HR, 14-11-2008, nr. C07/191HR
ECLI:NL:PHR:2008:BF0375
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
14-11-2008
- Zaaknummer
C07/191HR
- LJN
BF0375
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Onteigeningsrecht
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2008:BF0375, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 14‑11‑2008; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BF0375
ECLI:NL:PHR:2008:BF0375, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 14‑11‑2008
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BF0375
Beroepschrift, Hoge Raad, 05‑06‑2007
- Wetingang
art. 3 onteigeningswet
art. 3 onteigeningswet
- Vindplaatsen
Uitspraak 14‑11‑2008
Inhoudsindicatie
Onteigening. Procesrecht; verzoek tot tussenkomst; strekking art. 3 lid 3 Ow; afwijzing van verzoek na enkele tegenspraak van gestelde hoedanigheid zonder verder processueel debat.
14 november 2008
Eerste Kamer
Nr. C07/191HR
RM/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [Eiser 1],
2. [Eiser 2],
beiden wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. A.P. van Delden,
t e g e n
DE GEMEENTE HAARLEMMERMEER,
zetelende te Hoofddorp,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. M.W. Scheltema.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eisers], en de Gemeente.
1. Het geding in feitelijke instantie
Bij exploot van 22 februari 2007 heeft de Gemeente zichzelf doen dagvaarden voor de rechtbank te Haarlem ter fine van vervroegde onteigening van het perceel met de kadastrale aanduiding gemeente Haarlemmermeer [A 001] en [A 002]. Dit exploot is op 28 februari 2007 aan [eisers] overbetekend.
[Eisers] hebben ter zitting van 7 maart 2007 geconcludeerd tot interventie in de onderhavige onteigeningsprocedure. Ter zitting van 4 april 2007 hebben zij verzocht om hun zaak te mogen bepleiten. De Gemeente heeft bezwaar gemaakt tegen het pleidooiverzoek.
Bij tussenvonnis van 11 april 2007 heeft de rechtbank het verzoek om toegelaten te worden tot pleidooi afgewezen. Hierna heeft de rechtbank bij vonnis van 9 mei 2007 het verzoek om te worden toegelaten als tussenkomende partij in het geding van onteigening eveneens afgewezen.
Dit vonnis is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
[Eisers] hebben tegen het vonnis van de rechtbank van 9 mei 2007 beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Gemeente heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] in het ingestelde cassatieberoep en subsidiair tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van [eisers] heeft bij brief van 16 september 2008 op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie gaat het om het volgende. [eisers] zijn eigenaren van percelen die grenzen aan twee percelen waarvan de rechtbank in haar vonnis van 9 mei 2007 op vordering van de Gemeente de onteigening heeft uitgesproken. Zij hebben verzocht te mogen tussenkomen in dit onteigeningsgeding, daartoe stellende dat zij door verjaring eigenaar zijn geworden van twee aan hun percelen grenzende bij hen in gebruik zijnde stroken grond die behoren tot de in de onteigening betrokken percelen, waarvan de Gemeente in het onteigeningsbesluit als eigenaar is aangewezen. De Gemeente heeft gemotiveerd betwist dat [eisers] van deze stroken grond eigenaar zijn geworden. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen op de grond dat, nu de Gemeente gemotiveerd betwist dat [eisers] eigenaar zijn geworden, ingevolge het bepaalde in art. 3 lid 3 Ow de onteigening met de overigen wordt voortgezet. Zij heeft het verzoek in dit geval afgewezen, omdat de Gemeente zich daartegen heeft verzet. In haar vonnis van 11 april 2007 had de rechtbank het verzoek van [eisers] om te worden toegelaten tot pleidooi om hun verzoek tot tussenkomst nader toe te lichten reeds afgewezen omdat dit gelet op het bepaalde in art. 3 lid 3 Ow tot onredelijke vertraging van de procedure zou leiden.
3.2.1 Onderdeel A van het middel heeft betrekking op de afwijzing van het verzoek tot tussenkomst en bevat twee klachten.
3.2.2 De eerste klacht houdt in dat deze afwijzing onjuist is omdat de Gemeente niet heeft betwist dat [eisers] bezitters van de stroken grond zijn. Deze klacht kan niet tot cassatie leiden omdat de verzoeken tot tussenkomst waren gebaseerd op de hoedanigheid van eigenaar, en het bezit van de stroken - naar de rechtbank kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld - niet als zelfstandige grond is aangevoerd, doch alleen ter ondersteuning van de desbetreffende stelling dat de eigendom daarvan was verkregen.
3.2.3 De tweede klacht strekt ten betoge dat, nu [eisers] voldoende feiten hebben bewezen of aannemelijk gemaakt waaruit blijkt dat hun bezit sinds jaar en dag aanwezig was en de Gemeente de periode van het bezit niet heeft bestreden, en nu voorts aangeboden is de stellingen bij pleidooi toe te lichten, de rechtbank in redelijkheid niet tot de slotsom heeft kunnen komen dat verschil van mening bestond over de feiten waarop het verzoek tot tussenkomst was gebaseerd, zodat onbegrijpelijk is waarom dat verzoek is afgewezen.
3.2.4 Bij de beoordeling van deze klacht wordt tot uit-gangspunt genomen dat art. 3 lid 3 Ow de strekking heeft vertraging van de onteigeningsprocedure te voorkomen en daarom tussenkomst in deze procedure alleen toelaat als de hoedanigheid van de tussenkomende partij onweersproken is. De wet stelt in zoverre het belang van de onteigenende partij bij het tijdig tot stand komen van de onteigening boven dat van een tussenkomende partij die stelt eigenaar, rechthebbende of derde belanghebbende te zijn maar van wie niet zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat zij de gestelde hoedanigheid ook werkelijk heeft. De rechtbank heeft geoordeeld dat dit laatste hier het geval is. Dit oordeel kan, als voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, in cassatie niet op juistheid worden onderzocht en is niet onbegrijpelijk. Daarop stuit de klacht af.
