 484,80
januari t/m juni 2006 6 x € 84,10 = € 504,60
juli t/m december 2006 6 x € 84,60 = € 507,60
januari t/m maart 2007 3 x € 86,60 = € 259,80
totaal € 6.952,40
Nu het gaat om een afgesloten periode in het verleden en de meerderjarige kinderen hun moeder hebben gemachtigd om namens hen te procederen zal het hof bepalen dat de man voormeld bedrag aan de vrouw moet betalen. Aan de hand van de in deze beschikking opgenomen informatie zal zij dan zelf kunnen bepalen welk deel van het totale bedrag voor welk kind bestemd is.
4.10. Aan het vorenstaande kan onder de bijzondere omstandigheden van het geval niet afdoen het gegeven dat in het algemeen geen draagkracht kan worden aangenomen bij een onderhoudsplichtige wiens inkomen op of beneden bijstandsniveau ligt.'
2.11. De man is van deze beschikking tijdig(2) in cassatie gekomen. De vrouw en de kinderen hebben laten weten geen (officieel) verweer meer te kunnen/willen voeren.
3. Bespreking van het cassatieberoep
3.1. Het cassatiemiddel bevat twee klachten (in onderdelen 2.1 en 2.2).
3.2. Onderdeel 2.1 is gericht tegen rov. 4.6 tot en met 4.11 en klaagt over 's hofs oordeel dat de man vanaf 1 november 1999 tot 1 april 2007 steeds 10% van de voor hem geldende bijstandsnorm aan onderhoudsbijdragen voor de kinderen had moeten besteden. Volgens het onderdeel miskent het hof met dit oordeel dat de vaststelling van een onderhoudsbijdrage niet mag leiden tot het resultaat dat de onderhoudsplichtige feitelijk niet meer over voldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van zijn eigen bestaan te voorzien en in geen geval tot het resultaat mag leiden dat zijn totale inkomen beneden het niveau van 90% van de op hem toepasselijk bijstandsnorm zakt. De man, zo betoogt het onderdeel, zakt in de door het hof bepaalde periode evident wél onder het minimumniveau, nu naar het hof heeft aangenomen, zonder die 10% van de bijstandsnorm het inkomen van de man vanaf november 1999 in aanzienlijke mate beneden bijstandsniveau heeft gelegen.
3.3. Het onderdeel verwijst naar en zoekt aansluiting bij de rechtspraak van de Hoge Raad omtrent de gehoudenheid tot het betalen van alimentatie in geval van een door eigen gedragingen veroorzaakte onherstelbare inkomensdaling over de periode waarover de alimentatie verschuldigd was. Met betrekking tot de vraag of bij de vaststelling van alimentatie met deze inkomensdaling rekening moet worden gehouden of moet worden uitgegaan van de zogenaamde fictieve draagkracht(3), heeft de Hoge Raad in zijn beschikking van 23 januari 1998, NJ 1998, 707 het volgende beslissingsmodel ontwikkeld(4):
(a) of een door de onderhoudsplichtige door zijn eigen gedragingen zelf teweeggebrachte inkomensvermindering bij het bepalen van zijn draagkracht buiten beschouwing moeten blijven, hangt af van de vraag of hij redelijkerwijs in staat moet worden geacht zich opnieuw het oorspronkelijke inkomen te gaan verwerven en de onderhoudsgerechtigde dit ook van hem kan vergen.
Wordt deze vraag bevestigend beantwoord, dan kan de inkomensvermindering bij de bepaling van de draagkracht in elk geval buiten beschouwing blijven; wordt deze vraag daarentegen ontkennend beantwoord en is sprake van een onherstelbare inkomensdaling, dan geldt:
(b) in het algemeen niet dat de inkomensvermindering bij het bepalen van de draagkracht steeds ten volle in aanmerking moet worden genomen. Of de inkomensvermindering geheel of ten dele buiten beschouwing behoort te blijven, hangt af van de omstandigheden van het geval. Het enkele feit dat de onderhoudsplichtige zelf de inkomensvermindering heeft teweeggebracht sluit in elk geval niet uit dat bij het bepalen van de draagkracht met deze inkomensvermindering wordt rekening gehouden;
(c) bij een door de onderhoudsplichtige zelf teweeggebrachte, maar niet voor herstel vatbare inkomensvermindering moet in het bijzonder worden bezien of de onderhoudsplichtige uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde zich met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot de inkomensvermindering hebben geleid;
(d) voor die vraag is niet noodzakelijk beslissend waartoe de onderhoudsgerechtigde gehouden was jegens zijn werkgever of - zoals De Boer aanvult(5) - anderen, niet zijnde de onderhoudsgerechtigde, noch of hem in verband daarmee een verwijt treft.
Wordt op grond van deze omstandigheden geoordeeld dat de inkomensvermindering buiten beschouwing mag blijven, dan geldt dat dit:
(e) niet mag leiden tot het resultaat dat de onderhoudsplichtige als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht bij voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van zijn eigen bestaan te voorzien en
(f) in elk geval niet tot het resultaat dat zijn totale inkomen beneden het niveau van 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm zakt; een andere opvatting op dit punt zou volgens de Hoge Raad ook een ingevolge art. 475d Rv onverhaalbare vordering tot gevolg hebben.
Indien niettemin een dergelijk, ongewenst (e) respectievelijk onaanvaardbaar (f) resultaat dreigt(6), dan
(g) dient een onderzoek naar de feitelijke draagkracht van de onderhoudsplichtige plaats te vinden, en
(h) indien het een relatief aanzienlijke, onherstelbare inkomensvermindering betreft en het buiten beschouwing laten daarvan een beslissing van ingrijpende aard is, dient deze beslissing bovendien van een aan deze aard beantwoordende motivering te zijn voorzien.
3.4. Het hof heeft in zijn beschikking op grond van de door de man overgelegde aangiften over de jaren 1999 tot en met 2004 vastgesteld dat het gemiddelde inkomen van de man vanaf november 1999 in aanzienlijke mate beneden bijstandsniveau heeft gelegen en dat de man gedurende die periode geen andere inkomsten heeft gehad, noch door geldlening, noch door middel van een aanvullende bijstandsuitkering (rov. 4.6). Op deze vaststelling voortbouwend, heeft het hof in rov. 4.7 overwogen dat de man niet had mogen afzien van zijn recht op een aanvullende bijstandsuitkering en dat het nalaten deze aan te vragen, gelet op de dringende wettelijke verplichting van de man tot betaling van onderhoudsbijdragen voor de kinderen, verwijtbaar gedrag oplevert. Het afzien van het recht op een aanvullende bijstandsuitkering verplichtte de man volgens het hof in ieder geval tot een grotere inspanning om inkomen tenminste op bijstandsniveau te vergaren. Met een aanvullende bijstandsuitkering of meer inspanning om inkomen te vergaren zou de man een ruimer financieel budget ter beschikking hebben gestaan dan de man vanaf november 1999 daadwerkelijk heeft gehad, terwijl de financiële middelen die hij in feite had volgens het hof kennelijk voldoende zijn geweest om in de noodzakelijke kosten van zijn bestaan te voorzien. Deze (bijzondere) omstandigheden leidden het hof tot het oordeel dat in dit geval niet kan worden uitgegaan van een fictief inkomen van de man lager dan 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Het hof heeft daarom bepaald dat de man vanaf 1 november 1999 steeds 10% van de voor hem geldende bijstandsnorm aan onderhoudsbijdragen voor de kinderen had moeten besteden, zodat voor de man een fictief inkomen van tenminste 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm resteert (rov. 4.8). Naar 's hofs oordeel kan onder de bijzondere omstandigheden van dit geval niet afdoen dat in het algemeen geen draagkracht kan worden aangenomen bij een onderhoudsplichtige wiens inkomen op of beneden bijstandsniveau ligt (rov. 4.10).
