HR, 14-07-2006, nr. C05/014HR
ECLI:NL:HR:2006:AX9388
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
14-07-2006
- Zaaknummer
C05/014HR
- LJN
AX9388
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht (V)
Verbintenissenrecht / Onrechtmatige daad
Sociale zekerheid algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2006:AX9388, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 14‑07‑2006
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AX9388
ECLI:NL:HR:2006:AX9388, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 14‑07‑2006; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AX9388
- Vindplaatsen
Conclusie 14‑07‑2006
Inhoudsindicatie
Beroepsaansprakelijkheid. Geschil tussen advocaat en voormalig cliënt over aansprakelijkheid van de advocaat voor de schade als gevolg van beweerdelijke beroepsfout bestaande in het in een sociale verzekeringszaak niet aanzeggen van wettelijke rente; zie eerder HR 26 november 2004, nr. C03/270, NJ 2006, 115 (81 RO).
Rolnr C05/014HR
mr J. Spier
Zitting 14 april 2006
Conclusie inzake
[Eiseres]
tegen
[Verweerder]
1. Inzet van de procedure, feiten en procesverloop
1.1 [Eiseres] vordert schadevergoeding van [verweerder] ten belope van fl. 71.257,54. [Verweerder] heeft voor haar - met succes - een procedure behandeld in verband met een AAW/WAO-uitkering. Zij verwijt [verweerder] geen wettelijke rente te hebben aangezegd.
1.2 In zijn uitspraak van 9 mei 1990 heeft de Centrale Raad van Beroep de bestreden beslissing, voor zover deze de WAO betrof, vernietigd. Vervolgens is [eiseres] alsnog een AAW/WAO-uitkering verstrekt op 15 december 1990.(1)
1.3 [Verweerder] heeft zich (nog meer subsidiair) op verjaring beroepen.
1.4 In haar vonnis van 6 september 2001 heeft de Rechtbank Maastricht de vordering afgewezen. Zij heeft daartoe, voor zover thans van belang, overwogen:
"De rechtbank is van oordeel dat van die subjectieve verjaring sprake is op 15 december 1990. Immers op die dag heeft de bedrijfsvereniging de achteraf ten onrechte niet uitgekeerde uitkering ingevolge de AAW en de WAO uitbetaald en bleef betaling van de wettelijke rente achterwege. Vanaf die dag wist [eiseres] derhalve dat geen rente werd vergoed en was zij derhalve bekend met de schade. [Eiseres] was op die dag eveneens bekend met de persoon van degene die de schade had veroorzaakt, zijnde [verweerder]. (...) Dat [eiseres] er wellicht op dat moment niet van op de hoogte was dat voor betaling van de wettelijke rente op grond van artikel 1286 BW (oud) aanzegging was vereist doet aan het vorenstaande niet af. Noch uit de tekst van artikel 3:310, lid 1, BW noch ook uit de daarop betrekking hebbende wetsgeschiedenis valt op te maken dat het begrip "bekend" niet feitelijk maar juridisch dient te worden ingevuld. De verjaring was derhalve voltooid op 15 december 1995. Nu [verweerder] eerst bij brief van 22 november 1996 ter zake is aangesproken slaagt de hier besproken weer van verjaring" (rov. 3.4).
1.5 [Eiseres] is in hoger beroep gegaan. Haar grief is gericht tegen het honoreren van het beroep op verjaring. Volgens de toelichting op de grief kon zij eerst na de publicatie van het arrest HR 12 juni 1992 (NJ 1993, 113) weten dat ze rente miste. Voordien kon zij evenmin bekend zijn met de aansprakelijke persoon.
1.6 In zijn arrest van 29 april 2003 heeft het Hof 's-Hertogenbosch het bestreden vonnis bekrachtigd "met verbetering van gronden". Het Hof gaat er veronderstellenderwijs van uit dat de vordering niet is verjaard (rov. 4.6).(2) Vervolgens wordt de vordering ten gronde besproken. Naar 's Hofs oordeel heeft [verweerder] geen beroepsfout gemaakt (rov. 4.8).
1.7 [Eiseres] heeft zich tijdig van beroep in cassatie voorzien. Tegen [verweerder] is verstek verleend. [Eiseres] heeft haar standpunt schriftelijk doen toelichten.
2. Afdoening van het beroep
2.1 Het Hof heeft, als gezegd, in het midden gelaten of de vordering al dan niet is verjaard.(3)
2.2 Het oordeel van de Rechtbank is juist. De daartegen gerichte grief is dus ongegrond en kon door het Hof slechts worden verworpen. Ik moge verwijzen naar het arrest [eiseres]/[verweerder].(4) De in dat arrest beslechte zaak is in alle relevante opzichten identiek aan de onderhavige.(5)
2.3 [Eiseres] mist aldus belang bij haar klacht. Daarop behoeft dan ook niet te worden ingegaan.
Conclusie
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal
1 Rov. 2.3/2.4 van het vonnis van de Rechtbank Maastricht van 6 september 2001.
2 In rov. 4.9 laat het Hof deze kwestie in het midden.
3 Daarom is niet goed duidelijk waarom het bestreden vonnis "met verbetering van gronden" wordt bekrachtigd.
4 HR 26 november 2004, RvdW 2004, 134.
5 In de s.t., genomen bijna een jaar na genoemd arrest, wordt over deze kwestie met geen woord gerept.
Uitspraak 14‑07‑2006
Inhoudsindicatie
Beroepsaansprakelijkheid. Geschil tussen advocaat en voormalig cliënt over aansprakelijkheid van de advocaat voor de schade als gevolg van beweerdelijke beroepsfout bestaande in het in een sociale verzekeringszaak niet aanzeggen van wettelijke rente; zie eerder HR 26 november 2004, nr. C03/270, NJ 2006, 115 (81 RO).
14 juli 2006
Eerste Kamer
Nr. C05/014HR
RM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiseres],
wonende te [woonplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[Verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - heeft bij exploot van 29 maart 2000 verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - gedagvaard voor de rechtbank te Maastricht en gevorderd [verweerder] te veroordelen aan [eiseres] te betalen een bedrag van ƒ 71.257,54, te vermeerderen met de wettelijke rente.
[Verweerder] heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft bij vonnis van 6 september 2001 het gevorderde afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Bij arrest van 29 april 2003 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd, met verbetering van gronden.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de niet verschenen [verweerder] is verstek verleend.
De zaak is voor [eiseres] toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van [eiseres] heeft bij brief van 28 april 2006 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op heden aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren H.A.M. Aaftink, als voorzitter, A.M.J. van Buchem-Spapens en J.C. van Oven, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 14 juli 2006.