3.3 Onderdeel B klaagt over de afwijzing van het verzoek om tot pleidooi te worden toegelaten. Nu het oordeel van de rechtbank dat het verzoek tot tussenkomst niet toewijsbaar is, in cassatie stand houdt, hebben [eisers] geen belang bij behandeling van dit onderdeel dat immers ertoe strekt dat de rechtbank dit oordeel pas had mogen geven nadat het verzoek tot tussenkomst bij pleidooi was toegelicht. Het onderdeel miskent dat bij de toepassing van art. 3 lid 3 Ow de enkele tegenspraak van de gestelde hoedanigheid leidt tot afwijzing van het verzoek tot tussenkomst, zodat voor een processueel debat daarover geen plaats meer is.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eisers] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente begroot op € 371,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A. Hammerstein, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 14 november 2008.
Conclusie 14‑11‑2008
Inhoudsindicatie
Onteigening. Procesrecht; verzoek tot tussenkomst; strekking art. 3 lid 3 Ow; afwijzing van verzoek na enkele tegenspraak van gestelde hoedanigheid zonder verder processueel debat.
Rolnr. C07/191HR
mr. J. Spier
Zitting: 5 september 2008
Conclusie inzake
[Eiser 1] en
[Eiser 2]
(hierna tezamen: [eiser] c.s.)
tegen
De gemeente Haarlemmermeer
(hierna: de Gemeente)
1. Feiten en procesverloop
1.1 Uit de gedingstukken(1) en het bestreden vonnis van de Rechtbank Haarlem van 9 mei 2007 put ik de volgende feiten.
1.2 Bij exploot van 22 februari 2007 heeft de Gemeente zichzelf doen dagvaarden ter fine van vervroegde onteigening van (onder meer) een perceel met de kadastrale aanduiding gemeente Haarlemmermeer [A 001] en [A 002]. Dit exploot is op 28 februari 2007 aan [eiser] c.s. overbetekend.
1.3 [Eiser] c.s. zijn respectievelijk eigenaar van de percelen kadastraal bekend gemeente Haarlemmermeer, sectie [A], nummers [003 t/m 006]. Deze kadastrale percelen grenzen aan de onder 1.2 genoemde percelen.
1.4 [Eiser] c.s. hebben ter zitting van 7 maart 2007 (ieder afzonderlijk) geconcludeerd tot interventie in de onteigeningsprocedure. Zij stellen dat zij door verkrijgende (althans bevrijdende) verjaring eigenaar zijn geworden van een strook grond die is gesitueerd tussen de feitelijke in het veld waarneembare grens en de kadastrale grens; derhalve hebben zij recht en belang in het geding van onteigening tussen te komen ([eiser 1] voor perceel [002] en [eiser 2] voor [001]).
1.5 [Eiser] c.s. hebben verzocht hun zaak te mogen bepleiten.
1.6 Bij vonnis d.d. 11 april 2007 heeft de Rechtbank het verzoek om pleidooi afgewezen:
"2.1. Voorop moet worden gesteld dat [eiser] c.s. op grond van het bepaalde in artikel 134 Rv in beginsel het recht (lees:) hebben om (lees:) hun standpunten bij pleidooi toe te lichten. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, waaronder het arrest d.d. 15 november 2002 (NJ 2004, 2), zal een verzoek om de zaak te mogen bepleiten slechts in zeer uitzonderlijke gevallen mogen worden geweigerd. Daartoe is noodzakelijk dat van de zijde van de wederpartij tegen toewijzing van het verzoek klemmende redenen worden aangevoerd of dat toewijzing van het verzoek strijdig zou zijn met de eisen van een goede procesorde.
2.2. In haar conclusie van antwoord in het incident tot tussenkomst heeft de gemeente de hoedanigheid van [eiser] c.s. als eigenaar van de te onteigenen grond gemotiveerd betwist. Gelet daarop en op het bepaalde in artikel 3 lid 3 van de Onteigeningswet (hierna: Ow) zal de onteigening worden voortgezet met de overigen, in dit geval met de gemeente, en zal [eiser] c.s. zijn recht alleen op schadevergoeding kunnen uitoefenen, die wordt geconsigneerd overeenkomstig de Wet op de consignatie van gelden. De Hoge Raad heeft in zijn arrest d.d. 28 augustus 1934 (NJ 1934, 1689) overwogen dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de bedoeling van artikel 3 lid 3 Ow niet is om een derde te beletten in het geding tot onteigening te blijven waken tegen benadeling van de door hem beweerde rechten op het goed, maar alleen om, ter voorkoming van vertraging, daarin elk onderzoek naar het bestaan van de betwiste rechten uit te sluiten. Voorts heeft de Hoge Raad in dit arrest overwogen dat een beweerdelijk eigenaar bij afwijzing van het verzoek tot tussenkomst op grond van tegenspraak van zijn hoedanigheid, als derde belanghebbende de bevoegdheden kan uitoefenen die zijn neergelegd in de artikelen 35 e.v. Ow., voor zijn belangen zelfstandig kan optreden en bij miskenning van deze belangen in cassatie kan gaan. Aldus kan hij weliswaar niet de eigendomskwestie in de onteigeningsprocedure laten beslissen, maar kan hij wel als derde belanghebbende blijven deelnemen aan het proces en verlangen dat het te consigneren bedrag gelijk is aan de schadeloosstelling die verschuldigd zou zijn voor het geval komt vast te staan dat hij eigenaar is. In het licht van een en ander kan niet anders worden geoordeeld dan dat toewijzing van het verzoek tot het houden van pleidooi in dit geval strijdig zou zijn met de goede procesorde, omdat dit onredelijke vertraging van de onteigeningsprocedure tot gevolg zou hebben."