3.5. Het door het hof gekwalificeerde verwijtbare gedrag van de man, bestaande uit het nalaten van het aanvragen van een aanvullende bijstandsuitkering dan wel het zich meer inspannen om inkomen tenminste op bijstandsniveau te vergaren, betreft een, door eigen gedragingen van de onderhoudsplichtige, onherstelbare inkomensvermindering. Bijstandsuitkeringen worden naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep(7) als regel niet met terugwerkende kracht verstrekt over een periode voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend, behoudens bijzondere omstandigheden. Bijzondere omstandigheden kunnen bijvoorbeeld gelegen zijn in het feit dat de bijstandsbehoevende ter zake van de verlate aanvrage redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest. De redenering achter het niet met terugwerkende kracht verlenen van bijstand is dat het tot de eigen verantwoordelijkheid van de bijstandsbehoevende hoort te zijn aanspraken op bijstand tijdig door het indienen van een aanvraag bij het bijstandsverlenend orgaan geldend te maken(8).
Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan deze onherstelbare inkomensvermindering geheel of gedeeltelijk buiten beschouwing worden gelaten (zie subregel b hiervoor). Gelet op de dringende wettelijke verplichting van de man tot betaling van onderhoudsbijdragen voor de kinderen en het gegeven dat de man had moeten beseffen dat de verzorging en opvoeding respectievelijk het levensonderhoud en de studie van de kinderen zonder een bijdrage zijnerzijds in de kosten daarvan op een niveau zouden plaatsvinden dat duidelijk zou liggen beneden de behoefte van de kinderen, is volgens het hof ook aan de voorwaarde van subregel c voldaan en had de man zich moeten onthouden van het door het hof als verwijtbaar gekwalificeerde gedrag. Het onderdeel verwijt het hof de volgende subregels e en f en de daaropvolgende subregel g bij de vaststelling van de fictieve draagkracht van de man te hebben miskend.
3.6. Op zichzelf niet rechtens onjuist noch onbegrijpelijk is dat het hof het oordeel is toegedaan dat de inkomensvermindering buiten beschouwing moet blijven, omdat het de man, gelet op de dringende wettelijke verplichting tot betaling van onderhoudsbijdragen voor de kinderen, valt te verwijten dat hij geen aanvullende bijstandsuitkering heeft aangevraagd, dan wel heeft nagelaten zich meer in te spannen om inkomen tenminste op bijstandsniveau te vergaren.
3.7. Niet zonder tegenzin(9) moet ik evenwel constateren dat het onderdeel, uitgaande van de hierboven aangehaalde jurisprudentie van de Hoge Raad, doel treft met de klacht ten aanzien van de daaropvolgende consequentie met betrekking tot het inkomen van de man. Enerzijds heeft het hof vastgesteld dat het gemiddelde inkomen van de man vanaf november 1999 in aanzienlijke mate beneden bijstandsniveau heeft gelegen (rov. 4.6). Anderzijds oordeelt het hof dat in de bijzondere omstandigheden van dit geval niet kan worden uitgegaan van een fictief inkomen van de man lager dan 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm, en daarom heeft het hof de door de man vanaf 1 november 1999 verschuldigde onderhoudsbijdragen voor de kinderen op 10% van de bijstandsnorm gesteld (rov. 4.8).
Met een door de man te betalen onderhoudsbijdrage van 10% van de voor hem geldende bijstandsnorm zakt de man evenwel feitelijk onder het niveau van 90% van de bijstandsnorm, nu naar 's hofs vaststelling de man reeds zeer geruime tijd beneden bijstandsniveau heeft geleefd, terwijl het hof ook niet rept over een hogere verdiencapaciteit van de man. Weliswaar heeft het hof overwogen dat de financiële middelen die de man in feite ter beschikking hebben gestaan naar 's hofs gebleken oordeel voldoende zijn geweest om in de noodzakelijke kosten van zijn bestaan te voorzien (waarmee is voldaan aan subregel e), maar met een te betalen onderhoudsbijdrage voor de kinderen ter hoogte van 10% van de bijstandsnorm (bovendien: met terugwerkende kracht tot november 1999) heeft het hof miskend dat het totale inkomen van de man - dat dus reeds onder bijstandsniveau lag - beneden het niveau van 90% van die norm zakt. Over een financieringsmogelijkheid op basis van vermogen van de man is door de vrouw niets gesteld en door het hof niets vastgesteld. De zijdens de man (door het hof beoordeelde, zie rov. 4.5) alsnog overgelegde belastingpapieren duiden allerminst op enig positief vermogen. Al met al moet ik constateren dat het hof de boven bedoelde jurisprudentiële subregel f geschonden heeft, of althans niet kon ontkomen aan een onderzoek naar de feitelijke draagkracht van de man (subregel g).
3.8. Mocht het hof een dergelijk (subregel g) onderzoek hebben verricht, dan heeft het hof daarvan onvoldoende blijk gegeven in zijn bestreden beschikking. Voor zover het hof bij zijn onderzoek naar de feitelijke draagkracht is gestuit op de onvoldoende onderbouwde stellingen van de man, is naar de stand van de rechtspraak onjuist, althans niet naar behoren gemotiveerd dat het nalaten voldoende inzicht te bieden in de rechtens relevante lasten - dat voor rekening en risico van de man komt - tot het resultaat leidt dat de man beneden het niveau van 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm uitkomt. Dit geldt temeer, nu het hof uit de door de man overgelegde gegevens heeft afgeleid dat de man in de betreffende periode in aanzienlijke mate beneden bijstandsniveau heeft geleefd. Ook deze alinea, die aansluit bij de geldende jurisprudentie, schrijf ik in deze zaak niet zonder tegenzin op.
3.9. In het licht van die jurisprudentie miskent rov. 4.10 m.i. dat aan de door het hof berekende fictieve draagkracht óók onder - zoals het hof expliciet aanduidt - de bijzondere omstandigheden van dit geval niét kan afdoen dat in het algemeen geen draagkracht kan worden aangenomen bij een onderhoudsplichtige wiens inkomen op of beneden bijstandsniveau ligt: eveneens bovengenoemde subregel f. Voor zover tot die bijzondere omstandigheden de onvoldoende onderbouwde stellingen van de man omtrent zijn draagkracht en rechtens relevante lasten moeten worden gerekend, geeft 's hofs oordeel, zoals hiervoor uiteengezet, blijk van een met de rechtspraak van de Hoge Raad strijdige rechtsopvatting, dan wel is zijn oordeel niet naar behoren gemotiveerd. In de volgende alinea sta ik bij 's hofs hier bedoeld oordeel nog nader stil.
3.10. Zonder het met zo veel woorden te zeggen, maar onmiskenbaar, heeft het hof met zijn oordeel in rov. 4.10 aangegeven dat onder de bijzondere omstandigheden van dit geval het feitelijke (beneden-)bijstandsniveau toch niét kan afdoen aan de fictieve draagkracht van de man op althans (door hem bij de uitkeringsinstantie aan te vragen) 100% bijstandsniveau. Dit oordeel is mij sympathiek, nu het hof met de bedoelde 'omstandigheden' klaarblijkelijk het oog heeft op een moreel hoogst aanvechtbare keuze van de man om bij hem aanwezig geachte capaciteit om meer inkomen te verwerven niet te benutten, ten koste van de reële behoeften van zijn kinderen.