1.6 In haar vonnis van 9 mei 2007 heeft de Rechtbank het verzoek van [eiser] c.s. om te worden toegelaten als tussenkomende partij in het onteigeningsgeding afgewezen:
"3.1. [eiser] c.s. kunnen, gelet op het bepaalde in artikel 3, derde lid, Ow niet als tussenkomende partij in het geding van de onteigening worden toegelaten, aangezien de gemeente, in haar hoedanigheid van zowel eiseres als gedaagde in de hoofdzaak, zich daartegen heeft verzet.
3.2. Het voorgaande laat onverlet dat [eiser] c.s. niet wordt belet om in dit geding te blijven waken tegen benadeling van hun beweerde rechten en de bevoegdheden kunnen uitoefenen als neergelegd in de artikelen 35 e.v. Ow."
1.7 [Eiser] c.s. hebben tijdig cassatieberoep doen instellen. De Gemeente heeft het beroep bestreden. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht. De Gemeente heeft nog gedupliceerd.
2. Bespreking van het middel
2.1 Het middel bestaat uit de onderdelen A en B. Onderdeel A keert zich met twee klachten tegen het oordeel van de Rechtbank dat het verzoek tot interventie moet worden afgewezen. Onderdeel B, dat ook twee klachten bevat, keert zich tegen de afwijzing van het verzoek om pleidooi.
2.2 Onderdeel A.1 strekt kennelijk ten betoge dat [eiser] c.s. als bezitter het recht hadden te interveniëren. Ook de Gemeente begrijpt de klacht aldus (s.t. mr Scheltema onder 2.5).
2.3 Deze klacht kan niet tot cassatie leiden omdat [eiser] c.s. niet als bezitter, maar als eigenaar hebben willen interveniëren. Hun conclusie tot interventie laat geen andere lezing toe; de s.t. van mr Van Delden onder 1-3 zit op datzelfde spoor.
2.4 Onderdeel A.2 houdt in dat dat de Rechtbank heeft miskend dat uit art. 3 lid 3 Ow. niet volgt dat een enkel verzet tegen een verzoek om tussenkomst behoort te leiden tot afwijzing van het verzoek. [Eiser] c.s. hebben, zo vat ik samen, gesteld eigenaar te zijn geworden en de Gemeente heeft dat niet (voldoende) weersproken.
2.5 In haar vonnis van 11 april 2007 heeft de Rechtbank geoordeeld dat de Gemeente "de hoedanigheid van [eiser] c.s. als eigenaar van de te onteigenen grond gemotiveerd betwist". Het ligt voor de hand aan te nemen dat het vonnis van 9 mei 2007 daarop voortbouwt. Dat blijkt voldoende duidelijk uit rov. 3.1 van laatstgenoemd vonnis waar wordt gesproken van verzet van de Gemeente in haar hoedanigheid van eigenares.
2.6 Bij deze stand van zaken hadden [eiser] c.s. in het middel ten minste uit de doeken moeten doen waarom hun stellingen, geplaatst tegenover het gemotiveerde verweer van de Gemeente, zó evident zijn dat dit verweer als klaarblijkelijk ongefundeerd had moeten worden gepasseerd. Dergelijke stellingen zijn in het onderdeel evenwel niet te vinden.
2.7 Ten overvloede: de Gemeente heeft ten verwere aangevoerd dat uit de door [eiser] c.s. overgelegde foto's niet kan worden afgeleid hoe lang de feitelijke situatie zich al voordoet hetgeen eens te meer op hun weg had gelegen nu de Gemeente in het kader van de minnelijke onderhandelingen daarop steeds heeft gewezen (cva onder 5). Zonder nadere toelichting, die evenwel ontbreekt, kan van dit verweer niet worden gezegd dat het in het oog springend ongefundeerd is.
2.8 Bij dit alles moet nog worden bedacht dat de regeling van de tussenkomst in de onteigeningsprocedure een eigen karakter heeft. Wordt de hoedanigheid, waarin een requirant zich aanmeldt, tegengesproken dan is de afwijzing van het verzoek onontkoombaar; een onderzoek naar de gefundeerdheid van de tegenspraak of nadere instructie van het verzoek behoort niet tot de mogelijkheden. Dit is een uitvloeisel van het streven om het verloop van het geding zo min mogelijk te vertragen. In geval van tegenspraak komt er dus geen interventie, maar zal degene wiens verzoek is afgewezen, zijn recht uitsluitend kunnen uitoefenen op het in dit geval te consigneren bedrag aan schadevergoeding.(2)
2.9 Ook de Hoge Raad heeft zich - in een al oud arrest en geheel in overeenstemming met de bewoordingen der wet - in die zin over art. 3 Ow. uitgelaten:
"(...) dat toch art. 3 Onteigeningswet bepaalt, dat, indien een derde verzoekt op grond van eenig recht op het goed in het geding te mogen tusschenkomen, bij tegenspraak van dat recht de onteigening met de overigen wordt voortgezet, in welk geval de derde zijn beweerd recht alleen op schadevergoeding kan uitoefenen, die alsdan wordt geconsigneerd;
Dat uit de geschiedenis der wet blijkt, dat de bedoeling van deze bepaling niet is om zoodanigen derde te beletten in het geding tot onteigening te blijven waken tegen krenking van de door hem beweerde rechten op het goed, doch alleen om ter voorkoming van vertraging daarin elk onderzoek naar het bestaan dier betwiste rechten uit te sluiten (...)"(3)
2.10 Art. 3 Ow is opnieuw vastgesteld bij de Invoeringswet Nieuw BW, achtste gedeelte.(4) De MvT hierop luidt - onder meer - als volgt:
"Artikel 3
Tussen artikel 3, tweede zin, en artikel 59, derde lid, bestaat een hecht verband. Ingevolge artikel 59, derde lid, <<gaat de eigendom op de onteigenende partij over, vrij van alle lasten en rechten, welke daarop rusten>>. De rechtspraak heeft hieruit terecht de conclusie getrokken dat allen die tot die lasten en rechten gerechtigd zijn, recht hebben op schadeloosstelling en mitsdien als derde belanghebbenden in het onteigeningsgeding moeten kunnen tussenkomen, voor zover de wet geen andere voorziening heeft getroffen."