Indien de Hoge Raad zou oordelen dat het hof de door hem in rov. 4.6-4.8 bedoelde omschreven omstandigheden (toch) voldoende 'bijzonder' kon achten om (zelfs) meergenoemde subregel f hier niet doorslaggevend te laten zijn, zou ik daarmee alleszins kunnen leven, en zou dat m.i. in het gegeven concrete geval tot een bevredigender uitkomst leiden. Ik besef evenwel dat het afdoet aan de waarde - voor de rechtsgemeenschap in haar geheel - van een 'hard and fast rule'. Ik besef ook dat het resultaat per saldo in gevallen als deze vermoedelijk marginaal zal blijven: ook voor de kinderen in deze zaak. Er is wel het principiële verschil van de hardere erkenning van de betere aanspraken van de alimentatiegerechtigden, alsmede de hardere (maar voorshands onverhaalbare, en mogelijk nog steeds mogelijk illusoire) aanspraak, waarbij de alimentatieplichtige - al dan niet na eventuele faillietverklaring - in betere dagen alsnog over de brug zal moeten komen.
3.11. Onderdeel 2.2 keert zich tegen het oordeel van het hof in rov. 4.9 met een tweeledige klacht.
Het onderdeel stelt (i) dat de meerderjarige kinderen als zelfstandige procespartij in het appel betrokken zijn en dat voor de beschikking van het hof niet van belang is dat zij de vrouw hebben gemachtigd om namens hen te procederen. Het onderdeel klaagt vervolgens dat het hof, niettegenstaande het wijzen van een beschikking ten aanzien van de kinderen, in zijn beschikking niet heeft bepaald welk bedrag aan welke meerderjarige kinderen bevrijdend moet worden betaald. Daarop volgt de klacht (ii) dat naast de draagkracht ook per alimentatiegerechtigde de behoefte moet worden vastgesteld en aan de hand daarvan met inachtneming van de draagkracht van de alimentatieplichtige per alimentatiegerechtigde een onderhoudsbijdrage moet worden bepaald. Een beschikking, waarbij partijen onderling moeten uitzoeken wie welk deel ontvangt, verhoudt zich niet met art. 1:397 BW en levert ook overigens executieproblemen op indien een van de alimentatiegerechtigden zijn eigen aanspraak geldend wil maken, aldus het onderdeel.
3.12. Het slagen van onderdeel 2.1 brengt mee dat onderdeel 2.2 geen bespreking meer behoeft. Mocht echter anders worden gedacht over het lot van onderdeel 2.1, dan geldt met betrekking tot dit onderdeel 2.2 het volgende.
3.13. Onderdeel 2.2 faalt m.i. reeds omdat de hier opgebrachte spitsvondigheden niet eerder in de procedure naar voren zijn gebracht. Het faalt ook om de volgende redenen.
Voor zover het onderdeel klaagt dat de vermelding van de kinderen als procespartijen in de beschikking reeds daarom zou nopen tot een dictum waarin per kind bepaald zou zijn op welk bedrag het betrokken kind jegens de man aanspraak heeft, miskent het dat de - onweersproken - door de kinderen aan de vrouw verstrekte, niet van beperkingen getuigende volmachten, naar het kennelijke en begrijpelijke oordeel mede de volmacht inhielden om het totaalbedrag aan de vrouw te laten toewijzen, op de wijze als door het hof gedaan. Voor zover de man executieproblemen jegens hemzelf zou vrezen, miskent het onderdeel dat naar de klaarblijkelijke strekking van 's hofs oordeel de man jegens de kinderen - in het systeem van de man zélf: zijn procestegenpartijen - gekweten is indien hij, overeenkomstig het dictum, aan de vrouw betaalt. Voor zover de man doelt op mogelijke interne verdelings- of verrekeningsproblemen tussen de kinderen onderling respectievelijk tussen de kinderen en de vrouw, staat hij daar buiten.
Voor zover het onderdeel klaagt dat het hof niet per kind de individuele onderhoudsbehoefte heeft vastgesteld, miskent het in de eerste plaats dat de man blijkens rov. 4.7, in zoverre onbestreden in cassatie, de behoefte van de kinderen aan de door hem te betalen onderhoudsbijdragen niet, althans onvoldoende heeft betwist. Het onderdeel miskent voorts dat bij de eerdere beschikking van 29 augustus 2000 de onderhoudsbijdrage van de man op (omgerekend) € 136,13 per kind per maand is vastgesteld, zodat het geheel voor de hand lag dat het thans door het hof opgelegde totaalbedrag aan kinderalimentatie eveneens gelijkelijk per kind per maand wordt verdeeld (waarbij de kinderen dan, gelet op de door het hof aangenomen draagkracht van de man, inmiddels genoegen moeten nemen - rekening houdend met de indexering - met ruwweg de helft van dat bedrag per kind per maand). De voor de kinderen in rov. 4.9 aangeduide relevante perioden zijn als zodanig niet betwist. Met dat al is ook van miskenning van art. 1:397 BW geen sprake.
4. Conclusie
Mijn conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking.
De procureur-generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
A-G
1 Ontleend aan rov. 4.1 en 4.2 van de bestreden beschikking.
2 Het verzoekschrift is op 22 februari 2008 bij de griffie van de Hoge Raad ingekomen.
3 De term 'fictieve draagkracht' heeft de charme van de kortheid, maar drukt m.i. voor anderen dan specialisten onvoldoende uit waar het aan inkomenszijde om gaat: nl. redelijkerwijs mogelijk geachte verdiencapaciteit en daarmee tot norm strekkende draagkracht.
4 Ik leun mede op de weergave in de NJ-noot van De Boer onder de beschikking en op Asser-De Boer (2006), nr. 625a. Het model van de beschikking van 23 januari 1988 is onlangs herhaald in HR 5 december 2008, nr. 07/13238, LJN BF8928, rov. 3.4.2.
5 Zie voetnoot 4.
6 Deze twee subregels heeft de Hoge Raad herhaald in HR 10 september 1999, NJ 2000, 82 en HR 30 november 2007, NJ 2007, 640.
7 Zie bijv. CRvB 30 juni 2008, LJN BD 5841, RSV 2008, 245.
8 Vgl. bijv. F.M. Noordam, De Algemene bijstandswet in hoofdlijnen (1996), p. 77.
9 Zie hierna, nr. 3.10.
Uitspraak 06‑02‑2009
Inhoudsindicatie
Familierecht. Kinderalimentatie; door de onderhoudsplichtige zelf teweeggebrachte, niet voor herstel vatbare inkomensvermindering die voor diens draagkracht buiten beschouwing moet blijven, mag niet ertoe leiden dat zijn inkomen beneden het niveau van 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm zakt (HR 23 januari 1998, nr. 8987, NJ 1998, 707).
6 februari 2009
Eerste Kamer
08/00814
RM/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt,
t e g e n
1. [Verweerster 1],
wonende te [woonplaats],
2. [Verweerder 2],
wonende te [woonplaats],
3. [Verweerster 3],
wonende te [woonplaats],
4. [Verweerster 4],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man, de vrouw (verweerster sub 1) en de kinderen (verweerders sub 2 tot en met 4).
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 2 januari 2006 ter griffie van de rechtbank Breda ingekomen verzoekschrift heeft de man zich gewend tot die rechtbank en verzocht te bepalen dat de kinderen geen behoefte meer hebben aan kinderalimentatie. Voorzover er behoefte bestaat aan betaling van kinderalimentatie heeft de man verzocht deze met ingang van 1 november 1999, dan wel 1 februari 2002, dan wel met ingang van de datum van indiening van verzoek, op nihil te stellen op grond van het ontbreken van draagkracht aan de zijde van de man.