2.11 Onderdeel B keert zich tegen rov. 2.2 en 2.3 van het tussenvonnis van 11 april 2007.
2.12.1 Vooropgesteld moet worden dat de artikelen 52 en 53 Ow. bijzondere voorschriften bevatten omtrent het instellen van cassatieberoep. Die regeling komt erop neer dat daarbij de regeling van het instellen van hoger beroep werd gebruikt zoals die vóór 1838 heeft gegolden. Bovendien kende de directe voorganger van de Onteigeningswet uit 1851 (die van 1841) nog wel een hoger beroep.(5)
2.12.2 Bij de wetswijziging van 1 februari 1973 is de termijn voor het afleggen van de in art. 52 Ow bedoelde verklaring verlengd,(6) maar het fenomeen van het afleggen van de verklaring is gehandhaafd.
2.12.3 Volgens vaste jurisprudentie staat in onteigeningszaken alleen cassatieberoep open tegen een eindvonnis.(7) Beroep in cassatie tegen een tussenvonnis is niet-ontvankelijk. Klachten tegen beslissingen uit tussenvonnissen, voor zover zij met de eindbeslissing(en) in rechtstreeks verband staan, moeten tegen het eindvonnis worden aangevoerd.(8) In de bewoordingen van Uw Raad:
"dat hiervan evenwel niet (..) het gevolg is dat de gelegenheid geheel zou ontbreken grieven tegen misslagen en met de wet strijdige beslissingen, in zoodanige [tussen]vonnissen voorkomende, ter toetse te brengen, daar, voor zoover zoodanige beslissingen met de eindbeslissing in rechtstreeksch verband staan, zij geacht moeten worden ook daarin te zijn opgenomen en daarvan deel uit te maken en grieven tegen zoodanige beslissingen derhalve tegen het eindvonnis kunnen worden aangevoerd en bij gegrondbevinding tot vernietiging daarvan zullen leiden".(9)
2.13 Onderdeel B.1 ventileert een niet geheel duidelijke klacht. Onder verwijzing naar onderdeel A wordt betoogd dat de Gemeente het bezit heeft erkend en in het midden heeft gelaten of door bevrijdende verjaring eigendom is ontstaan.
2.14.1 Voor zover deze stellingen al een klacht behelzen, doen zij niet ter zake. Dat de Gemeente het bezit niet heeft bestreden, mist belang omdat [eiser] c.s. niet als bezitter hebben geïntervenieerd; zie onder 2.3.
2.14.2 Dat de Rechtbank in het midden heeft gelaten of sprake was van bevrijdende verjaring is niet juist. Zoals onder 2.5. reeds vermeld, heeft zij aangegeven dat de Gemeente het betoog van [eiser] c.s. gemotiveerd heeft betwist. Dat kan niet anders worden begrepen dan aldus dat zij het beroep op bevrijdende verjaring heeft verworpen. Daarop wijst trouwens ook de afwijzing van het verzoek.
2.15 Nu in cassatie zal moeten worden aangenomen dat niet vaststaat dat [eiser] c.s., hun pretenties ten spijt, eigenaar waren, konden zij niet als interveniënt (partij) worden aangemerkt. Daarom hadden zij geen recht op pleidooi. Reeds daarop stuit onderdeel B.2 af.
2.16 Ik onderken evenwel dat de zo-even geschetste afdoening van de klacht baron Von Münchhausen-achtige trekken vertoont. Daarom wil ik daarmee niet volstaan.
2.17 Het onderdeel neemt - terecht - tot uitgangspunt dat [eiser] c.s. wél hadden mogen interveniëren wanneer hun eigenaarspretenties slechts een juridische beoordeling vergden én de uitkomst daarvan geen andere kon zijn dat zij eigenaar waren.(10)
2.18 Nochtans spinnen [eiser] c.s. daarbij geen garen.
2.19.1 Ingevolge art. 21 Rv., dat ook voor de onteigeningsprocedure geldt (art. 2 Ow.), zijn partijen verplicht hun stellingen volledig en naar waarheid aan te voeren. Daarom lag het op de weg van [eiser] c.s. om reeds in hun conclusie tot interventie uit de doeken te doen waarop hun stelling dat zij ten minste sedert het begin van de tachtiger jaren van de vorige eeuw het bezit van de litigieuze grond hebben gehad berustte. Klaarblijkelijk hebben zij dat niet gedaan; uitgaande van de in het onderdeel betrokken stelling hadden zij meer te berde kunnen brengen. Dat komt voor hun eigen rekening. Eens te meer in het licht van hetgeen onder 2.8-2.10 werd vermeld.
2.19.2 Daar komt nog bij dat zij niet hebben gesteld dat sprake was van onafgebroken bezit, evenmin is aangevoerd hoe zij aan het bezit zijn gekomen en nog minder waarom zij niet uit de openbare registers konden zien dat hun pretentie op een vergissing berustte zoals de Gemeente heeft aangevoerd (art. 3:23 BW).
2.20.1 Met betrekking tot de aan het slot van 2.19.2 genoemde stelling van de Gemeente én hetgeen [eiser] c.s. bij pleidooi hadden willen aanvoeren (hetgeen, volgens het onderdeel, zo klemmend had kunnen zijn dat de Gemeente ter plaatse haar ongelijk inzag) zou wellicht (ik denk het niet) moeten worden aanvaard dat zulks voor het eerst in cassatie kan worden aangevoerd opdat de Hoge Raad zich over de relevantie en klemmendheid ervan een oordeel kan vormen. Zelfs als van dit laatste zou moeten worden uitgegaan, komt het [eiser] c.s. niet te stade omdat het middel op dit punt geheel stilzwijgt.(11)
2.20.2 Hoewel dat - toegegeven - een prognose is (die evenwel onvermijdelijk is, want door het onderdeel wordt uitgelokt) is bijzonder onaannemelijk dat [eiser] c.s. ten pleidooie zodanige feitelijke stellingen hadden kunnen ontwikkelen dat de Gemeente ter plaatse overstag zou gaan. Niet alleen omdat in die situatie had mogen worden aangenomen dat [eiser] c.s. deze eerder te berde hadden gebracht (waartoe zij, als gezegd, ook gehouden waren) maar ook omdat van algemene bekendheid is dat overheden niet licht op hun schreden terugkeren.
2.20.3 Zelf wanneer de in noot 11 genoemde stukken in de beschouwingen zouden (mogen) worden betrokken, bieden zij geen steun voor het betoog van [eiser] c.s. Hun met foto's gelardeerde stellingen maken immers niet, in elk geval niet zonder nader onderzoek, duidelijk wanneer deze foto's zijn gemaakt (dat was het kernverweer van de Gemeente). Bij die stand van zaken is voor de bewering dat de Gemeente, daarmee geconfronteerd, een ander standpunt zou hebben ingenomen m.i. geen enkele grond aanwezig. Noch ook had de Rechtbank, zonder nader feitenonderzoek waaraan art. 3 Ow. in dit soort kwesties evenwel in de weg staat, op grond van die foto's de feitelijke stellingen die aan de eigendomsprententie ten grondslag lagen voetstoots voor juist kunnen houden. Dat zo zijnde lopen [eiser] c.s. op tegen het in noot 10 genoemde arrest in stede van er baat bij te hebben.
2.21 Bij deze stand van zaken kan ik laten rusten dat uit art. 6 EVRM wordt afgeleid dat een partij, indien zij dit verzoekt, de gelegenheid behoort te krijgen haar standpunt mondeling ten overstaan van de rechter uiteen te zetten.(12) Immers heeft de Rechtbank [eiser] c.s. niet als partij aangemerkt, welk oordeel tevergeefs wordt bestreden.
Conclusie
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal
1 Het A-dossier is op essentiële onderdelen incompleet.
2 Losbl. Onteigening, eigendomsbeperking en kostenverhaal (Suppl. 91 november 2002), Bijz. I.B.I. blz. 9; J.E.F.M. den Drijver-van Rijckevorsel en A.W. van Engen, Onteigening (2003) blz. 43/44.
3 HR 28 augustus 1934, NJ 1934, 1689.
4 Invoeringswet Boeken 3, 5 en 6 nieuw B.W., achtste gedeelte, bevattende de aanpassing van de Wet op de Bedrijfsorganisatie en andere wetten, TK 1984-1985, 19 077, nrs. 1-3 blz. 67.
5 Zie noot Van Wijmen onder HR 20 december 2002, NJ 2003, 427 onder verwijzing naar na te noemen dissertatie van Wijting.
6 TK 1969-1970, 10590 nr. 3, blz. 16.
7 Zie art. 52 Ow.
8 W. Wijting, Een studie tot hervorming van het onteigeningsprocesrecht, diss. 1984, blz. 259/260 onder verwijzing naar HR 28 augustus 1925, NJ 1925, 1113; zie ook: HR 13 oktober 1954, NJ 1954, 774 en HR 7 december 1966, NJ 1967, 43 NJP.
9 HR 28 augustus 1925, NJ 1925, 1113 (citaat op blz. 1116).
10 HR 22 mei 1963, NJ 1963, 278 onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis.
11 Als bijlage bij de s.t. van mr Van Delden is een stapeltje stukken gevoegd dat daaraan, volgens Z.E.G., wél aandacht besteed. Ik ga daaraan voorbij omdat deze en dergelijke stellingen - indien het aanvoeren ervan voor het eerst in cassatie al mogelijk zou zijn - in het middel hadden moeten worden opgenomen, ook al om de Gemeente een behoorlijke mogelijkheid tot verweer te bieden.