De vrouw heeft, mede namens de kinderen, het verzoek bestreden.
De rechtbank bij beschikking van 9 januari 2007 de beschikking van de rechtbank Arnhem van 29 augustus 2000 gewijzigd en bepaald dat dat de daarbij vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding, respectievelijk in de kosten van levensonderhoud en studie, van [verweerder 2] met ingang van 1 september 2003 en van [verweerster 3] met ingang van 1 december 2003 nader wordt vastgesteld op nihil. Het meer of anders verzochte heeft de rechtbank afgewezen.
Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. De vrouw en de kinderen hebben incidenteel appel ingesteld.
Bij beschikking van 29 november 2007 heeft het hof de beschikking van de rechtbank, voor zover daarbij het door de man meer of anders verzochte werd afgewezen, vernietigd en, in zoverre opnieuw rechtdoende, met wijziging van de eerdergenoemde beschikking van 29 augustus 2000, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding/levensonderhoud en studie van:
- [verweerder 2] over de periode van 1 november 1999 tot 1 september 2003,
- [verweerster 3] over de periode van 1 november 1999 tot 1 december 2003,
- [verweerster 4] over de periode van l november 1999 tot l april 2007,
nader vastgesteld op in totaal € 6.952,40. Het hof heeft voorts het beroep in het incidenteel appel verworpen.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vrouw en de kinderen hebben geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking.
3. Beoordeling van het middel
3.1 Ingevolge een beschikking van de rechtbank van 29 augustus 2000 diende de man met ingang van 1 november 1999 ten behoeve van zijn drie, thans meerderjarige, kinderen [verweerder 2], [verweerster 3] en [verweerster 4] per maand ƒ 300 (€ 136,13) alimentatie te betalen. In de onderhavige procedure heeft de man verzocht te bepalen dat de kinderen geen behoefte meer hebben aan kinderalimentatie, dan wel de kinderalimentatie met ingang van 1 november 1999 of 1 februari 2002 op nihil te stellen wegens gebrek aan draagkracht aan zijn zijde. De rechtbank heeft de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [verweerder 2] met ingang van 1 september 2003, en in de kosten van levensonderhoud en studie van [verweerster 3] met ingang van 1 december 2003, nader vastgesteld op nihil, en het meer of anders verzochte afgewezen. Het hof heeft de beschikking van de rechtbank, voor zover daarbij het door de man meer of anders verzochte werd afgewezen, vernietigd en in zoverre opnieuw rechtdoende, met wijziging van de beschikking van 29 augustus 2000, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding, dan wel levensonderhoud en studie van:
- [verweerder 2] over de periode van 1 november 1999 tot 1 september 2003,
- [verweerster 3] over de periode van 1 november 1999 tot 1 december 2003,
- [verweerster 4] over de periode van 1 november 1999 tot 1 april 2007,
nader vastgesteld op in totaal € 6.952,40.
3.2 Het hof heeft in rov. 4.8 onder meer overwogen dat "niet [kan] worden uitgegaan van een fictief inkomen van de man, lager dan 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm". Dit oordeel moet aldus worden verstaan dat het hof is uitgegaan van een fictief inkomen van de man van 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Het hof heeft in dezelfde overweging voorts geoordeeld dat de man "vanaf 1 november 1999 steeds 10% van de voor hem geldende bijstandsnorm aan onderhoudsbijdragen voor de kinderen had moeten besteden".
3.3 Tegen dit laatste oordeel richt zich onderdeel 2.1. Het treft doel. Ook indien een door de onderhoudsplichtige zelf teweeggebrachte, niet voor herstel vatbare inkomensvermindering voor diens draagkracht buiten beschouwing moet blijven, mag dit in elk geval niet ertoe leiden dat zijn inkomen beneden het niveau van 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm zakt (HR 23 januari 1998, nr. 8987, NJ 1998, 707). De door het hof vastgestelde alimentatieverplichtingen van de man leiden echter, bij zijn door het hof tot uitgangspunt genomen fictieve inkomen van 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm, ertoe dat diens inkomen wél beneden dit niveau zakt.
3.4 Onderdeel 2.2 behoeft daarom geen behandeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 29 november 2007;
verwijst het geding naar het gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A. Hammerstein, F.B. Bakels, C.A. Streefkerk en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 6 februari 2009.
Beroepschrift 22‑02‑2008
VERZOEKSCHRIFT TOT CASSATIE
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Geeft eerbiedig te kennen:
[verzoeker], verzoeker tot cassatie, wonende te [woonplaats], verder te dezer zake ook aangeduid als ‘de man’ te dezer zake woonplaats gekozen hebbende te 's‑Gravenhage aan de Johan van Oldenbarneveltlaan 9E (Postbus 82228, 2508 EE) ten kantore van Alt Kam Boer advocaten, van wie mr H.J.W. Alt, advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, door verzoeker tot advocaat wordt gesteld en dit verzoekschrift ondertekent en indient;
dat gerequestreerden te dezen zijn
1
[gerequestreerde 1], verder ook aangeduid als ‘de vrouw’, wonende te ([postcode]) [woonplaats] aan de [adres],
2
[gerequestreerde 2], wonende te ([postcode]) [woonplaats] aan de [adres],
3
[gerequestreerde 3], wonende te ([postcode]) [woonplaats] aan de [adres],
4
[gerequestreerde 4], wonende te ([postcode]) [woonplaats] aan de [adres], voor wie als procureur is opgetreden mr R.F.W van Seumeren kantoorhoudende te Den Bosch (Van Iersel & Luchtman), aan de Statenlaan 3;
dat dit verzoekschrift strekt tot het instellen van cassatieberoep tegen de beschikking van het Gerechtshof te 's‑Hertogenbosch d.d. 29 november 2007, gewezen onder Rekestnummer R200700268, waarvan een afschrift aan dit verzoekschrift wordt gehecht.
‘Ten tijde van het indienen van dit cassatierekest heeft verzoeker tot cassatie nog niet de beschikking over het proces verbaal van de mondelinge behandeling van het gerechtshof te 's‑Hertogenbosch d.d. 20 september 2007. Dit proces verbaal is met spoed opgevraagd. Verzoeker behoudt zich uitdrukkelijk het recht voor dit verzoekschrift, c.q. dit cassatiemiddel aan te vullen indien en voor zover het proces verbaal daartoe aanleiding geeft.’
De man kan zich met die uitspraak niet verenigen en voert daartegen aan het navolgende
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt, doordat het Hof in r.o. 2, 4.4 tot en met 5 van de aangevallen beschikking heeft overwogen en beslist gelijk in 's ‑ Hofs beschikking vermeld — hier als herhaald en ingelast te beschouwen — ten onrechte om één of meer van de navolgende — zonodig in onderling verband en samenhang te beschouwen — redenen:
1. Kern van de zaak; ten aanzien van de feiten
1.1
Bij inleidend verzoekschrift van 29 december 2005 heeft verzoeker tot cassatie de rechtbank verzocht om te bepalen dat zijn kinderen (waarvan de oudste sedert 2001 meerderjarig is geworden) geen behoefte meer hebben aan kinderalimentatie, dan wel de kinderalimentatie wegens het ontbreken van draagkracht door De man, op nihil te stellen.
1.2
In dit geding staan — wegens het ontbreken van dan wel onvoldoende weerspreking — de volgende feiten vast:
- —
De man is met mw. [gerequestreerde 1] (hierna ‘de vrouw’) van 4 augustus 1980 tot 10 juni 1988 gehuwd geweest, uit welke huwelijk de volgende, inmiddels meerderjarige kinderen, geboren zijn:
- 1.
[gerequestreerde 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983;
- 2.
[gerequestreerde 3], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984;
- 3.
[gerequestreerde 4], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986.
- —
ingevolge de beschikking van de rechtbank Arnhem d.d. 29 augustus 2000, dient De man € 136,13 per maand te betalen voor de kosten van levensonderhoud en studie van de voormelde kinderen. Deze beschikking is op verstek verleend. De man heeft hiertegen hoger beroep ingesteld, welke beroep is afgewezen. Het hof overwoog hiertoe dat De man onvoldoende inzicht had gegeven in zijn financiële omstandigheden in de gehele periode vanaf 1 november 1999. Het door De man hiertegen ingestelde cassatieberoep is op grond van art. 81 RO verworpen;
- —
het gemiddelde inkomen van De man vanaf november 1999 is in aanzienlijke mate beneden het bijstandsniveau gelegen.
1.3
Aan zijn verzoek heeft de man het volgende ten grondslag gelegd:
- —
De man is in 1992 een beveiligingsbedrijf begonnen. In 1997 is de man met een compagnon een v.o.f. gestart, die in 2000 vervolgens is ontbonden;
- —
Na juli 2000 heeft de man zijn werkzaamheden in de vorm van een eenmanszaak voortgezet, zij het dat hij feitelijk weer helemaal opnieuw moest beginnen. Het resultaat van de onderneming is steeds negatief geweest (verwijzend naar de jaarstukken);
- —
Teneinde enigszins in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien is de man, naast zijn werk in de beveiligingsbranche, sinds juni 2003 ook werkzaam als taxichauffeur. Hierbij heeft de man een nul - urencontract.
1.4
Tegen dit verzoek heeft de vrouw (mede namens en gemachtigd door haar drie meerderjarige kinderen) verweer gevoerd, onder meer stellende dat:
- —
de man niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoek, nu door drie instanties onherroepelijk is betwist over de kinderalimentatie voor de periode 1 september 1999 tot en met februari 2002;
- —
volgens het rapport ‘werkgroep alimentatienormen 2006’ de behoefte van kinderen tot in hun 21ste jaar in beginsel vaststaat en dat hun eigen inkomsten slechts een zeer ondergeschikte rol spelen;
- —
de kinderen tot hun 21ste leeftijd nauwelijks inkomsten hebben gehad en mede afhankelijk zijn geweest van een studiebeurs;
- —
het vaststaat dat het op de weg van De man was gelegen en dat hem hiertoe ook voldoende gelegenheid was geboden, om inzicht te geven in zijn financiële omstandigheden vanaf september 1999;
- —
de man ook het onderhavige verzoek ondeugdelijk heeft onderbouwd met financiële stukken en verificatoire bescheiden. Om een totaalbeeld te kunnen krijgen van de inkomenspositie van de man, is het immers van belang dat aangiften IB/PH dienen te worden overgelegd alsmede de als gevolg daarvan door de belastingdienst vastgelegde voorlopige en definitieve aanslagen.
1.6
Bij beschikking van 9 januari 2007 heeft de rechtbank het verzoek van de man voor een deel afgewezen. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat uit de processtukken gebleken is dat [gerequestreerde 2] sedert 1 september 2003 en [gerequestreerde 3] sedert 1 december 2003 over zodanige eigen inkomsten beschikken dat zij in eigen levensonderhoud kunnen voorzien en daardoor geen behoefte meer hebben aan een door de man te betalen bijdrage. De behoefte van [gerequestreerde 4] aan een door de man te betalen bijdrage is door hem niet langer weersproken, zodat zulks vaststaat. Ten aanzien van de draagkracht van de man heeft de rechtbank overwogen dat hij zijn stelling, dat bij het geven van de beschikking waarvan thans wijziging wordt verzocht van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan, onvoldoende middels in rechte geloof verdienende bescheiden heeft onderbouwd. Dit onder meer vanwege het feit dat de man — ondanks hiertoe meerdere malen de gelegenheid te hebben gehad — wederom niet de gevraagde belastingaangiften en -aanslagen heeft overgelegd en evenmin bescheiden omtrent zijn lasten. Op grond van het voorafgaande heeft de rechtbank de bij beschikking van 29 augustus 2000 vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding, respectievelijk in de kosten van levensonderhoud en studie van [gerequestreerde 2] en [gerequestreerde 3] per 1 september 2003 resp. 1 december 2003 op nihil gesteld. Het meer verzochte heeft de rechtbank afgewezen.
1.7
Tegen de voormelde beschikking van de rechtbank heeft De man hoger beroep ingesteld waarbij hij een drietal grieven heeft ontwikkeld. De man heeft in appel onder meer het volgende aangevoerd:
- —
ten onrechte is de rechtbank ervan uitgegaan dat er geen sprake is van een situatie die genoemd is in art. 1:401 lid 4 BW, inhoudende dat de destijds vastgestelde alimentatie van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige informatie is uitgegaan. Hiertoe heeft de man de aangifte en aanslag belastingdienst 1999 t/m 2004 en voorlopige aanslag 2005 overgelegd;
- —
Sedert 2000 is het inkomen van de man steeds lager geworden. Ten onrechte heeft de rechtbank geen rekening gehouden met de huidige financiële gegevens zoals door de man was ingediend. Het gaat dan om het door de man overgelegde overzicht omzet van de onderneming en de daaraan gerelateerde bedrijfskosten zoals die structureel sinds juli 2005 aan de rode waren;
- —
Rekening dient tevens te worden gehouden met het inkomen van de man welke hij op basis van het nul - urencontract met het taxibedrijf heeft gehad, blijkens de jaaropgaven 2004 tot en met 2006;
1.8
Op 6 april 2007 heeft de vrouw tegen het appel verweer gevoerd en tevens op haar beurt incidenteel appel ingesteld. In principaal appel heeft de vrouw onder meer aangevoerd dat zij met de rechtbank van mening is dat de man nimmer zijn stellingen naar behoren heeft onderbouwd zoals dat ook van hem mocht worden verwacht. Nog steeds zou onduidelijk zijn of de man nog steeds het beveiligingsbedrijf heeft en of deze kennelijk evidente verliesgevende ondernemingsactiviteiten nog altijd worden voorgezet. In incidenteel appel heeft de vrouw aangevoerd dat de rechtbank de man ten onrechte niet niet-ontvankelijk heeft verklaard.
1.9
Op 3 mei 2007 heeft de man tegen het incidenteel appel verweer gevoerd.
1.10
Op 20 september 2007 heeft de man een aantal nadere stukken overgelegd: de jaarverslagleggingen en inkomensopstelling 2005 van de eenmanszaak, alsmede een overzicht omzet en kosten 2007.