12 Hugenholtz/Heemskerk (2006) nr. 75 met verdere bronnen.
Beroepschrift 05‑06‑2007
HEDEN, DE VIJFDE (5) JUNI TWEEDUIZENDZEVEN,
TEN VERZOEKE VAN:
[requirant 1] en [requirant 2], beiden wonende te [woonplaats] (NH), gemeente [gemeente], te dezer zake woonplaats kiezende te Leiden aan het Noordeinde 2A (Postbus 2020, 2301 CA), ten kantore van de advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. A.P. van Delden, die door mijn requirant tot advocaat wordt gesteld om hem als zodanig in de met dit exploot aanhangig te maken cassatieprocedure te vertegenwoordigen;
alsmede domicilie kiezende te 's‑Gravenhage bij de Hoge Raad der Nederlanden aan de Kazernestraat 52 aldaar;
[Heb ik, Hendrik Jan BOSWINKEL, als gerechtsdeurwaarder gevestigd te Haarlem en kantoorhoudende aldaar aan het Spaarne nr. 72:]
AAN:
de publiekrechtelijke rechtspersoon de gemeente Haarlemmermeer, zetelende te Hoofddorp, in vorige instantie laatstelijk woonplaats gekozen hebbende ten kantore van haar procureur mr J.C. Binnerts aan de Nieuwe Gracht 124 te (2011 NM) Haarlem, aldaar aan dat adres mijn exploot doende, sprekende met en afschrift dezes alsmede van na te melden stuk latende aan:
[Mw. J.M. Loerakker
aldaar werkzaam;]
BETEKEND:
een afschrift van de akte opgemaakt door de griffier van de rechtbank te Haarlem op 15 mei 2007, waaruit blijkt dat namens requiranten (hierna: ‘[requiranten] c.s.’) beroep in cassatie is aangetekend tegen het vonnis van genoemde rechtbank van 9 mei 2007, gewezen onder zaak/rolnummer 132983/HA ZA 07-291 tussen [requiranten] c.s. als eisers in de incidenten tot tussenkomst en de gemeente Haarlemmermeer (hierna: ‘de gemeente’) als eiseres in de hoofdzaak.
Voorts heb ik, deurwaarder, geheel exploiterend als voren omschreven de gemeente
GEDAGVAARD:
om op vrijdag de tweeëntwintigste (22) juni tweeduizendzeven, des voormiddags te 10.00 uur, niet in persoon, maar vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, te verschijnen ter terechtzitting van de Hoge Raad, eerste enkelvoudige kamer voor Burgerlijke Zaken, welke zitting alsdan gehouden wordt in het gebouw van de Hoge Raad aan de Kazernestraat 52 te 's‑Gravenhage, zulks onder mededeling dat, indien de gemeente niet verschijnt op 22 juni 2007 of op een door de Hoge Raad der Nederlanden nader bepaalde dag, hoewel de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen, de Hoge Raad der Nederlanden verstek tegen de gemeente zal verlenen;
TENEINDE:
alsdan aldaar namens mijn requiranten tegen voormeld vonnis te horen aanvoeren het navolgende:
Middel van cassatie:
Schending van het recht en verzuim van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen wegens de hieronder nader uit te werken — zonodig in onderlinge samenhang te beschouwen — redenen:
A. De afwijzing van de verzoeken tot interventie
In rechtsoverweging 3.1 van het bestreden vonnis overweegt de rechtbank naar aanleiding van de verzoeken tot interventie het volgende:
‘[requiranten] c.s. kunnen, gelet op het bepaalde in artikel 3, derde lid, Ow niet als tussenkomende partij in het geding van onteigening worden toegelaten, aangezien de gemeente, in haar hoedanigheid van zowel eiseres als gedaagde in de hoofdzaak, zich daartegen verzet.’
Tegen dit oordeel richt onderdeel A van het cassatiemiddel zich via twee klachten.
1
Bij arrest van uw Hoge Raad van 19 oktober 1949, NJ 1950, nummer 3 oordeelde uw Hoge Raad:
‘dat blijkens de artt. 57 en 59 der Onteigeningswet het recht van bezit ten gevolge van de onteigening door den bezitter verloren gaat; dat dan ook aannemelijk is, dat een bezitter, die niet eigenaar is van het te onteigenen goed, te rangschikken is onder hen die, als hebbende zakelijke rechten op het goed, ingevolge artikel 3 der Onteigeningswet bevoegd zijn aan den rechter te verzoeken in het geding van onteigening te mogen tussenkomen en dat zodanig bezitter, indien hij ten gevolge van de onteigening door verlies van het bezit van het in zijn bedrijf aangewend goed schade lijdt in zijn bedrijf, aanspraak kan doen gelden op vergoeding dier schade door de onteigenende partij;
Dat daaraan niet in den weg staat, dat het recht van bezit niet behoort tot de zakelijke rechten, waarvoor in de artt. 43 tot en met 47 der Onteigeningswet bijzonder regelingen zijn getroffen, noch dat de Onteigeningswet niet uitdrukkelijk bedrijfsschade als factor van schadeloosstelling noemt;
Dat bij de beoordeling of en zo ja welke schade de bezitter ten gevolge van onteigening van het in zijn bedrijf aangewend onroerend goed lijdt, uiteraard mede van belang is hoe lang naar omstandigheden aannemelijk is, dat zonder de onteigening de bezitter het goed nog in zijn bedrijf zou hebben kunnen blijven gebruiken; (…).’
Op grond van de hiervoor geciteerde overwegingen kwam uw Hoge Raad tot het oordeel dat de bezitter — ook indien deze niet is aan te merken als eigenaar — bevoegd is te verzoeken tot interventie. Die bevoegdheid impliceert dat de rechtbank dat verzoek behoort toe te wijzen, tenzij de gemeente het bezit betwist. Bij de conclusies van antwoord in de incidenten tot tussenkomst heeft de gemeente evenwel onder de punten 2 en 3 van beide conclusies het bezit in de zin van artikel 3:107, lid 1 BW van de bewuste strook grond erkend. Immers, de gemeente heeft erkend dat [requiranten] c.s. de stroken grond voor zichzelf houden. Dat de gemeente de door [requiranten] c.s. gestelde eigendom van de bewuste stroken heeft betwist doet aan die erkenning niets af.