1.11
Bij beschikking van 29 november 2007 heeft het hof de beschikking van de rechtbank d.d. 9 januari 2007 deels vernietigd en opnieuw rechtsdoende de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding/levensonderhoud en studie vastgesteld op 10% van de voor de man geldende bijstandsnorm, ongeacht het aantal onderhoudsgerechtigden, gedurende de periode van 1 november 1999 tot 1 april 2007. In die zin dat vanaf 1 november 1999 tot 1 september 2003 de man dit bedrag voor drie onderhoudsgerechtigden verschuldigd is, vanaf 1 september 2003 tot 1 december 2003 voor twee onderhoudsgerechtigden en van 1 december 2003 tot 1 april 2007 voor één onderhoudsgerechtigde. Hierbij overwoog het hof dat de man had moeten beseffen dat van hem verlangd zou worden dat hij op genoegzame wijze inzicht zou bieden in zijn rechtens relevante lasten, opdat het hof een indruk zou kunnen krijgen van zijn draagkracht. Dat hij zulks heeft nagelaten, komt voor zijn rekening en risico. Het hof heeft tevens overwogen dat het weliswaar in rechte vaststaat dat het inkomen van de man vanaf november 1999 in aanzienlijke mate beneden het bijstandsniveau heeft gelegen, doch dat van hem mag worden verwacht dat hij zich meer zou inspannen om inkomen tenminste op bijstandsniveau te vergaren.
1.12
De man kan zich met deze uitspraak niet verenigen en voert daartegen de navolgende klachten aan.
2. Klachten
2.1
Rechtens onjuist althans zonder nadere toelichting, die ontbreekt zijn onbegrijpelijk, dan wel onvoldoende gemotiveerd de r.o. van het hof:
‘4.6
Op grond van de inhoud van voormelde aangiften tot en met 2004 stelt het hof vast dat het gemiddelde inkomen van de man vanaf november 1999 in aanzienlijke mate beneden bijstandsniveau heeft gelegen.
Van belang is dat de man zeer geruime tijd beneden bijstandsniveau heeft geleefd, terwijl niet is gebleken dat hij geld heeft geleend of gekregen om mede in de kosten van zijn levensonderhoud te voorzien en hij evenmin een aanvullende bijstandsuitkering heeft aangevraagd en ontvangen omdat hij, zoals hij desgevraagd tegenover het hof heeft verklaard, deze niet heeft willen aanvragen aangezien hij zich daarbij niet prettig zou hebben gevoeld.
Een en ander heeft bij het hof de vraag opgeroepen waarvan de man vanaf november 1999 heeft geleefd, temeer omdat hij geen, althans op volstrekt onvoldoende wijze, inzicht heeft gegeven in zijn lasten vanaf dat tijdstip.
Vragen van de vrouw en van het hof dienaangaande heeft de man niet genoegzaam beantwoord. Het hof heeft de man tijdens de mondelinge behandeling vervolgens voorgehouden dat uit een en ander slechts kan worden geconcludeerd dat zijn behoefte dan kennelijk heel laag moet zijn geweest.
De man heeft dat ontkend noch bevestigd; hij heeft slechts gezegd dat hij ‘moeizaam’ heeft geleefd.
De man had naar het oordeel van het hof moeten en kunnen beseffen dat van hem verlangd zou worden dat hij op genoegzame wijze inzicht zou bieden in zijn rechtens relevante lasten, opdat het hof een indruk zou kunnen krijgen van zijn draagkracht. Dat hij dat heeft nagelaten komt voor rekening en risico van de man.
4.7
Gelet op de dringende wettelijke verplichting van de man tot betaling van onderhoudsbijdragen voor de kinderen, had de man naar het oordeel van het hof niet mogen afzien van zijn recht op een aanvullende bijstandsuitkering. In ieder geval had van de man dan verwacht mogen worden dat hij zich meer zou inspannen om inkomen tenminste op bijstandsniveau te vergaren. Hij zou dan een ruimer financieel budget ter beschikking hebben gehad dan hij vanaf november 1999 daadwerkelijk heeft gehad, terwijl de financiële middelen die hem in feite ter beschikking hebben gestaan, zoals op grond van hetgeen hiervoor is overwogen moet worden aangenomen, kennelijk voldoende zijn geweest om in de noodzakelijke kosten van zijn bestaan te voorzien.
De man heeft de behoefte van de kinderen aan de door hem voor hen te betalen onderhoudsbijdragen niet, althans onvoldoende, betwist. Hij had er zich bewust van moeten zijn dat de verzorging en opvoeding respectievelijk het levensonderhoud en de studie van de kinderen zonder een bijdrage zijnerzijds in de kosten daarvan op een niveau zouden plaatsvinden dat duidelijk zou liggen beneden de behoefte van de kinderen. Dat hij, kennelijk weloverwogen, niettemin heeft nagelaten een aanvullende bijstandsuitkering aan te vragen, valt naar het oordeel van het hof dan ook slechts te kwalificeren als aan hem verwijtbaar gedrag.
4.8
Ook in de bijzondere omstandigheden van dit geval kan naar het oordeel van het hof niet worden uitgegaan van een fictief inkomen van de man, lager dan 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm (die voor een zelfstandig wonende alleenstaande).
Daarom zal het hof bepalen dat de man vanaf 1 november 1999 steeds 10% van de voor hem geldende bijstandsnorm aan onderhoudsbijdragen voor de kinderen had moeten besteden. Dat bedrag dient de man te betalen ongeacht het aantal onderhoudsgerechtigden, met andere woorden: van 1 november 1999 tot 1 september 2003 is de man dit bedrag verschuldigd voor drie onderhoudsgerechtigden, van 1 september 2003 tot 1 december 2003 voor twee onderhoudsgerechtigden en van 1 december 2003 tot 1 april 2007 voor één onderhoudsgerechtigde.
4.9
Het hof berekent het totaal van de door de man voor de kinderen te betalen bijdragen in de kosten van hun verzorging en opvoeding respectievelijk hun levensonderhoud en studie gedurende de periode van 1 november 1999 tot 1 april 2007 als volgt, waarbij de bedragen van de bijstandsnorm in guldens zijn omgerekend en afgerond op hele euro's en vervolgens gedeeld door 10:
november en december 1999 | 2 × € 67,60 = | € 135,20 |
januari t/m juni 2000 | 6 × € 68,90 = | € 413,40 |
juli t/m december 2000 | 6 × € 69,80 = | € 418,80 |
januari t/m juni 2001 | 6 × € 73,60 = | € 441,60 |
juli t/m december 2001 | 6 × € 74,70 = | € 448,20 |
januari t/m juni 2002 | 6 × € 77,00 = | € 462,00 |
juli t/m december 2002 | 6 × € 78,00 = | € 468,00 |
januari t/m juni 2003 | 6 × € 79,60 = | € 477,60 |
juli t/m december 2003 | 6 × € 79,70 = | € 478,20 |
januari t/m juni 2004 | 6 × € 81,00 = | € 486,00 |
juli t/m december 2004 | 6 ×€ 80,60 = | € 483,60 |
januari t/m juni 2005 | 6 × € 80,50 = | € 483,00 |
juli t/m december 2005 | 6 × € 80,80 = | € 484,80 |
januari t/m juni 2006 | 6 × € 84,10 = | € 504,60 |
juli t/m december 2006 | 6 × € 84,60 = | € 507,60 |
januari t/m maart 2007 | 3 × € 86,60 = | € 259,80 |
totaal | € 6.952,40 | |
Nu het gaat om een afgesloten periode in het verleden en de meerderjarige kinderen hun moeder hebben gemachtigd om namens hen te procederen zal het hof bepalen dat de man voormeld bedrag aan de vrouw moet betalen. Aan de hand van de in deze beschikking opgenomen informatie zal zij dan zelf kunnen bepalen welk deel van het totale bedrag voor welk kind bestemd is.
4.10
Aan het vorenstaande kan onder de bijzondere omstandigheden van dit geval niet afdoen het gegeven dat in het algemeen geen draagkracht kan worden aangenomen bij een onderhoudsplichtige wiens inkomen op of beneden bijstandsniveau ligt.