2
[requiranten] c.s. hebben bovendien bij conclusie tot interventie gemotiveerd gesteld dat zij (in eik geval) door bevrijdende verjaring eigenaren zijn geworden van de bewuste stroken grond.
In het arrest van uw Hoge Raad van 22 mei 1963, NJ 1963, nummer 278 oordeelde uw Hoge Raad dat wanneer geen onderzoek naar de juistheid van de feitelijke grondslag van de stellingen van de verzoeken tot interventie behoeft te worden ingesteld doch de beoordeling van de vraag of het verzoek tot tussenkomst al dan niet kan worden toegewezen uitsluitend afhankelijk is van de beantwoording van een rechtsvraag, geen aanleiding bestaat om het verzoek af te wijzen zonder dat de desbetreffende rechtsvraag is beantwoord:
‘(…) mitsdien een onderzoek naar de juistheid van den feitelijken grondslag niet behoeft te worden ingesteld, doch de rechtbank ter beoordeling van de vraag of het verzoek tot tussenkomst al dan niet kan worden toegewezen, uitsluitend een rechtsvraag te beslissen had, waardoor het geding van onteigening niet wordt vertraagd.’
Ook in casu had de rechtbank uitsluitend een rechtsvraag te beantwoorden nu de door de [requiranten] c.s. gestelde feiten niet althans onvoldoende door de gemeente zijn betwist. Immers, de gemeente heeft het bezit van de bewuste stroken grond niet betwist en het gestelde feit dat de eigenaren van de aan de in de onteigening begrepen grond grenzende percelen tenminste sinds het begin van de jaren '80 (en hoogstwaarschijnlijk vele decennia langer) reeds het bezit van de strook hebben, evenmin gemotiveerd betwist. De gemeente heeft immers bij de conclusies van antwoord in de incidenten slechts gesteld dat aan de hand van de door [requiranten] c.s. overgelegde foto's niet kan worden vastgesteld hoe lang de huidige situatie heeft voortgeduurd. [requiranten] c.s. hebben bovendien pleidooi gevraagd om een nadere toelichting op de door hen gestelde feiten te geven.
Nu
- (1)
het bezit ten tijde van het vonnis niet is bestreden,
- (2)
[requiranten] c.s. feitelijk hebben gesteld en hebben bewezen, althans aannemelijk hebben gemaakt dat het bezit sinds jaar en dag aanwezig was,
- (3)
de gemeente de periode sinds wanneer het bezit van de bewuste stroken grond bestaat niet heeft bestreden en
- (4)
[requiranten] c.s. hebben aangeboden hun feitelijke stelling bij pleidooi nader toe te lichten, heeft de rechtbank in redelijkheid niet tot de slotsom kunnen komen dat is komen vast te staan dat tussen [requiranten] c.s. enerzijds en de gemeente anderzijds verschil van mening bestond over de feiten waarop [requiranten] c.s. het recht op tussenkomst baseerden.
In het licht van al het voorgaande is zonder nadere toelichting onbegrijpelijk het standpunt van de rechtbank dat [requiranten] c.s. niet als tussenkomende partijen in het geding van onteigening kunnen worden toegelaten aangezien de gemeente zich daartegen heeft verzet. Deze overweging miskent dat uit artikel 3, lid 3 Onteigeningswet niet volgt dat een enkel verzet tegen een verzoek om tussenkomst behoort te leiden tot afwijzing van het verzoek. Integendeel, voor de afwijzing van een verzoek om tussenkomst is slechts plaats wanneer de gemeente het door interveniënt gestelde recht tegenspreekt. Bovendien dient artikel 3, lid 3 Onteigeningswet niet te worden toegepast indien de vraag of een verzoek tot tussenkomst al dan niet kan worden toegewezen uitsluitend afhankelijk is van de beantwoording van een rechtsvraag. Nu de gemeente het bezit ten tijde van het bestreden vonnis niet heeft tegengesproken, de door [requiranten] c.s. gestelde feiten omtrent de duur van het bezit evenmin heeft tegengesproken maar slechts in het midden heeft willen laten en [requiranten] c.s. uitdrukkelijk hebben verzocht om pleidooi om de feiten toe te lichten, heeft de rechtbank de verzoeken om tussenkomst niet met een beroep op artikel 3, lid 3 Onteigeningswet kunnen afwijzen.
B. De afwijzing van het verzoek om pleidooi
In het (tussen)vonnis in het incident d.d. 11 april 2007 overweegt de rechtbank in de rechtsoverwegingen 2.2 en 2.3:
‘In haar conclusie van antwoord in het incident tot tussenkomst heeft de gemeente de hoedanigheid van [requiranten] c.s. als eigenaar van de te onteigenen grond gemotiveerd betwist. Gelet daarop en op het bepaalde in artikel 3, lid 3 van de Onteigeningswet (hierna: Ow) zal de onteigening worden voortgezet met de overigen, in dit geval met de gemeente, en zal [requiranten] c.s. zijn recht alleen op de schadevergoeding kunnen uitoefenen, die wordt geconsigneerd overeenkomstig de Wet op de consignatie van gelden. De Hoge Raad heeft in zijn arrest d.d. 28 augustus 1934 (NJ 1934, 1689) overwogen dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de bedoeling van artikel 3, lid 3 Ow niet is om een derde te beletten in het geding tot onteigening te blijven waken tegen benadeling van de door hen beweerde rechten op het goed, maar alleen om, ter voorkoming van vertraging, daarin elk onderzoek naar het bestaan van de betwiste rechten uit te sluiten. Voorts heeft de Hoge Raad in dit arrest overwogen dat een beweerdelijk eigenaar bij afwijzing van het verzoek tot tussenkomst op grond van tegenspraak van zijn hoedanigheid, als derde belanghebbende de bevoegdheden kan uitoefenen die zijn neergelegd in de artikelen 35 e. v. Ow, voor zijn belangen zelfstandig kan optreden en bij miskenning van deze belangen in cassatie kan gaan. Aldus kan hij weliswaar niet de eigendomskwestie in de onteigeningsprocedure laten beslissen, maar kan hij wel als derde belanghebbende blijven deelnemen aan het proces en verlangen dat het te consigneren bedrag gelijk is aan de schadeloosstelling die verschuldigd zou zijn voor het geval komt vast te staan dat hij eigenaar is. In het licht van een en ander kan niet anders worden geoordeeld dan dat toewijzing van het verzoek tot het houden van pleidooi in dit geval strijdig zou zijn met de goede procesorde, omdat dit onredelijke vertraging van de onteigeningsprocedure tot gevolg zou hebben.
2.3
Gezien het voorgaande zal de rechtbank het pleidooiverzoek afwijzen.’
Tegen dit oordeel richt onderdeel B van het cassatiemiddel zich via twee klachten.
1
Reeds in deze overweging van het tussenvonnis ligt besloten dat de rechtbank ten tijde van het tussenvonnis voornemens was om, zoals omschreven in het dictum van het eindvonnis, met toepassing van artikel 3, lid 3 Onteigeningswet de verzochte interventies af te wijzen. Hiertoe wordt in het tussenvonnis uitsluitend overwogen dat de gemeente de hoedanigheid van [requiranten] c.s. als eigenaar van de te onteigenen grond gemotiveerd heeft betwist. Zoals bij de bespreking van onderdeel A van het cassatiemiddel reeds is toegelicht, heeft de gemeente het bezit noch de eigendom betwist, laat staan gemotiveerd betwist. De gemeente heeft het bezit erkend en in het midden gelaten of door bevrijdende verjaring eigendom is ontstaan.
2
De verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 28 augustus 1934 (NJ 1934, 1689) kon in casu niet de afwijzing van het verzoek om pleidooi rechtvaardigen. [requiranten] c.s. hebben immers expliciet pleidooi gevraagd om de feitelijke situatie te kunnen toelichten. Zouden [requiranten] c.s. in de gelegenheid zijn gesteld de feitelijke situatie bij pleidooi toe te lichten dan was bepaald niet uitgesloten geweest dat de gemeente op grond van deze toelichting de door [requiranten] c.s. gestelde feiten expliciet zou hebben erkend. In dat geval zou de rechtbank op basis van de erkende feiten uitsluitend de rechtsvraag hebben behoeven te beantwoorden of de hoedanigheid van [requiranten] c.s. als bezitters of eigenaren van de bewuste stroken grond noopte tot toewijzing van de verzoeken. Zoals bij de bespreking van onderdeel A van het cassatiemiddel reeds aan de orde is gesteld, volgt uit het arrest van uw Hoge Raad van 22 mei 1963, NJ 1963, 278 dat de (enkele) beantwoording van een rechtsvraag niet leidt tot een vertraging van de onteigeningsprocedure.
Vergelijk ook paragraaf 2.4 en paragraaf 2.5 van de conclusie van A.G. mr. Moltmaker bij het arrest van uw Hoge Raad van 24 juni 1992, nummer 1139,NJ1993, 548.
De rechtbank heeft dus, door enkel te verwijzen naar het arrest van 28 augustus 1934 (NJ 1934, 1689) en meer actuele rechtspraak over de toepassing van artikel 3, lid 3 Onteigeningswet, in het bijzonder het arrest van uw Hoge Raad van 22 mei 1963, NJ 1963, 278, buiten beschouwing te laten, ten onrechte geoordeeld dat toewijzing van het verzoek tot het houden van pleidooi in dit geval strijdig zou zijn met de goede procesorde, omdat dit onredelijke vertraging van de onteigeningsprocedure tot gevolg zou hebben.
In casu had de toewijzing van het verzoek om pleidooi geenszins tot onredelijke vertraging van de onteigeningsprocedure geleid, en was bovendien te verwachten dat het verzochte pleidooi had kunnen bijdragen aan een correcte beslissing omtrent de verzoeken tot interventie nu het pleidooi immers had kunnen bijdragen aan de vaststelling van de vraag of partijen (relevant) met elkaar van mening verschilden over de door [requiranten] c.s. gestelde feiten.
De rechtbank heeft dan ook ten onrechte afgeweken van de door de rechtbank zelf in overweging 2.1 van het tussenvonnis genoemde, in vaste jurisprudentie tot stand gekomen hoofdregel dat een verzoek om de zaak te mogen bepleiten slechts in zeer uitzonderlijke gevallen mag worden geweigerd.
Gelet hierop is onbegrijpelijk dat de rechtbank het verzoek om pleidooi heeft afgewezen.
Mitsdien:
Op grond van vorenstaand middel te horen vernietigen het vonnis waartegen het is gericht met zodanige verdere beslissing als de Hoge Raad zal vernemen te behoren, kosten rechtens.
De kosten dezes voor mij, deurwaarder, | € 70,85 |
BTW | € 13,46 |
€ 84,31 |
[De opdrachtgever verklaart dat hij/zij niet b.t.w.-plichtig is in de zin van de Wet op de Omzetbelasting 1968]
Deurwaarder