4.11
Na het vorenstaande behoeven de grieven van de man geen afzonderlijke bespreking.’
alsmede het dictum dat daarop voortbouwt, omdat het hof door te oordelen dat De man vanaf 1 november 1999 tot aan 1 april 2007 steeds 10% van de voor hem geldende bijstandnorm aan bijdragen voor de kinderen verschuldigd is, miskent dat vaststelling van een onderhoudsbijdrage niet mag leiden tot het resultaat dat de onderhoudsplichtige feitelijk niet meer over voldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van zijn eigen bestaan te voorzien, en in geen geval tot het resultaat dat zijn totale inkomen zakt beneden het niveau van 90% van de op hem toepasselijke bijstandsnorm1.. In casu zakt de man in die periode daar evident wèl onder, nu het hof aanneemt dat zónder die 10% van de bijstandsnorm zijn inkomen vanaf november 1999 in aanzienlijke mate beneden het bijstandniveau is gelegen. Indien het hof dit niet heeft miskend heeft het geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang op dit punt.
Toelichting en uitwerking onderdeel 2.1
Weliswaar heeft de rechter, krachtens HR 26 juni 1981, NJ 1981, 483, de vrijheid om voor de bepaling van de draagkracht van de onderhoudsplichtige niet alleen rekening te houden met wat de onderhoudsplichtige heeft verdiend maar ook met het inkomen dat hij zich redelijkerwijze kon verwerven. Dat vindt echter zijn ondergrens indien dat inkomen onder 90% van de bijstandsnorm dreigt te geraken door oplegging van de onderhoudsbijdrage. Daarbij is nog wel van belang of er sprake is van een ‘reparabele’ of een ‘niet reparabele’ inkomensvermindering. Het is een feit van algemene bekendheid, althans een ervaringsfeit dat indien iemand over een bepaalde periode geen bijstand heeft aangevraagd bij de sociale dienst, hij dat niet achteraf met terugwerkende kracht kan ontvangen. Gesproken kan dus worden van een irreparabele inkomensachteruitgang of -verlaging. Het hof overweegt ook niet dat dit reparabel zou zijn. Het oordeelt in r.o. 4.7:
‘Gelet op de dringende wettelijke verplichting van de man tot betaling van onderhoudsbijdragen voor de kinderen, had de man naar het oordeel van het hof niet mogen afzien van zijn recht op een aanvullende bijstandsuitkering. In ieder geval had van de man dan verwacht mogen worden dat hij zich meer zou inspannen om inkomen tenminste op bijstandsniveau te vergaren. Hij zou dan een ruimer financieel budget ter beschikking hebben gehad dan hij vanaf november 1999 daadwerkelijk heeft gehad, terwijl de financiële middelen die hem in feite ter beschikking hebben gestaan, zoals op grond van hetgeen hiervoor is overwogen moet worden aangenomen, kennelijk voldoende zijn geweest om in de noodzakelijke kosten van zijn bestaan te voorzien.’
Vervolgens oordeelt het hof in r.o. 4.8 t/m 4.10
‘Ook in de bijzondere omstandigheden van dit geval kan naar het oordeel van het hof niet worden uitgegaan van een fictief inkomen van de man, lager dan 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm (die voor een zelfstandig wonende alleenstaande).
Daarom zal het hof bepalen dat de man vanaf 1 november 1999 steeds 10% van de voor hem geldende bijstandsnorm aan onderhoudsbijdragen voor de kinderen had moeten besteden. Dat bedrag dient de man te betalen ongeacht het aantal onderhoudsgerechtigden, met andere woorden: van 1 november 1999 tot 1 september 2003 is de man dit bedrag verschuldigd voor drie onderhoudsgerechtigden, van 1 september 2003 tot 1 december 2003 voor twee onderhoudsgerechtigden en van 1 december 2003 tot 1 april 2007 voor één onderhoudsgerechtigde.
4.9
Het hof berekent het totaal van de door de man voor de kinderen te betalen bijdragen in de kosten van hun verzorging en opvoeding respectievelijk hun levensonderhoud en studie gedurende de periode van 1 november 1999 tot 1 april 2007 als volgt, waarbij de bedragen van de bijstandsnorm in guldens zijn omgerekend en afgerond op hele euro's en vervolgens gedeeld door 10:
november en december 1999 | 2 × € 67,60 = | € 135,20 |
januari t/m juni 2000 | 6 × € 68,90 = | € 413,40 |
juli t/m december 2000 | 6 × € 69,80 = | € 418,80 |
januari t/m juni 2001 | 6 × € 73,60 = | € 441,60 |
juli t/m december 2001 | 6 × € 74,70 = | € 448,20 |
januari t/m juni 2002 | 6 × € 77,00 = | € 462,00 |
juli t/m december 2002 | 6 × € 78,00 = | € 468,00 |
januari t/m juni 2003 | 6 × € 79,60 = | € 477,60 |
juli t/m december 2003 | 6 × € 79,70 = | € 478,20 |
januari t/m juni 2004 | 6 × € 81,00 = | € 486,00 |
juli t/m december 2004 | 6 × € 80,60 = | € 483,60 |
januari t/m juni 2005 | 6 × € 80,50 = | € 483,00 |
juli t/m december 2005 | 6 × € 80,80 = | € 484,80 |
januari t/m juni 2006 | 6 × € 84,10 = | € 504,60 |
juli t/m december 2006 | 6 × € 84,60 = | € 507,60 |
januari t/m maart 2007 | 3 ×€ 86,60 = | € 259,80 |
totaal | € 6.952,40 | |
Nu het gaat om een afgesloten periode in het verleden en de meerderjarige kinderen hun moeder hebben gemachtigd om namens hen te procederen zal het hof bepalen dat de man voormeld bedrag aan de vrouw moet betalen. Aan de hand van de in deze beschikking opgenomen informatie zal zij dan zelf kunnen bepalen welk deel van het totale bedrag voor welk kind bestemd is.
4.10
Aan het vorenstaande kan onder de bijzondere omstandigheden van dit geval niet afdoen het gegeven dat in het algemeen geen draagkracht kan worden aangenomen bij een onderhoudsplichtige wiens inkomen op of beneden bijstandsniveau ligt.’
Waarbij het hof miskent dat vaststelling van een onderhoudsbijdrage niet mag leiden tot het resultaat dat de onderhoudsplichtige feitelijk niet meer over voldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van zijn eigen bestaan te voorzien, en in geen geval tot het resultaat dat zijn totale inkomen zakt beneden het niveau van 90% van de op hem toepasselijke bijstandsnorm2.. Anders dan het hof kennelijk meent, mag vaststelling van een fictieve draagkracht — dus uitgaande wat een partij, de inkomensvermindering weggedacht, aan inkomen had kunnen genereren, er niet toe leiden dat de onderhoudsplichtige bij de voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer beschikt over voldoende middelen om in de noodzakelijke kosten van zijn eigen bestaan te voorzien. In geen geval mag het resultaat zijn dat het totale inkomen zakt beneden het niveau van 90% van de op hem toepasselijke bijstandsnorm. Als een dergelijk resultaat dreigt, zal een onderzoek naar de feitelijke draagkracht van de onderhoudsplichtige niet achterwege mogen blijven.
Zie voor een toepassing van de in bovengenoemde beslissing (NJ 1998, 707) uiteengezette lijnen HR 10 september 1999, NJ 2000, 82. In het eerst genoemde arrest heeft de hoge raad het volgende overwogen:
‘Verder dient in het oog te worden gehouden dat het buiten beschouwing laten van de inkomensvermindering in beginsel niet mag leiden tot het resultaat dat de onderhoudsplichtige als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht bij voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van zijn eigen bestaan te voorzien, en in geen geval tot het resultaat dat zijn totale inkomen zakt beneden het niveau van 90% van de op hem toepasselijke bijstandsnorm. Een rechterlijke uitspraak die dit laatste miskent, zou ingevolge art. 475d Rv trouwens ook onverhaalbaar zijn. Zo het gaat om bedragen waarbij een dergelijk resultaat dreigt, zal een onderzoek naar de feitelijke draagkracht van de onderhoudsplichtige niet achterwege mogen blijven. Indien het een relatief aanzienlijke, onherstelbare inkomensvermindering betreft en het buiten beschouwing laten daarvan derhalve een beslissing van ingrijpende aard is, dient deze beslissing bovendien van een aan deze aard beantwoordende motivering te zijn voorzien.’
In het laatstgenoemde arrest had de onderhoudsplichtige man zijn gehele vermogen opgemaakt. Hij genoot inmiddels onderdak bij het Leger des Heils en was dus kennelijk zelfs niet in staat in eigen onderdak te voorzien. De omstandigheden van het geval bepalen ook nu weer het antwoord op de vraag of een vermindering van de inkomsten als gevolg van het verteren van vermogen buiten beschouwing dient te worden gelaten bij het bepalen van de draagkracht. Het enkele feit dat de onderhoudsplichtige zelf de inkomensvermindering heeft teweeggebracht, sluit niet uit dat bij het bepalen van de draagkracht met deze inkomensvermindering rekening wordt gehouden. De Hoge Raad herhaalt in deze beslissing een veroordeling tot het doen van uitkeringen er niet toe mag leiden dat het totale inkomen beneden het niveau van 90% van de op hem toepasselijke bijstandsnorm zakt.
Zie ook recent: HR 30 november 2007, NJ 2007, 640:
‘Bij de beoordeling van de middelonderdelen 1 en 3 wordt vooropgesteld dat vaststelling van een onderhoudsbijdrage niet mag leiden tot het resultaat dat de onderhoudsplichtige bij voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van zijn eigen bestaan te voorzien, en in geen geval tot het resultaat dat zijn totale inkomen zakt beneden het niveau van 90% van de op hem toepasselijke bijstandsnorm. Gelet op de door het hof vastgestelde bedragen en op het feit dat de bijstandsnorm voor alleenstaanden in de jaren 2002–2005 respectievelijk € 523,51, € 540,54, € 551,67 en € 549,62 bedroeg, geeft het oordeel van het hof blijk van een onjuiste opvatting omtrent art. 1:401 lid 5 BW dan wel is dat oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, omdat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom uitgaande van genoemde bedragen geen sprake is van grove miskenning van de wettelijke maatstaven in de zin van deze bepaling.’
Het hof heeft dit alles hetzij miskend, hetzij geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang op dit punt.
2.2
Rechtens onjuist, althans zonder nadere toelichting die ontbreekt onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd is de r.o.4.9:
‘Het hof berekent het totaal van de door de man voor de kinderen te betalen bijdragen in de kosten van hun verzorging en opvoeding respectievelijk hun levensonderhoud en studie gedurende de periode van 1 november 1999 tot 1 april 2007 als volgt, waarbij de bedragen van de bijstandsnorm in guldens zijn omgerekend en afgerond op hele euro's en vervolgens gedeeld door 10:
november en december 1999 | 2 ×€ 67,60 = | € 135,20 |
januari t/m juni 2000 | 6 ×€ 68,90 = | € 413,40 |
juli t/m december 2000 | 6 ×€ 69,80 = | € 418,80 |
januari t/m juni 2001 | 6 ×€ 73,60 = | € 441,60 |
juli t/m december 2001 | 6 ×€ 74,70 = | € 448,20 |
januari t/m juni 2002 | 6 ×€ 77,00 = | € 462,00 |
juli t/m december 2002 | 6 ×€ 78,00 = | € 468,00 |
januari t/m juni 2003 | 6 ×€ 79,60 = | € 477,60 |
juli t/m december 2003 | 6 ×€ 79,70 = | € 478,20 |
januari t/m juni 2004 | 6 ×€ 81,00 = | € 486,00 |
juli t/m december 2004 | 6 ×€ 80,60 = | € 483,60 |
januari t/m juni 2005 | 6 ×€ 80,50 = | € 483,00 |
juli t/m december 2005 | 6 ×€ 80,80 = | € 484,80 |
januari t/m juni 2006 | 6 ×€ 84,10 = | € 504,60 |
juli t/m december 2006 | 6 ×€ 84,60 = | € 507,60 |
januari t/m maart 2007 | 3 ×€ 86,60 = | € 259,80 |
totaal | € 6.952,40 | |
Nu het gaat om een afgesloten periode in het verleden en de meerderjarige kinderen hun moeder hebben gemachtigd om namens hen te procederen zal het hof bepalen dat de man voormeld bedrag aan de vrouw moet betalen. Aan de hand van de in deze beschikking opgenomen informatie zal zij dan zelf kunnen bepalen welk deel van het totale bedrag voor welk kind bestemd is.’
alsmede het dictum dat daarop voortbouwt omdat:
- i.
blijkens het verweerschrift in eerste aanleg, de meerderjarige kinderen [gerequestreerde 2], [gerequestreerde 3] en [gerequestreerde 4], gemachtigd door hun moeder als procespartij zijn verschenen in de procedure. Blijkens het proces verbaal van de terechtzitting van de rechtbank d.d. 21 december 2006, alsmede de beschikking van de rechtbank d.d. 9 januari 2007 treden zij als zelfstandige procespartij op. Bij appelschrift zijdens De man d.d. 13 maart 2007 zijn zij ook als zelfstandige procespartij in het appel betrokken. Aldus is dus niet van belang voor de uitspraak dat de meerderjarige kinderen hun moeder hebben gemachtigd om namens hen te procederen en dient er ten aanzien van henzelf een beschikking te worden gewezen. Blijkens de aanhef (p. 1 ) van dat arrest heeft het hof dat ook gedaan, maar vervolgens individualiseert het hof niet welk bedrag aan welke meerderjarige bevrijdend moet worden betaald;
- ii.
naast de draagkracht — die blijkens onderdeel 2.1 niet aanwezig is omdat dit tot consequentie heeft dat het inkomen beneden de 90% van de bijstandsnorm komt — ook per alimentatiegerechtigde de behoefte moet worden vastgesteld en aan de hand daarvan met inachtneming van de draagkracht van de alimentatieplichtige per alimentatiegerechtigde een onderhoudsbijdrage moet worden bepaald. Een beschikking, waarbij partijen onderling zelf maar moeten uitzoeken wie welk deel ontvangt zich niet verhoudt met artikel 1:397 BW en levert ook overigens executieproblemen op indien één van de partijen zijn eigen aanspraak geldend wil maken.
Het hof heeft dit alles hetzij miskend, hetzij geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang op dit punt, althans een onbegrijpelijk oordeel gegeven terzake.
Redenen waarom
Verzoeker tot cassatie zich wendt tot Uw Raad met het eerbiedig verzoek, de beschikking van het gerechtshof te 's‑Hertogenbosch van 29 november 2007, gewezen onder Rekestnummer R200700268, waartegen opgemeld middel is gericht, te vernietigen met zodanige verdere uitspraak als naar het oordeel van Uw Raad behoort te worden gegeven; Kosten Rechtens!
's‑Gravenhage 22 februari 2008
mr H.J.W. Alt
advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 22‑02‑2008
Zie onder meer: HR 30 november 2007, NJ 2007, 640.